De kinematograaf wordt het eerst met name genoemd in de Conventie 1908;
het is dan ook eerst in de laatste jaren, dat kinematographische
voorstellingen tot de gewone publieke vermakelijkheden zijn gaan
behooren, zoodat het geen verwondering kan wekken, dat nóch op de
Conferenties van Bern, nóch op de Parijzer Conferentie over dit
reproductie-middel is gesproken.
De bepalingen van art. 14 zijn van tweeërlei aard. In de eerste plaats
betreffen zij den kinematograaf als reproductie-middel van andermans
werken (eerste lid); in de tweede plaats hebben zij betrekking op de
bescherming, die voor werken wordt verleend, welke met behulp van den
kinematograaf tot stand zijn gekomen (lid 2 en 3). Een vierde lid van
het artikel houdt nog de bepaling in, dat wat omtrent den kinematograaf
is vastgesteld ook geldt voor elk procédé van soortgelijken aard. Deze
bepaling ziet voornamelijk op uitvindingen, die de toekomst misschien
nog kan brengen; in de eerstvolgende jaren zal zij waarschijnlijk nog
wel geen practische toepassing vinden. Ik meen haar hier ook verder
buiten beschouwing te kunnen laten.
Wat het eerstgenoemde punt betreft, het uitsluitend recht dus om
werken door middel van den kinematograaf te exploiteeren, dit vervalt
weer in twee onderdeelen, nl. 1o het recht van reproductie door den
kinematograaf, waaronder men te verstaan zal hebben de vervaardiging
van kinematographische beelden; en 2o het recht van openbare opvoering
met den kinematograaf dus: de vertooning der beelden. Beide rechten
worden in het eerste lid van het artikel verleend aan de auteurs van
"letterkundige, wetenschappelijke of kunstwerken". Het zijn dus niet
alleen tooneelstukken, opera's, balletten enz. waarvan de exploitatie
op deze wijze den auteur uitsluitend wordt voorbehouden, doch ook
de schrijver van een roman b.v. zal kunnen verbieden, dat tafereelen
uit zijn werk op de kinematograaf-films worden gebracht en daarmede
vertoond worden. Dit zou--ook al werd het geval niet uitdrukkelijk in
het Commissie-verslag genoemd [653]--reeds volgen uit het zoogenaamde
dramatiseeringsrecht, dat den schrijvers van romans, novellen en
gedichten in art. 12 Conventie wordt toegekend.
Hoe men zich echter een inbreuk op het auteursrecht van
wetenschappelijke werken door middel van den kinematograaf heeft
kunnen denken, is mij een raadsel. Daar elke toelichting op dit punt
in het verslag der Commissie ontbreekt, zou men geneigd zijn hier aan
eene vergissing of ondoordachtheid bij het redigeeren der bepaling
te denken. In elk geval mag worden aangenomen, dat hier niet bedoeld
is den chirurg te beschermen als "auteur" van de door hem verrichte
operatie tegen de kinematographische reproductie van het tafereel,
dat deze aanbiedt. Voor eene dergelijke bescherming bestaat, zooals
reeds is aangetoond (p. 217) niet de minste grond. Er blijft derhalve
m. i. niets anders over dan de woorden "wetenschappelijke werken"
in art. 14 als niet geschreven te beschouwen.
Ik kom nu tot het tweede punt: de bescherming der werken, die door
middel van den kinematograaf zijn tot stand gekomen. Er is reeds
opgemerkt, dat deze bepalingen eigenlijk niet in dit artikel, maar
in artikel 2, dat de werken, waarop de Conventie van toepassing is,
opsomt, thuis behooren. Men meende echter, dat het voor belanghebbenden
gemak zou opleveren, alles wat op den kinematograaf betrekking heeft
in een artikel bijeen te vinden; vandaar deze afwijking van den
systematischen weg.
De werken, die in het tweede en derde lid van art. 14 aan de in
art. 2 genoemde worden toegevoegd, zijn: 1o de kinematographische
voortbrengselen ("productions cinématographiques") voorzoover "de
auteur door de schikking der tooneelen of door de combinatie der
voorgestelde tafereelen aan het werk een persoonlijk en oorspronkelijk
karakter zal hebben verleend"; en 2o "de reproductie door middel
van den kinematograaf van een letterkundig, wetenschappelijk of
kunst-werk".
Welke werken men tot de eerstgenoemde categorie zal hebben te rekenen
zal, na hetgeen over dit onderwerp reeds is gezegd (pp. 216 sqq.),
geene toelichting meer behoeven. Het zijn in het algemeen de uit
een of meer tafereelen bestaande pantomimes, die speciaal voor
kinematographische opneming in elkander worden gezet en onder bereik
van het toestel worden afgespeeld. De toevoeging, dat de auteur een
oorspronkelijk en persoonlijk karakter aan het werk moet hebben
verleend, kan overbodig worden geacht, daar deze regel op alle
"werken van kunst en letterkunde" toepasselijk is.
Wat met de in de tweede plaats genoemde omschrijving is bedoeld,
is op het eerste gezicht minder gemakkelijk te doorgronden. Doch
de korte toelichting in het Commissie-rapport maakt het duidelijk
[654]. Men heeft hier het oog gehad op het geval, dat de verschillende
tafereelen, welke voor de kinematographische opneming hebben gediend,
ontleend waren aan het werk (b.v. den roman) van een ander. Met
betrekking tot het oorspronkelijke werk is dus het vervaardigen der
kinematographische afbeeldingen eene reproductie, die naar gelang
van omstandigheden ongeoorloofd kan zijn. Doch aan den anderen kant
is er ook eene nieuwe schepping tot stand gekomen, nl. de bewerking,
welke de roman moest ondergaan om in beeld te worden gebracht. Deze
bewerking nu, die men als eene bijzondere soort van "dramatiseering"
kan beschouwen, wordt door de besproken bepaling onder de beschermde
auteursproducten gerangschikt; zij is, "onverminderd de rechten van
den auteur van het oorspronkelijke werk ... als een oorspronkelijk
werk beschermd." Wij hebben hier dus met eene bepaling te doen,
analoog aan die van het tweede lid van art. 2; wat hier erkend wordt
is het recht van den bewerker op zijne bewerking.
Uit het bovenstaande volgt, dat het voorwerp van het door deze bepaling
verleende recht niet bestaat in de kinematographische afbeeldingen
zelf, maar in het uit een roman, novelle, gedicht enz. getrokken,
d. w. z. voor kinematographische reproductie pasklaar gemaakte,
"stuk". De in het artikel gebezigde uitdrukking "reproductie door
middel van den kinematograaf" zou misschien het tegendeel kunnen doen
denken en schijnt mij daarom ook minder gelukkig gekozen. Ik meen
echter, dat er hier van een recht op de kinematographische afbeelding
geen sprake kan zijn; daarvoor was hier geene bijzondere bepaling
noodig, daar dit onder de bepalingen over het recht op photographieën
valt. Het verschil tusschen het recht op de afbeelding en dat op het
afgebeelde komt vooral hierin uit, dat het tweede betrekking heeft op
meer exploitatie-middelen. Het hier behandelde recht omvat dus niet
alleen de reproductie door middel van kinematograaf of photographie,
maar ook b.v. de opvoering in een schouwburg, zelfs door andere
acteurs dan die bij de oorspronkelijke vertooning hebben meegewerkt.
Over de draagkracht der besproken bepalingen in verband met de
inlandsche wetten nog het volgende. Het artikel legt de verplichting
op aan de staten, die het aanvaarden, om de bescherming, welke het
omschrijft, bij zich aan de werken uit andere Verbondslanden te
verzekeren, voorzoover nl. die werken overigens volgens de algemeene
regels der Conventie aldaar voor bescherming in aanmerking komen. Aan
de inlandsche wetten wordt niet, zooals in het voorgaande artikel,
de vrijheid gelaten voorwaarden en beperkingen aan het recht te
verbinden. Dit neemt niet weg, dat toch de bijzondere bepalingen,
die zij op dit punt mochten bevatten, toepassing zullen kunnen
vinden. Het recht van uitsluitende exploitatie door middel van den
kinematograaf zou b.v. in de wet van een Verbondsland tot een zeer
korten tijdsduur beperkt kunnen worden; in dat geval zouden ook de
auteurs van de volgens de Conventie beschermde werken uit andere landen
aldaar met dien korten termijn genoegen moeten nemen. Verder blijven
natuurlijk ook bijzonderheden als b.v. de nauwkeurige vaststelling van
het begrip "openbare uitvoering door middel van den kinematograaf"
aan den inlandschen wetgever overgelaten. Indien echter in de wet
voorwaarden aan dit recht zijn gesteld (b.v. dat het bij de uitgave
van een roman of tooneelstuk uitdrukkelijk moet zijn voorbehouden),
zullen de auteurs van uit andere Verbondslanden afkomstige werken
van de vervulling daarvan krachtens de Conventie (art. 4 lid 2)
vrijgesteld zijn.
c Rechtsmiddelen tot handhaving van het auteursrecht
In de twee artikelen, die nu volgen (artt. 15 en 16 Conventie 1908)
geeft de Conventie eenige bepalingen over de rechtsmiddelen, welke
dengeen op wiens auteursrecht is inbreuk gemaakt, ten dienste staan. In
de eerste plaats betreft dit de wijze waarop de rechthebbende op het
auteursrecht zich voor den rechter als zoodanig kan legitimeeren
(art. 15); in de tweede plaats de bevoegdheid om beslag te laten
leggen op voorwerpen, waarmede inbreuk op het auteursrecht is gepleegd
(art. 16).