Maar nee, nu ook dàt nog!"

Zijn ellebogen op tafel gesteund, liet hij het hoofd in beide vuisten

rusten. Toen staarde hij verder, met saâmgetrokken wenkbrauwen, zwijgend

voor zich uit.

Ook het gezicht van moeder Jane stond zorgelijk.

Maar zij was een flinke vrouw en na haar eerste ontsteltenis zon zij

dadelijk op uitkomst. Willem werd al twee-en-twintig, die kwam voor

de conscriptie dus niet meer in aanmerking, meende zij. En Jakob zou

toekomende jaar pas moeten loten. Kon hij, bij dat, niet naar Engeland

ontsnappen, waar Napoleon niemendal te vertellen had? Hàrd mocht dat

zijn, 't zou toch altoos nog beter wezen dan verminkt of doodgeschoten

te worden als soldaat. In ieder geval, waarom zouden zij nu zich al

zorgen maken? Wie weet, wat nog gebeuren kon.

»Willem niet in aanmerking komen?!..."

Bruusk hief Stargardt het hoofd op: »Neen, dat is juist het

onrechtvaardigste van alles, de Keizer heeft bevolen dat zijn decreet,

voor dezen eersten keer, een terugwerkende kracht zal hebben van drie

jaren liefst!"

»Dat wil zeggen...?" vroeg moeder Jane beangst.

»Dat zelfs de jonge mannen van drie-en-twintig nog aan de loting moeten

deelnemen!"

Nu wist ook Jane geen raad. In de diepste verslagenheid en schier

zwijgend bleven zij tegenover elkander zitten, totdat eindelijk Willem

en Jakob van 't werk thuiskwamen.

»Wat ben jullie van avond laat, jongens?" zei Jane bezorgd.

't Was op het einde van Februari en met die korte dagen konden zij dus

al lang binnen geweest zijn.

»We hadden vandaag ons werk een heel eind van de stad," gaf Willem tot

opheldering.

»Een buitenplaats sloopen!" voegde Jakob er aan toe.

»Ja, slóópen, slóópen! Da's tegenwoordig nog maar het bloeiendste

handwerk!" barstte Stargardt wrevelig uit. »Hier in Amsterdam verdwijnen

nu al gehééle wijken; de Vechtstreek, de Diemermeer en Haarlem's

omgeving verloren het ééne landgoed na het andere!

En ga eens door de stad!.. Bij troepen zie je ambachtslui met de handen

in de zakken langs pleinen en straten slenteren. Geen dienstbode krijgt

meer een betrekking, geen schipper vindt langer vracht, winkelier en

kramer ervaren duizenden kwellingen!

Vroeger, o 't was een liefhebberij om langs den IJkant te loopen. Geen

mooier gezicht dan al die schepen, die er voor anker lagen. Een bòsch

leek het wel, een bosch van masten!

Kom daar nù eens om! Wat zie je? Een stuk of wat vaartuigen maar, die

er liggen te rotten, omdat Napoleon met zijn Continentaal-stelsel onzen

handel vermoord heeft.

Ja, is het niet God geklaagd", wond hij zich al heviger op, »dat wegens

dit stelsel niet minder dan 18000 man onze kusten moeten bewaken en

al onze havens met oorlogsschepen worden geblokkeerd om toch maar te

zorgen, dat er geen koopvaarder uit of in komt?

O, als ik bedenk," ging hij al heftiger voort, »dat één man dit alles

ons aandoet, dat één man onzen koophandel verlamd, onze visscherij en

scheepvaart zoo goed als vernietigd en bankroet op bankroet veroorzaakt

heeft, o, dan zou ik in staat zijn om den ellendeling..."

»Fràns!!..." gilde Jane, doodelijk ontsteld.

»Vader, vader!" waarschuwden de jongens verschrikt, »maak ons in

Godsnaam toch niet allemaal ongelukkig!"

Angstig luisterde Willem aan het venster, bevend kierde Jacob de deur...

Want de Fransche geheime politie had overal haar agenten; in de

koffiehuizen, in de schouwburgen, bij zijn vrienden, ja, zelfs in zijn

eigen woning was het gevaarlijk om te morren over het tiranniek bestuur.

Mijnheer Devilliers Duterrage[3] toch, had zijn stille verklikkers onder

alle standen, onder de welgekleede heeren, onder eenvoudige kleine

burgers, onder handwerkslieden, tot onder de voddenkrabbers incluis.

[3] De directeur-generaal van politie.

Vaak was een enkele aanklacht van zoo'n laag gezonkene voldoende om

iemand in de gevangenis te brengen, of te doen veroordeelen tot den

dood.

Franciscus zat een oogenblik ontsteld, dat hij zich zóó had laten gaan.

»Jullie hebt gelijk," sprak hij eindelijk meer bedaard en met gedempte

stem. »Maar een mensch heeft wel eens behoefte om zich te uiten. Het zat

me tot _hier_!" wees hij met het bekende gebaar.

»Ook voor jou, mijn jongen, is er geen aangenaam nieuws," ging hij

weemoedig voort, meer bepaald tot Willem sprekend.

Willem zag doodsbleek, toen hij het wist.

»Maar ik kan vrijloten!" bracht hij er eindelijk met moeite uit. 't Was

een mislukte poging om zijn ouders met een verwachting op te beuren, die

hij zelf niet had.

»O, zeker, je kunt nog vrij loten!" zuchtten de anderen, meenend, dat

dit hem troosten zou.

Maar geen van die vier bedrukte menschen bezat in waarheid de hoop,

waarmee elk den ander dacht te bemoedigen.

* * * * *

IJverig werd nu met de inschrijving van alle dienstplichtige jongelingen

begonnen en reeds den 28sten Maart zou de loting plaats hebben.

Willem zou als reden tot vrijstelling opgeven, dat hij bijziende was.

Voor een poosje namelijk was het Jakob eens opgevallen, dat zijn broer

het boek onder het lezen wat dichter bij de oogen hield dan hijzelf.

Dadelijk hadden zij daar toen allemaal een reden tot ongeschiktheid voor

den dienst in gevonden.

Op den morgen van den lotingsdag had echter geen van de Stargardts nog

eenig vertrouwen meer in de deugdelijkheid van het kortelings ontdekte

vrijstellingsmotief. Treurig zaten zij aan het ontbijt, maar alle vier

konden zij niet dan met moeite eenige beten naar binnen krijgen.

Er werd meer gezucht dan gesproken.

»Kom, Willem! het wordt je tijd!" zei Stargardt eindelijk met een door

aandoening verschorde stem.

Hij nam zijn kruk onder den oksel en ook de beide jongens stonden op.

Moeder Jane begon hevig te snikken. Het leek haar toe, of haar kind dit

oogenblik de eerste stap tot een bloedigen dood ging doen.

»Kom, moeder, flink wezen nu!" poogde Willem nog te troosten: »Wie weet

of ik geen hoog nummer trek!" Maar in 't midden van die hokkend geuite

woorden moest hij zich omkeeren, om zijn eigen ontroering te verbergen.

Zij gingen met hun vieren de deur uit, naar het stadhuis. Want de

loting zou deels in de Amstelkerk, deels ten raadhuize plaats hebben.

Op straat zagen Jane's oogen nog rood van het schreien dat zij gedaan

had. Maar moeder Jane was waarlijk in dit opzicht de eenige niet. Dien

morgen bleek de stad vòl van vrouwen, die in gezelschap van lotelingen,

met roodbekreten oogen over straat gingen.

Voor het stadhuis was een groote ophooping van menschen; de Stargardts

hadden moeite, er door te komen. Maar eindelijk was dit toch gelukt. De

beide ouders en Jakob wilden nu méé naar binnen treden, maar door de

gendarmen die den ingang bewaakten, werden zij met barschen grauw

teruggehouden. Alleen Willem mocht binnengaan.

»Flink raak grijpen maar!" bemoedigde Jakob zijn broer, die er in dit

oogenblik allerellendigst uitzag.

»Ja, mijn jongen, grijp maar ferm toe!" schorde zijns vaders ontroerde

en hokkende stem: »Het geluk is voor de brutaalsten!"

Maar Willem schudde treurig het hoofd; het lag hem zoo bij, dat hij wel

een laag nummer zou trekken.

Ook moeder Jane was begonnen, haar armen jongen nog een woord van troost

toe te snikken; maar ongeduldig duwde een der gendarmen Willem naar

binnen.

»Allo, vooruit! Je kunt hier den heelen dag niet blijven staan janken!"

schreeuwde hij ruw.

Met vreemdstrakken blik liep Willem nu dóór. Uit de raadkamer hoorde

hij de nummers afroepen en nu en dan ging een loteling hem voorbij, met

roodgloeiend gezicht, of zoo wit als het genummerde stukje papier, dat

tusschen zijn vingers beefde.

Hij schuifelde de zaal in; daar zaten of stonden nog een menigte

jongelingen hun beurt af te wachten, en niet één keek blijmoedig.

Sommigen straalde de wanhoop als een koortsgloed de branderige oogen

uit; anderen zaten, met het hoofd op de borst, als geknakte witte

bloemen. Slechts enkelen deden zenuwachtig druk, om zich een voorkomen

van flinkheid te geven, maar de meesten openbaarden een doffe, schier

wezenlooze onderwerping.

Bijna angstig staarde Willem naar de groote, met groen laken overdekte

tafel, waarop de lotbus stond. Aan die tafel zat de Raad van

Conscriptie; mijnheer De Celles, de om zijn wreedheid gehate prefect,

had de eereplaats. Een sterke balie scheidde deze tafel van de

zaalruimte, waar de lotelingen waren. Twee openingen, de eene tot

ingang, de andere tot uitgang bestemd, bleken ieder bewaakt door vier

Fransche soldaten.

Eén voor één werden de lotelingen opgeroepen, om uit de noodlottige bus

het stukje papier te grijpen, waaraan misschien hun leven hing. Soms

snerpte een kreet van wanhoop door de zaal, als een conscrit een zeer

laag nummer bleek getrokken te hebben, soms schalde er een juichkreet

op, wanneer het een buitengewoon hóóg nummer bleek te zijn.

»Willem Stargardt!" klonk het opeens.

Willem voelde een schok, toen hij zijn naam hoorde aflezen.

Tegelijkertijd ging hem een ijskoude huivering over den rug, alsof

hij de koorts had. In een vreemde droomdoezeling ging hij tusschen de

militairen door. 't Was of niet _hij_ daar ging, maar iemand anders; of

niet _hij_ voor de heeren trad om zijn hand in de glazen bus te steken,

maar iemand búiten hem... Doch opeens werd hij weer zichzelf, nadat hij

het getrokken nummer aan den militairen auditeur had overgereikt.

»No. 15", las de auditeur. Toen werd al weer een nieuwe loteling

opgeroepen.

Willem stond daar nog, roerloos, geheel verbijsterd.

»Neen, mijn jongen, je behoeft vandáág nog niet op schildwacht te

staan!" spotte mijnheer De Celles, en de andere heeren lachten dat

zij schudden om die wreede grappigheid van den hardvochtigen prefect.

Nu kwam Willem plotseling tot een klaar besef van zijn ongelukkigen

toestand. Met een prikkelende trilling in zijn beenen ging hij naar de

plaats waar zijn signalement werd opgenomen, en een oogenblik later

stond hij weer op straat.

Al dien tijd hadden de andere Stargardts daar in het vreeselijkste

ongeduld staan wachten.

»Daar komt hij!" riep Jakob nu opeens. »Maar..."

»Hemelsche goedheid! Ik zie het al, ik zie het al!" jammerde moeder

Jane, »zijn gezicht is zoo wit als een doek!"

»Welnu?..." hijgde Stargardt, op zijn kruk naar voren wippend.

»No. 15--soldaat!" zuchtte Willem.

Zijn onderkaak was in zenuwachtige trilling, toen hij met moeite dit

antwoord uitbracht.

»Maar je hebt toch opgegeven, dat je bijziende was!" vraagde moeder nog

angstig.

Willem knikte.

»Kom laten we gaan!" zei Stargardt dof.

In somber zwijgen, als menschen die een dierbaren doode naar het kerkhof

hebben gebracht, keerden zij daarop naar huis.

Drie dagen later moest Willem reeds voor den Raad van keuring

verschijnen, die zitting hield in het Besjeshuis aan den Amstel.

Hij ging er heen met weinig hoop. Toen hem bovendien al heel spoedig

bleek, dat tal van conscrits, die eveneens gebreken hadden opgegeven,

reeds allemaal waren goedgekeurd, ging hij in doffe gelatenheid bij de

nog wachtenden zitten.

Weldra kraakte een deur open en tien lotelingen kwamen er

uit,--goedgekeurd! Duidelijk was het te zien aan hun strakke, bedroefde

gezichten.

Onmiddellijk daarop stak een gendarme het hoofd door de deuropening en

schreeuwde de namen van tien andere lotelingen uit. Ook die van Willem

was er bij.

Zij traden binnen en de gendarme sloot de deur.

Verscheidene heeren, meerendeels notabelen, om zoo noodig van advies te

dienen, zaten op stoelen in een halven kring; mijnheer De Celles, de

gehaten prefect, op een leuningstoel in het midden; en zijn secretaris

zat aan een tafel.

Eenige militaire chirurgijns en een overste stonden in een hoek van het

vertrek met elkaar te praten.

»Uitkleeden!--Een beetje vlug asjeblieft!" commandeerde de gendarme

barsch.

Toen zij alle tien zich geheel ontkleed hadden, werden zij betast en

bekeken als het vee op een marktplein.

Een was er bij, die doofheid had opgegeven.

»Hoe heet je?" werd hem gevraagd.

»In de Willemstraat!" zei de jongen.

»Mijnheer vraagt, hoe je heet!" bulderde een der gendarmen.

»O, zóó! Frederik Nottens!--Ik dacht dat mijnheer de chirurgijn vroeg,

waar ik wóónde. Ik ben een beetje doof, ziet u!"

»Maar toch zeker niet zoo erg?"

»Wâblief?" vroeg de Willemstrater, de hand aan het oor geschulpt.

»Of het èrg is?" herhaalde de chirurgijn luid.

»Vér? Ja, de Willemstraat is tamelijk ver", was het antwoord.

»We moeten met hèm maar uitscheiden!" zei de prefect. »'t Is duidelijk,

de lummel is zoo doof als een pot!" En zonder de minste stemverheffing

liet hij terstond er op volgen:

»Je bent afgekeurd, vriend. Je kunt gaan!"

Met een glans van blijdschap op het gelaat keerde Frederik Nottens zich

om en wilde dadelijk zijn kleeren aandoen om heen te gaan.

»Halt!" donderde de stem van mijnheer De Celles. En toen zich met een

boosaardig lachje tot den secretaris wendend:

»Frederik Nottens,--goedgekeurd voor den dienst!"

Een naar het uiterlijk sterke en gezonde loteling had vallende ziekte

als reden tot vrijstelling opgegeven en, uit angst, kreeg hij plotseling

werkelijk een toeval. Zijn oogen draaiden akelig in hun kassen, wit

schuim bruiste hem om den mond en met een plof smakte hij op den vloer.

De heeren notabelen toonden, met den armen jongen te doen te hebben.

Maar mijnheer De Celles zei: »Nu, ja, de kunst gaat ver. We zullen

dadelijk onderzoeken wat er van aan is."

Toen liet hij door een der gendarmen, den beruchten Jean Malot, het

naakte lichaam van den ongelukkige met brandend lak bedruipen, om te

zien of de kwaal ook nagebootst was.

Met een gevoel van afgrijzen zagen de andere heeren dat wreede bevel ten

uitvoer brengen. De prefect echter nam een snuifje en keek doodbedaard

toe.

Toen de arme jongen nochtans roerloos liggen bleef sprak hij,

onverschillig en koud: »Hm, de ziekte blijkt heusch toch echt te wezen!"

Willem had dit alles met ontzetting bijgewoond en angstig vroeg hij zich

af, wat men zoo meteen met hèm wel doen zou. Een tengere, bleeke jongen

echter, die reeds van den aanvang af had staan trillen als was hij,

onder een ijzigen vrieswind, zoo juist uit een bijt gered, was in

onmacht gevallen.

Om hem bij te brengen onderging hij dezelfde afschuwelijke bewerking.

Gillend sprong de mishandelde stumper toen overeind.

»U ziet het, heeren," zei de prefect, met zijn wreed lachje: »Het middel

is waarlijk nog zoo kwaad niet."

Als zoovele ambtenaren volvoerde mijnheer De Celles des Keizers bevelen

met gestrengheid, zonder verschooning of verzachting; maar waar anderen

dit deden uit angst voor Napoleon, uit zucht om zich aangenaam te maken,

of uit nauwgezette plichtsbetrachting, daar deed _hij_ het steeds uit

ingeboren neiging. Hoe wreeder de Keizerlijke bevelen waren, te minder

blijk van weerzin of mededoogen deze prefect openbaarde, als ontbrak hem

alle gevoel van menschelijkheid, als was het hem een genòt om leed te

stichten.

De jonge Stargardt, na alles wat hij gezien had, huiverde, toen

eindelijk de beurt aan hèm kwam.

»En jij?" vroeg een der militaire chirurgijns.

»Bijziende!" stamelde Willem bevend.

Enkele proeven werden nu genomen en daar hij te eerlijk was tot een

poging om den raad van keuring te misleiden, klonk het weldra:

»Willem Stargardt,--goedgekeurd voor den dienst!"

Tweede Hoofdstuk.

Het oproer aan de Haarlemmerpoort.

Op den avond van den 10den April werden alle goedgekeurde conscrits

bijeengebracht en in de kazerne aan de Utrechtsche poort opgesloten,

om den volgenden dag naar hun corpsen te worden gezonden.

Zoodra de morgen aanlicht, zet de sombere stoet zich in beweging, naar

de Haarlemmerpoort, waar verscheidene schuiten tot hun vervoer gereed

liggen.

Door talrijke gendarmen begeleid volgt de droeve jongelingenschaar de

aanvoerders als weerloos slachtvee.

Willem Stargardts familie is niet aanwezig.

Om hem het heengaan niet nog moeilijker te maken had hij dringend

verzocht, dat het laatste afscheid den dag te voren in het ouderlijke

huis zou plaats hebben.

Maar in weerwil dat de tocht met voordacht langs achterbuurten gaat,

zijn toch vele vrienden en verwanten op de been, die met de uittrekkende

lotelingen meeloopen. En dat aantal wordt gaandeweg nog hoe langer hoe

grooter. Af en toe knerpt een raam open, waardoor een vaarwel wordt

toegewuifd. Dan heft de loteling dien het geldt in den regel zwijgend

een hand op, en laat vervolgens het hoofd weer moedeloos op de borst

zinken.

Willem loopt tusschen Lodewijk Hantelman, den tengeren jongen die op den

keuringsdag in zwijm viel, en Frederik Nottens, den Willemstrater, die

doofheid had voorgewend.

De doodsbleeke Lodewijk snikt als een kind, terwijl zijn roodgeschreide

oogen aanhoudend naar zijn ouders kijken, zich voortbewegend onder

de nog immer aangroeiende menigte. En naast Lodewijk's vader, den

stevig-gedrongen, breedgeschouderden Antonie Hantelman, stapt de

reuzengestalte van Toon Janssen. Zijn eigen jongen was wel is waar, om

zijn vallende ziekte, ongeschikt verklaard voor den dienst, maar toch

laait een felle woede weer telkens in hem op, zoo vaak hij maar bedenkt,

hoe mishandeld hij zijn kind weer thuis kreeg.

Hij is meegeloopen met den stoet, omdat hij er enkele verwanten onder

heeft. En nu moet hij het zien dat, daar vóór hem, de ellendeling gaat

die zich gretig haastte, het onmenschelijk bevel van den prefect ten

uitvoer te brengen.

Toon Janssen klemt de vingers krampachtig om de duimen, zijn oogen

gloren somber van verzwegen wrok, nu hij daar dien hatelijken Jean Malot

ontdekt, wiens hand de gloeiende lakdruppels op het naakte lijf van zijn

ongelukkigen jongen liet inbranden.

Zwaar stapt hij naast Antonie Hantelman voort, wiens jongen op dezelfde

onmenschelijke wijze mishandeld werd.

En in hun haat komen de versomberde zielen dier beide vaders tot

elkander, voldoening zoekend in zacht-mompelend beurt-geschimp.

Daar tracht iemand uit de menigte tot de lotelingen door te dringen,

om zijn zoon de hand te drukken. Doch met een stomp wordt hij

teruggedrongen onder het volk. Anderen pogen hetzelfde, maar stooten en

slagen van de gendarmen doen hen dof-grommend af deinzen. Aanstekelijk

werkt dit grommen op heel de verbitterde massa; het wordt een zwaar,

gonzend, opstandig gebrom, langzaam groeiend en aansterkend tot nog

onverstaanbaar, dreigend woordgezwatel; hoofden en handen komen in

onrustig gebaar; oogen drinken haat uit anderer haatvervulde oogen....

In dien toestand van nog onderdrukte opgewondenheid, geraakt heel de

massa, met de lotelingen, tot buiten de Haarlemmerpoort.

En daar liggen zij te wachten, de schuiten, stil-geduldig als loerende

leviathans, de wijd-open klepluiken hongerig gapend als monstermuilen,

om, zoo dadelijk, één voor één, die aangevoerde prooi van Amsterdamsche

jongelingen te verslinden.

Thans wordt de wanhoop die zwaarbeproefde vrienden en verwanten te

machtig. Zij dringen zich door de gendarmen tot een laatsten handdruk,

een laatste omhelzing.

Moeder Hantelman heeft zich wild aan de borst van haar zoon geworpen,

luid jammerend:

»O mijn jongen, mijn jongen!.. Ik kàn je niet missen!.."

Hun armen houden elkander vast als in onbreekbare omstrengeling. Maar

driftig nadert Jean Malot. Barsch scheurt hij beiden van elkaar, dat de

moeder met een smartkreet terzijde slingert, terwijl hij den zoon naar

de schutten poogt voort te drijven.

Doch in 't zelfde oogenblik springt de vader op den ruwen gendarme

toe..; ontembare worgdrift vaart bevend door zijn armen, en als een

roofdierklauw omhaken zijn vingers hem nijpend den strot...

De Franschman, het vuurroode hoofd achterover, reutelt een gesmoorden

vloek omhoog, zijn sabel trekkend tot bloedigen tegenweer... Maar Toon

Janssen's sterke handen ontwringen het wapen aan zijn vuist... als een

weerlicht flitst het over de hoofden der menigte, tot het neerploft in

de Haarlemmervaart...

Deze daad werkt op de massa als een vurig verbeid, onderling afgesproken

aanvalssein. Het lang reeds smeulende vuur van hun wrok slaat plotseling

uit in wild-flakkerende vlammen. Hun oordeel ligt in onmacht; hun haat,

in zijn honger naar gewelddadigheden, ontwringt zich aan den greep der

zelfbeheersching... En die vreedzame burgers, die rustige huisvaders en

huismoeders, zij worden opeens tot furiën! Bij tientallen bespringen

zij de schuiten, zij snijden de jaaglijnen in stukken, zij bemachtigen

gretig de lange schippershaken, en de lotelingen die reeds waren

ingescheept voelen zich eensklaps naar boven gesjord en weer aan wal

gesleurd, nog vóór ze beseffen wat er eigenlijk te doen is.

Zoodra Willem Stargardt zich bevrijd weet, begint hij zich echter af te

vragen, wat hij met zijn vrijheid nu toch wel moet aanvangen. Liefst

zou hij naar huis gaan, maar hij begrijpt zeer goed, dat de Fransche

gendarmen hem niet rustig thuis zullen laten. Gauw genoeg zal hij daar

ontdekt worden. En dan is zijn lot natuurlijk, dat hij tòch zal moeten

uittrekken en heel zijn leven soldaat blijven, zoo hij niet gedood of

verminkt wordt. Zijn leven lang zal hij dan hebben te vechten, niet

voor zijn eigen vaderland en zijn eigen vorst, maar een vreemd land

en een vreemden heerscher zal hij moeten dienen; hij zal zijn jonge

leven aanhoudend moeten wagen in dienst van den nooit voldanen

veroveringshonger van den man, die zijn land en zijn volk zoo diep

heeft vernederd en nog dagelijks onderdrukt.

Heel zijn ziel komt opnieuw tegen dit onduldbaar-hatelijk denkbeeld in

verzet en hij besluit, niét naar huis te gaan.

Maar, wat dàn?

Terwijl hij hier nog over nadenkt, fluistert iemand hem in 't oor: »Maak

dat je van avond aan 't Legmeer bent.--Maar òngemerkt, hoor!--dan zal ik

je verbergen!"

Meteen keert de man zich om en verdwijnt tusschen de vechtende en

tierende menigte.

Willem heeft echter dadelijk Ep de Breukelaar herkend, een visscher, van

wien zijn vader nog al eens baars en paling koopt. Zoo ergens, dan is

hij dààr veilig.

Zijn besluit staat nu vast. Hij zal zich bij Ep de Breukelaar voorloopig

schuil houden en vandaar trachten, naar Engeland te ontkomen.

Dit laatste is zonder twijfel een onderneming, vol van het grootste

gevaar. En wordt hij gesnapt, hij weet het, dan zal hij, als deserteur,

tot den kogel veroordeeld worden.

Maar dat waagt hij er op. Liever éénmaal de kans om doodgeschoten te

worden bij zijn streven naar de vrijheid, dan honderd maal wellicht,

op het slagveld den dood onder de oogen te moeten zien.

Ongemerkt maakt hij zich nu uit de voeten, want het tumult en de

verwarring zijn in dit oogenblik heviger dan ooit. Woedend de sabel

zwaaiend pogen de politiemannen nog meester te blijven van den toestand.

Maar met de lange vaarhaken worden zij smalend en jouwend omvergerukt,

met woest getier overvallen, en ontwapend onder brullend

triomfgeschreeuw.

Het gevoel harer onmacht heeft die verbitterde menigte voor een

oogenblik geheel verloren, tot de gehate gendarmen, getrapt en geslagen,

gehavend en wapenloos, zich zoeken te redden in wilde, ordelooze

vlucht...

Die ongehoorde uitslag werkt plotseling als een ontnuchtering...

Angstig komt men tot een klaar besef van wat men eigenlijk gedaan

heeft... en trekt dan af, in de grootste verslagenheid, terwijl de

bevrijde lotelingen zich door de stad verspreiden, waar de mare van

hetgeen er aan de schuiten voorviel, hun reeds is vóórgegaan.

In verschillende wijken ontstond nu gisting. Toen het 46ste regiment,

dat op 't Funen manoeuvreerde, zich naar de Haarlemmerpoort wilde

spoeden, werd het door de bewoners der Joden-Breestraat zoo vinnig met

stokken en steenen en allerlei andere wapens bestookt, dat het hierdoor

geruimen tijd werd tegengehouden. Ja, de Fransche ambtenaren begonnen

blijkbaar voor hun leven te vreezen. Brunier, de knecht van mijnheer

Devilliers Duterrage, den gevreesden directeur-generaal der Fransche

politie, kwam tenminste bij den parfumeur Jaquement, op de

Reguliers-Breestraat, binnensnellen onder den uitroep:

»Ach, landsman, alle Franschen worden verwurgd!"

»Maar wij zijn geen Franschen, wij zijn Zwitsers," antwoordde de

winkelier bemoedigend.

»Jawel, we zijn Zwitsers, maar Zwitsers die Fransch praten; dat is voor

't verbitterde volk genoeg om ons aan een lantaarnpaal op te hangen!"

En werkelijk, er dreigde voor de Franschen gevaar. Maar in den namiddag

kwam de Nationale garde (schutterij) in 't geweer, en deze hield het

volk van verdere bewegingen terug.

Zoozeer zat echter de schrik bij de Fransche regeering er in, dat zij

per telegraaf versterking aanvroeg.

Op de Weesperpoort stond namelijk een ijzeren stijl met zes ijzeren

borden, die recht konden liggen of dwars opstaan. Hiermee vermocht men

alle letters te maken, ja kon men zelfs teekens geven en allerlei andere

seinen. Nu stond er op den toren van Ouwerkerk ook zoodanig toestel

dat al die teekens onmiddellijk navolgde. De telegrafen te Vreeland,

Westbroek en verdere dorpen deden evenzoo, en op die manier, van toren

op toren overgebracht, konden, van Amsterdam uit, berichten worden

gezonden tot zelfs naar Parijs.

Langs dezen weg nu werd door de Fransche overheid, in haar ontsteltenis,

naar Utrecht om hulp gevraagd, waarmee zij allerduidelijkst bewees, hoe

ernstig zij den toestand nog altoos achtte.

Intusschen zwierf Willem Stargardt op eenzame wegen en velden rond.

Voorloopig had hij, om zijn spoor te verheimelijken, den weg naar

Haarlem ingeslagen. Spoedig was hij evenwel Zuidwaarts afgeweken, immer

zorgend, herhaaldelijk van richting te veranderen en zich liefst zoo ver

mogelijk uit de menschen te houden.

Beurtelings loopend en rustend, bracht hij op die manier den dag door,

om zich eindelijk in de buurt van het Legmeer schuil te houden tot het

donker zou zijn.

Toen ging hij naar den oever en bleef er wachtend turen over den

rietzoom, in de richting waar hij Ep de Breukelaar's woning wist...

Een gevoel van verlatenheid beving hem, in de vreemde, geheimzinnige

stilte om hem heen... Geen enkel gerucht, dat aan de nabijheid van

menschen deed denken...

»Nu moest Ep eens berouw gekregen hebben en wegblijven!" dacht hij

bekommerd.

Hij boog zijn hoofd over het riet, het oor in luistering naar het water

gericht...

Dáár vernam hij een vaag gekabbel... Dat gerucht viel echter dra te

onderkennen... Het bleek een langzaam naderend, stil-omzichtig

riemgeplas...

Willem kon eindelijk den schimmigen vorm van bootje en roeier

onderscheiden.

De visscher legde aan, zacht werden wederzijds eenige woorden geuit...

Willem stapte in... en even behoedzaam als Ep gekomen was, roeide hij

weer, de duisternis in, naar zijn woning.

Gebouwd op een der honderden eilandjes die, na het vervenen van den

grond, nog in het meer waren overgebleven, lag het huisje van Ep de

Breukelaar eenzaam te midden van hooge rietbosschen, gelijk het nest van

een schuwen watervogel.

't Was spoedig bereikt; Ep maakte het schuitje aan den walkant vast en

bracht Willem in het woonvertrek, waar hij allerhartelijkst door de

vrouw van den visscher werd ontvangen.

»Komaan, ga dáár nu eens zitten!" zei ze, een stoel van den wand bij de

tafel plaatsend. »En kijk, dat zal er wel ingaan, denk ik!"

Meteen zette zij een bord vol dampende karnemelksche pap voor hem neer.

Nu, òf dat er in ging!--Want Willem had in de kazerne bijna niets door

de keel kunnen krijgen en heel dien dag had hij verder nat noch droog

gehad.

Met ijver werd het bord dus leeg gelepeld, waardoor echter een opschrift

bloot kwam, dat door Willem niet zonder verbazing gelezen werd:

Oranje boven is mijn leus,

Een Prinsman heeft geen andre keus!

stond daar in sierlijke, blauwe krulletters.

»Ja, ja," grinnikte Ep, die zijn verbazing gemerkt had: »Je bent hier

bij een volbloed Oranjeklant! Kijk maar vrij om je heen, dan zal je daar

méér bewijzen van zien!"

»Ik denk, dat onze maat op 't oogenblik net zoo lief nog een bordje pap

heeft," lachte zijn vrouw, terwijl zij meteen zijn bord nog eens vulde.

Willem zei geen _neen_, maar toen hij ook dàt geleegd had, keek hij op

zijn gemak het vertrek eens rond, naar de overige bewijzen van Ep de

Breukelaar's Oranjeliefde.

Aan den wand ontdekte hij nu een paar omlijste prenten, met Willem V en

zijn gemalin ten voeten uit en een oranjeboom in het midden, waaronder:

Hier is de deugt en roem geplant

Den vorst van 't Vrije Nederlant.

Op de katoenen paneelen der beddeurtjes zag hij den Prins en de Prinses

_en medaillon_; en het kunstig houtsnijwerk waarmee de opstap-bankjes

voor de hooge bedden gesierd waren, hield tusschen loovers en bloemen de

letters: »P. W. D. 5."

»Prins Willem De 5 de!" legde Ep hem uit.

Maar dan de schoorsteen!

't Was een groote, vooruitspringende schouw, omrand met een veelkleurig

katoenen, in plooien geregen valletje...

O, dat vàlletje! 't was de trots van de huisvrouw! Maar wat daar bóven

pronkte, in het rek van den breeden, geribden mantel, daar gingen

ze _beiden_ hoog op! Die zes groote borden, ze waren hun een zoete

herinnering aan voorbije dagen, een stille troost in het rampvol heden,

een blijde hoop voor de toekomst! Want ieder bord droeg het beeld van

den Prins en onder iedere Prinsenbeeltenis stond een zegewensch op het

Oranjehuis te lezen.

»Da's nog eens de moeite wáárd, hè?" riep Ep, met ingenomenheid zijn

eigen woorden naknikkend.

»Ja, vriendschap, die borden zijn nog uit den tijd van de Keezen en

Prinsmannen! Maar ook onder de Bataafsche Republiek en de regeering van

Koning Lodewijk zijn ze niet van hun plaats geweest!--En je ziet het,

zelfs nou, onder de dwingelandij van Napoleon," besloot hij met

voldoening, »nou staan ze daar nòg!"

Zij raakten daarop over het voorval bij de schuiten aan het praten en

Ep, die den anderen morgen met paling naar stad moest, nam op zich, om

Willem's huisgenooten gerust te stellen.

Den volgenden dag bleef Willem met het grootste ongeduld op Ep de

Breukelaar's thuiskomst wachten. Pas tegen den avond kwam hij terug, een

overvloed van nieuws meebrengend.

»Nou, vriendschap, daar is je me gister wat gebeurd!" begon hij.

»Niet alleen aan de Haarlemmerpoort is het er te doen geweest, maar ook

binnen de stad zijn er nog verscheidene relletjes voorgevallen. In hun

benauwdheid hebben de Franschen toen om hulp gevraagd; en van morgen,

alheel in de vroegte, is het 93ste regiment uit Utrecht aangekomen, om

de bezetting van Amsterdam te versterken.

De gendarmen, die gister wel in een doosje konden, ze stappen nu weer

als pauwen door de straten!

En overal in de stad zijn bekendmakingen aangeplakt, vol van allerlei

dreigementen:

Vooreerst, dat er een commissie benoemd is om de aanstookers en

medeplichtigen bij de relletjes van gister, op te sporen en te

vonnissen.

Verder zal er huiszoeking gedaan worden, staat er, in alle wijken, waar

de lui oproerig geweest zijn; en alle verzamelingen van tien personen

zijn streng verboden.

Maar dan staat er óók nog wat op, dat voor _jou_ van belang is:

De dienstplichtige lotelingen moeten zorgen, uiterlijk morgenochtend

zeven uur, weer aan de Utrechtsche poort te zijn, of zij zullen als

deserteurs beschouwd worden.

Ik heb je vader gesproken en die wou het heelemaal aan jezelf overlaten,

wat je nu doen wilt. Maar _blijf_ je bij je plan om te ontsnappen, dan

raadt hij je aan, om dat vandáág nog te probeeren. Want mocht het eens

blijken, dat je vlucht onmogelijk was, dan kan je nog altijd zorgen,

niet als deserteur beschouwd te worden, door je in dat geval nog tijdig

aan te melden.

Toevallig was mijn broer Teunis van morgen in de stad en die wil

probeeren, je aan boord van een Engelschman te krijgen, heeft hij me

beloofd. Ook heb ik nog met een vertrouwden kennis afspraak gemaakt,

dat hij ons, zoo gauw het donker is, met zijn wagen naar Noordwijk zal

brengen.--Want mijn broer is een Noordwijker visscher, moet je weten!

De Zwervers van het Groote Leger: Historisch verhaal uit het tijdperk 1810-1813 · 第 5 / 22 题