Dan trok zij zich zuchtend terug en ging weer als wezenloos in haar

hoekje zitten, of poogde wat te werken. Doch van het werken kwam

gewoonlijk niet veel en haar huishouding liet zij meer en meer

verwaarloozen. Want als zij begon met den leuningstoel af te stoffen,

dan herinnerde dit meubel haar aan Franciscus; mijmerend over den armen

kreupele stond zij dan langen tijd roerloos met den stofdoek in de

werkelooze hand; nam zij een mat op, de indrukken van zijn kruk werden

haar als smartvertrokken monden, die klagelijk van den dierbaren doode

spraken; die stoelen, de tafel, dat kastje, de Friesche klok daar, al

die voorwerpen, samen hadden zij ze gekozen en gekocht, elk meubelstuk

had zijn kleine geschiedenis, onderdeel van het familieleven der

Stargardts vormend; ieder ding kreeg een ziel voor moeder Jane, en de

zielen van al die lieve dierbare voorwerpen om haar heen, begonnen nu

met weeke, weenende stemmen van hun verleden te fluisteren...

»Zóó kan het niet langer!" zei juffrouw Vermaat tegen haar man, toen zij

weer eens tevergeefs gepoogd had moeder Jane wat op te beuren: »Het arme

mensch verkniest hoe langer hoe meer en haar huishouden laat ze

heelemaal verwaarloozen. Wist ik toch maar, wat ik er aan verhelpen

kon!"

Beiden hadden zij innig te doen met de ongelukkige weduwe. 't Is waar,

ook _zij_ hadden hun zoon Reinier aan de legers van den Keizer moeten

afstaan, maar bezaten zij niet elkánder, hadden zij niet hun

luidruchtige bengels van jongens? Doch moeder Jane bezat thans niets

meer en zij konden het zich dus zoo begrijpen, dat de vereenzaamde vrouw

verkwijnde naar lichaam en ziel.

Eindelijk meende het echtpaar Vermaat er iets op te hebben gevonden,

waardoor de weduwe Stargardt een groot deel van den dag uit haar

omgeving en daardoor allicht ook eenigermate aan haar herinneringen zou

worden ontrukt: Zij zou namelijk, door hun bemoeiingen en voorspraak, in

het Munthôtel als werkster kunnen komen.

Met doffe onverschilligheid hoorde moeder Jane deze beschikking aan,

maar toen juffrouw Vermaat op een morgen gekomen was om haar er heen te

geleiden, maakte ze ook in het minst geen tegenwerping.

Sedert kwam zij geregeld iederen dag in het hôtel haar werk verrichten

en schoon de nieuwe werkster weinig spraakzaam bleek, wat zij dóen

moest, dat deed zij met de nauwgezetheid van een machine.

Op een avond--ze was juist een poosje te voren uit het hôtel weer thuis

gekomen--had de postbode een brief voor haar.

Nauwelijks had zij de acht stuivers port betaald, of ze scheurde het

couvert open en zenuwachtig begon zij te lezen, want het was een brief

van hèm, van Jakob, haar jongen! De letters dansten haar voor de oogen,

onderwijl zij in jachtende haast de bladzijden doorvloog. Toen begon zij

weer van voren af, en nu veel kalmer:

Sabelsdorph, 20 April 1812.

Lieve moeder, dit is dan de eerste brief, dien u van mij krijgt.

Waarom ik niet vroeger schreef, zal u hieruit straks wel blijken.

Zoodra wij te Wezel waren aangekomen, werden Reinier en ik met

nog verscheiden andere Amsterdamsche lotelingen als huzaren

uitgerust. En van toen af, na de eerste oefeningen in het

paardrijden te hebben doorstaan, is het niet anders geweest

dan marcheeren en exerceeren, over Munster en Osnabrück op

Maagdenburg aan en toen verder, altijd verder maar weer, en dat

langs zùlke slechte wegen en meestal onder zulk slecht weer, dat

ik 's avonds geregeld doodmoe op mijn leger viel.

En zoo zijn we dan nu hier, te Sabelsdorph, op een halven mijl

van Stettin. Het volk, dat deze streken door trekt of reeds

doorgetrokken is, blijkt gewoonweg onnoemelijk. Verscheidene

burgers zijn trouwens reeds uit de steden gevlucht, omdat zij

alle dagen 16 en 17 man in kwartier kregen. Men lijdt veel in

Holland, maar hier nog meer, men wordt hier opgegeten!

Ons regiment treft het goed, wij zijn altijd bij de boeren en

alleen de Generale staf met één compagnie blijft in de steden

en dat gaat geregeld zoo door, iedere compagnie op haar beurt.

Doordat wij altoos bij de plattelandsbevolking in kwartier liggen

heb ik niet veel gelegenheid om te schrijven, want meestal zijn

we met acht à negen man in dezelfde kleine ruimte en dan moet men

op zijn spullen passen. Bovendien weten de boeren hier te land

haast niet wat papier en pennen zijn.

Op het oogenblik liggen we met zijn negenen bij een goeden boer,

en die had ook pen en inkt, zooals u ziet, maar het is dan ook de

burgemeester van het dorp.

Zondag zijn we gearriveerd, Dinsdag maakten wij inspectie voor

den ritmeester, Donderdag voor den kolonel, die ons zóó duchtig

liet manoeuvreeren, dat mijn oude knol bijna niet meer voort kon

en 's avonds bij het afzadelen een gat als een vuist in zijn lijf

had.

Heden, Zondag, is het groote inspectie voor den Generaal, maar

omdat mijn paard zoo áf en gedrukt is, heb ik het geluk van thuis

te mogen blijven, waarom ik niet rouwig ben; want het sneeuwt

hier alle dagen en het is braaf koud ook.

De stad zelf ligt zóó vol van de Jonge Garde en Badensche en

Hesselsche troepen, dat men over de hoofden wel loopen kan.

Alle troepen moeten tweemaal daags exerceeren, wat _wij_ dus óók

gedaan hebben, de dagen dat wij geen inspectie hadden. Nu, daar

went men aan. Alleen hoop ik, dat ik maar spoedig een anderen

harddraver krijg. Denk eens aan, ik ben, gedurende onze opmarsch,

met dien ouden stijven knol al driemaal gevallen, gelukkig zonder

mij erg te bezeeren, doch niettemin met het plezierig gevolg, dat

ik van Brunswijk af een heel eind naast mijn oudje loopen mocht,

want de stumper was een weinig gedrukt op de schoft.

Dat marcheeren langs slechte wegen, tot aan de knieën door de

modder, was natuurlijk niet alles. Gelukkig echter kwam mijn

stramme sukkel toch al gauw weer wat op dreef. Maar verbeeld u,

den dag dat we hier aankwamen ging hij weer heel netjes met me

in het wagenspoor liggen en of ik hem al aanzette of wát ook,

sinjeur stond niet op voor en aleer ik er afging.

Of we hier nog lang zullen blijven? Het zeggen is, dat we

spoedig naar Koningsbergen zullen opmarcheeren en dan verder

naar Rusland, omdat er met dat rijk een oorlog op til is, zooals

iedereen beweert.

Ik ben tot nog toe heel gezond en als ik niet voortdurend

bekommerd was om u, dan zou ik mij in het soldatenleven heel goed

kunnen schikken. Maar o, hoe verlang ik er soms naar, u terug

te zien! Wat zou ik er niet voor geven om, al was het maar één

oogenblik, weer eens bij u te zijn en u te kunnen omhelzen. Maar

wie weet, hoe lang het nog wel kan duren, voor ik weer bij u

terug zal zijn.

Neen, dan is één van mijn nieuwe kameraads er toch vrij wat beter

aan toe. Zijn moeder, moet u weten, is een van de marketentsters.

Zij trekt geregeld achter het regiment aan, van de eene plaats

naar de andere en zoodoende kunnen zij, buiten diensttijd, elkaar

net zoo vaak ontmoeten als zij maar willen.

Dit laatste gedeelte van den brief maakte op moeder Jane een diepen

indruk, die van groote gevolgen zou wezen. Het wekte een voornemen bij

haar op, waartoe zij uit zichzelf nooit zou gekomen zijn:

Wat die moeder kon, dat kon _zij_ immers ook? En wat verlóór zij er

bij? Haar leven toch was eenzaam en treurig en werd door slavigen

arbeid gesleept van den eenen dag naar den volgenden, met geen ander

vooruitzicht dan dat het eenzaam en treurig _blijven_ zou. Want niet

alleen Willem was zoo goed als dood voor haar, ook haar Jakob zou zij,

onder haar tegenwoordige omstandigheden, toch denkelijk wel nooit weer

terug zien. Werd zij daarentegen marketentster, dan kon zij dag aan dag

weer met en bij hem zijn. En zoo hij gekwetst mocht worden, wie zou hem

beter kunnen oppassen en verzorgen dan zij, zijn eigen moeder?

Zij keek op de klok. Het was nog vroeg genoeg om gauw even met den brief

naar de Vermaats te gaan. Daar hoorde zij, dat ook Reinier geschreven

had. Toen zij echter vertelde, tot welk besluit zij gekomen was, deed

het echtpaar alles, om moeder Jane daar weer van terug te brengen.

Zij wezen haar op de moeilijkheden, aan dat eindeloos reizen en trekken

verbonden; op de gevaren, waaraan zij voortdurend zou bloot staan; niets

mocht baten.

»Maar je kunt immers niet eens met paarden omgaan?" zei juffrouw Vermaat

ten leste. »En voor een huzarenmarketentster zal dat toch, dunkt me, wel

noodig zijn."

»Niet met paarden omgaan? Nu, dat zou je meevallen! In mijn jeugd woonde

ik op een dorp; mijn ouders hadden een boerderij en ik ben dus, om zoo

te zeggen, bij paarden grootgebracht. Ja, als kleine meid nog, was het

altijd een van mijn grootste genoegens als ik het paard, waar vader mee

naar stad was geweest, in de wei mocht brengen. Dan ging ik op het hek

staan, klauterde vandaar parmantig op het beest zijn rug en reed er zoo

mee tot aan den dam."

Haar besluit bleek dus onwankelbaar en aan niets dacht zij thans zoo

zeer, dan om het zoo goed mogelijk ten uitvoer te brengen. Haar huis en

inboedel diende zij te verkoopen, allerlei inlichtingen had zij in te

winnen, doch mijnheer Vermaat stond haar hierin met raad en daad ter

zij.

Meer en meer ging zij òp in haar plan, de oude energie herleefde, haar

gang herkreeg zijn vroegere veerkracht, zij zag weer een toekomst, zij

had weer een levensdoel, en toen zij eindelijk tot de afreis gereed was,

bleek moeder Jane weer volkomen de kloeke, krachtige vrouw van voorheen.

Zevende Hoofdstuk.

Vrienden in vijandschap.

In de laatste jaren waren de betrekkingen van Napoleon met Alexander van

Rusland van zoodanigen aard geworden, dat een volslagen vredebreuk op

den duur niet kon uitblijven. Steunende op zijn krijgsgenie rekende de

Fransche Keizer de Russen niet alleen te _overwinnen_, maar tevens naar

Azië terug te kunnen dringen, na welke operatiën Turkije aan de beurt

lag.

Gelukte Napoleon die stoute onderneming, dan zou hij met zijn phalanx

langs Perzië naar Indië doordringen, ten einde Engeland in zijn koloniën

aan te tasten en zoodoende dat gehate rijk tòch voor zijn wil te doen

bukken. Mocht ook déze expeditie slagen, dan zou het vrede op aarde

zijn!

Tot de Fransche officieren, die eenigen tijd in Rusland hadden gediend,

behoorde de overste De Ponthon. Toen de Keizer dezen officier omtrent

de moeilijkheden van een oorlog tegen Rusland ondervroeg, vernam hij een

reeks van bezwaren: De fanatieke tegenstand dien de oude Moscovieten aan

den dag zouden leggen; de onherbergzame streken, welke de troepen zouden

moeten doortrekken; de onbegaanbaarheid der wegen voor de artillerie

wanneer het eenige uren geregend had en ten slotte, dat de ruwe,

geduchte Russische winter, die meestal half October reeds inviel,

het oorlogvoeren in dat land physiek onmogelijk maakte.

Doch overste De Ponthon ging nog verder, dan den Keizer deze bezwaren

te ontwikkelen. Hij viel voor Napoleon op de knieën, hem smeekend ter

wille van het geluk van Frankrijk en van zijn eigen roem toch niet dien

gevaarvollen veldtocht te ondernemen, waarvan de rampen niet te overzien

zouden zijn.

Verscheidene dagen na dit onderhoud bleef Napoleon afgetrokken en

verspreidde zich het gerucht, dat de Keizer van den veldtocht had

afgezien. Maar Napoleon had dezen karaktertrek dat hij _niets_ ontzag,

voor _niets_ terugdeinsde om een eenmaal gesteld doel te bereiken. Zijn

heerschzuchtswaanzin dreef hem reeds lang naar de alléénheerschappij

over geheel Europa en openlijk deelde hij zijn voornemen mee, om zich

op den zetel der Grieksche kerk te Moscou tot keizer van het Westen der

oude wereld te doen kronen.

Er was dan ook in de gewesten waar Fransche troepen stonden, doch

vooral langs de oevers van de Oostzee tusschen Hamburg en de Weichsel,

waar maarschalk Davoust commandeerde, en te Dantzig, waar generaal

Rapp gouverneur was, reeds maanden lang een rustelooze bedrijvigheid.

Derwaarts trokken, te voet en per scheepsgelegenheid, duizenden

jonge mannen van verschillende natiën, om onder Davoust's gestrenge

tucht gekleed, gewapend en gedrild te worden; derwaarts werden

honderdduizenden Hectoliters graan, reusachtige voorraden wijn,

kleedingstukken, munitie en andere krijgsbehoeften gezonden om een

macht van schier een half millioen krijgers voor geruimen tijd van

al het benoodigde te voorzien. Derwaarts togen langzamerhand gansche

corpsen, in onderafdeelingen gesplitst, uit Frankrijk, uit Spanje,

uit Italië en Duitschland, geleidelijk met kleine dagmarschen, om

eerst langs den Oder en van hieruit langs de Weichsel te worden

opgesteld. Duizenden paarden werden aangekocht, honderden lichte

voertuigen bijeengebracht, pontontreinen samengesteld, al de

voorbereidingsmaatregelen getroffen om een leger, zoo reusachtig als

zich nog nooit te voren op één oorlogsterrein had bewogen, zonder te

groote vermoeienis en zonder veel opzien te baren over een breed front,

van Warschau tot Koningsbergen, geleidelijk te voeren naar Ruslands

grenzen.

Doof bleef de Keizer voor de vertoogen zijner ministers en vertrouwde

generaals, en vruchteloos schreef zijn vertegenwoordiger aan het hof te

Petersburg hem, dat keizer Alexander geen oorlog _wilde_ en zich alleen

wapende, omdat Napoleons eigen geweldige krijgstoerustingen in Polen en

Pruisen hem daartoe dwongen. Letterlijk door een boozen geest gedreven,

beheerscht door een soort van grootheidswaanzin, die zijn brein met de

stoutste plannen vervulde, die hem zelfs voortooverde dat zijn dynastie

eenmaal de oudste kon worden van gansch Europa, liet hij zich door niets

ter wereld van zijn plan afbrengen. In 1805 en 1807 had hij Rusland

geslagen, doch niet onderworpen; thans zou hij het genade doen vragen.

Reinier en Jakob moesten diensvolgens ten oorlog trekken.

Beiden hadden zij zich na hun vertrek uit Amsterdam al heel spoedig

in hun lot geschikt, maar terwijl Jakob zijn dienstplicht deed, om

niet in onaangenaamheden te komen, was Reiniers eerzucht er ras op uit,

bevordering te maken. Over een jaar wenschte hij officier te zijn.

Schoon dat in onze dagen een ijdel voornemen zou heeten, hield zijn

besluit toch niets buitengewoons in: Bij de opvoeding, door Reinier

genoten, gepaard met zijn lichamelijke en verstandelijke hoedanigheden,

behoefde hij slechts te _willen_ om ook te _worden_ hetgeen hij zich

voornam. In het Fransche leger toch, welks kaders aanhoudend werden

gedund, bestond ook geregeld behoefte aan geschikte personen om dat

kader voltallig te houden.

Uit vrees echter, dat zijn ijver en gedrag eens niet voldoende in het

oog mochten vallen, meldde Reinier zich, na zijn eerzuchtig voornemen,

bij den majoor aan.

»Majoor," begon hij, »als ik er mijn best voor doe, zou ik dan niet heel

gauw wachtmeester kunnen worden?"

De majoor, een oudgediende, vond het altoos prettig, wanneer hij bij

recruten de begeerte tot promotie mocht zien. Ook had hij reeds

opgemerkt, dat Reinier wel bevattelijk was en een goede opvoeding had

genoten. Hij was dus aangenaam verrast.

»Is je dat ernst?" vroeg hij niettemin met strakken blik.

»Volle ernst!" antwoordde Reinier met overtuiging.

»Over vier dagen ben je korporaal. En blijf je stipt je best doen dan

zal je, binnen een maand of wat, onderofficier zijn! Zoo niet, dan

wordt je onmiddellijk weer gedegradeerd!"

De majoor wenkte en Reinier trok af.

Vier dagen daarna was hij korporaal en voor er drie maanden om waren had

hij den graad van onderofficier.

De nieuwe wachtmeester kreeg nu wel is waar omgang met andere

onderofficieren, maar in de verhouding tot Jakob kwam hierdoor

aanvankelijk toch geen verandering.

Een week later kregen zij echter plotseling groote oneenigheid. Ze

kwamen, na een korte dagmarsch, met een man of acht, in den omtrek van

Thorn bij een boer in kwartier en zouden reeds den volgenden dag weer

verder moeten. Ze kregen eenige sneden grof brood, met een laagje vet

besmeerd. De menschen hadden het blijkbaar niet te ruim en aten er zelf

lekker van. Ook de huzaren, in den laatsten tijd niet verwend, lieten

het zich wel smaken.

Reinier echter was er niet mee tevreden. Hij was wachtmeester en eischte

ham!

Ham aten zij nooit, zei de man.

Ja, dat kon hèm wat schelen! Maar met vet was hij niet tevreden en hij

zou dan zelf maar eens kijken of hij niet wat beters vinden kon.

Weldra kwam hij met twee hammen terug, die hij lachend en triomfantelijk

in de hoogte hield.

Daarop bediende hij er zich van en deed de rest in zijn knapzak voor

later.

De boerin begon te schreien. Het waren hun beide laatste hammen,

snikte ze, en zij hadden die morgen aan een herbergier in Thorn moeten

bezorgen. Hoe zouden zij kunnen leven, als er door de soldaten, geregeld

maar, zóó met hen gehandeld werd? Hadden de huzaren hun rieten schuurdak

niet gebruikt om hun paarden er mee te voederen? Had niet gisteren een

andere bende ruiters daarvoor het onrijpe koren afgesneden? Wáár moest

het heen als dat zoo doorging? Zouden ze dan niet van honger en ellende

moeten omkomen?

Jakob kreeg medelijden met de arme menschen.

»Kom," zei hij tegen Reinier, »ik zou dan die eene ham ten minste

maar terug geven. Stel je voor, als andere soldaten zoo eens bij

jullie thuis deden en het laatste pakje thee wederrechtelijk gebruikten

terwijl jullie zelf toch op gewone dagen nooit anders dan aftreksel van

morellebladeren drinkt? Dat zou je toch ook niet goed vinden, is 't wel?

En is het hier eigenlijk nog niet erger? Geldt het hier niet een

bestaansmiddel van die menschen?"

Reinier gevoelde nu plotseling al het leelijke van zijn daad, schoon

hij volstrekt niet verder was gegaan dan hetgeen hij dagelijks door

anderen had zien doen. De transportwagens met levensmiddelen konden,

door allerlei omstandigheden, onmogelijk het voorttrekkende leger snel

genoeg volgen, en men voorzag zich dus van voorraad, terwijl men voort

marcheerde. Daar het land vruchtbaar was, werden paarden, wagens,

beesten, levensmiddelen van allerlei soort ontvoerd: men sleepte alles

mee, ook de benoodigde inwoners om heel dien voorraad aan te voeren.

Met dergelijke voorbeelden iederen dag voor oogen, had Reinier er niet

zooveel kwaad ingezien, zich zelf eens wat beter te doen onthalen dan

de anderen. Wel voelde hij, na Jakobs redeneering, hoe leelijk hij

eigenlijk had gedaan, maar dit nobele gevoel werd in 't zelfde oogenblik

door valsche schaamte overwonnen. Het ergerde hem, in tegenwoordigheid

van die anderen zoo terecht gezet te worden. Wat drommel, wat verbeeldde

Jakob Stargardt zich wel? Hij, Reinier, was toch wachtmeester, en wáár

zou het met zijn prestige naar toe, als vriendschap het recht gaf hem

een zedepreek te houden in het bijzijn van »minderen"!

Hij stoof dus geweldig op, Jakob bleef hem het antwoord niet schuldig en

het gevolg was, dat beiden, na een heftige woordentwist, met heete

hoofden ter rust gingen.

Den volgenden morgen scheen de oude verstandhouding weer volkomen

hersteld. Toch had het voorgevallene bij Reinier een zekere vervreemding

bewerkt, die hij gaandeweg al minder te verbergen wist.

Jakobs voortdurend bijzijn, gepaard met dien vrijmoedigen omgang waar

hun vriendschap recht op gaf, begon de jonge wachtmeester met den dag

meer te gevoelen als iets hinderlijks, iets dat hem belemmerde in zijn

gedragingen, terwijl aanhoudend de vrees hem verontrustte, dat die

familjare omgang nadeel doen mocht aan het ontzag, dat zijn overige

manschappen toch voor hem dienden te hebben.

Voor Jakob Stargardt kon het natuurlijk niet verborgen blijven, dat

Reinier steeds gedwongener jegens hem werd, en daar het niet in zijn

karakter lag om zich ook in 't minst maar op te dringen, werd hun

omgang, schoon naar het uiterlijk nog precies dezelfde gebleven, toch

gaandeweg al minder vertrouwelijk.

Na met korte dagmarschen van dorp tot dorp getrokken te zijn, kwamen de

troepen waartoe ze beiden behoorden, in en om Koningsbergen in kwartier.

Hun regiment zou weldra worden ingedeeld bij het derde legercorps, onder

maarschalk Ney. Te Nogarisky moest dit corps zich met de regimenten van

den Koning van Napels, Davoust, Bessières en Oudinot vereenigen, waarna

deze verzamelde legermacht onder de persoonlijke leiding van Napoleon

zou komen te staan.

De bierbrouwerijen en herbergen in de stad waren aanhoudend overvuld van

militairen en dit jongste legernieuws werd er dus overal levendig

besproken.

Reinier Vermaat zat met een groepje van andere onderofficieren voor

de »_Bonte Os_." Ook oudgedienden waren daar bij, aan de hachelijkste

omstandigheden gewoon, kerels die door niets meer werden afgeschrikt.

Men herkende ze dadelijk aan hun krijgshaftige houding en aan hun

gesprekken. Zij hadden geen herinneringen dan aan den oorlog, voor hen

was geen toekomst dan in den krijg; over niets anders spraken zij.

Tegenover de jongeren snoefden die gebronsde kerels over hun groote

daden in den slag bij de Pyramiden, dien van Marengo, van Austerlitz,

van Jena of Friedland, zij stroopten hun mouwen op of ontblootten hun

breede borsten om te pronken met de litteekens hunner wonden; en daar

zij intusschen met woord en daad voortdurend tot drinken aanspoorden,

werden ook de nieuwelingen hoe langer hoe opgewondener.

»Neen, dit," zeiden de oude ijzervreters, »werd een veldtocht, grooter

dan zij ooit beleefd hadden!" De goede uitslag er van scheen zeker; het

zou een militaire marsch wezen tot aan Petersburg en Moscou toe. Nog

déze poging, en alle krijg zou misschien voor goed geëindigd zijn; dit

was een laatste gelegenheid, meenden zij, om zich nog eens roemvol te

onderscheiden.

Een der nieuwelingen verklaarde dat hij, om de risico van den krijg,

toch net zoo lief van deelname aan dezen veldtocht verschoond was

gebleven.

»Och wat," zei een grijze snorrebaard, »dacht je dan, dat je daardoor

aan den oorlog ontkomen zou? Die is immers overal! Wees dus liever blij,

dat je zoo'n buitenkansje hebt! Want slagveld of slagveld, dat is lang

niet onverschillig! In Rusland zal de Keizer zèlf het bevel voeren,

terwijl je in een ander land wel voor dezelfde zaak, maar onder een

ander opperhoofd zou moeten strijden. En het is genoeg bekend, dat

Napoleon nu eenmaal zijn gunsten het overvloedigst uitdeelt aan _die_

soldaten, wier roem aan _zijn_ roem herinnert.

Vooral jij, Vermaat," wendde hij zich nu meer in 't bijzonder tot

Reinier, »moogt wel van geluk spreken. Kijk, _wij_ zijn maar domme

kerels, die als kind niets geleerd hadden, maar help eens kijken, _jij_

zult fortuin maken in dezen veldtocht! Als majoor zie ik je nog terug

komen! Nu ja,--mits je moedig bent natuurlijk!"

Reinier's ijdelheid was niet weinig gestreeld. Hij verklaarde, dat het

hem aan moed niet zou ontbreken. Daarop liet hij, op zijn kosten, de

glazen nog eens vullen en hield een opgewonden toost op den roem en den

voorspoed van het Groote Leger, die met daverende toejuichingen werd

beantwoord.

Juist in dit oogenblik kwam Jakob uit de verte aan.

»Daar komt je trouwe vriend, de timmerman!" zei een der jonge

onderofficieren plagend.

»Hm!... Vriénd?!" zei Reinier, »nou ja, omdat we vroeger kennissen

waren loopt hij me nog altijd na als een hondje..."

»Begrijpt zoo'n jongen dan niet, dat jullie verhouding nu toch heel

anders geworden is," vroeg een tweede.

Reinier, geërgerd, haalde de schouders op.

»'t Schijnt van niet!" zei hij kregel.

»Maar dan zou ik zelf daar toch een eind aan maken!" adviseerde een

ander. »Hij zou je waarachtig zijn kameraadschap nog wel kunnen

opdringen als je al lang en breed majoor was!"

Daar had Jakob eindelijk Reinier in 't oog gekregen, die zich echter

hield, of hij hem in 't geheel niet zag.

Jakob Stargardt had juist een brief met de veldpost ontvangen, een brief

van zijn moeder, waarin ze hem meldde, dat zij marketentster geworden

was en zich voorloopig bij de voortrukkende Westfaalsche troepen had

aangesloten, maar toestemming bezat, om zoo spoedig mogelijk bij het

elfde regiment huzaren, _zijn_ regiment, over te gaan. Al binnen enkele

dagen konden zij dus reeds bij elkander wezen.

Jakob brandde van begeerte om die heugelijke tijding zoo gauw mogelijk

aan Reinier mee te deelen. Wel was hun vriendschap niet meer dàt, wat

zij te voren was geweest, maar toch gingen zij nog veel te dikwijls met

elkander om dan dat hij zijn heerlijk nieuws niet in de eerste plaats

aan Reinier zou verteld hebben.

Nauwelijks kreeg hij dezen dus in 't oog, of hij stapte haastig op hem

toe, vol blijdschap vertellend, waar hij zelf zoo vol van was.

Reinier zag hem spottend aan:

»Ei zoo, had het jongentje soms gevraagd of zijn moesje op hem wou komen

passen?" vroeg hij ironisch. »En zal moesjes schort nu straks de kogels

voor hem moeten opvangen?"

Hij had meer gedronken dan hij verdragen kon en zei nu woorden, die hij

zich in normalen toestand zou geschaamd hebben.

Jakob werd rood van verontwaardiging.

»Bah, wat laag, wat vreeselijk laag van je," riep hij driftig, »om

mij als een lafaard voor te willen stellen, die bloôhartig de kogels

ontvluchten zou! Want zoo iemand, dan moest _jij_ beter weten!"

Hij doelde op het feit, dat hij indertijd zichzelf in de plaats van zijn

vader had aangeboden.

»'t Is waar, ik vergat een oogenblik dat het bij jullie een soort van

familiekwaal lijkt, om zich te laten doodschieten--al is het dan ook

maar wegens majesteitsschennis!..."

't Werd eensklaps doodstil. Allen begrepen, dat een van Jakob's

bloedverwanten wegens majesteitsschennis gefusilleerd moest zijn en hem

dit nu op de meest grievende wijze werd herinnerd. De gezichten, zoo

even nog glinsterend van opgewektheid en genoegen, waren alle strak en

ernstig.

De armen over elkaar gekruist, doodsbleek, met vlammenden blik, stond

Jakob Stargardt tegenover zijn beleediger, als een onheilspellende

verschijning, die eensklaps uit den grond was opgerezen. Enkele schreden

verder stond een oude huzaar, die met Jakob opgeloopen was en tot

hetzelfde escadron behoorde. 't Was een brave, oppassende kerel, maar

zóó gering van aanleg, dat hij het, spijt al zijn dienstjaren, nooit

verder dan gewoon soldaat had kunnen brengen. Maar zoo klein zijn

verstand mocht wezen, zoo nobel was zijn inborst. Die oude krijger zag

dan ook even bleek als zijn jeugdige makker. Zwervend en onrustig ging

zijn blik; want evenals al de aanwezigen duchtte ook hij ieder oogenblik

een uitbarsting.

»Kom!"--zei de oude huzaar, Jakob bij de mouw trekkend,--»kom,--we

moeten weer naar ons kwartier!"

Maar Jakob verroerde zich niet en zag Reinier nog altoos woest-dreigend

aan.

Reinier was eerst onthutst: maar hij herstelde zich spoedig en eveneens

de armen kruisend, mat hij den verontwaardigden jongeling met tergenden

blik.

»Wat wil je?" vroeg hij barsch.

»Wat ik wil," antwoordde Jakob schijnbaar kalm, »is licht te begrijpen;

wat elk ander soldaat je in mijn plaats vragen zou: Een kans om mij te

wreken!"

»Het spijt me," antwoordde Reinier met een sarrend-hatelijk lachje, »dat

ik je die voldoening niet geven mag, maar een wachtmeester duëlleert nu

eenmaal niet met zijn minderen."

»Welnu dan, ik zweer je, dat ik met mijn eischen bij je terug zal komen,

meneer de wachtmeester, al is het ook over twintig jaar!"

»Dan ben _ik_ generaal en _jij_--timmermansbaas!" zei Reinier spottend.

»We zullen dus moeilijk met elkander tot vereffening kunnen komen."

»Of _ik_ ben majoor en jij nog niet: Ik zal dan evenwel minder

hooghartig wezen dan jij. Wees in ieder geval verzekerd, dat uitstel

geen afstel is: Binnen een jaar zijn we gelijk in rang en dàn--geloof

me, dan zal ik je toonen met wien je te doen hebt!"

Reinier Vermaat werd woedend van schaamte en ergernis. Hoe grievend hij

Jakob ook had bejegend, zijn ijdele inborst kon niet dulden, dat hij

als een schuldige tegenover een »mindere" stond,--en vooràl niet,

dat die mindere hem zijn schuld zoo vernederend deed gevoelen in

tegenwoordigheid van mannen wier achting hij zoozeer op prijs stelde.

»Huzaar Ros!"--beval hij den oudgediende met wien Jakob gekomen

was,--»breng den kerel onmiddellijk in arrest!"

»Dank u, wachtmeester," antwoordde de brave krijgsman,--»ik heb geen

lust om een kameraad te arresteeren, alleen omdat zijn chef hem

beleedigde en hij de vrijmoedigheid had, hém dat te verwijten. U kunt

me straffen zoo zwaar u wil, maar een schelm hoop ik nooit te worden!"

Hij maakte rechts-omkeert en wilde gaan.

»Wacht, Ros, ik ga met je mee," zei Jakob, »ik zal me zelf in arrest

begeven; wachtmeester Vermaat, tot ziens!"

»Dat zal ik je beiden inpeperen!" gromde Reinier, bleek van wraakzucht.

[Illustratie: ... mat hij den verontwaardigden jongeling met tergenden

blik.]

Maar tot zijn spijt werd hij reeds den volgenden morgen naar een nog

onvolledig regiment overgeplaatst.

Achtste Hoofdstuk.

De opmarsch.

Moeder Jane had zich bij het regiment van haar zoon aan kunnen sluiten,

nog vóór dit Koningsbergen verliet, maar reeds den 22sten Juni lag

geheel het Fransche leger op den linkeroever van den Niemen.

Napoleon, die tot hiertoe in een rijtuig gezeten had, wierp zich 's

morgens om twee uur in het zadel, om dien Russischen grensstroom te

verkennen. Toen hij aan de rivier kwam, struikelde eensklaps zijn paard

en wierp hem in het zand.

»Een slecht voorteeken!" klonk het. »Een Romein zou terug keeren!"

Of hij zelf het was of iemand van zijn gevolg, die deze woorden sprak,

is niet bekend.

Napoleon echter steeg kalm weer te paard om zijn onderzoek voort te

zetten.

Toen de verkenning afgeloopen was beval hij, dat er tegen het vallen

van den avond drie bruggen over de rivier zouden gelegd worden. Daarop

begaf hij zich naar zijn legerplaats, waar hij den geheelen dag nu eens

in zijn tent, dan weer in een Poolsch huis doorbracht, machteloos

neerliggend onder de zwoele, drukkende hitte en vergeefs naar rust

zoekend.

Zoodra de avond echter gevallen was naderde hij opnieuw de rivier, waar

sappeurs reeds met het leggen der bruggen waren begonnen. Drie

compagnieën soldaten moesten hen beschermen.

Eenige sappeurs steken met een schuitje de rivier over. Tot hun

verwondering komen zij zonder hindernis aan den Russischen oever. Alles

is rustig op dien vreemden grond, dien men hun als zoo dreigend heeft

afgemaald.

Spoedig echter zien zij een kozakkenofficier aan het hoofd eener kleine

patrouille. Hij is alleen, hij schijnt zich in vollen vrede te wanen en

niet te weten, dat geheel Europa gewapend tegenover hem staat. Hij

vraagt aan de vreemdelingen wie zij zijn.

»Franschen!" antwoorden zij hem.

»Frànschen?!" vraagt de Officier. »Maar wat komt ge dan in Rùsland

doen?"

Een der sappeurs zegt hem op barschen toon:

»U beoorlogen! Wilna innemen! Polen bevrijden!"

Zonder eenig antwoord te geven wendt de kozakkenofficier zijn paard en

rent met de zijnen het bosch in, waarop drie sappeurs, in overdreven

ijver, hun geweren lossen.

Zoo werd het zwak gerucht van drie schoten, welke onbeantwoord bleven,

het sein, dat er een nieuwe veldtocht geopend en een groote vijandelijke

inval begonnen was.

Een compagnie soldaten kreeg terstond bevel de rivier over te varen, om

de plaatsing der bruggen te beschermen.

Weldra kwamen al de Fransche colonnes uit de bosschen en van achter

de heuvelen te voorschijn. Zij trokken, begunstigd door een dichte

duisternis, stilzwijgend tot bij de rivier. Geen wachtvuren mochten

ontstoken, geen vonken zelfs gezien worden. De groene en door een zwaren

dauw bevochte rogge strekte de menschen tot bed, de paarden tot voedsel.

't Was de eerste keer dat Jakob Stargardt, evenals zoo menig ander jong

soldaat, in de open lucht, en dat zonder bivakvuur, zou vernachten.

Hij bleef aarzelend nog wat staan.

»Leg je hoofd maar gerust op je ransel neer, kameraad!" zei Ros, »je

bent jong en sterk, het zal-je geen kwaad doen."

Jakob deed het, en onderwijl was het hem aangenaam te bedenken, dat ten

minste zijn moeder in haar wagen een vrij wat beter nachtverblijf had.

Maar och, wat zou zoo'n enkele slechte nacht, meende hij, als over

weinige uren de zon toch al weer opging.

Zoodra de dag aanbrak, richtte hij zich op en tuurde de rivier over,

naar het Russische grondgebied. Hij zag niets dan somber-donkere wouden

en kaal, dor zand. Op een driehonderd schreden van de rivier ontdekte

hij de tent van den Keizer, die men in den nacht op den hoogsten heuvel

geplaatst had. Daaromheen zag hij alle heuvelhellingen en dalen bedekt

met menschen en paarden, die plotseling in beweging kwamen nu de

reveille klonk.

Moeder Jane stond met tal van anderen--kooplieden, marketentsters en

zoetelaars,--alle tot den nasleep van het leger behoorend, op een

heuveltop naar de eerste bewegingen van de groote armée te kijken.

Zij zag een luisterrijken stoet van maarschalken en generaals Napoleons

tent omstuwen... Daar trad de Keizer zelf naar buiten... Hij groette en

besteeg zijn Arabischen schimmel...

Dan weerklonk het sein... Opeens was het of de gansche landstreek woelde

en golfde... En boven die bewegende donkere massa's flikkerden en

wemelden de wapens in de gloeiende morgenzon als flitsende stralen en

spattende zilvervonken...

Arm Rusland! dacht moeder Jane bij den aanblik van die ontzettende

strijdkrachten.--In drie breede stroomen zag zij den zwarten vloed

over de gele zandvlakte naar de drie bruggen voortrollen... Zij zag ze

kronkelend naar den oever afdalen, de bruggen naderen, zich uitstrekken

en inéénkrimpen om die over te gaan en eindelijk den vreemden grond

bereiken, dien zij gingen verwoesten en verderven.

Napoleon haastte zich, om den voet op vijandelijken bodem te zetten.

Zonder aarzelen deed hij dien eersten stap tot zijn verderf. In het

begin hield hij zich dicht bij de bruggen op, de soldaten met zijn

tegenwoordigheid aanmoedigend, die hem, als steeds, begroetten met hun:

»Leve de Keizer!"

Eindelijk werd hij ongeduldig en rende het bosch in, maar schoon hij er

meer dan een mijl ver in dóórdrong--tot zijn verwondering zag hij geen

vijand.

Langzaam trokken de legermassa's langs den stroom voort; met een zekere

beklemdheid spraken de soldaten over het zonderlinge feit, dat hun die

voortgang in 't minst niet door den vijand betwist werd.

»Daar hoor ik in de verte toch kanonschoten," zei Jakob tegen Ros, die

naast hem reed.

De oude krijgsman luisterde...

Opnieuw klonk een dof gedreun...

Ros schudde het hoofd: »Dat zijn geen kanonnen," zei hij, »maar een

opkomend onweer."

Inderdaad werd de lucht met ieder oogenblik duisterder. Donder en

bliksem volgden weldra elkander rusteloos op, tot ontsteltenis van vele

soldaten, die van »een slecht voorteeken" begonnen te mompelen.

Het duurde niet lang, of de zwaarbetrokken lucht ontlastte zich in

een geweldigen plasregen. Wegen en velden werden overstroomd en de

ondraaglijke hitte werd eensklaps vervangen door een onaangename koude.

De Keizer zocht een schuilplaats in een naburig klooster. Maar de arme

soldaten waren zonder eenige beschutting aan het vreeselijke weer

blootgesteld. Tienduizend paarden en vele menschen kwamen bij de daarop

volgende marschen om, tal van voertuigen bleven in het zand zitten.

Trouwens, door zijn vervaarlijke menigte reeds, was het Groote Leger

verderfelijk voor zichzelf. Verscheidene behoeften vonden geen

bevrediging. Al bij het bezetten der eerste stad, Kowno, heerschte

gebrek aan levensbenoodigdheden en toen Napoleon de veste binnentrok,

vond hij er de grootste wanorde.

Dit gebrek en die wanorde vermeerderden, naarmate de Keizer dieper

doordrong. Hij ondervond, dat het Russische volk, wild en woest als

Rusland zelf, den oorlog beschouwde als een heilige zaak, waarvoor het

alles moest opofferen om zijn tegenpartij te verdelgen. Overal ontmoette

hij asch en puinhoopen, in plaats van kwartieren om uit te rusten;

overal honger en ziekten, in plaats van den buit en den roem, dien hij

verdeelen wilde.

Zich alleen tot verdediging hunner strijdkrachten beperkend, trokken de

Russische veldheeren Barclay de Tolly en Bagration van de eene stelling

naar de andere. Nergens vonden de Franschen levensmiddelen! allen

voorraad had de vijand zorgvuldig vernield, onderwijl hij aanhoudend

achterwaarts trok.

Daar was voor het Fransche leger iets onheilspellends in, dat ze in het

vijandelijke land nergens een vijand vonden. Napoleon had gehoopt, dat

de Russen hem ten minste Wilna zouden betwist hebben; maar hij vond de

stad open en onverdedigd.

In Pruisen had de Keizer zijn leger slechts voor twintig dagen

levensmiddelen doen meenemen. Dat was genoeg om Wilna met één veldslag

te winnen; maar Wilna behóefde niet veroverd te worden. En--voorwaarts

ging het weer, met snelle marschen den vijand achterna, zoodat de

onafzienbare toevoer van levensmiddelen onmogelijk kon volgen.

Uitgehongerd kwamen de soldaten aan kasteelen en woningen, waar ze geen

voedsel vonden en die ze uit wraak verwoestten en uitplunderden. Ja er

waren er reeds, die door zelfmoord een eind aan hun leven maakten. En

toch moest het leger maar immer voort...

Als wilden de Russen Napoleon's verlangen om tot een beslissenden strijd

te komen prikkelen, hem dieper naar het hart van Moskovië lokken,

streelden ze hem soms met de hoop op een veldslag, doch wanneer Napoleon

den volgenden morgen den vijand zocht, was hij in de duisternis van den

nacht weer verder getrokken.

Niet dan te Smolensk hielden de Russen stand, waar zij de versterkte

stad bezetten. Den 17den Augustus werd zij krachtig door de Franschen

aangegrepen. Hevige aanvallen volgden en werden besloten met een

vernielend bombardement, hetwelk tot in den nacht aanhield.

Napoleon zat voor zijn tent.

Plots zag hij op verscheidene punten dikke en zwarte rookwolken

opstijgen... Zij werden, bij tusschenpoozen, door flauwe schijnsels en

daarna door vonken verlicht... Eindelijk stegen er hooge vuurkolommen

van alle kanten op... Het was als een menigte van verschillende groote

branden... De Keizer zag dit afgrijzelijk schouwspel met somber

stilzwijgen aan... Dat kon onmogelijk de uitwerking der granaten zijn...

Langzamerhand vereenigden zich die onderscheidene branden tot één groote

vlam, die zich kronkelend ten hemel hief en heel Smolensk als in zich

opnam: Er was geen twijfel meer aan of de Russen zelf hadden Smolensk,

de Heilige stad, in brand gestoken.

Omstreeks drie uur in den morgen sloop een onderofficier van Davoust tot

aan den muur en waagde het, dien voorzichtig te beklimmen. Aangemoedigd

door de stilte die er rondom hem heerschte, drong hij dieper de stad in.

Zij bleek ledig en door de Russen verlaten.

Nadat de Keizer hiervan kennis gekregen had rukte het leger op zijn

gewone wijze de poorten binnen: met krijgsmuziek en oorlogspraal trok

het over de rookende en bloedige ruïnen voort; zegevierende over die

verlaten puinhoopen en slechts zichzelf tot getuige hebbend van zijn

roem. Schouwspel zonder aanschouwers, overwinning bijna zonder winst,

bloedige roem, waarvan de rook die het Fransche leger omringde, het

treffendste zinnebeeld was.

Weer bleek dus de beslissende veldslag, dien Napoleon zoo vurig

begeerde, hem als een schaduw ontglipt.

Barclay, die in den nacht den weg naar Moscou was ingeslagen, werd

echter door maarschalk Ney achterhaald. De Russen begrepen, wilden zij

een veiligen aftocht hebben, dat hun achterhoede diende stand te houden,

daar anders de Franschen hun den pas zouden afsnijden.

Bij Walutina had daarop een treffen plaats. Napoleon hield het er

voor, dat het niet meer dan een schermutseling worden zou. Hij zond

den maarschalk dus enkel generaal Gudin ter hulp, terwijl hij zelf

binnen Smolensk bleef. Maar de schermutseling werd een kleine veldslag.

Achtereenvolgens werden er van weerskanten dertig duizend man in

betrokken. Vreeselijk was de verwoedheid, waarmee men aan beide zijden

vocht en waaraan zelfs de invallende duisternis geen eind maakte.

Eindelijk meester van de bergvlakte en uitgeput van bloedverlies,

gaf Ney, die zich door dooden en stervenden omringd zag, bevel om met

schieten op te houden. De Russen maakten van de duisternis van den nacht

gebruik, om hun aftocht te bewerkstelligen. Zij oogstten evenveel roem

met dien aftocht in, als de Franschen met hun zegepraal: want geen

enkelen gewonde, geen enkel stuk geschut lieten zij achter.

Gudin werd zwaar gekwetst binnen Smolensk gebracht, waar hij, ondanks de

zorgen des Keizers, weldra aan zijn wonden stierf. De overwinning bij

Walutina was duur gekocht.

Den volgenden dag verscheen Napoleon zelf op het slagveld. Hij vond

er de soldaten van Ney en die van de afdeeling Gudin, geschaard bij de

lijken hunner makkers en die der Russen, omringd door half afgebroken

boomen, op een door de strijders platgetreden en door kanonkogels

geploegden grond, overdekt met overblijfsels van wapens, verscheurde

kleederen, militaire gereedschappen, omvergeworpen wagens en verspreide

ledematen. Want dit zijn de zegeteekenen van den oorlog! dit is de

schoonheid van het veld der overwinning!

De bataljons van Gudin schenen niet veel meer dan pelotons te zijn; zij

toonden zich echter te hoogmoediger naar zij te meer verminderd waren;

bij hen ademde men de lucht nog in der afgeschoten patronen en van het

kruit, waarvan de grond doordrenkt, waarvan hun kleeren doortrokken en

hun gezichten nog geheel zwart waren. De keizer kon hun gelederen niet

langs gaan, zonder lijken te vermijden, of over te stappen; door de

hevigheid van den schok bij den aanval, waren verscheidene bajonetten

gekromd.

Maar al deze afgrijselijkheden bedekte hij met roem. Zijn erkentenis

herschiep dit veld des doods in een veld van zegepraal, waar, gedurende

eenige uren, slechts aan roem en voldane eerzucht werd gedacht.

Hij gevoelde, dat het tijd was om zijn soldaten met zijn woorden

en belooningen op te monteren. Nooit waren dan ook zijn blikken

vriendelijker geweest; in zijn toespraak noemde hij dit gevecht het

schoonste wapenfeit uit Frankrijks militaire geschiedenis; de soldaten,

die hem aanhoorden, waren mannen, met wie men de wereld kon veroveren;

de gesneuvelden heetten oorlogshelden, die een onsterfelijken dood

gestorven waren. Aldus sprak hij, wel wetend dat, in het midden van die

verwoesting, woorden over onsterfelijkheid indruk zouden maken.

Glansrijk waren de belooningen, welke hij daarop uitdeelde.

Zeven-en-tachtig bevorderingen en eereteekenen ontvingen de troepen van

Gudin; het 127ste regiment dat nog geen standaard had, omdat men zijn

vaandels op het slagveld moest verdienen, kreeg er een; eigenhandig

reikte de Keizer het over. Ook het corps van Ney werd bedacht.

Jakob Stargardt, wiens regiment tot dit legercorps behoorde en die te

Wilna reeds korporaal geworden was, ontving den graad van wachtmeester.

Thans stond hij met Reinier Vermaat dus gelijk in rang; thans zou zijn

beleediger, wanneer hij dezen nog eens ontmoeten mocht, het recht niet

langer hebben hem zijn eisch te ontzeggen.

Maar op 't oogenblik dacht Jakob Stargardt daar slechts vluchtig aan:

Ondanks zichzelf was de jonge Hollander door de eerzucht-prikkelende

toespraak des Keizers, diens erkentelijkheid jegens zijn dapperen, den

vorm vooral waarin zij werd geopenbaard, geheel onder de betoovering van

Napoleons machtige persoonlijkheid gekomen.

De Keizer toch wist aan zijn belooningen, op zichzelf reeds groot, nog

een hoogere waarde te geven, door de wijze waarop hij ze verleende:

Hij liet zich achtereenvolgens van ieder regiment omringen als van een

familie. Dan sprak hij met luider stem de officieren, onderofficieren

en soldaten aan, hun naar de dappersten uit al die dapperen vragend om

die terstond te kunnen beloonen. De officieren wezen aan, de soldaten

bevestigden, de Keizer keurde goed: aldus werden de verkiezingen

oogenblikkelijk gedaan en met toejuichingen door de troepen bevestigd.

Deze vaderlijke manieren, ze verrukten Jakob. Bovendien, nooit leverde

een veld van overwinning een schouwspel op, dat meer geschikt was om

in geestdrift te brengen: het geschenk van dien zoo wèl verdienden

standaard, de praal van die bevorderingen, de vreugdekreten, de roem

van die oorlogshelden, welke op de plaats zelf, waar hij behaald was,

werd beloond, dat alles te zamen bracht Jakob Stargardt in een wondere

geestvervoering.

Maar die bedwelming hield spoedig op, toen de troepen van Ney weer

naar Smolensk terug keerden. De weg toch werd hun bemoeilijkt door

de tallooze overblijfselen van het gevecht; telkens ondervonden zij

vertraging door de lange reeksen van gewonden, die zich voortsleepten of

stadwaarts werden gedragen; en in Smolensk zelf ontmoetten zij karren

vol afgezette ledenmaten, welke men ergens buiten de stad ging

wegwerpen.

Al die afgrijselijkheden van den oorlog ontnuchterden, bedroefden, ja

verbitterden hem. Smolensk was slechts een reusachtig hospitaal en het

hevig gekreun dat er uit opsteeg was sterker dan de jubelkreten om den

behaalden roem, die in de velden van Walutina waren opgegaan.

Door zijn moeder, die een half verwoest huis tot cantine had ingericht,

werd hij met ontstuimige blijdschap ontvangen. Zij had reeds gehoord,

dat er den vorigen dag bloedig gevochten was en ieder oogenblik

gevreesd, het bericht van zijn dood te vernemen.

't Was er druk, in de cantine van moeder Jane, maar de kortstondige

opwinding over de zegepraal bij Walutina was reeds voorbij en schier

over niets werd gesproken dan over de ellende van het leger.

»Mijn compliment, moeder Jane," zei de oude Ros: »dat is andere

brandewijn dan het bocht, dat ze hier te lande stoken."

»Geen wonder," zei een grenadier, »ze stoken het uit graan, met

verdoovende planten vermengd. 'k Heb jonge soldaten gezien, totaal òp

van honger en vermoeienis, die dachten dat dit goedje hen weer wat zou

opmonteren. Maar wat wàs het? Krek de laatste fut ging er nog uit en

slap, als verlamd, vielen zij neer."

»Dat waren dan misschien nog de matigsten,--of de zwaksten!"--zei Ros.

»Ik heb er ten minste gezien wie dat ontuig nog vrij wat slechter

bekwam. Ze kregen oogenblikkelijk duizelingen, of raakten zóó verdoofd,

dat ze niet meer stáán konden zelfs! In greppels en aan den wegkant

gingen zij zitten, totaal versuft... En dan zàg je als 't ware de dood

over ze komen... zoo in ééns maar, zonder gekreun, zonder een zucht....

ffúút!!.... 't was gebeurd!..."

Toen kwam het gesprek op het groot aantal gekwetsten.

»Eén ding helpt," zei de grenadier: »er is hier ten minste geen gebrek

aan hospitalen, zooals in Wilna."

»Neen," bevestigde moeder Jane, »vijftien steenen gebouwen, die niet

verbrand waren, hebben ze daarvoor ingericht; zelfs Fransche brandewijn,

wijn en geneesmiddelen zijn er gevonden..."

»Nu ja, dat mag zoo wezen," meende een lansier, »maar toch is er van

niets genoeg! Zóóveel geblesseerden, daar is dan ook geen helpen aan! De

wondheelers werken dag en nacht door, maar verbeeld je, met den tweeden

nacht al was er niets meer over om de gekwetsten te verbinden! In plaats

van linnen gebruikten ze toen maar de perkamenten uit de archieven tot

spalken en verbanden; en als pluksel namen zij uitgeplozen touw."

»En dan moet je nog weten," zei een korporaal die juist binnen gekomen

was, »dat ze een geheel hospitaal drie dagen lang vergeten hadden!

Toevallig heb ik het van morgen ontdekt, doordat ik van 't eene

hospitaal in het andere naar een vermisten vriend liep te zoeken.

Eindelijk vond ik hem dáár, half uitgehongerd, te midden van stervenden

en dooden, in een afschuwelijken stank. Aan maarschalk Rapp, dien ik

toevallig tegenkwam, heb ik dadelijk mijn ontdekking verteld en toen is

er onmiddellijk verpleging gekomen. De Keizer stuurde zelfs zijn eigen

wijn, om onder die ongelukkige stakkers uit te deelen, voor zoover ze

ten minste nog niet bezweken waren."

»'t Is de ellendigste oorlog dien ik ooit meegemaakt heb," zuchtte Ros:

»Lijken en gewonden bij duizenden en toch geen enkele groote veldslag!"

»Neen," gromde een andere oudgediende, »we hebben nog niets veroverd dan

verbrande en leeggeplunderde steden en dorpen. Van buit is geen sprake!

We bezitten op 't oogenblik niets dan wat we zelf hebben meegebracht!"

»Maar als we dan tòch alles uit Frankrijk naar Rusland moesten sleepen,"

zei de grenadier, »waarom ons dan maar niet liever in Frankrijk

gelaten?"

»Acht honderd mijlen hebben ze ons nu al af laten leggen," verklaarde de

korporaal; »en dat waarvóór? Om ten leste niets anders te vinden dan

modderig water, hongersnood en bivakken op asch en puin!"

In dien geest werd niet enkel in de cantine van moeder Jane, maar schier

overal onder de soldaten geprutteld.

Doch ook verscheidene generaals waren reeds ontevreden.

»Wat geeft het," morden zij, »dat de Keizer ons rijk gemaakt heeft, als

we er tòch geen genot van kunnen hebben; dat hij ons uitgehuwd heeft,

als we verwijderd van onze vrouwen moeten leven; dat hij ons paleizen

heeft geschonken, als we toch ver van ons land, op den blooten grond

moeten huizen en vernachten? Welhaast zal Europa niet meer voldoende

zijn voor zijn heerschzucht en zal hij ons naar Azië laten trekken!"

Napoleon zelf was al evenmin goed gestemd.

Op het slagveld scheen de vervoering zijner soldaten hem te hebben

meegesleept. Doch van Walutina weer naar Smolensk terugkeerend onder een

steeds drukkender hitte, terwijl zijn rijtuig door het schrikwekkend

aantal gewonden slechts langzaam voort kon gaan, was spoedig de

ontgoocheling gevolgd. Toen hem daarop weldra bleek, dat het Russische

volk, door zijn overheden en priesters misleid, den brand van Smolensk

aan hèm toeschreef en overal met het wijkende leger meevluchtte, begon

de Keizer te weifelen in zijn besluit, om den veldtocht voort te zetten.

Doch de hoop, door de verovering van Moscou Keizer Alexander tot den

vrede te dwingen, dreef Napoleon, na een verblijf van zeven dagen, ook

weer uit Smolensk, verder en verder, zijn verderf te gemoet.

Moeilijk bleek de weg, geweldig de hitte, zeer onvoldoende de verpleging

in die zoo goed als waterlooze, onafzienbare vlakten, welke het Fransche

leger thans door moest. Ontzettend was dan ook de ellende, geleden door

mensch en dier. En dan de steden die werden gepasseerd! Ze bleken alle

grootendeels door de inwoners verlaten, half verbrand en in puinhoopen

veranderd.

Toch werd de marsch onafgebroken voortgezet, en tegen den 5den September

naderde de dagelijks zwakker wordende hoofdmacht het dorp Borodino, aan

den grooten weg naar Moscou.

Alles wees er op, dat het hier eindelijk tot een grooten slag zou komen.

Bij het Russische volk had de oorlog, zooals Alexander's veldheeren

dien voerden, een algemeene ontevredenheid verwekt. Het welberekend

terugtrekken kwam de menigte voor als een smadelijke, doemwaardige

vlucht, inzonderheid omdat daardoor de heilige stad Moscou van dag tot

dag grooter gevaar liep, den vijand in handen te vallen. Om het volk tot

nog grootere opofferingen bereid te maken, snelde Keizer Alexander zelf

naar de Czarenstad en sprak van het Kremlin zijn verzamelde onderdanen

toe, die, door zijn treffende woorden ontvlamd, de duurste eeden

zwoeren, dat zij alles geven, alles verlaten, alles ten offer brengen

zouden om »den tiran der volken en van den godsdienst" te vernietigen.

Tegelijkertijd werd de oude veldmaarschalk en lieveling des volks,

de sluwe en vaderlandslievende Kutusof met het legercommando belast,

daar Barclay de Tolly het algemeen vertrouwen had verloren. Kutusof

gehoorzaamde de stem der natie en van zijn Keizer en besloot, ten einde

Moscou te behouden, een veldslag te wagen. Bij Borodino zouden alzoo de

Russen, met den moed der vertwijfelde vaderlandsliefde, den toegang tot

hun hoofdstad verdedigen. Langs de steile hellingen van het riviertje

dat zich door het landschap kronkelde, tegen de heuvelranden, tusschen

de boomgroepen en in de vlakte, overal wierpen zij hun verschansingen op

en maakten zich tot verdediging tegen den aanval der Fransche armee

gereed.

De veldslag die hier den 7den September plaats had, was dan ook een der

bloedigste in de gansche wereldgeschiedenis.

Negende Hoofdstuk.

Afgunst en wrok.

Napoleon had de overwinning behaald. Maar welk een overwinning! Te duur

gekocht, om zoo onvolledig te zijn. In de naaste omgeving des Keizers

betreurde ieder den dood van een vriend, een bloedverwant, een broeder:

want de aanzienlijksten waren gevallen. Drie-en-veertig generaals waren

gesneuveld of gekwetst. Meer dan zeventigduizend man van beide kanten,

dood of gewond, bedekten het slagveld. Op de veroverde schansen lagen

meer dooden dan er levenden stonden. Allen die de Keizer bij zich had

laten roepen, hoorden hem over de overwinning spreken--en zwegen. Maar

hun houding, hun naar den grond gerichte oogen, hun stilzwijgen waren

niet sprakeloos.

De Russen bleken in den nacht te zijn afgetrokken. Kutusof was tot de

inzichten van Barclay overgegaan en had de verdediging van Moscou

opgegeven, overtuigd dat de oude Czarenstad het graf van het Fransche

leger worden zou en dat hij heel wat bloed zou gespaard hebben, wanneer

hij van den aanvang af Barclay's raad gevolgd had.

Den volgenden morgen bezocht Napoleon het slagveld. Nooit wellicht was

er een, dat afgrijselijker gezicht opleverde. Alles liep te zamen: een

donkere lucht, een koude regen, een hevige wind, de omliggende woningen

in asch, een verwoeste vlakte bedekt met overblijfselen en puin, aan den

gezichteinder het sombere groen der denneboomen, overal soldaten die

tusschen de lijken dwaalden en eenig voedsel zochten, tot zelfs in de

ransels hunner gesneuvelde metgezellen; doodsche bivakken; geen gezang

meer, geen verhalen; een treurige stilzwijgendheid.

Bij de monstering zijner troepen zag de Keizer het overschot der

officieren en onderofficieren en eenige soldaten rondom de standaarden,

nauwelijks genoeg om het vaandel te beschermen. Hun kleeren waren met

bloed bevlekt, verscheurd door de verwoedheid van den strijd en zwart

van den kruitdamp. Een enkele maal hoorde men het oude »Leve de

Keizer!"--; echter zeer zeldzaam en zonder gloed.

In en bij de schansen lagen de dooden op hoopen! Men begon de gekwetsten

op te nemen en ze te vervoeren naar het groote klooster van Kolotskoï.

Er waren er twintig duizend. Men vond ze vooral in de diepten der droge

stroombeddingen, in welke de meeste der Franschen waren neergestort en

waar verscheidene zich naar toe gesleept hadden om meer beveiligd te

zijn voor den vijand en voor de stormvlagen. Sommigen spraken kermend

den naam van hun vaderland uit of van hun moeder; dit waren de jongsten.

De oudsten wachtten den dood met een gevoelloos of stuiptrekkend gelaat,

zonder te klagen of om hulp te roepen; anderen verzochten, dat men hen

oogenblikkelijk doodde; maar men ging die ongelukkigen haastig voorbij,

terwijl men noch het nuttelooze medelijden had hun bijstand te bieden,

noch het wreede mededoogen hen af te maken.

De opperste heelmeester, dokter Larray, had uit alle regimenten

helpers betrokken. De veldhospitalen waren aangekomen, maar alles

was ontoereikend. Daarbij had hij hoegenaamd geen troepen om de

hoogstnoodzakelijke dingen uit de omliggende dorpen te gaan halen.

Zóó verwoed was er aan beide zijden gevochten, dat men niet meer dan

achthonderd gevangenen had gemaakt.

Het Hollandsche regiment huzaren waar Jakob Stargardt toe behoorde,

op een onverantwoordelijke wijze zonder ondersteuning aangevoerd

tegen de batterijen der Russische achterhoede en door drie regimenten

vijandelijke ruiterij omsingeld, was versmolten tot zes-en-veertig

weerbare manschappen. Een paar dagen later werd het weer wat aangevuld

door een gedeelte der versterkingstroepen van den linkervleugel, welke,

na den overtocht van den Niemen, tot de Duna was voortgedrongen.

Jakob Stargardt had, bij deze reorganisatie, zijn aanstelling tot

ritmeester ontvangen.

Na aan zijn escadron voorgesteld te zijn trad hij op den pas

gearriveerden wachtmeester toe, teneinde nader kennis te maken.

Eensklaps deed hij een stap achteruit. Ook de ander deed een stap

achterwaarts. Het bleek Reinier Vermaat, die met een gezichtsuitdrukking

vol haat en afgunst tegenover hem stond.--Een oogenblik staarden beiden

elkander diep in de oogen; toen ging ritmeester Stargardt met een lichte

buiging voorbij.

Nog dienzelfden morgen kwamen beiden opnieuw met elkander in aanraking.

»Ik had niet gedacht, dat het noodlot ons zoo spoedig en op deze manier

bij elkaar zou brengen, mijnheer," begon de ritmeester.

»De _surprise_ is stellig voor u aangenamer dan voor mij, ritmeester,"

antwoordde Reinier stug.

»U vergist u, mijnheer!--de _surprise_ is mij volstrèkt niet aangenaam:

de veete die tusschen ons bestaat, maakt _mijn_ positie onaangenamer dan

de uwe."

De ander haalde de schouders op.

»Luister! mijnheer Vermaat," zei Jakob Stargardt. »Wanneer u even aan

ons laatste onderhoud te Koningsbergen terug wilt denken dan zult u

weten, dat u mij bij die gelegenheid allergrievendst beleedigd heeft

en het nog erger maakte, door spottend mijn uitdaging van de hand te

wijzen. Ik zwoer toen, nietwaar?--mij te zullen wreken en het was mijn

vaste voornemen, eenmaal met u gelijk te worden en dan een bloedige

voldoening van u te eischen. Ik heb mijn doel al voorbij gestreefd: het

lot heeft mij op een zonderlinge manier begunstigd. De rollen zijn nu

omgekeerd,--maar de enkele maanden van dezen rampzaligen veldtocht, al

de jammer en ellende die ik van Wilna tot Borodino om mij heen heb

gezien, hebben mij tot andere en betere gedachten gebracht.----De

haat en de wraakzucht zijn verdwenen. Wel zwoer ik mij te zullen

wreken,--maar het _schènden_ van zoo'n eed is, geloof ik, beter en

christelijker dan dien nà te komen. Daarom, laat ons trachten het

gebeurde te vergeten,--laat ons weer vrienden zijn."

De ritmeester maakte een beweging om den ander de hand te reiken, maar

deze verried niet de minste gezindheid om dat verzoeningsblijk te

beantwoorden. Hij bleef met strakken blik zijn chef aanstaren en trok

zoo mogelijk zijn stuursch gelaat in nog stuurscher plooi.

»Het schijnt," zei de ritmeester, terwijl zijn gezicht opeens vuurrood

werd,--»het schijnt dat _ik_ de beleediger was en dat _u_ het recht hebt

voldoening te eischen."

»Ritmeester, u heeft me indertijd bedreigd, en dien blaam mag ik niet

op mij laten rusten. Wat zouden mijn kameraden van mij denken als zij

morgen hoorden, wat er vroeger tusschen ons is voorgevallen,--wat u toen

tegen mij gezegd hebt--en hoe wij nu die zaak bijgelegd hebben? Neen, ik

ben u voldoening verschuldigd, dus zal ik u die geven..."

»Genoeg, mijnheer,--ik begrijp u volkomen. Ik zal u daarom een pijnlijke

bekentenis sparen en u ronduit zeggen wat er in u omgaat: 't Is enkel

_wangunst_ dat u zoo kunt spreken! _Ik_, uw vroegere ondergeschikte, ben

thans uw ritmeester, en dàt, nietwaar mijnheer, dat stéékt u! _U_ had

ritmeester moeten zijn, of hóóger liefst! Het spijt me voor u--maar, het

_is_ nu eenmaal niet anders."

»Niet onmogelijk, dat u de waarheid spreekt," antwoordde Vermaat,--»de

Keizer schijnt nu eenmaal meer op te hebben met zoons van marketentsters

en zoetelaars dan met jonge mannen uit den koopmansstand..."

»Foei, mijnheer Vermaat," zei Jakob Stargardt, »schaam u! Ik dacht dat

een braaf en fatsoenlijk Amsterdammer zich nooit zóó ver door wangunst

kon laten meesleepen! Maar omdat het dienen onder den _zoon van een

marketentster_, in wien u tevens uw vijand ziet, u stellig bijzonder

zwaar moet vallen, raad ik u ernstig aan, om overplaatsing naar een

ander escadron te vragen;--ik zal uw verzoek ondersteunen."

»Men zou kunnen denken dat ik u vrees," antwoordde de onhandelbare

Reinier,--»dáárom wilde ik liever blijven,--hoewel ik om de eer blijf

solliciteeren, die u mij hebt toegezegd toen ik nog uw wachtmeester

was:--U herinnert u?..."

»Zeer goed!" zei de ritmeester koel.--»Maar die eer kan ik u op 't

oogenblik niet bewijzen. We staan tegenwoordig aanhoudend tegenover

den vijand: wij kunnen er nu niet aan denken, personeele veeten te

vereffenen. Na den veldtocht ben ik tot uw dienst."

»Dus zal ik eerst nog de eer genieten, gedurende de campagne door u

gekommandeerd te worden? Dat zal een voordeelige campagne voor mij

zijn!"

»Ei zoo, mijnheer!--Gelooft u, dat ik mij wreken zou door u onrecht te

doen?"

»Zoo'n gemakkelijke gelegenheid om u te wreken zou u voorbij laten

gaan?" zei Reinier met een medelijdend lachje.

»Naar welken maatstaf beoordeelt u zoons van marketentsters, mijnheer

Vermaat?" vroeg de ritmeester, hem strak in de oogen ziend. »Niet naar u

zelf, is 't wel? Want de familie Vermaat bleek mij altoos veel te nobel

om lafhartig wraak te kunnen uitoefenen."

Reinier beet zich op de lippen. Hij wist niets te antwoorden en maakte

zich gereed om heen te gaan.

»Ik twijfel niet, mijnheer," zei de ritmeester ten slotte,--»of u zult

u in den dienst niet over mij te beklagen hebben. En evenzeer staat het

bij mij buiten twijfel, of _ik_ zal ten opzichte van _u_ even tevreden

zijn."

Hij boog, en Reinier vertrok.

Niet lang daarna kreeg de koning van Napels, Napoleons zwager, Murat,

eindelijk verlof om met de cavalerie den terugtrekkenden vijand na te

zetten.

Tot bij Mohaisk werd de Russische achterhoede vervolgd. Toen Murat

Mohaisk zag, waande hij zich er meester van en zond zijn adjudant

naar den Keizer, om hem te zeggen, dat hij er kon overnachten. Maar

de Russische achterhoede had stand genomen voor de muren van die stad,

waarachter men het geheele overschot van het vijandelijke leger op

een hoogte bespeurde. Een schermutseling kostte den Franschen weer

eenig volk; ook een hunner generaals werd gekwetst. Men durfde, om de

nabijheid van het Russische leger, niet verder te gaan en Murat was

genoodzaakt, vóór de stad te overnachten.

Hij had zijn volk kunnen sparen, want den volgenden morgen vond hij

de poorten open en de Russische achterhoede, die de stad verlaten had,

op de hoogten. Hij trok Mohaisk binnen, maar vond er inwoners noch

levensmiddelen; wèl dooden, die men uit de vensters wierp, om er zelf

te kunnen verblijven, en gekwetsten, die men op één plaats bij elkander

bracht. Terwille van die gekwetsten hadden de Russen de houten stad niet

durven verbranden, maar nauwelijks trokken de Franschen binnen, of ze

werden door den vijand met eenige granaten ontvangen, die een gedeelte

der huizen, met de ongelukkigen die er in waren achter gelaten,

vernielden.

Reeds den anderen morgen werd de vervolging van den vijand weer

voortgezet en te Krimkoïé viel Murat verwoed op het leger van Kutusof

aan, waarbij hij echter, geheel noodeloos, twee duizend man verloor.

Ook bij Zelkowo had het maar weinig gescheeld of het Fransche leger

zou opnieuw een gevoelig verlies geleden hebben. Hier echter redde

het elfde regiment huzaren, door zijn moedig stand houden onder het

moorddadig vuur des vijands, de brigade waartoe het behoorde, toen deze

plotseling volkomen door het Russische leger omsingeld bleek geraakt.

't Was op een der volgende dagen, even na zonsondergang, dat een groepje

van vier personen zich gezellig bij elkander had gevoegd onder een afdak

van stroo, opgezet in de luwte van enkele zware boomen. Een hunner

haalde van onder een strooleger een kleine mand te voorschijn, waarvan

hij den inhoud op den grond uitstalde.

»Te deksel!"--zei een oude wachtmeester met het eerelegioen,--»zouden

we den Keizer niet te dineeren vragen!--'t Is een waar feestmaal, dat

Vermaat voor ons aanricht. Hoe ter wereld kom je aan al die heerlijke

zaken: ham, brood, worst?--En die flesschen zien er zoo eerwaardig uit

als hadden ze hun honderdsten verjaardag gevierd... Zeg Vermaat, wie is

je leverancier?"

»Dat is de bewaarder van het halfverwoeste kasteel daarginds;--maar de

goeie man is mijn leverancier geweest tegen wil en dank, natuurlijk.

Maar oneindig veel meer heeft hij aan den Keizer moeten afstaan."

»Dan behoeven we Zijne Majesteit niet te inviteeren," zei een jonge

korporaal,--»maar we konden toch wel iemand anders

noodigen--bijvoorbeeld den ritmeester."

»Ja, dat moesten we doen!" riepen de anderen, behalve Vermaat.

»Wat zegt de gastheer ervan?" vroeg de oude wachtmeester.

»Ik ben er tegen," antwoordde Vermaat.

»Je bent de eenige van het geheele escadron, die niet met onzen chef is

ingenomen,--wat heb je toch tegen hem?" vroeg een fourier, de vierde van

het clubje.

»Vraag dat maar eens aan de anderen;--ik heb het hun verteld,"

antwoordde Vermaat, terwijl hij een flesch open trok.

»Och, oude nesterijen!" zei de grijze wachtmeester schouder-ophalend.

»Maar de ritmeester handelt verstandiger dan jij, Vermaat;--hij toont,

dat hij 't geen vroeger tusschen jullie is voorgevallen, vergeten en

vergeven heeft."

»Wie zègt je, dat hij vergeten heeft?" vroeg Reinier.

»Hij is toch immers altijd even beleefd tegen je."

»Dat bewijst niemendal! Ik heb de overtuiging, dat die beleefdheid maar

een masker is. 'k Wou de rapporten wel eens zien, die hij over mij

uitbrengt."

»Hij kan niet anders dan goeds van je zeggen."

»Weet jij, wat een ander achter je rug van je zegt?" vroeg Reinier

eenigszins bits.

»De ritmeester is de man niet om u iets na te geven, dat hij u niet

in 't gezicht durft zeggen," bracht de jonge korporaal, die bij

ondervinding sprak, in het midden.

»Nieuwe bezems vegen schoon," zei Reinier met een medelijdend

schouder-ophalen.--»Wij zullen zien, mijneheeren."

Reinier wilde juist zijn glas aan de lippen brengen, toen Ros, die

Stargardts oppasser geworden was, aankwam en zich, salueerend, tot den

gastheer richtte met de boodschap:

»Commandant, de ritmeester wou u graag even spreken."

»Verduiveld!..." riep Reinier, niet in staat een opwelling van drift

te bedwingen.--»'t Is goed!" zei hij tegen den huzaar, die daarop

rechtsom-keert maakte en aftrok.

»Mijneheeren,--gaat uw gang!--Ringsma,"--dit gold den korporaal, »wil

jij de _honneurs_ voor mij waarnemen? Ik kom zoo spoedig mogelijk

terug."

Na verloop van een klein half uur kwam Reinier weer bij het drietal en

ging, zonder een woord te spreken, zijn plaats weer innemen.

»Te deksel--wat zie ik?" riep eensklaps de oude wachtmeester.

De anderen keken op en deden gelijktijdig een uitroep van verrassing.

Vermaat zat ernstig en bleek voor zich te staren: op zijn borst prijkte

het vijf-armig kruis van het eere-legioen.

Allen reikten den nieuwen legionaris de hand, om hem geluk te wenschen;

maar Reinier Vermaat bleef ernstig, zelfs somber, voor zich zitten

staren.

»Het schijnt, amice, dat je niet bijzonder opgewonden bent," sprak de

fourier, wiens grootste illusie het was, gedecoreerd te worden.

»Dat ik het aan hèm te danken heb--dat hindert me," zei Vermaat en

schonk zijn glas vol, dat hij vervolgens in één teug ledigde.

»Je ziet nu, dat je den man ten onrechte verdacht hebt," sprak de oude

wachtmeester.--»Hij heeft op een ridderlijke manier jullie wederzijdsche

rekening vereffend."

Reinier schonk zich opnieuw in, dronk wéér zijn glas in één teug leeg en

schoof toen de flesch verder.

»De gezondheid van den nieuwen legionaris!" riep de wachtmeester, zijn

glas opheffend.

Gedurende een half uur werd er nu niet veel anders gedaan dan gegeten en

gedronken; vervolgens werden de pijpen opgestoken, terwijl de flesch

bleef rondgaan.

»En vertel ons nu eens, Vermaat, hoe de ritmeester je het kruis heeft

overhandigd;--heeft hij niets gesproken?" vroeg de fourier.

»Dat wil ik jullie in een paar woorden wel even zeggen. Toen ik

binnenkwam wees hij me met een vrij stuursch gezicht een stoel en ging

tegenover mij zitten. »Mijnheer," zei hij,--»ik heb een aangename

tijding voor u."

Ik boog; maar ik was al dadelijk hoogstverwonderd.

»De Keizer heeft u benoemd tot ridder van het legioen van eer. Mag

ik u geluk wenschen en u meteen de insigniën der orde overhandigen. De

omstandigheden laten niet toe, dit op 't oogenblik met de gebruikelijke

ceremoniën te doen: u had de decoratie moeten ontvangen te gelijk met

de anderen, maar een verzuim aan het hoofdkwartier is de reden, dat het

achteraan komt."

»Is het mij vergund u te vragen, aan wien ik die onderscheiding

verschuldigd ben?" zei ik.

»Aan u zelf, mijnheer," was zijn antwoord.

»Maar ù hebt me toch zeker voorgedragen, ritmeester."

»Natuurlijk--wie anders?"

»Maar ik dacht dat we vijanden waren?"

»Ik weet ook niet beter, maar wat doet dit tot uw voordracht af?"

»Zóóveel," antwoordde ik, »dat ik zeer verwonderd ben; ik had mij iets

heel anders voorgesteld."

»U schijnt teleurgesteld," zei hij.

»Ik ben thans uw schuldenaar,--en dat hindert me."

»U vergist u,--u bent mijn schuldenaar volstrekt niet, ik ben in zeker

opzicht de uwe, daar u het mij zoo gemakkelijk gemaakt heeft u te

toonen, dat ik jegens u de billijkheid niet uit het oog zou verliezen.""

»Nobele kerel!" riep de fourier enthousiast.

»Maar, mijneheeren--wat moet ik nu doen?" riep Reinier, die tamelijk

veel had gedronken en op wien de wijn nimmer een vervroolijkenden

invloed uitoefende.--»Wat moet ik doen? Want ronduit gezegd,--nu voel ik

pas, dat ik den man, die mij in mijn eigen oogen vernederd heeft, meer

haat dan ik ooit gedaan heb."

»Kom, kom!" zei de oude wachtmeester afkeurend.

»Je weet niet wat het is," riep Vermaat driftig,--»op die manier te

worden getergd en geprikkeld; ik was veel liever met arrest

gestraft--dan had ik ten minste mij kunnen beklagen, terwijl hij mij nu

den mond gestopt heeft..."

»St! St!" klonk het afkeurend van de anderen.

»Wat!" riep de legionaris, zich al meer opwindend, »wat!--die

decoratie!--ze heeft voor mij geen waarde...!"

Allen sprongen overeind, en tegelijk verscheen aan den ingang van de

hut--ritmeester Stargardt.

Een poos stonden de vier krijgslieden zwijgend bij elkaar. De maan

scheen helder aan den met sterren bezaaiden hemel, zoodat zij elkanders

gelaatstrekken even duidelijk konden waarnemen als was het helder dag.

De ritmeester zag ernstig en nadenkend. Vermaat, zoo meteen nog rood

en opgezet, van drift niet minder dan van den wijn, was nu bleek en

er lag iets zorgelijks in zijn trekken. Had zijn vijand zijn uitroep

gehoord?--Dan was zijn loopbaan misschien voor altijd bedorven: de

Keizer vergaf zoo iets nooit.

»Goeden avond, heeren!" groette de ritmeester. »Neem me niet kwalijk,

dat ik u een oogenblik stoor. Maar, wachtmeester Vermaat, zou ik u nog

éven mogen spreken?"

Reinier volgde zijn chef, die zich enkele schreden buiten het afdak met

hem verwijderde.

»U bent onvoorzichtig geweest," fluisterde hij toen zacht. »U spreekt

te hard, en er zijn daar geen muren waarbinnen het geluid blijft

opgesloten. U weet heel goed, dat uw ondoordachte woorden u groote

onaangenaamheden zouden kunnen bezorgen;--maar wij zijn vijanden--daarom

moet ik in dit geval doen, als had ik _niets_ gehoord."

Hij groette en vervolgde zijn wandeling.

»Dat is nu zeker, wat ze, geloof ik, een »edelmoedig vijand" gelieven te

noemen," mompelde Vermaat woedend. »Bah, wat een onverdrágelijk ras!"

Tiende Hoofdstuk.

In de oude hoofdstad der Czaren.

Den 14den September was Napoleon met de voorhoede van zijn leger tot op

weinige mijlen het groote Moscou genaderd.

Hij reed langzaam en met omzichtigheid voort. Alle bosschen en ravijnen

voor zich uit liet hij onderzoeken, de toppen van alle heuvels deed hij

bestijgen, of men het vijandelijke leger ook ontdekken mocht. Hij

verwachtte een veldslag: de grond was er geschikt voor; er bleken zelfs

verschansingen op afgeteekend, maar alles was blijven liggen en men

ondervond niet den geringsten tegenstand.

Eindelijk kwam men aan de laatste hoogte. Het was de Berg der

Begroeting, aan Moscou grenzend en zoo genoemd, omdat de inwoners, van

zijn kruin hun heilige stad ziende, zich knielend nederbogen en een

kruis maakten.

Spoedig waren de scherpschutters op den top en daar zagen zij Moscou

aan hun voeten; Moscou, de stad der gulden koepeldaken, onmetelijke

verzameling van tweehonderd vijf-en-negentig kerken en vijftien honderd

kasteelen, met hun tuinen en bijgebouwen, zonderling vermengd met houten

huizen en hutten zelfs, alles over een oneffen grond verspreid. Zij

vormden een groep rondom een hooge citadel van een halve mijl in omtrek,

die zelf weer verscheidene paleizen, verscheidene kerken en onbebouwde

tusschenruimten in zich besloot, met daar omheen een onmetelijke

bazaar, stad van kooplieden, waarin de vereenigde rijkdommen van vier

werelddeelen schitterden. Die gebouwen, die paleizen, ja die winkels,

waren alle met gepolijst en gekleurd ijzer bedekt en de kerken hadden

platte daken en onderscheidene torens, uitloopend in vergulde bollen, al

hetwelk aan de stad een Oostersch voorkomen gaf.

Het was twee uur in den middag; de zonnestralen deden de oude Czarenstad

glanzen en schitteren van duizenden kleuren.

»Moscou! Moscou!" jubelden de soldaten, en verrukt bleven zij staan,

want het was hun, of daar een Koningsstad uit een sprookje aan hun

voeten lag, of een der wonderen uit de »Duizend en één Nacht," die zij

in hun kindsheid gelezen hadden, plotseling voor hun verbaasde oogen tot

werkelijkheid was geworden.

Toen verhaastte een ieder zijn marsch, ijlde in wanorde aan en juichend

herhaalde heel het leger: »Moscou! Moscou!" zooals voor eeuwen de

Kruisvaarders onder Godfried van Bouillon »Jeruzalem! Jeruzalem!"

hadden uitgeroepen.

Ook Napoleon zelf was toegesneld, ook hem trof dat gezicht.

»Ziedaar dan eindelijk die vermaarde stad!" riep hij verheugd. Maar

onmiddellijk liet hij er op volgen: »Het werd tijd!"

Doch heerlijk mochten de vergulde koepeldaken in het zonlicht flonkeren,

verrukt mocht de Keizer dit panorama der uitgestrekte, half Oostersche

hoofdstad overzien, tevergeefs wachtte hij op het openen der poorten, op

de komst van afgevaardigden, die de bevolking, den senaat, den adel met

hun schatten aan zijn voeten zou voeren.

Een zekere ongerustheid begint hem te kwellen. Reeds ziet hij, op zijn

linker- en rechtervleugel, prins Eugenius en Poniatowsky ongedeerd de

vijandelijke stad omtrekken. Murat bereikt reeds haar poorten en nòg

geen ambassade; slechts een Russisch luitenant, die hem op hoogen toon

dreigt, dat zijn generaal de stad in brand zal steken, wanneer men aan

de achterhoede den tijd niet laat, om haar te ontruimen.

Napoleon staat alles toe.

De voorhoede van het Fransche leger en de achterhoede van het leger

der Russen ontmoeten elkander zonder het lossen van ook maar een

enkel schot. Ondertusschen loopt de dag ten einde en Moscou blijft

somber, stilzwijgend en als levenloos; in de vlakte vóór de poort van

Dorogomilow vereenigt zich een groot gedeelte van het Fransche leger;

een bivakvuur wordt voor den Keizer aangelegd en men ziet hem wel twee

uur lang onrustig heen en weer loopen. Hij wacht nog steeds het

gezantschap dat hem de sleutels zal komen aanbieden.

Eenige officieren zijn tot in het binnenste der stad door gedrongen. Zij

brengen den Keizer de boodschap: »Moscou is ledig!"

Napoleon gelooft het niet, wordt zelfs boos bij dat bericht--en wacht.

Daar brengt Murat dezelfde tijding, hem aansporend, de stad maar in te

trekken.

Nòg kan hij het niet aannemen. »Ga er weer heen," beveelt hij, »en zorg

voor de strengste orde!" Hij hoopt nog.--»Misschien," zegt hij, »weten

de inwoners niet hoe zij zich moeten overgeven; want hier is alles

nieuw, zij voor ons, en wij voor hen."

Maar weldra volgt het eene bericht het andere; en alle komen overeen.

Eenige Franschen, inwoners van Moscou, hebben het gewaagd uit de

schuilplaats te komen, die hen, sedert eenige dagen, voor de volkswoede

verborg. Zij bevestigen de noodlottige tijding.

De Keizer laat Daru, den kwartiermeester-generaal bij zich komen en

zegt: »ze vertellen, dat Moscou ledig is! welk een onwaarschijnlijke

gebeurtenis! Ga er heen en breng mij de raadsheeren hier."

Hij denkt dat die menschen, òf uit hoogmoed, of van schrik, in hun

woningen blijven. Het schijnt hem nu eenmaal onmogelijk dat men die

prachtige paleizen, die schitterende kerken, die rijke magazijnen zou

verlaten hebben, evenals die eenvoudige hutten, welke hij was

voorbijgetrokken.

Ondertusschen is Daru's poging mislukt. Er vertoont zich hoegenaamd geen

Moscoviet; er verheft zich hoegenaamd geen rook uit eenig huis; men

hoort niet het minste gerucht uit die reusachtige en volkrijke stad

komen; haar driemaal honderdduizend inwoners schijnen als met verlamming

en stomheid geslagen; het is de stilte eener woestijn!

Maar nog is Napoleon ongeloovig, nòg blijft hij wachten.

Eindelijk begeeft zich een officier in de stad, laat vijf of zes

landloopers oppakken en drijft ze voor zijn paard uit, naar den Keizer,

als was dat een gezantschap. Bij het eerste antwoord reeds dat die

mannen hem geven bemerkt Napoleon, dat hij slechts ongelukkige

daglooners voor zich heeft.

Nu kan hij wel niet langer aan de volslagen ontruiming van Moscou

twijfelen. Hij trekt de schouders op en zegt met die minachtende

beweging waarmee hij alles bejegent wat zijn wenschen tegenstaat: »O, de

Russen weten nog niet welk gevolg het innemen van hun hoofdstad voor

hen zal hebben!"

Het was een treurige intocht dien Murat met zijn lange, ineengedrongene

colonne ruiterij in de groote stad deed. Het was, of zij in de stad der

dooden reden. Met huivering hoorden de krijgslieden alleen de stappen

hunner paarden tusschen die verlaten paleizen weergalmen. Somber en

zwijgend reden zij voort, als gingen zij over een met lijken bezaaid

slagveld of over een reusachtig kerkhof...

Na aldus eenige uren de stad verkend te hebben gingen de troepen

voorloopig op de straten en pleinen bivakkeeren.

Eerst in den nacht kwam Napoleon zelf Moscou binnen, waar hij een der

eerste huizen in de voorstad Dorogomilow betrok. Hier stelde hij

maarschalk Mortier tot bevelhebber der stad aan, met de bijvoeging: »Met

uw hoofd blijft ge mij borg, dat er niet geplunderd wordt! Verdedig

Moscou tegen allen!"

Omstreeks twee uur in den morgen, vernam de Keizer eensklaps, dat er

brand was uitgebroken. De handelsbeurs, in het rijkste kwartier der

stad, stond in lichter laaie. Oogenblikkelijk gaf Napoleon zijn orders

tot blusschen en toen de dag aanbrak, begaf hij zelf zich er heen,

uitvarend tegen de jonge garde en Mortier, wijl hij meent, dat de brand

door onvoorzichtigheid der soldaten is veroorzaakt. Mortier toont hem

echter, dat de huizen nog altoos gesloten zijn en er geen enkel soldaat

binnen geweest is.

De Keizer rijdt daarop naar het Kremlin, het oude paleis der Czaren. Een

gevoel van hoogmoed en trots bevangt hem, als hij dat eerwaardige gebouw

binnentreedt.

»Eindelijk dan te Moscou," zegt hij. »Eindelijk dan toch in het

Kremlin!"

Door Mortier's zorg was de brand in den loop van dien dag gebluscht

en nu werd de stad onder de verschillende legercorpsen ter bezetting

verdeeld. Aan de officieren van het elfde regiment huzaren was een

prachtig paleis toegewezen, dat zij nog dienzelfden dag betrokken.

Moeder Jane, die een der vertrekken tot gebruik bekomen had, zou voor

tafel en keuken zorgen.

Blijkbaar hadden de bewoners in allerijl het huis verlaten; de zalen en

vertrekken zagen er uit, alsof ze gisteren nog bewoond waren. Kristallen

spiegels, rijk gesneden mahoniehouten meubelen, kostbare divans waarop

de vermoeide officieren zich behagelijk neervleiden, de breede marmeren

gangen en met zachte loopers belegde trappen, alles bewees dat de

aanzienlijke bewoners van het gebouw niet den tijd of de gelegenheid

hadden gehad, de meubelen te vervoeren of hun overige bezittingen mee te

nemen.

Slechts levensmiddelen bleken schaarsch aanwezig, doch voorloopig werd

er toch een voldoende hoeveelheid gevonden, om een behoorlijken maaltijd

aan te richten.

Toen de officieren van tafel gingen was het reeds avond geworden en de

marketentster stak een lamp op, om in de keuken nog het een en ander te

beredderen.

Tot haar verbazing vond ze het haardvuur geheel uit elkander geworpen en

sterk verminderd; asch en stukken half verkoold vuur lagen tot midden op

den steenen vloer. Zóó had zij de keuken niet verlaten...

Daar ziet ze een koperen tabaksdoos op de tafel liggen... Geen twijfel

meer, er moest hier iemand geweest zijn!...

Een hevige ontroering bevangt haar, nu zij de doos opneemt. Want zij

herkent die aan het inschrift:

»Voor Willem Stargardt, op zijn 18den verjaardag."

»Hemel, hoe komt die doos hier, in het hartje van Rusland? Willem, als

hij nog leefde, moest nu immers in Engeland zijn?"

»Stom voorwerp," prevelde zij, »kon je nu maar praten! Kon je nu maar

antwoord geven!" Zij keek en keek naar dat zwijgende, koperen ding,

draaide het in haar vingers rond, opende doelloos het deksel...

Dáár zag zij een met potlood beschreven briefje liggen! Willems naam

stond er onder! En zenuwachtig doorvloog zij den inhoud.

»Lieve moeder," las ze, »ik schrijf dit in groote haast. Hoe ik

hier in Rusland gekomen ben kan ik u dus niet uitleggen, daarvoor

zou veel meer tijd noodig zijn. Maar ik heb u beiden heimelijk

kunnen zien, u en Jakob, en ik moet u dringend waarschuwen, dit

gebouw onmiddellijk te verlaten, want binnen korten tijd zal het

in brand staan en in de lucht vliegen.

De Zwervers van het Groote Leger: Historisch verhaal uit het tijdperk 1810-1813 · 第 7 / 22 题