Dus--wàt is nu je plan?"

Daar Willem halsstarrig bij zijn eerste voornemen blééf, roeiden zij dan

's avonds naar den Zuidelijken oever van het Legmeer, waar de boer al

met zijn rijtuig op hen wachtte.

Zij namen hun weg bezuiden het Haarlemmermeer en na een rit van

verscheidene uren geraakten zij zonder tegenspoed tot in de buurt van

het dorp Noordwijk.

Hier zou de boer blijven wachten. Ep sloeg met Willem een duinpad in.

Het pad was hem blijkbaar volkomen bekend, want schoon het vrij donker

bleek, liep hij zonder de minste aarzeling voor Willem uit, tot zij

eindelijk aan een eenzame duinhut gekomen waren.

Ep de Breukelaar tikte aan het venster.

»Wie daar?" werd er van binnen geroepen.

»Goed volk, doe maar open Teun!"

»Ha, zoo! Ben jij het?"

Er volgde nu eenig gestommel; daarop werden beiden binnen gelaten.

Bij het licht van een zwak olielampje zag Willem, dat de visscher geheel

gekleed was. Hij kwam dus niet rechtstreeks uit bed, schoon het toch

middernacht moest zijn.

»En dat is dus de jonge borst, dien we naar Engeland moeten

prakkizeeren?" zei Teun. »Nou, je hebt schoon gelijk, hoor! En wat

het mooiste is, er leit juist een Engelschman op de kust. Hij heeft

duidelijk een paar maal sein gemaakt.

Asjeblieft Ep, daar heb-je wat koffie, suiker en thee en een paar

pondjes tabak!--Maar nou moet ik er dadelijk op uit, want de maats

zullen al met ongeduld op me wachten!"

Willem begreep onmiddellijk--uit den aard der artikelen die Teun zijn

broer present deed--dat de Noordwijker, evenals zoovéle visschers wier

bedrijf door het continentaal stelsel zoo goed als stil stond--het

gevaarlijk bedrijf van smokkelaar uitoefende en dat hijzelf op zoo'n

nachtelijken smokkeltocht aan boord van het Engelsche vaartuig zou

gebracht worden.

Hij was evenwel tot alles bereid en nadat Ep dus afscheid genomen had om

weer met den boer naar huis te rijden, gaf hij zich moedvol aan het

geleide van zijn nieuwen helper over.

»Nu geen woord spreken," zei Teun, »en je nergens over verwonderen!"

Willem beloofde dit en volgde vol vertrouwen zijn gids die, een

roeispaan over den schouder, met de grootste behoedzaamheid in het

duister voortschreed...

Dáár bleef de smokkelaar staan. Willem zag hem iets in den mond steken.

Een soort van fluitje moest het geweest zijn, want plots liet de

Noordwijker, bedrieglijk natuurlijk, het geluid van een smient hooren.

Hij wachtte even... Daar klonk, heel zacht, hetzelfde fluitgeluid als

antwoord... Donkere gestalten kwamen uit het duister naar voren, en een

oogenblik later had zich een vijftal mannen bij hen gevoegd, ieder,

evenals Teun, een riem over den schouder.

»Wie heb je daar bij je?" werd achterdochtig gefluisterd.

»Een neef van me, die op 't oogenblik werkeloos is," zei Teun gedempt.

Hij vond dit korte leugentje gemakkelijker, dan zijn maats een

breedvoerigen uitleg te geven.

Met de grootste behoedzaamheid sloegen de smokkelaars nu een duinpad in,

waarlangs zij weldra het strand genaderd waren.

»De kustwacht!" waarschuwde de voorste opeens.

»Laat je plat op den grond vallen!" fluisterde Teun tot Willem.

Hij deed het onmiddellijk, bijna te gelijk met de anderen.

Terwijl zij daar nu roerloos bleven liggen, weifelden de vage

lichtvlakken van een schommelende handlantaarn over het strand. Het

bleken inderdaad eenige mannen van de kustpolitie die een nachtelijke

ronde deden.

Toen het licht eindelijk weer verdwenen was, rezen de smokkelaars

overeind.

Willem meende, dat zij nu regelrecht naar het strand zouden gaan, maar

hij vergiste zich:

De Noordwijkers begonnen, even ter zijde van het pad, volijverig in het

zand te woelen en daarop kwam een omgekeerde vlet te voorschijn, die

gekanteld en naar zee gezeuld werd. De meegebrachte riemen werden

tusschen de roeipinnen geplaatst... Geruischloos gleed het vaartuig den

nacht in.

Het lantaarnlicht in een der masten verried de plaats waar de

koopvaarder ten anker lag.

Spoedig had men het vaartuig bereikt en onderwijl Teunis met Willem

langs de uitgeworpen valreep aan boord klom, werden achtereenvolgens

verscheidene vaatjes, kisten en balen in de vlet neergelaten.

Na een kort onderhoud met den koopman en den schipper, kwam Teun alleen

weer van boord.

»En je neef?" vroeg er een.

»Heeft zich als scheepstimmerman laten aannemen! Vooruit, mannen!"

Langzaam gleed de zwaargeladen vlet de kust te gemoet.

Willem Stargardt bevond zich op Engelsch grondgebied; hij was gered!

Derde Hoofdstuk.

Een vreeselijke nacht.

Tegenover de militaire macht, die thans binnen Amsterdam was vereenigd,

viel aan geen nieuw verzet meer te denken. De lotelingen meldden zich

dan ook aan, behalve Willem Stargardt en nog acht of negen anderen die

voorloopig onvindbaar waren. En in den vroegen morgen van Zaterdag,

den 13den April, trokken zij heen, ditmaal in het midden der Nationale

garden (schutters) die hiertoe des nachts waren gewekt, zonder dat zij

wisten welke dienst van hen werd gevorderd.

De droeve stoet trok de Utrechtsche poort uit, de buitensingels langs,

tot op den Haarlemmerweg,--zwijgend, somber, als bij een doodenmarsch.

Het Amsterdamsche volk gevoelde zich als een afgeranselde hond, die

plots een wilden sprong aan zijn ketting had gedaan. Maar de ketting was

niet gebroken en de sprong had het arme dier slechts pijnlijk gewond.

Onmiddellijk toch nadat de conscrits vertrokken waren, werden

achtereenvolgens tal van personen gevangen genomen en in verscheidene

woningen werd huiszoeking gedaan.

In huivering van angst ging het gerucht dier gebeurtenissen de stad

door, een atmosfeer van wee scheen plotseling dompig in alle straten

neer te hangen, de menschen ademden als onder een zware benauwenis.

Franciscus Stargardt stond dien morgen juist klaar om met zijn vischkar

de stad in te gaan, toen een wachtmeester der gendarmen met twee

ondergeschikten voor zijn deur stil hielden. Zij stegen af en onderwijl

één van hen drieën bij de paarden bleef, traden de beide anderen binnen.

»We komen huiszoeking doen!" zegt de wachtmeester.

»Ga je gang!" antwoordt de kreupele onverschillig.

Doch die onverschilligheid is maar schijn; want bedwongen toorn

doorsiddert hem het bloed tot in de uiterste vezelen. Hij vindt het

onverdraaglijk, dat die kerels bij hem rond komen spionneeren en dat

hij dit machteloos moet aanzien.

Die vreemde huurlingen kunnen zijn geheele huis het onderste boven

halen; zij kunnen zijn brieven en papieren nalezen zoo ze dat willen; en

als hij zich verzet, dan weet hij, dat ze hem zullen wegsleepen naar de

gevangenis op den Heiligenweg, of naar een der drie andere gebouwen, die

ijverig door de politie met ongelukkige stadgenooten worden volgepropt.

Moeder Jane houdt zich wondergoed, onderwijl zij de gendarmen zoo in de

weer ziet. Zij halen de kasten open, zij onderzoeken de bedsteden; de

wachtmeester stoot zijn degen hier en daar in het stroo en luistert dan,

of hij niets hoort, waarop hij het staal bekijkt, of er geen bloed

aankleeft.

Dan zetten de gendarmen het onderzoek weer voort; blijkbaar hebben zij

het meer bij de hand gehad. In de pronkkamer kijken zij spiedend den

ongebruikten schoorsteen in, zij halen er het pronkbed over den vloer

en trappen er op met hun smerige laarzen; zij kloppen langs de muren,

en luisteren naar den klank dien de muren geven; zij doorsnuffelen het

geheele huis en klimmen van den kelder tot aan de vliering.

Doch Willem Stargardt kunnen zij niet vinden en teleurgesteld rijden zij

eindelijk weer weg.

Nog verbitterd over de huiszoeking der gendarmen vangt Franciscus daarop

zijn dagelijkschen rondgang bij de klanten aan.

Zijn gemoed is bovendien bekommerd over Willem. Want wordt de arme

jongen gesnàpt, dan gaat het om zijn leven. En slààgt hij in zijn pogen,

dan zal hij toch nooit wellicht zijn kind nog weer terugzien...

En dat alles om de heerschzucht van den Keizer, wrokt het in hem...

Om de heerschzucht van één enkel mensch zijn van morgen al die gezonde,

jonge mannen als een weerlooze schapendrift de stad uitgevoerd...

Hoeveel zullen er van terug komen?... En _hoe_ komen die dan misschien

terug?...

Een opbeving van haat doortrilt hem plots, fel uitsidderend in de

saâmgekrampte, zware wenkbrauwen.

Maar hij wil aan dit gevaarlijk haatgevoel niet toegeven.----Hij wil het

bedwingen en klemt de tanden op elkaar als onder de steking van een

vlijmende pijn.

Op zijn rondgang hoort hij echter niets dan allerlei schokkend nieuws,

sarrend zijn verontwaardiging, om zich los te wringen uit den worgenden

greep van zijn wil.

Hier verneemt hij, dat Anthonie Hantelman, nog geen uur geleden, werd

gearresteerd.

Wat verder weet men hem te vertellen, dat Toon Janssen eveneens gevat

werd.

»Bij wel twintig menschen is nu al huiszoeking gedaan!" hoort hij

elders.

»Emanuel van Praag en Barth Meijer uit de Jodenbreêstraat zitten óók al

achter slot!" verzekert een ander.

Sneller hipt de kreupele achter zijn vischkar voort, als gedreven door

de rusteloos elkander najachtende bevliegingen van zijn grimmigen wrok.

Voor den winkel van mijnheer Vermaat, den tabaksverkooper over de Munt,

houdt hij eindelijk weer stil.

Mijnheer Vermaat heeft hem een bestelling gedaan met het oog op de

naderende Paschen. Hij is nog een oud vriend van Stargardt uit die

dwaas-opgewonden dagen van »gelijkheid en broederschap" en zelden zal

hij verzuimen een praatje te maken, als Franciscus komt venten.

Ook nu weer staat de tabaksverkooper in zijn winkeldeur, onderwijl

Franciscus' mes, stuk voor stuk, de bestelde waterbaars schrapt en

kerft.

»Jan Dupker ook al door de gendarmen weggehaald, hè?" zegt mijnheer

Vermaat meewarig.

»Jan Dupker?!..."

Het boven zijn werk gebogen hoofd van den kreupele veert overeind, de

punt van het vinnige schrapmes wijst eensklaps doelloos de lucht in.

»Jan Dupker?!..."

»Had je 't nog niet gehoord?"...

Neen, hij had het nog niet gehoord. Maar Dupker was, zoo al geen vriend,

dan toch een goede kennis van hem. Het bericht schokte hem daarom meer

dan alles wat hij tot nog toe reeds vernomen had.

Jan Dupker!... Wat tijden waren het dan toch!

Driftig greep hij een grooten, volronden baars; en de schubben vliegen

als zilverspetten in het voorjaarszonnelicht.

God, God, wat moet men al beleven tegenwoordig!

Reng!--Venijnig kerft het mes een diep gapende snede in de

blankgeschrapte visch.

Reng!!--'t Is of zijn haat zich moet uitvieren in de kracht van iedere

verwonding.

»Ho, ho, je wilt me toch het beest niet aan moten kerven?" meent de

tabaksverkooper te moeten waarschuwen.

»Ik wou," barst Stargardt nu grimmig uit, »dat ik Napoleon zoo eens

onder handen had!"

Verschrikt schiet mijnheer Vermaat opeens den winkel in, gebarend of

men daar iets brak. Hij wenscht niet als getuige tegen een stadgenoot op

te treden en vooràl niet, waar die stadgenoot daarenboven nog een oud

vriend van hem is.

Franciscus begrijpt opeens, hoe zeer hij zich vergat. Hij siddert en

ziet schrikkerig rond... Maar die voorbijgangers, neen, die moesten hem

toch niet gehoord hebben, stelt hij zich gerust. Anders zouden ze daar

toch wel eenig blijk van geven!

Met aandacht schrapt en kerft hij vervolgens de overige baarzen, zich

dwingend geheel òp te gaan in dien arbeid.

»Drommels, dat was een leelijk-onvoorzichtige uitval van me, hè? daar

zoo metéén!" zegt hij bij het weggaan.

»Onvoorzichtige uitval?..."

Mijnheer Vermaat's gezicht veinst groote verbazing: »Ik weet nergens

van!--Maar ja, voorzichtigheid is in dezen tijd wel aan te bevelen,"

laat hij er waarschuwend op volgen.

Franciscus begrijpt wel, dat de tabaksverkooper liever buiten de zaak

wenscht te blijven, en daar is hij hem dankbaar voor. Maar zoo'n vaart

zal het niet loopen. Niemand heeft zijn uitval immers gehoord! Hij maakt

zich daarover dan ook in 't minst niet angstig, ja, een oogenblik later

denkt hij er zelfs niet meer aan.

In den laten namiddag vertelde hem Ep de Breukelaar in de gauwigheid,

dat Willem onverlet bij zijn broer was aangekomen en hij twijfelde niet,

of de jongen zou nu wel al veilig op zee zijn.

Franciscus, die juist zijn kar leeg had, repte zich, om deze tijding aan

moeder Jane te brengen.

De beide Paaschdagen die nu volgden, gingen voor de Stargardts niettemin

treurig voorbij; want hun spreken en denken was steeds over Willem: Waar

hij nu wel wezen mocht, of zij hem ooit nog wel eens terug zouden zien,

ja, of het misschien toch niet beter zou zijn geweest, als hij zich maar

gewillig weer aangemeld had.

»Dat is de eerste Paschen," zei Stargardt 's avonds bij het naar bed

gaan, »die we niet feestelijk hebben doorgebracht."

»Ja", zuchtte Jakob verveeld, »'t zijn voor dit jaar een paar

verdrietige dagen geweest".

»Och", zei moeder Jane, »laten we maar dankbaar zijn, dat ze nog zóó

waren. Als de gendarmen onzen Willem eens bij Ep de Breukelaar hadden

gesnapt, zouden zij dan niet oneindig veel treuriger zijn geweest?"

Ja, moeder had wel gelijk, meenden zij, deze Paschen had nog heel wat

rampzaliger kunnen zijn. En hoe armelijk die troost was, toch gingen zij

daardoor nog onder een vleugje van blijmoedigheid ter rust.

Midden in den nacht schrikten zij eensklaps wakker door een hevig

deurgeklop.

»Gerechtige goedheid, wat moet dàt beteekenen?" vroeg moeder Jane

angstig.

»Ik denk vrouw, dat het gendarmen zijn, die opnieuw naar Willem komen

zoeken".

»En ze weten al, dat hij hier niet is!"

»Maar hij kon later nog wel in het ouderlijk huis teruggekomen zijn, in

de meening dat hij, nà de huiszoeking, daar volkomen veilig was, zullen

ze denken".

Het geklop op de deur herhaalde zich, maar nu veel luider dan te voren.

»Hemel, wat gaan ze te keer!" klaagde Jane ontdaan.

Jakob had reeds broek en kousen aangeschoten:

»Ik zal wel even kijken, wat er aan de hand is!"

Ook zijn ouders waren het bed al uit en begonnen zich te kleeden,

onderwijl Jakob naar de huisdeur liep.

Het kloppen was nu in bònzen overgegaan.

»Wie daar?" riep Jakob.

»De politie!" werd er terug geroepen. »Doe maar gauw open of we trappen

de deur in!"

Jakob schoof de grendels weg en onmiddellijk traden hem twee mannen

voorbij, die regelrecht de kamer in liepen.

Bij het licht van de kaars, die moeder Jane dadelijk bij het opstaan had

aangestoken, bleken het inderdaad gendarmen te zijn: een wachtmeester en

een ondergeschikte.

»Woont hier Franciscus Stargardt?"

»Jawel", antwoordde Stargardt stug; »Wat was er van uw order?"

»Dan moeten we u verzoeken", richtte de wachtmeester zich tot Jakob, »om

dadelijk met ons mee te gaan!"

»Maar _ik_ ben Franciscus Stargardt", antwoordde de vader.

»In dat geval zijn we verplicht, _ù_ te arresteeren!" zei de

wachtmeester, met verwondering en zelfs met eenig medelijden den

kreupele aanziend.

»Maar... ik ben volstrekt niet aan de Haarlemmerpoort geweest... Aan

géén van de opstootjes heb ik deelgenomen...!"

»Neen, neen, mijn man is onschuldig...! Jullie moet je vergissen!" riep

Jane zenuwachtig.

De wachtmeester haalde de schouders op.

»Wij hebben alleen onze instructie te volgen!"

»Maar worden onschuldigen dan óók al gearresteerd?" jammerde moeder

Jane. »Hij heeft toch niets, heelemaal niets verkeerds uitgevoerd!...

Kijk, de stakker heeft immers niet eens zijn beide beenen tot zijn

gebruik... Hoe wou hij dan aan het oproer mee gedaan hebben?..."

»Hoor eens, vrouwtje", overreedde de wachtmeester gemoedelijk, »als hij

werkelijk onschuldig is, dan zal dit natuurlijk wel blijken. En in dat

geval wordt hij immers weer dadelijk op vrije voeten gesteld?"

Maar tegen den gendarme zei hij zacht: »Een mooi karweitje waarachtig!

Voor mijn part hadden ze maar een ander uitgestuurd om zoo'n kreupelen

stakker gevangen te nemen!"

»Vader", raadde Jakob, zich inspannend om kordaat te schijnen, »'t beste

zal zijn, er ons in te schikken, en dat u zonder tegenspraak meegaat.

't Moet immers een misverstand wezen, u bent immers volkomen onschuldig!

Gaat u dus maar kalm en bedaard met ze mee, dan zullen de gendarmen ook

geen geweld gaan gebruiken!"

Hij meende daarop zijn vader bij het verder aankleeden te helpen.

Maar ontsteld hield hij het reeds opgevatte kleedingstuk plots roerloos

in de hand.

De kreupele toch zat daar doodsbleek op zijn stoel, de oogen wild van

ontzetting in het verstrakte, bloedelooze gezicht....

Want als een bliksemflits was hem opeens zijn uitval jegens den Keizer

door het bewustzijn gevlogen!... Ze hadden het dan toch gehoord, die

kerels! Ze hadden hem verraden! Met zijn vloekwaardige onvoorzichtigheid

had hij dan nu zichzelf en zijn gezin tot de grootste ellende gebracht!

In waanzinnig zelfverwijt mepte hij zich met de vuist op de borst, zijn

wangen trilden onder de woeste siddering van zijn kaakspieren.

Hij hoorde in verdoovingsdofheid, zijn vrouw kermen en zenuwhuilen; toen

voelde hij haar armen zich ketenen om zijn hals en aan zijn oor klonk

haar jammerstem: »O, mijn arme, goeie Frans, ik laat je niet weggaan,

nooit, nooit! Je bent immers onschuldig, je zou immers geen kind zelfs

kwaad kunnen doen?"

Ze zoende zijn wangen, zijn voorhoofd,... en de verbijsterde kreupele

voelde de wreede spierspanning zijner armen verslappen, onder die

smartelijke omhelzing.

Zijn borst hijgde en kreunend begon hij te snikken, in striemend

zelfverwijt:

»O, die rampzalige onvoorzichtigheid van me!... Ik heb den Keizer

vervloekt!..."

Jane rilde, als had ze zijn doodvonnis gehoord. Met een luiden gil wierp

zij zich opnieuw aan zijn borst, het hoofd schokkend op zijn schouder

onder haar heftig, pijnend zenuwgesnik.

Franciscus' armen omstrengelden haar en schor smeekte zijn huilstem, als

de klacht van een verdoemde:

»Vergeef me; o, ik bid je, vergeef me, dat ik ook jullie heb ongelukkig

gemaakt!"

De gendarmen maanden met zachte stem tot spoed aan.

Toen, onder een geweldige inspanning tot zelfbeheersching, maakte hij

zich los uit haar omhelzing, en begonnen zijn bevende vingers zijn vest

toe te knoopen.

Jakob, de tanden op elkaar geklemd om niet úit te schreeuwen zijn

schrijnend verdriet, deed onhandige moeite om zijn vader bij het verder

aankleeden te helpen.

De wachtmeester, geheel ontroerd, reikte hem toen zijn kruk.

Nu drukte de ongelukkige Jakob de hand en zóó krachtig bleef hij die een

poos omklemd houden, alsof hij ze nooit meer los zou laten.

»Mijn jongen," hikte hij schor,... »het heeft zoo moeten zijn!... Wees

jij ten minste verstandiger dan je vader was!--Belóóf je me dat?..."

Jakob knikte, niet in staat om een woord te uiten.

Toen nam Franciscus afscheid van zijn vrouw, die, gillend en jammerend,

hem nogmaals en nogmaals omhelsde, tot de ontroerde gendarmen den

arrestant voorzichtig uit haar armen los maakten, hem wenkend om mee te

gaan....

Akelig bleef het verflauwend geplof van de kruk moeder en zoon in de

ooren martelen, zelfs toen zij het onmogelijk meer konden hooren.

»O, mijn jongen,... mijn jongen!" jammerde moeder Jane onder zenuwachtig

gesnik, »nu heb je geen vader meer!"

»Ze zullen... het toch wel... bij gevangenisstraf laten!" nokte Jakob

moeizaam.

Maar zelf had hij geen vertrouwen in wat hij zei.

Vierde Hoofdstuk.

Tot den kogel veroordeeld.

IJverig hield de militaire commissie, door den divisie-generaal Molitor

benoemd, zich bezig met het uitvoerig onderzoek naar den aard en omvang

der verschillende relletjes en met het verhoor der negen of tien

gearresteerden.

Niemand twijfelde, of Franciscus Stargardt zou wel ter dood veroordeeld

worden. Toch deed moeder Jane wat maar mogelijk was, om nog genade voor

haar man te verwerven.

Het hoofd van alle Fransch-Hollandsche gewesten was Le Brun, Prins van

het Keizerrijk en Hertog van Plaisance. Het was een grijsaard,

zachtzinnig van inborst, iemand waarvan bekend was, dat hij elk ontving

en te woord stond.

Jane, zich aan het paleis vervoegend, kreeg dan ook zonder veel moeite

toegang tot den luitenant-generaal.

Welwillend hoorde hij haar aan, en toen zij zich eindelijk als

smeekeling aan zijn voeten wierp, beurde hij haar minzaam op, de

bedroefde vrouw eenige woorden van troost toesprekend, waardoor ze, een

weinig bemoedigd, weer heen ging.

Maar al spoedig hoorde zij, dat mijnheer Le Brun wel een goedaardig, oud

man was, maar eigenlijk niets te vertellen had, veel minder dan De

Celles, schoon die in rang beneden hem stond.

En jammer genoeg, was het wáár, wat men haar zeide.

Napoleon had reden om bevreesd te zijn, dat een man van vasten moed en

karakter, in het bestuur dezer gewesten geplaatst, zijn broeders[4]

voorbeeld zou volgen en, gelijk hij dat noemde, besmet worden met den

Hollandschen geest. Daarom was de Keizer er toe gekomen, Le Brun, dien

hij dóór en dóór kende, wijl deze vroeger zijn medeconsul was geweest,

naar Holland te zenden onder een weidschen titel, maar bekleed met een

schaduw van gezag. Beneden hem in rang, maar vèr boven hem in macht en

vertrouwen, waren echter De Celles en--in Den Haag--De Stassart.

[4] Koning Lodewijk.

Jane besloot, zich dan tot den beruchten De Celles te wenden.

Na ongelooflijk veel moeite gelukte het haar, tot den prefect door te

dringen. Maar toen zij een beroep op zijn welwillendheid deed en hem

om genade voor haar man begon te smeeken, antwoordde hij ongevoelig

en koud, dat hij zich met de voorspraak van oproerlingen niet inliet;

hij voor zich achtte het wenschelijk zelfs, dat er eens een flink

afschrikwekkend voorbeeld werd gesteld; op _zijn_ hulp in deze zaak had

zij dus allerminst te rekenen.

Toen, in haar wanhoop, omklemde de ongelukkige vrouw zijn knieën, maar

de prefect stootte haar onmeedoogend van zich af, zeggend, dat hij op

zoo'n comedievertooning volstrekt niet gesteld was.

Grievend beleedigd hief Jane zich op en ging heen, hem een blik

toewerpend zóó vol van de diepste verachting, dat mijnheer De Celles

onwillekeurig zijn oogen neêrsloeg.

Maar nòg gaf de kloeke vrouw haar pogen niet op. Thans ging zij met haar

bede naar den generaal Molitor, den samensteller der militaire commissie

van onderzoek.

Geduldig hoorde de generaal haar aan, maar verklaarde daarop, dat het

recht nu eenmaal zijn beloop moest hebben en hij in dezen zelfs niet het

geringste voor haar doen kon!

Nu wist de arme vrouw geen raad meer en wachtte onder vlagen van

wanhoop, angst en verbittering, de beslissende uitspraak der commissie

af.

Het vruchtelooze van al die pogingen zijner moeder was echter voor Jakob

volstrekt geen verrassing geweest. Hij had niet anders verwacht. De

Franschen, meende hij, nu ze gezien hadden dat de Amsterdammers nog

tegen hun onderdrukkers in verzet durfden komen, zouden trachten wel zóó

den schrik onder de mokkende bevolking te brengen, dat zij voor altoos

den moed tot dergelijke opstootjes verloor.

Jakob twijfelde dus niet, of zijn vader zou wel ter dood worden

veroordeeld. En wat zou dan weldra het lot van zijn moeder zijn, vroeg

hij zich bekommerd af? O, zeker, hij zou voor haar werken en zorgen zoo

lang hij kon. Maar het volgend jaar liep hij kans om in de conscriptie

te vallen. En dan,--och, dan stond zijn moeder geheel alleen.

En van lieverlede kwam hij toen op het denkbeeld, om zichzelf in de

plaats van zijn vader aan te bieden. Wat zou het die Franschen kunnen

schelen _wien_ zij doodschoten ter bereiking van hun doel? Immers,

het feit _dàt_ er een doodgeschoten werd moest toch eigenlijk den

gewenschten schrik te weeg brengen! En zijn vàder zou hij, met zich op

te offeren, het leven redden, zijn móeder er een _blijvenden_ verzorger

door teruggeven, wat hijzelf waarschijnlijk toch maar hoogstens voor een

jáár zou kunnen zijn. Neen, alles wel beschouwd was het veel beter dat

_hij_ in plaats van zijn váder als offer viel.

En welberaden begaf Jakob Stargardt zich, na van zijn baas een halven

dag vrij gekregen te hebben, naar het huis van den Graaf De Celles, dat

in de Doelenstraat stond.

De huisknecht wees hem bij de deur barsch terug, zeggend dat zijn

meester zoo aanstonds uitging en voor niemand te spreken was.

Jakob echter liet zich maar niet zoo dadelijk afschepen; hij hield aan,

bewerend dat zijn boodschap volstrekt geen uitstel lijden kon. En juist

begon het tusschen den knecht en hem tot een woordenstrijd te komen,

toen de prefect zelf in de vestibule verscheen.

»Wat is er aan de hand, François?"

»Wel, excellentie, dat brutale heerschap beweert, dat hij u met alle

geweld spreken moet, ofschoon ik hem toch duidelijk gezegd heb, dat daar

op het oogenblik geen gelegenheid voor is!"

»Je naam?" vroeg De Celles.

»Jakob Stargardt, excellentie!"

»Stargardt?... Stargardt?... Ah, jawel! Dus zeker een broer van dien

deserteur en een zoon van dien oproermaker."

»Vergeef me, excellentie! Maar een oproermaker is mijn vader nooit

geweest. Hij heeft zich alleen een onvoorzichtige uitdrukking laten

ontvallen, die hij beter gedaan had vóór zich te houden..."

»O, wel zeker," zei de prefect ironisch, »die Amsterdammers zijn in den

grond toch eigenlijk zoo'n zachtaardig en onschuldig volkje! Als daar

iemand, giftig van haat, in 't openbaar verklaart dat hij den Keizer wel

eens als een baars zou willen kerven, dan is dat geen oproer maken, wel

neen, dan is dat een _onvoorzichtige uitdrukking_!

En nu kom je me zeker, evenals je moeder, genade voor dien

onvoorzichtigen vader vragen?"

»Toch niet," antwoordde Jakob met groote vastheid: »Ik begrijp zeer

goed, dat die uitdrukking mijn armen vader het leven zal kosten en een

verzoek om genade niemendal zal uitwerken..."

»Hm! Inderdaad nog zoo dom niet!" zei de prefect, een snuifje nemend.

»Maar--wat was dan je boodschap toch eigenlijk?"

»Ik kwam uw excellentie smeeken, _mij_ in plaats van mijn vader de straf

te laten ondergaan."

»Ei, ei! Je bent een dappere borst. Maar juist daarom zou het toch zonde

en jammer zijn, als wij je dood lieten schieten en den Keizer hierdoor

van een dapper soldaat beroofden!" ging den prefect spottend voort.

»Want waarlijk, een knaap die tot zooveel zelfopoffering bereid is, zal

natuurlijk even bereidwillig en moedig zijn leven voor den Keizer ten

offer brengen."

Jakob wist niet, hoe hij het had. Hij had stugheid, zelfs barschheid

verwacht, maar tegenover dergelijke taal stond hij onvoorbereid en dus

een oogenblik geheel sprakeloos.

Toen hij echter zag dat mijnheer De Celles wilde dóórloopen en de zaak

blijkbaar voor afgedaan hield, begon hij te smeeken in een vloed van

hartstochtelijke woorden, dat de prefect zijn verzoek toch mocht

toestaan, ja, in zijn wanhoop greep hij zelfs een slip van diens rok

vast.

De Celles echter gaf stilzwijgend François een wenk en in 't zelfde

oogenblik smeet de knecht den onthutsten jongen de deur uit...

»Neem me niet kwalijk..." stamelde Jakob verbouwereerd, want hij was

juist tegen een voorbijganger aan gekomen.

Tegelijkertijd echter zag hij, dat het mijnheer Vermaat was.

»Verbeeld u," begon hij thans, bevend van verontwaardiging: »Daar kom ik

niets anders doen dan beleefd verzoeken, of ze _mij_ in plaats van mijn

vader willen vonnissen. En wat is het antwoord? Dat ik als een hond op

straat word gesmeten! O, 't is schande, schande!!" barstte hij uit, de

nagels woedend in de handpalm drukkend.

De tabaksverkooper legde hem echter haastig de hand op zijn mond, uit

vrees dat de verontwaardigde knaap licht te veel mocht zeggen en troonde

hem mee naar zijn huis.

»Ziezoo," begon hij toen, »hier kunnen we ten minste veilig praten. Want

de inkwartiering heb ik tot heden gelukkig af kunnen koopen." Hij liet

nu Jakob uitvoerig zijn wedervaren bij De Celles vertellen, waardoor de

knaap langzamerhand weer tot kalmte kwam.

Onder het luisteren groeide in den tabaksverkooper en zijn vrouw een

groote sympathie voor dien nobelen jongen, die zèlf zijn moedige,

liefdevolle zelfopoffering blijkbaar voor de natuurlijkste zaak ter

wereld hield.

»Wacht, ik zal jullie eens trakteeren," zei juffrouw Vermaat. Het water

was aan den kook en na een oogenblik hadden ze alle drie een geurig

kopje _echte_ thee voor zich staan.

»'t Is natuurlijk alleen bij hooge uitzondering," zei ze. »Want je

begrijpt wel, hè?..."

»Ja, als de thee meer dan drie gulden het pond kost, is ze voor

dagelijksch gebruik wel wat duur," antwoordde Jakob. »Thuis drinken we

altijd gedroogde abrikozenbladeren voor thee."

»Zoo? Nee, òns bevallen gedroogde perzikbladeren nog het best, hè

vrouw?"

»Ja," zuchtte Juffrouw Vermaat, »'t is een treurige tijd tegenwoordig;

àlles, letterlijk alles is even duur! Wanneer zal daar nog eens een eind

aan komen?"

»Niet, vóór we met het Oranje op de borst durven loopen. Maar ik vrees,

dat _wij_ dat wel niet zullen beleven!

En niettemin," ging hij voort, »wat wáren we, als jonge, vurige

patriotten, toch op die kleur gebeten! Zelfs tot in 't kinderachtige

toe!

Zoo herinner ik me, hoe Nierop, de oude speelgoedkoopman uit de

Stadhuissteeg, in het begin van 1787 een collectie poppen had ontvangen,

die hij natuurlijk voor zijn winkelraam ten toon stelde.

Nu wilde het geval, dat er onder die poppenverzameling één was, in 't

hoog geel gekleed, een geel dat zwéémde naar 't oranje!

Enkelen van onze Vrijheidshelden viel dat al heel gauw in 't oog

en--daar hàdt je 't, hoor!

Dadelijk gingen zij zich in de hoogste verontwaardiging tot de Regeering

wenden, met het dringend verzoek, dien gruwel toch uit hun midden weg te

nemen!

Burgemeesters, om hun terwille te zijn, zonden toen een Bode naar

Nierop, met last, dat die gele juffer onmiddellijk op het stadhuis

diende te komen. Maar Nierop verkoos niet, dat ze met den Bode zou gaan.

Hij nam ze daarom zelf met zich mee naar 't Raadhuis en introduceerde ze

bij de overheid.

Deftig en waardig, als past bij zoo'n ernstig geval, werd nu het

poppenkostuum in beschouwing genomen. Maar helaas, tien Edelachtbaren

zelf bleken het niet volkomen eens omtrent de kleur; de beoordeeling

over het oranje of niet oranje bleef in deliberatie, het kwam niet tot

een uitspraak en de pop werd inmiddels preventief gevangen gehouden.

Of er een commissie van deskundigen werd benoemd om verslag uit te

brengen over de kleur, heb ik nooit vernomen; wèl, dat de pop in

hechtenis bleef, tot de Pruisen den Oranjevorst te hulp kwamen en een

omwenteling te weeg brachten. Toen werd zij ontslagen en in zegepraal

naar den winkel van Nierop teruggevoerd."

De tabaksverkooper, eenmaal op dreef, vertelde nu nog een en ander uit

de eerste dagen van 1795, waarop zijn zoon Reinier thuiskwam, die in de

affaire van zijn vader werkzaam en van denzelfden leeftijd als Jakob

was.

De beide jongelui waren te voren nooit met elkander in aanraking

geweest, waarom Jakob bij het heengaan aan den tabaksverkooper moest

beloven, de kennismaking met Reinier maar eens gauw te komen vernieuwen.

Voorloopig echter kwam daar weinig van, en inmiddels hield de

militaire commissie haar laatste, beslissende vergadering. Alle tien

gearresteerden had zij schuldig bevonden. Drie werden er tot twee jaren

gevangenisstraf veroordeeld; Emanuel van Praag en Barth Meijer tot

vijf jaar opsluiting; Jan Dupker en nog vier anderen kregen acht jaar

tuchthuisstraf, terwijl Toon Janssen en Anthonie Hantelman, als de

eigenlijke aanleggers van het oproer, gefusilleerd zouden worden.

Franciscus Stargardt eindelijk werd, wegens majesteitsschennis, eveneens

tot den kogel veroordeeld.

Aan Stargardt zou het éérst dit harde vonnis worden voltrokken. Reeds

des avonds werd hij in een koets van 't Verbeterhuis afgehaald en langs

de Schans geleid, om den volgenden dag op het Funen te sterven.

Voor de kazerne Saint-Charles had zich den anderen morgen, al vroeg, een

groote volksmenigte opgehoopt.

Eindelijk, daar trad een afdeeling Fransche soldaten het gebouw uit, een

tamboer voorop, die den doodenmarsch sloeg.

In het midden hompelde, lijkwit, Franciscus Stargardt. Naast hem liep

een man, in het zwart gekleed, de veldprediker van het regiment. Hij

trachtte den ongelukkige moed in te spreken en hield hem den troost van

het Evangelie voor...

De commandeerende officier liet halt maken. Nu trad de provoost vooruit

en las, in de Fransche taal, het vonnis van den veroordeelde voor.

»Zoo'n stakker toch," zei een vrouw meewarig.

»Hij heeft niet eens zijn beenen tot zijn verdoen! 't Is een schande!"

»Hou je mond!" grauwde haar man, »of het zou met jou al even ongelukkig

afloopen!"

»Ja, ja, 't is ongehoord zooals er met ons geleefd wordt!" zei ze weer.

Maar nu toch wat zachter.

»Kijk, hij vouwt zijn handen," merkte een ander op, »hij doet zeker zijn

laatste gebed."

»Arme kerel!" ging het dofmompelend door de volksmassa.

Werkelijk bad de kreupele, de sidderende handen krampachtig te zamen

gevlochten, het lijkwitte gelaat ten hemel gericht...

Zoo stond hij een wijle.

Toen naderde de provoost en deed hem een blinddoek voor. Daarop trad hij

met den prediker terug en plaatsten beiden zich nevens den officier.

Met zijn degen gaf de officier een teeken,--toen traden zes man vooruit.

Weer zwaaide de officier het wapen,--nu legden de zes man hun geweren

aan...

Daar zwaaide de degen voor het laatst,--zes kogels doorboorden de borst

van den ongelukkige, die onmiddellijk dood voorover viel.

Vijfde Hoofdstuk.

Hoe de Amsterdammers Napoleon ontvingen.

»Een zware dag voor vrouw Stargardt!" Met die verzuchting was mijnheer

Vermaat uit den winkel gekomen, waar men hem juist verteld had, dat een

uur geleden het doodvonnis aan den kreupele was voltrokken.

»Ik ga er dadelijk heen!" had juffrouw Vermaat toen gezegd. »De arme

ziel zal wel wat troost en opbeuring noodig hebben." En zóó eenvoudig

was haar binnenkomen, zóó hartelijk en natuurlijk haar deelneming

geweest, dat sedert langzamerhand een warme genegenheid tusschen de

beide vrouwen was ontstaan.

Maar ook Jakob Stargardt en Reinier Vermaat waren van lieverlede groote

vrienden geworden, die men weldra schier geen Zondag buiten elkanders

gezelschap zag.

Van Willem had moeder Jane, sinds Ep de Breukelaar nog eens was komen

zeggen dat hij behouden aan boord van een Engelsch schip geraakt was,

nooit weer iets vernomen.

Trouwens, ze had niet anders kunnen verwachten, wijl Napoleon's

continentaal stelsel alle briefwisseling met Engeland verbood. Maar

moeder Jane was het onder die omstandigheid, of zij niet één, maar twee

dooden had te betreuren en al haar liefde droeg zij sedert op haar zoon

Jakob over. Zij zou hem graag den heelen Zondag bij zich thuis gehad

hebben, maar spoorde hem niettemin zelf aan, om met zijn vriend Reinier

de stad in te wandelen, wat te roeien op den Amstel of zich op eenige

andere betamelijke wijze te verstrooien. 't Is het recht van zijn jeugd,

redeneerde zij, en ze was er al tevreden mee, dat hij 's avonds

gewoonlijk thuis bleef.

Na een hunner Zondagsche uitstapjes, toen de beide vrienden in een

koffiehuis een glas bier gingen drinken, vernamen zij daar als het

groote nieuws, dat keizer Napoleon een reis door Holland ging doen en

natuurlijk dan ook te Amsterdam zou komen.

Zij geloofden er aanvankelijk weinig van, maar weldra bleek, dat er aan

het gerucht niet langer viel te twijfelen.

Reeds den 8sten Augustus had mijnheer De Celles den maire kennis gegeven

van de komst des Keizers en hem uitgenoodigd, maatregelen voor een

waardige ontvangst te beramen. Deze aanschrijving werd door meer dan

twintig andere gevolgd, want op alle toebereidselen moest de goedkeuring

van den prefect worden gegeven; hij moest een lijst hebben van de

personen, die aan Zijne Majesteit zouden worden voorgesteld; zelfs

mocht niet aan de versiering der loge in den schouwburg worden begonnen,

voor mijnheer De Celles de inrichting had goedgekeurd. Ja, de geldsom,

die de stad bij deze gelegenheid ten koste wilde leggen, moest ter

beoordeeling aan den prefect worden toegezonden, een post, waarvoor de

gemeenteraad den 25sten September 165.000 francs had toegestaan. Nog

meer, de prefect geliefde zelfs over de beurs der ingezetenen te

beschikken.

Dra wist men ook, wat het doel van Napoleon's reis door Holland was.

De keizer stond in die dagen op het toppunt van zijn glorie. Zijn

monarchieën strekten zich uit van de Pyreneeën tot de bergen van

Epirus, van de Middellandsche zee tot het Baltische strand. Van het

Rijnverbond voerde hij den titel van beschermer, van het Zwitschersche

bondgenootschap dien van bemiddelaar. Leden van zijn geslacht bekleedden

de koninklijke of vorstelijke waardigheid in Spanje, in Napels, in

Westfalen, in Lucca en in Berg. Een zijner generaals was erfgenaam

geworden van den Zweedschen troon, een ander heerschte over het

vorstendom Neuchâtel. Door staatszucht hiertoe genoopt, had de

Keizer van Oostenrijk zijn dochter Maria Louise aan den gelukkige tot

vrouw gegeven, en al de overige souvereinen van het vasteland waren

Napoleon's gedweeë bondgenooten. De geboorte van een zoon, den Koning

van Rome, op den 20sten Maart, had Napoleon's stamhuis bevestigd.

Zij was gevierd met een praal zóó overweldigend, als nog nooit bij

de geboorte van een vorstenkind aanschouwd was. In Bonaparte, door

al dien voorspoed bedwelmd, begon in deze dagen hoe langer hoe meer

de aan hoogmoeds-waanzin grenzende gedachte vorm te krijgen, dat de

Voorzienigheid hem met een bepaalde roeping hier op aarde had doen

verschijnen.

En toch, in weerwil van al de glorie die hem omgaf, bleef Napoleon

onbevredigd.

Even als de hartstochtelijke speler, prikkelde ieder nieuw geluk hem, om

nog grooter kansen te wagen, naar nog grooter gewin te trachten. Landen

te veroveren, volken te bedwingen, vorsten te vernederen, overwonnenen,

aan zijn voeten te zien, het was hem een onverzadelijke behoefte

geworden, en het bleek ook deze behoefte die hem aanzette, Holland

te bezoeken. Het trotsche Engeland, dat hem stoutmoedig bleef tarten,

hem Egypte en Syrië had ontwrongen, hem de eene Fransche kolonie na

de andere in Oost en West had ontrukt, hem belette om vasten voet op

Sicilië te krijgen, hem in Portugal en Spanje niet zonder voordeel

bestreed en ter zee de heerschappij voerde, dat Engeland bleef hem immer

de donkere wolk boven den in hellen zonneglans badenden horizon van zijn

bestaan. Kon hij Engeland vernederen en ten onder brengen, dan achtte

hij geen macht meer ter wereld in staat, om perk te stellen aan zijn

veroveringen, dan kon hij alleenheerscher worden van geheel Europa.

De vereeniging nu der Fransche en Hollandsche zeemacht deed hem een

uitbreiding zijner marine verwachten, welke hem in staat stellen zou om

met zijn vloten die van Brittanje te vernietigen. Daarom achtte hij het

van het hoogste belang, Holland's maritime krachten te leeren kennen uit

eigen aanschouwing.

Zoo waren de hooge autoriteiten te Amsterdam dan rusteloos in de weer,

om den Keizer bij zijn bezoek aan »de derde hoofdstad" van zijn rijk,

een schitterende ontvangst te bereiden en van wege den prefect, den

maire of den politie-directeur Duterrage verscheen het eene bevel na

het andere. Bevelen aan de voornaamste ingezetenen, om personen uit het

Keizerlijk gevolg behoorlijk te huisvesten; bevelen omtrent de militaire

inkwartiering der hoogstwaarschijnlijk te wachten vermeerdering van

krijgsbezetting, verbodsbepalingen met betrekking tot het opslaan van

kramen, stellages en stalletjes, het klimmen in boomen tijdens den

intocht, het afsteken van voetzoekers of ander vuurwerk binnen de stad,

kortom, het regende aanschrijvingen.

En weldra kwamen Reiniers nog schoolgaande broers Bert en Bruno, die als

echte jongens overal bij waren, op een Zaterdagmiddag thuis, druk en

opgewonden over al het moois dat zij gezien hadden.

»Aan den Outelerweg wordt een eereboog gemaakt," zei Bert, »toch zóó

prachtig, ò!!..."

»Nee maar, dan moet je de Muiderpoort eens zien!" riep Bruno, »die is

nog veel, véél mooier!"

»En in 't midden van de Plantage zijn ze óók al aan een eereboog te

maken!" begon Bert nu weer.

»En op de Reguliers-Breêstraat!" viel Bruno in.

»En op het Kadijksplein!" vulde zijn broer weer dadelijk aan.

»Jongens, jongens!" riep juffrouw Vermaat ten slotte wanhopig, »jullie

maakt ons nog doof met al dat geschreeuw."

Na zoo'n waarschuwing zwegen ze wel, maar de volgende dagen ging het

precies hetzelfde. Dan waren zij in verrukking over de drie zegezuilen

welke op de hooge Amstelbrug werden opgericht, over den fraaien tempel,

die aan het einde der Keizersgracht getimmerd werd, of over het

prachtige salon, dat op de muren der schutsluisen werd gemaakt, om den

Keizer en de Keizerin te ontvangen, wanneer zij het vuurwerk op den

Amstel zouden bijwonen.

»En op school heb ik gehoord," zei Bruno, »dat àlle klokken bij den

intocht moeten luiden!"

»En àlle torens en openbare gebouwen moeten vlaggen!" viel Bert dadelijk

in.

»En àlle geestelijken in vol ornaat voor hun kerken staan!" wist Bruno

weer te vertellen.

Zij waren er vòl van, de jongens, en konden maar niet begrijpen, hoe hun

vader en moeder er zoo weinig mee òp schenen te hebben.

Op zekeren dag kwamen zij met vuurroode gezichten thuis, zwoegend onder

den last van eenige potten met planten en bloemen, die ze met moeite in

hun armen droegen.

»Wat heb ik _nu_ aan de hand?" zei mijnheer Vermaat verbaasd.

»Gekregen! Allemaal gekregen!" juichten de knapen, hun vracht behoedzaam

neerzettend.

Hun vader vertrouwde de zaak echter niet. Hij maakte zich erg ongerust,

dat zijn jongens misschien de Bloemmarkt geplunderd hadden en ging

onmiddellijk op onderzoek uit.

Tot zijn onuitsprekelijke vreugde bleek hem dra, dat Bert en Bruno

werkelijk op een eerlijke wijze aan al die bloemen gekomen waren.

Van wege Napoleon's hofhouding--zoo vernam de tabaksverkooper--was de

groot-hofmaarschalk Duroc in het paleis aangekomen, om de vorstelijke

verblijven in gereedheid te brengen. Niets veroorzaakte hem meer zorg

dan de stallen. Die, waarvan Koning Lodewijk zich had bediend, waren

te ver van de hand, daar de Keizer dikwijls onverwacht uitreed en het

rijtuig dan oogenblikkelijk vóór moest zijn. De naburige Bloemmarkt werd

eindelijk als de meest geschikte plaats beschouwd. Maar, daarbij deed

zich een zwarigheid op. Duroc wist, dat de Keizer,--in kleinigheden

althans,--de denkbeelden en gebruiken van het volk niet wilde kwetsen

en wanneer hij nu de Amsterdammers hun bloemenmarkt ontnam, dan zou de

groote menigte dit wel eens als een nieuwe grief kunnen opvatten.

Om dit te voorkomen, bedacht hij een aardige vond.

Hij gaf bevel aan eenige bedienden, om al de bloemen en planten, die

ter markt waren gebracht, op te koopen tegen den prijs dien men er voor

vroeg en ze weg te schenken aan de omstanders op voorwaarde, dat zij er

dadelijk mee naar huis zouden gaan.

De menschen wilden in het eerst niet best gelooven, dat het met dit

aanbod ernst was. Zij aarzelden, om het aangebodene in ontvangst te

nemen, maar toen zij ten leste begrepen, dat de Keizerlijke bedienden

het werkelijk méénden, verwekte dit evenveel verbazing als genoegen. Elk

nam nu zooveel hij dragen kon en ging er opgeruimd en blijmoedig mee

naar huis.

Oningewijde voorbijgangers, de Keizerlijke bedienden overal op de markt

zoo ijverig bloemen ziende koopen, meenden eerst dat die tot versiering

van het paleis moesten strekken, maar toen zij daarop menschen van

allerlei slag in verschillende richtingen met bloempotten en planten

zagen aftrekken, begrepen zij er niets van.

Zonder wanorde of vechtpartijen geraakte het terrein op die manier in

een oogenblik ontruimd. Ja, de heele zaak had zóó 'n rustig en kalm

verloop, dat in het overige van de stad geen mensen gewaar werd, wat er

was voorgevallen. Wie dus een uur later ter markt kwamen keken niet

weinig verwonderd, dat er geen bloemen meer te koop waren, doch een

honderdtal werklieden ijverig zwoegden om er stallen op te slaan.

Mijnheer Vermaat behoefde zich dus over de herkomst van de bloemenschat

zijner bengels niet langer te bekommeren en ging welgemoed weer aan zijn

werk.

Toen hij 's avonds met enkele bekenden, waaronder de humoristische

schrijver en dichter, Fokke Simonsz., in een der koffiehuizen van

de Kalverstraat te praten zat, vertelde hij het voorgevallene op de

Bloemmarkt aan zijn gezelschap, en als vanzelf kwam toen het gesprek op

Napoleon's reis door Holland en zijn aanstaande komst in Amsterdam.

»Ik zal er geen voet om verzetten!" zei Fokke Simonsz., zoo los weg en

daarmee werd het onderwerp beëindigd.

Maar nauwelijks zat de dichter den volgenden morgen aan zijn

schrijftafel, of hij ontving bezoek van een hem welbekend Fransch

ambtenaar. Het was de tooneelschrijver Alexander van Ray, berucht om den

ijver waarmee hij De Celles diende, en daardoor gehaat bij al zijn

stadgenooten.

De bezoeker begon met een luchtig praatje, dat in het minst geen kwaad

deed vermoeden, sprak verder over allerlei onbeduidendheden, maar

eindigde met de verklaring, dat de dichter zijn huis verlaten en met hem

mee moest gaan.

Fokke Simonsz., begrijpend dat het doelloos zijn zou, zich te verzetten,

onderwierp zich, ondanks het gejammer van zijn gezin, aan het lot dat

hem wachten mocht. Want zijn bezoeker liet hem in het onzekere, wat de

aanleiding tot deze inhechtenisneming was.

De dichter, die op de Prinsengracht bij het Aalmoezeniershuis woonde,

had maar weinig schreden buiten zijn deur te doen, daar Van Ray hem

geleidde naar een der beide gevangenissen, waarin bij voorkeur

dergelijke ongelukkigen achter slot werden gebracht.

Weldra zat Fokke Simonsz. in een akelige cel van het Verbeterhuis,

vergeefs vorschend naar de reden, waarom men hem zijn vrijheid ontnomen

had. De oppasser, die hem het levensonderhoud bracht, haalde bij zijn

vragen de schouders op, en de politie gaf geen verantwoording van haar

daden.

Fokke Simonsz. was de eenige niet, wien in deze dagen het lot van

inkerkering te beurt viel; hij deelde het met verscheidene anderen,

terwijl daarenboven ettelijke burgers last hadden, om hun woning tot

wederopzeggens niet te verlaten, of wel voor den tijd van enkele weken

de stad te ontruimen.

Op deze manier beijverde zich De Celles om alle, voor een gunstig

verloop der aanstaande feestelijkheden gevaarlijk geachte elementen,

intijds te isoleeren en onschadelijk te maken.

't Was dus waarlijk geen wonder--toen Jakob den Zondag vóór 's Keizers

intocht zijn vriend Reinier tot een roeitochtje afhaalde--dat mijnheer

Vermaat bij het heengaan hun meer dan ooit tot voorzichtigheid in hun

spreken aanspoorde.

Nauwelijks echter kon Jakob zijn woorden volkomen onbereikbaar achten

voor ieder verraders-oor, of hij moest zich uiten over iets dat hem zeer

onaangenaam had getroffen.

»Kijk", begon hij, »dat je vader ons voortdurend tot voorzichtigheid

aanmaant, is natuurlijk te prijzen. Aan mijn eigen vader hebben we

kunnen zien, hoeveel ellende een enkel woord wel kan te weeg brengen.

Maar voorzichtigheid is toch nog heel iets anders dan wat jullie

doet..."

»O, ik begrijp het al!" viel Reinier dadelijk in. »Je bedoelt, dat ons

huis versierd is, nietwaar?..."

»Ja, ronduit gezegd is me dat vreeselijk tegengevallen..."

»Dacht je dan, dat het ons zèlf niet ergerde?" vroeg Reinier bitter.

»Maar wij móeten wel! De Celles heeft den maire last gegeven om te

zorgen, dat al de huizen, waar de Keizer bij zijn intocht langs moet

komen, versierd zullen zijn. En de politie zorgt natuurlijk, dat die

last behoorlijk wordt uitgevoerd.

Begrijp je wel? 't Is den prefect niet genoeg dat de _autoriteiten_ hun

hulde bewijzen, neen, ook de _burgerij_ moet den Keizer huldigen!

Met hetzelfde doel zijn er van de week drie eerewachten opgericht, een

eerewacht te paard, een te voet, en een marinewacht. Ook dáár was bij

een heeleboel lui al even weinig liefhebberij voor. Maar De Celles wist

al weer raad. Hij liet biljetten bij de voornaamste Amsterdammers

rondbrengen, waarin gedreigd werd, dat zij voor hun zoons, als die

straks in de loting mochten vallen, geen plaatsvervanger konden stellen,

wanneer die zoons weigerden om den Keizer te verwelkomen."

»Jawel", zei Jakob, »de prefect wil blijkbaar met alle mogelijke

middelen Napoleon in het idée brengen, dat Amsterdam wonderveel van hem

houdt, gedwongen stadsversieringen, gedwongen versiering vanwege de

burgerij, gedwongen eerewachten,--och, och, wat een komedie! Maar bij

een _welkomen_ intocht behoort nu eenmaal óók gejuich en gejubel, en

meneer De Celles moet knap zijn, als hij dàt weet klaar te spelen!"

»Neen, dáár zal hij toch wel geen kans toe zien!" gaf Reinier toe.

Het bleek echter bij den intocht, hoe deerlijk zij zich hierin

vergisten.

't Is waar, de algemeene stemming bij de burgerij was dof, somber,

mokkend; en de prefect begreep zéér goed, van een dergelijke burgerij

geen kreten van geestdrift te kunnen verwachten. Maar toch had hij het

er op gezet, dat Napoleon bij zijn intocht zou toegejuicht worden, en

tot het uiten van die jubelklanken had hij de tweeduizend manschappen op

's Rijks werf en de stedelijke werkwinkels bestemd. Die allen moesten

zich bij 's Keizers intocht, onder contrôle hunner kommandeurs--doch

zonder eenige onderscheidingsteekens--op bepaalde plaatsen vereenigen,

daar hun »_Leve de Keizer!_" aanheffen en dan zoo gauw mogelijk langs

een anderen weg opnieuw den stoet zien te bereiken, om dit spelletje te

herhalen.

Den 9den October, den dag, dat Napoleon zijn intocht zou houden, kon de

prefect dus met volle gerustheid achten, de ontvangst behoorlijk _en

scêne_ te hebben gezet.

Te middag begaf zich Jakob, die vrijaf gekregen had, naar het huis

van den tabaksverkooper over de Munt, om er den stoet voorbij te zien

trekken, gedreven als hij werd door een onweerstaanbaar begeeren, om nu

eindelijk den man zelf eens te zien, wiens naam en daden geheel Europa

vervulden.

Hij vond de geheele familie Vermaat op de voorbovenkamer vereenigd.

Bert en Bruno stormden dadelijk naar hem toe, in de overtuiging dat zij

reeds wonderveel nieuws te vertellen wisten.

»O, o, wat ben je laat! Mijnheer Le Brun is den Keizer al te gemoet

gereden!" riep Bert.

»Met den prefect en den maire!" viel Bruno in.

»Mijnheer Duterrage was er ook bij!" vervolledigde Bert weer, »en nog

een heele boel andere heeren, wel twintig!"

»Twintig?!--Puh! Wel dertig!" meende Bruno. Toen begonnen zij te

kibbelen over het aantal, tot vader hun vermaande om wat rustig te zijn.

Nu tuurden zij om de vijf minuten de straat in, keken aanhoudend op de

klok en zuchtten gedurig: »Wat duurt het toch lang, wat duurt het toch

lang!"

Eindelijk, te drie uur ongeveer, daar ving het bulderen der kanonnen aan

en in 't zelfde oogenblik begonnen alle klokken in de stad vroolijk te

beieren...

Bert en Bruno vlogen naar de ramen, schoon daar natuurlijk nog niemendal

te zien was dan de dubbele rij van nationale garden, die heel den weg

van de Muiderpoort tot aan het paleis bezet hadden en van dit oogenblik

af niemand meer door mochten laten.

»Blijf gerust nog maar wat zitten jongens", vermaande de

tabaksverkooper, »de Keizer is de Muiderpoort nog pas genaderd!"

Thans begon het wachten die onrustige jongens echter moeilijker te

vallen dan ooit.

Dáár klonk de kreet: _Le cheval blanc! Le cheval blanc!_ aangeheven door

eenige personen, die den naderenden stoet voorafgaande, blijkbaar in

last hadden de tallooze toeschouwers tot vreugdebetoon op te wekken.

Allen namen nu aan de ramen plaats.

Het eerste wat zij te zien kregen, was een piket van de eerewacht te

paard.

Toen volgde de Hollandsche ruiterij onder aanvoering van den generaal

Colbert en nog was die niet voorbij of Bert en Bruno riepen om strijd:

»Kijk, kijk! Allemaal vreemde soldaten, soldaten met pieken!"

»Dat zijn Poolsche lanciers!" lichtte hun vader in.

Na de Polen kwamen vijf statiekoetsen en zij begrepen onmiddellijk,

dat in het laatste op een na de Keizerin moest zitten, want het was

bespannen met niet minder dan acht melkwitte paarden, terwijl acht pages

terzijde van het rijtuig gingen.

Nu volgde een piket van vijf-en-twintig grenadiers te paard; daarop drie

afdeelingen kurassiers, het piket van 's Keizers lijfwacht, de jagers

der garde, de ordonnance-officieren en eindelijk, op een wit Arabisch

paard--de Keizer!

Plotseling daverde een zwaar en krachtig: _Vive l' Empereur!_ Want de

stadstimmerlieden en stratenmakers, die kort te voren hun jubelkreet op

de Botermarkt[5] hadden uitgegalmd, waren langs de Kistenmakersgracht

naar de Muntsluis geijld, om thans ook hier hun gejuich aan te heffen.

[5] Tegenwoordig het Rembrandtsplein.

»Is dàt nu de Keizer!" zeiden Bert en Bruno teleurgesteld.

»Stil, jongens!" waarschuwde hun vader, »of je gaat onmiddellijk naar de

achterkamer!"

Maar ook hij was zichtbaar teleurgesteld en evenzeer Reinier en Jakob.

Die kleine, tamelijk gezette persoon, met zijn ronden rug, gekleed in

de eenvoudige uniform van kolonel der garde-jagers te paard, die man,

met zijn fluweelzachte oogen in het bleek-bolle gezicht, was dàt nu die

geduchte Napoleon, waar heel Europa voor sidderde?

En toch,--terwijl het vervolg van den schitterenden stoet, de officieren

van 's Keizers Huis, de maarschalken, de generaals en stafofficieren,

de grenadiers van de lijfwacht te paard, de dragonders der lijfwacht en

eindelijk de zevende afdeeling kurassiers, terwijl dat alles aan hun

blikken voorbijtrok, zagen zij in hun verbeelding nog altoos die kleine,

gezette figuur met de raadselachtige oogen in het bleek-bolle gelaat.

Toen de Keizer, in het paleis aangekomen, zich op het balkon vertoonde

aan de menigte, die geheel den Dam vulde, klonk het gejuich en gejoel

nog luider dan ergens anders.

Geen wonder, het stads- en landswerkvolk, dat gecontroleerd door zijn

kommandeurs, zich op verschillende plaatsen bij de geheime politie had

moeten aansluiten, om het _Vive l' Empereur_ aan te heffen, had nergens

gelegenheid gevonden, de Kalverstraat troepsgewijze binnen te dringen,

om de voorgeschreven kreten te herhalen, doch het kreeg gelegenheid te

over, om naar den Dam te snellen. Daar was ieder op het appèl en het

_Vive l' Empereur_ daverde schier onafgebroken door de lucht.

Mijnheer De Celles kon te vreden zijn: Amsterdam had den Keizer met

gejuich ontvangen, schoon de prefect hierdoor met zijn eigen rapporten

in tegenspraak gekomen was, die herhaaldelijk van de ontevreden stemming

onder het volk gerept hadden. Om de waarheid dezer beweringen te staven,

had hij niets anders behoeven te doen, dan de ontvangst van den Keizer

geheel aan het volk over te laten. Maar--hij wist het--in dat geval zou

aan Napoleons triomftocht een volkomen _fiasco_ ten deel zijn gevallen.

Intusschen, men kon Napoleon niet straffeloos misleiden, zelfs niet om

hem te vleien. Hij wees De Celles, die hem op het balkon gevolgd was, op

de juichende menigte en zei: »Zie eens, mijnheer de prefect, hoezeer u

zich vergist heeft!"

De Celles was echter voorbereid op die aanmerking en met een buiging

antwoordde hij hoffelijk: »Sire, dat is de cijns, die ieder volk brengt

aan den grootsten man zijner eeuw."

Onmiddellijk daarop ontving de Keizer de ministers en den staatsraad ten

gehoor en zoolang hij te Amsterdam vertoefde werden iederen dag opnieuw

mannen van rang en aanzien ter audiëntie ontvangen.

Evenals bij zijn luisterrijken intocht deed hij bij deze gehooren de

zeldzaamste pracht en weelde ten toon spreiden. Men kon zich inderdaad

niets schitterenders voorstellen dan het Keizerlijk hof op het paleis te

Amsterdam. De rijke en smaakvolle tooisels der dames van het Huis der

Keizerin, de kostbare en verblindende costumes der groot-officieren,

der hooge ambtenaren, der aides-de-camp en ordonnance-officieren,

het civile en militaire Huis des Keizers uitmakende, de rijke mengeling

van uniformen der officieren van land- en zeemacht, de met goud

geborduurde kleeding der hoofdambtenaren van verschillende burgerlijke

administratiën, de menigte van ordelinten, grootkruisen, versierselen

van alle ridderorden in Europa, zetten aan de plechtige ontvangsten en

feesten aldaar een ongemeenen luister bij.

Over deze tentoonspreiding van schier nooit geziene weelde uitte

Napoleon zich tot zijn vertrouwde, Caulincourt:

»Denk toch niet, dat de pracht, die ik op deze reis ten toon spreid,

het gevolg zou wezen van een kleingeestige ijdelheid! 't Is louter een

middel, dat ik te baat neem. De menschen geraken gaarne in beweging

en hun geestdrift valt hèm ten deel, die ze weet op te wekken. De

verleiding gaat door de oogen tot het hart. Het Keizerlijk hof moet zich

groot en indrukwekkend vertoonen; men is altijd geneigd zich te buigen

voor hetgeen men bewondert."

Herhaaldelijk liet Napoleon zich in een sloep naar de werf en de haven

roeien, bezocht Muiden en Naarden om de linie van Amsterdam te leeren

kennen, begaf zich over Broek-in-Waterland, Hoorn en Medemblik naar

Den Helder, om er den staat der vloot en vesting- en havenwerken op te

nemen, gaf overal bevelen, wilde alles zelf zien en was ook nu weer,

door zijn juisten blik en afdoend ingrijpen waar hij fouten zag, als

altoos en overal een raadsel voor allen die hem vergezelden.

Den 21sten October vertrokken de Keizer en de Keizerin weer uit

Amsterdam, om hun tocht naar de Hollandsche departementen voort te

zetten. Den laatsten dier zelfde maand verlieten zij het Hollandsche

grondgebied en keerden over Wezel en Keulen naar Frankrijk terug.

Zesde Hoofdstuk.

Moeder Jane neemt een kloekmoedig besluit.

De burgers, die door de Fransche gezaghebbers, als gevaarlijk voor de

rust, gedurende Napoleons reis in den kerker waren gezet, doch van geen

misdaad of samenspanning konden beticht worden, kregen na 's Keizers

vertrek hun vrijheid weer. Die ontsluiting kwam voor hen even onverwacht

als de gevangenneming.

Den dichter Fokke Simonsz. werd zijn vrijheid enkel aangekondigd met een

kort: »Je bent ontslagen!" Dit moest hem genoeg zijn, en niet voor hij

thuis gekomen was werd het hem duidelijk, dat hij _gedurende_ Napoleons

verblijf te Amsterdam achter slot en grendel had moeten zitten.

Hadden sommigen van de reis des Keizers naar Holland verzachting der

drukkendste beperkingen, van de knevelarijen der ambtenaren, van de

kwellingen der hooggeplaatste gezaghebbers gehoopt, die hoop werd ten

volle verijdeld. Ja, weldra bleek, dat de naaste toekomst nog drukkender

worden zou.

Tegen betaling van een daalder per maand werd aan mijnheer Vermaat,

uit het koffiehuis aan den overkant, iederen avond na zevenen, als de

bezoekers de krant al gelezen hadden, het _Staatkundig Dagblad van het

Departement der Zuiderzee_ bezorgd. Daar dit het orgaan der regeering

was, werden alle stukken er dus het eerst in opgenomen. Bovenaan stond

het Keizerlijk wapen, de Fransche adelaar, en het blad was, evenals toen

al de andere bladen in ons land, in twee kolommen gedrukt, waarvan de

eene in het Fransch was geschreven, de andere hetzelfde in het

Hollandsch bevatte.

Op een avond, nadat mijnheer Vermaat den winkel gesloten had, ging hij,

als naar gewoonte, bij de familie in de huiskamer zitten, om de courant

te lezen.

Maar hij had het blad nog nauwelijks ingezien of wanhopig riep hij:

»Groote God!... Dat wordt mijn ondergang!..."

»Manlief, wat _is_ er?" riep juffrouw Vermaat ontsteld. Ook Reinier en

de beide schooljongens keken vragend en angstig hun vader aan. Zijn

gezicht zag doodsbleek en strak tuurde hij op de courant, die beefde

tusschen zijn handen.

»Een nieuw decreet... De Regie wordt ingevoerd!"

Bert en Bruno begrepen daar niet veel van. Maar voor hun moeder en

Reinier waren die enkele woorden droevig-duidelijk. Zij wisten dat ze

beteekenden: Weldra is alleen de Keizer tabakshandelaar, dan mag niemand

meer tabak verkoopen dan enkel de door Napoleon aangestelde ambtenaren.

Door dit decreet werd alzoo hun welvaart, tegelijk met die van duizenden

andere nijvere kooplieden, winkeliers en fabrikanten als met één slag

vernield en zouden knechts en werklui met hun gezinnen tot volslagen

armoede geraken.

Op den eersten Januari 1812 moesten alle kerfbanken, snuifmolens en

andere werktuigen, benevens al de nog voorhanden tabak onder eede en

tegen vastgestelde prijzen aan de magazijnen van het Bestuur worden

afgeleverd. De overneming en beoordeeling der waarde zou geschieden ten

overstaan van twee rijksambtenaren en twee schatters; de eersten zouden

de belangen van den Keizer, de beide anderen die van den koopman

behartigen.

Alle tabaksverkoopers werden niet meer dan slijters. Zij moesten naar

die betrekking dingen en konden ze in geen geval zonder belangrijke

geldelijke offers verwerven. Gelukte hun dit, dan kregen zij borden met

het Keizerlijk wapen voor hun deur en verkochten de regie-tabak, door de

magazijnen geleverd, in kleine pakjes, voorzien van het Keizerlijk merk.

Mijnheer Vermaat had het onmogelijk van zich kunnen verkrijgen, om

Fransch ambtenaar te worden en het Keizerlijk wapen voor zijn deur te

dulden. Hij had zich dan ook niet aangegeven en zou dus op den 1sten

Januari eensklaps zonder bestaansmiddel zijn.

't Was alzoo een treurige Oudejaarsavond voor de familie Vermaat, die

Oudejaarsavond van 1811.

In den winkel bleek het heel dien dag drukker dan ooit. Iedere klant

wenschte zich zoo lang mogelijk van tabak te voorzien, om vooreerst

althans niet van de, naar alle waarschijnlijkheid zeer dure rijkstabak,

te moeten koopen. Niemand mocht echter meer dan tien pond in huis

hebben. Toen zij later, wijl hun voorraad opgerookt was, van de Regie

moesten inslaan, bleek die tabak, meerendeels inlandsch gewas, zóó duur

en zóó slecht, dat men ze haast niet rooken kon.

In den winkel hadden vader en Reinier het dus overdruk met het bedienen

der klanten en intusschen was juffrouw Vermaat met toebereidselen tot de

Oudejaarsavondviering beslommerd: Misschien is het voor de laatste maal

dat we het doen kunnen, had ze gemeend.

Terwijl ze juist even de deur was uitgewipt om nog wat inslag te doen,

had Bert toevallig een ontdekking gedaan.

»Psst!..." wenkte hij, het hoofd om de kamerdeur stekend, geheimzinnig

fluisterend tegen Bruno, »Kom eens mee!"

Bruno, die in een boek te lezen zat, was dadelijk gereed hem te volgen.

Bert bracht hem in de keuken voor de aanrechtbank, waar hun moeder al

een en ander had klaargezet, en gewichtig op een groote kan wijzend,

vroeg hij:

»Wat is dat?"

»Melk!..."

»En dat?"

»Eieren!..."

»En dàt?" ging Bert met onverstoorbare geheimzinnigheid voort, op een

papieren zak wijzend.

»Meel!" zei Bruno. »Maar wat wil je toch?"

»Weet je, wat je van meel en melk wel maken kunt?..."

Bruno bedacht opeens, dat het straks Oudejaarsavond was, een glans van

begrijpen vloog over zijn gezicht, lichtte tintelend zijn oogen uit en

van blijdschap een bokkesprong makend riep hij vroolijk:

»Oliebollen!... O, heerlijk, we krijgen oliebollen van avond!"

»Echt, hè?" zei Bert en uit den blij-tintelenden blik waarmee hij Bruno

in de oogen zag straalde tegelijkertijd de trotsch dat _hij_ het was die

de verrassende ontdekking deed. »Maar laten we nu weer naar de kamer

gaan."

Nauwelijks was echter hun moeder teruggekomen, of ook de jongens waren

al weer in de keuken.

»Komen er geen rozijnen in, moe?" vroeg Bert.

»Wáárin?" glimlachte moeder, om hem te plagen.

»Hè, nee, dat wéét u wel!" zei Bert met een verlegen lachje.

»Nietwaar, we krijgen immers oliebollen van avond?" informeerde Bruno

vrijmoediger.

»Met rozijnen, hè moe?" vleide Bert.

»Goed, met rozijnen dan! Maar nu ook verder niet lastig wezen, hoor!"

De jongens beloofden het en muisstil zagen zij toe, hoe herhaaldelijk

witte scheuten meel of melk in een grooten aarden pot gestort en tot

deeg gemengd werden. Eén voor één sloeg moeder daarop de eieren stuk, ze

klutsend tot een egale, lichtgeele gelei; met welbehagen snoven zij den

geur van de smeltende, goudkleurige boter, en het sissen en pruttelen

was hun als een zoete muziek.

Het beslag was eindelijk gereed, werd toegedekt en op een warme plaats

gezet om behoorlijk te rijzen.

»Vooruit, jongens! Nu de keuken uit!" zei moeder.

Maar 's avonds, toen het bakken begon, waren Bert en Bruno er dadelijk

weer bij. Op hun knieën lagen zij bij den pot met beslag en zagen met

onverdeelde belangstelling toe, hoe moeder met een ijzeren lepel telkens

een schepje van het geurige beslag in de pan met kokende olie deed tot

er geen plaats meer was, de bollen nu en dan naar onder stootend en ze

er uit nemend, die een mooi-bruine kleur bekomen hadden.

En in den winkel liep het intusschen nog altoos maar af en aan.

Eindelijk was echter de laatste klant vertrokken, het laatste tonnetje

met gekorven tabak schier leeg verkocht.

Juffrouw Vermaat zat haar man en Reinier met een ketel warmen wijn en

een schaal, hoog opgestapeld met versche, heerlijke oliebollen te

wachten.

Bert en Bruno speelden op het ganzebord, maar de rechte lust was er toch

niet bij, verlangend als ze waren, dat vader nu toch eindelijk eens in

den winkel gedààn had.

Daar hoorden zij dan toch de winkeldeur sluiten, de kaarsen werden

gesnoten, vader en Reinier kwamen binnen.

»Ziezoo, vrouw," zei de tabaksverkooper mistroostig, »dat zijn de

laatste ontvangsten geweest. _Verdienen_ doen we niet meer, als alles

dus opgeteerd is, mogen we gaan bedelen."

»Kom, kom! Moed houden!" troostte juffrouw Vermaat. »Is 't niet een

zegen, dat we vooreerst geen gebrek behoeven te lijden? Geen ellende

vóór den tijd, zeg ik maar en met zuinigheid en overleg kunnen we nog

een heele poos voor armoe bewaard blijven."

»Jawel, maar 't is zoo'n ellendig gevoel voor een man, te weten, dat hij

niets voor zijn gezin meer kan verdienen..."

»Komaan, zet nu al die zorg eens op zij en laat ons nog eens een

onbekommerden Oudejaarsavond vieren. Wat helpt al dat getob? De zaken

worden er toch niet beter door!"

»Och nee, dat is wel zoo, maar..."

»En dan--hebben we niet alle reden, om nog dankbaar te zijn? Bleven

we niet allen met en voor elkaar gespaard en mochten we ons niet, het

geheele jaar door, in een goede gezondheid verheugen?"

»Ja, dat is waar!" gaf Vermaat grif toe.

»Vergelijken we ons bij anderen, hoeveel gelukkiger zijn we dan niet!

Bedenk eens, wat droevige Oudejaarsavond vrouw Stargardt en Jakob

hebben!"

Zoo voortgaande slaagde juffrouw Vermaat er in, haar man weer een weinig

te bemoedigen. Maar toch bleef het een Oudejaarsavondviering, triestiger

dan zij ooit beleefd hadden.

Treurig ook was de Nieuwjaarsdag, de eerste Januari van het jaar

1812, treurig voor de Vermaats, treurig voor duizenden bij duizenden

in ons land. In steê van vrienden, verwanten en kennissen te gaan

gelukwenschen, konden groot- en kleinhandelaars in tabak zich naar de

magazijnen der Regie begeven, om daar hun goed dat ze niet kwijt wilden

zijn, om daar hun werktuigen die hun een eerlijk stuk brood verschaften,

te zien taxeeren tot een prijs, die--misschien nooit zou worden

uitbetaald. Op verscheidene plaatsen althans hebben de tabaksfabrikanten

nooit een enkelen penning ontvangen.

Dat was dan het Nieuwjaarscadeau, hetwelk Napoleon Bonaparte aan zijn

Hollandsche onderdanen gaf, die, tot slot van alles, nog in de kerken

van den kansel God hoorden danken voor het gespaarde leven van hun

onderdrukker, God hoorden bidden om voorspoed en geluk voor hem, die

het geluk en den voorspoed van duizenden verwoestte.

Ook onze landsbibliotheken en museums van schilderijen ontzag de

Fransche Keizer niet. Wat had een overwonnen volk met kunsten en

wetenschappen noodig? Belastingen opbrengen, soldaten leveren, zich

onderwerpen en daarbij de zweep nog prijzen die hen striemde, dat

was de taak voor slaven, voor een volk, dat zijn naam en zijn

onafhankelijkheid verloren had. De zeldzaamste boekwerken, de

meestberoemde schilderijen en de merkwaardigste prenten, ja, zelfs

het stuk van den Munsterschen vrede, dat document onzer vroegere

onafhankelijkheid, werden uit onze verzamelingen gehaald, in kisten

gepakt en naar Parijs gevoerd.

In dat zelfde jaar 1812 werd tevens de druk van het continentaal-stelsel

nog weer dermate verzwaard, dat alle Engelsche fabriekswaren verbrand

moesten worden.

Toevallig was Jakob Stargardt van de eerste verbranding getuige, toen

hij op een middag door zijn baas voor een karweitje naar den Kadijk was

gestuurd.

In 't Park bij de Plantage gekomen, zag hij een volksmenigte

saamgehoopt, kijkend naar een groot vuur dat door eenige douanen werd

gestookt. Pakken manufacturen, messen, scharen, horloges, van alles werd

op den brandstapel geworpen, of het niet de minste waarde had.

»'t Is verschrikkelijk! 't Is een schandaal!" hoorde hij mompelend om

zich heen.

»Wat zullen die Engelschen razend op Napoleon wezen!" zei een eenvoudige

hals.

»'t Mocht wat!" onderrichtte de man, die naast hem stond. »Hoe meer

van hun goederen de Keizer hier laat verbranden, des te liever zij het

hebben. Al die goederen hebben onze winkeliers van de Engelschen gekocht

en aan hen betaald. 't Is dus niet _hun_ eigendom, maar het eigendom

van onze eigen landslui, dat door die kerels daar, zoo roekeloos wordt

vernield."

»Maar dan..."

»Is 't een schandaal, bedoel je!"

»Stil toch, man, ze mochten je er voor achter de tralies brengen!"

waarschuwde zijn vrouw.

»Och wat, de gevangenis op de Heiligenweg is al veel te vol! Daar is dus

geen plaats meer."

»Het Verbeterhuis en het Spinhuis zitten ook al opgepropt!" wist er een

aan toe te voegen.

»En in 't Werkhuis is al net zoo min plaats meer," zei een ander.

»Goeie genade, kijk toch! Is het geen zonde!" riep een vischwijf, »daar

smijten ze me handen vol horloges in 't vuur!"

»Ben je mal, Kee!" zei een mosselmeid, »denk je dat die nakende rotten

de beste niet achterbaks houden? Mijn kop er af,--alleen de zilveren

horloges gooien zij in den brandhoop en de gouden steken ze in hun

hongerige zakken."

Daar kwamen eenige douanen met wat balen koffie en een paar kisten

suiker aan slepen.

»'t Is God geklaagd!" zuchtte een kruidenier, toen die eveneens in den

vuurgloed werden geworpen. »_Ons_ laten ze er veertig of vijftig procent

belasting voor betalen en _zij_ smijten den boel maar zóó op het vuur!"

»Kijk me daar nou toch ereis ân!" riep een groentevrouw. »En _wij_, arme

stakkers, kunnen maar suikerij lebberen, omdat we zelfs nog aan geen

loodje koffie kunnen toekomen!"

»Ik wou, dat er per ongeluk een vaatje buskruit bij was, en dat heel dat

douanentuig in de lucht vloog!" gromde een visscherman.

Jakob durfde onmogelijk langer blijven. Wie weet, wat hij anders nog

gehoord had. Maar hij zou zich niet gaarne de ontevredenheid van zijn

baas berokkend hebben, bang als hij was, daardoor eens zonder werk te

geraken. En dàn?--wat zou er dan van hem en zijn moeder worden?

Met angst dacht hij dikwijls aan den dag, dat hij loten moest en die met

onrustbarende snelheid naderde.

Als hij nu toch eens in de conscriptie viel!

Hij _wilde_ er niet aan denken, want dan scheen hem de toekomst zóó

droevig, zóó troosteloos, dat hij er wanhopig onder worden kon. En toch

werd hij er voortdurend aan herinnerd, overal ging het gerucht, dat er

een oorlog met Rusland op til was en met zorg en kommer sprak men over

de, reeds in 't vorige jaar uitgetrokken, lichtingen en van de nieuwe

loting die in zicht was. Zijn moeder had het daar nimmer over, doch zij

werd gaandeweg stil en mijmerend, schoon zij haar uiterste best deed om

Jakob eenige opgeruimdheid te toonen.

Eindelijk gebeurde wat moeder en zoon al zoo lang hadden gevreesd--Jakob

werd soldaat!

Het afscheid was van een wilde smart en toen hij, na een laatste

omhelzing, schok-snikkend de deur uitging, viel de vereenzaamde vrouw

bewusteloos op den grond.

Medelijdende buren brachten haar te bed, oordeelend, dat rust het

allernoodzakelijkst voor haar wezen zou.

Maar toen de ongelukkige weduwe weer bij kwam, bleek ze geheel

veranderd. Zij was stil en somber geworden, haar hooge, kloeke gestalte

scheen opeens verslapt en ontzenuwd, haar krachtige natuur in één

enkelen dag verlamd door den knotsslag van het noodlot die haar

trof. Versuft zat zij uren lang in haar hoekje neer, starend, altoos

starend... Maar naderde de tijd, dat de postbode in aantocht moest zijn,

dan werd ze onrustig, opende de deur, keek het Kattenburgerplein over,

liep weer in huis, deed wéér de deur open en tuurde opnieuw over het

plein, soms wel tien maal achtereen.

Maar als ze den man ten leste zag aankomen, dan was het haar onmogelijk,

weer naar binnen te gaan. Ze bleef aan de deur staan wachten, in

zenuwstrakkende aandacht elk zijner bewegingen verspiedend. Een schok

doorsidderde haar het lijf, wanneer hij een greep in zijn tasch soms

mocht doen...

Maar onveranderlijk klonk het steeds, zoodra de bode haar nabij gekomen

was: »Geen brief nog, moeder Jane!"

De Zwervers van het Groote Leger: Historisch verhaal uit het tijdperk 1810-1813 · 第 6 / 22 题