Evenals voor het vertalingsrecht, heeft men het ook voor op- en
uitvoeringsrecht van tooneel- en muziekwerken noodig geacht, eene
afzonderlijke bepaling in de Conventie op te nemen. In de Conventie
1886 was het artikel 9, dat deze regeling inhield, welk artikel
reeds in 1884 uit een voorstel der Duitsche delegatie was tot stand
gekomen en tot 1908 toe ongewijzigd is gebleven. In laatstgenoemd jaar
werden deze bepalingen, na eenige veranderingen te hebben ondergaan,
in art. 11 van de nieuwe Conventie overgebracht.
Het oude artikel (art. 9 Conventie 1886) maakt onderscheid tusschen
het opvoeringsrecht van tooneelstukken en dramatisch-muzikale werken
en het uitvoeringsrecht van muziekstukken. Op beide rechten werden
de bepalingen van art. 2 der Conventie 1886 toepasselijk verklaard;
het uitvoeringsrecht van muziekwerken moest echter, indien zij in druk
waren uitgekomen, door den auteur uitdrukkelijk zijn voorbehouden,
eene voorwaarde die voor de tooneel- en dramatisch-muzikale werken
niet gold.
Deze beperking van het uitsluitend uitvoeringsrecht van muziekwerken
was met het oog op sommige wetgevingen, in het bijzonder die van
Engeland en Duitschland, in de Conventie opgenomen en in Parijs,
ondanks de pogingen van Frankrijk, dat daarbij door België werd
ondersteund [635], niet weggenomen. De Parijsche Conferentie bracht het
niet verder dan tot het uitspreken van den wensch: "dat de wetgevingen
der Verbondslanden de grenzen zullen vaststellen binnen welke de
volgende Conferentie het beginsel zou kunnen aanvaarden, dat uitgegeven
werken der toonkunst beschermd moeten zijn tegen ongeoorloofde
uitvoering, zonder dat de auteur gedwongen zij tot het stellen van
een voorbehoud" [636]. Met die door de wetgevingen der Verbondslanden
vast te stellen grenzen had men voornamelijk eene regeling op het oog
van die gevallen, waarin een onvoorwaardelijk verbod van uitvoering
zonder toestemming des auteurs niet algemeen gewenscht schijnt,
zooals b.v. bij volksfeesten, weldadigheidsconcerten, uitvoeringen
door dilettanten, en dergelijke.
Op de Conferentie van Berlijn heeft men de bepaling overeenkomstig
den in Parijs uitgesproken wensch kunnen wijzigen. Alleen door Zweden
en Zwitserland werd hiertegen aanvankelijk eenig bezwaar gemaakt,
dat echter om de eenheid niet te verstoren, werd opgegeven [637]. De
wijziging was voorgesteld door Duitschland, dat vroeger zich tegen
een uitvoeringsrecht zonder voorbehoud had verzet, doch dat inmiddels
in zijne wetgeving eenige beperkingen als de bovenbedoelde had kunnen
opnemen (wet v. 19 Juni 1901 art. 27) waardoor de vroegere bezwaren
hun grond hadden verloren.
Artikel 11 Conventie 1908 stelt dus het uitvoeringsrecht van
muziekwerken op ééne lijn met het opvoeringsrecht van tooneelstukken
en dramatisch-muzikale werken. Op dit ééne punt wijkt het van de
oude bepaling der Conventie 1886 af. Wél zijn in Berlijn nog enkele
andere wijzigingen aangebracht, doch deze zijn van weinig beteekenis,
zooals hieronder zal blijken.
In hoeverre is nu de bescherming tegen ongeoorloofde op- en uitvoering
door de bepaling der Conventie verzekerd? Bij de beantwooding dezer
vraag stuiten wij al dadelijk op een van de bedoelde verschilpunten
van ondergeschikten aard tusschen de Conventie 1886 en die van
1908. Volgens art. 9 Conventie 1886 zijn: "de bepalingen van art. 2"
hier van toepassing; op de Berlijnsche Conferentie heeft men hiervan
gemaakt: "de bepalingen der tegenwoordige Overeenkomst". Dit maakt in
wezen geen verschil uit. De beteekenis van beide artikelen is deze,
dat het op- en uitvoeringsrecht in het Verbond erkend moet worden,
volgens de algemeene regelen, die de Conventie voor de internationale
bescherming stelt (in art. 2 Conventie 1886 en artt. 4, 5, 6 en 7
Conventie 1908). De regeling is dus niet dezelfde als die van het
uitsluitend vertalingsrecht. Dit laatste wordt--zooals wij gezien
hebben--direct door de Conventie verleend, onafhankelijk van de
landswetten; het uit- en opvoeringsrecht daarentegen--al wordt het
afzonderlijk genoemd--is niet in de Conventie zelve gecodificeerd,
maar valt onder de bepalingen, die de Conventie over de bescherming
in het algemeen inhoudt. Na hetgeen over deze bepalingen (nl. die
van artt. 4-7 Conventie 1908) reeds is gezegd, behoeft de beteekenis
hiervan niet nader te worden toegelicht. Het komt in hoofdzaak hierop
neer, dat in elk Verbondsland het op- en uitvoeringsrecht, dat de
wet aldaar verleent, kan worden ingeroepen voor de werken die uit
een der andere Verbondslanden afkomstig zijn, met vrijstelling van
eventueel voorgeschreven voorwaarden of formaliteiten. Wat den duur
van het op- en uitvoeringsrecht betreft, deze zal, volgens art. 7 lid
2 Conventie 1908 "den duur, vastgesteld in het land van herkomst niet
mogen overschrijden". Hierbij dient echter te worden aangeteekend,
dat met den "duur" in het land van herkomst wordt bedoeld de duur van
het auteursrecht in het algemeen, de zoogenaamde "hoofdtermijn",
en dat dus niet in aanmerking komt de bijzondere termijn van
korteren duur, die de wet van het land van herkomst voor het op-
of uitvoeringsrecht mocht stellen. Gesteld dus de wet van een land
verleent een auteursrecht van vijftig jaar na den dood des auteurs,
doch slechts een opvoeringsrecht van tien jaar na de uitgave, dan zal
het opvoeringsrecht van uit dat land afkomstige werken in de andere
landen van het Verbond niet gebonden zijn aan laatstgenoemden korten
termijn; doch het zal alleen niet langer kunnen duren dan vijftig
jaar na den dood des auteurs [638].
Het tweede lid van artikel 11 Conventie 1908 en art. 9 Conventie
1886 houdt eene bepaling in van eenigszins andere strekking dan de
boven behandelde. Daarin is sprake van het recht, vertalingen van
tooneelstukken en dramatisch-muzikale werken op te voeren. Hier
valt weer op een klein verschil tusschen de oude en de nieuwe
bepaling te wijzen. Art. 9 Conventie 1886 bepaalt, dat zoolang
het vertalingsrecht duurt, de auteurs ook beschermd zijn tegen
ongeoorloofde opvoering van de vertaling hunner werken, m. a. w. het
uitsluitend vertalingsrecht (dat in art. 5 Conventie 1886 was geregeld)
omvat ook het opvoeringsrecht. Dit is in art. 11 Conventie 1908
hetzelfde gebleven; doch daar te Berlijn het vertalingsrecht met het
recht op het oorspronkelijke werk in duur volkomen is gelijkgesteld
(art. 8 Conventie 1908), kon in aansluiting daarmede ook ten aanzien
van het opvoeringsrecht van vertalingen worden bepaald, dat het
evenlang duurt als het recht op het oorspronkelijke werk. Het verschil
is dus uitsluitend het gevolg van de wijziging, die de Conventie ten
opzichte van het uitsluitend vertalingsrecht in 1908 heeft ondergaan.
Ook in dit opzicht is dus door de Conventie het opvoeren op ééne
lijn gesteld met het "door den druk gemeen maken"; indien het in
dezelfde taal geschiedt zijn daarop de algemeene regels van de
artt. 4-7 toepasselijk; heeft men echter te doen met de opvoering
eener vertaling, dan valt dit onder den bijzonderen regel van art. 8.
Onze wet is op het punt van op- en uitvoeringsrecht nog zeer karig. Op
onuitgegeven dramatisch-muzikale en tooneelwerken bestaat op- en
uitvoeringsrecht tot dertig jaar na den dood des auteurs (art. 15,
1o); op door den druk gemeen gemaakte werken echter slechts gedurende
tien jaren na de uitgave, mits het door den auteur uitdrukkelijk
wordt voorbehouden (art. 15, 2o jo art. 12).
Uitvoeringsrecht op muziekwerken bestaat in het geheel niet.
Deze laatste omstandigheid zou op zich zelve al een reden kunnen zijn
om ons land krachtens art. 25 Conventie 1908 de toetreding tot het
Verbond te ontzeggen. Ongetwijfeld behoort het uitvoeringsrecht van
muziekwerken tot "de rechten, die het onderwerp dezer Overeenkomst
uitmaken"; het ontbreekt ook in geen der wetgevingen van de tot op
heden toegetreden staten; en al wegen de belangen hier niet zoo zwaar
als die b.v. bij het auteursrecht op werken van beeldende kunst zijn
betrokken, zonder beteekenis zijn zij niet, vooral ten aanzien van een
land als het onze, waar veel muziek van buitenlandsche componisten ten
gehoore wordt gebracht. De mogelijkheid is dus geenszins uitgesloten,
dat de Verbondsstaten op grond van art. 25 als een van de voorwaarden
om te mogen toetreden, zouden stellen, dat het bedoelde recht in de
wet worde erkend.
Mocht ons land, zonder de wet op dit punt aangevuld te hebben,
toch tot het Verbond worden toegelaten, dan zou het gevolg zijn,
dat Nederlandsche muziek in de andere Verbondslanden wél tegen
uitvoering beschermd zou zijn, terwijl in Nederland deze bescherming
nóch voor Nederlandsche, nóch voor buitenlandsche werken zou worden
verleend. Het mag echter verwacht worden, dat men, ook van onze
zijde, het hiertoe niet zal willen laten komen, en dat dus vóór onze
toetreding tot de Conventie het uitvoeringsrecht van muziekwerken
in de wet zal geregeld worden. Het is te hopen, dat men daarbij niet
te angstvallig te werk zal gaan en dat dit recht dus verschoond zal
blijven van beperkingen en voorwaarden, zooals hier nog ten aanzien
van opvoerings- en vertalingsrecht bestaan. In het bijzonder is
het te wenschen, dat hier geen bezwaar zal worden gemaakt tegen de
erkenning van een uitvoeringsrecht, dat niet bij de uitgave van het
muziekstuk uitdrukkelijk door den auteur is voorbehouden. Mocht dit
wel het geval zijn, dan zal bij de bekrachtiging der Conventie 1908
art. 11 niet onvoorwaardelijk aanvaard kunnen worden, maar zullen
wij ons moeten houden aan art. 9 Conventie 1886.
Wat het opvoeringsrecht van tooneelwerken en dramatisch-muzikale
werken betreft, dit ontbreekt wel niet geheel in onze wet, maar
in tijdsduur staat het toch--tenminste voor de door den druk gemeen
gemaakte werken--verre bij dat van alle wetgevingen der Verbondslanden
ten achter. Slechts twee landen hebben voor het opvoeringsrecht
een bijzonderen termijn, nl. Zweden (dertig jaar na den dood des
auteurs art. 14 gewijzigd door de wet van 29 April 1904) en Italië
(tachtig jaar na de eerste uitgave of opvoering art. 10; volgens
het Ontwerp voor eene nieuwe wet duurt het evenals het overige
auteursrecht, vijftig jaar na den dood des auteurs). Men ziet
dat deze termijn nog niet eens bijzonder kort is. In alle andere
Verbondslanden staat het opvoeren met het door den druk gemeen
maken volkomen gelijk. Zooals uit de voorgaande bespreking volgt,
zou onze kortere termijn, zoo deze bij onze aansluiting gehandhaafd
bleef, geen invloed hebben op den duur van het opvoeringsrecht van
Nederlandsche werken in de andere Verbondslanden. Zoolang volgens
onze wet nog kopierecht bestaat op deze werken, zouden zij van
den langeren beschermingstermijn voor het opvoeringsrecht in het
buitenland kunnen genieten. Hetzelfde geldt voor het voorbehoud,
dat art. 12 W. A. R. eischt. Een in Nederland uitgekomen tooneelstuk
zou in alle Verbondslanden opvoeringsrecht genieten, ook al was dit
niet bij de uitgave uitdrukkelijk voorbehouden.
Ook hier te lande zou voor werken uit andere Verbondslanden geen
voorbehoud kunnen worden geëischt; de duur van het opvoeringsrecht
zou echter ook voor deze werken naar Nederlandsch recht moeten
worden berekend (dus slechts tien jaar na de uitgave bedragen). In
dit opzicht zouden wij dus, indien de tegenwoordige bepalingen op het
opvoeringsrecht in onze wet gehandhaafd blijven, door onze toetreding
tot de Conventie meer ontvangen dan geven. Het behoeft nauwelijks te
worden gezegd dat dit allerminst een reden mag zijn, om de gebrekkige
bescherming tegen opvoeringen in onze wet maar te laten, zooals zij is.
Van meer practisch belang dan het recht van opvoeren in dezelfde taal
(waarop het voorgaande alleen betrekking heeft) is het uitsluitend
recht van opvoeren in andere talen. Op dit laatste zijn, zooals wij
gezien hebben, zoowel volgens de Conventie 1886 als de Conventie 1908,
de bijzondere bepalingen omtrent het uitsluitend vertalingsrecht
van toepassing. Op dit punt worden dus de speciale bepalingen
over opvoeringsrecht van alle landswetten door de Conventie buiten
toepassing gesteld. Hoe lang het opvoeringsrecht van vertalingen
van Nederlandsche stukken in de andere landen en van die uit andere
landen in Nederland na onze aansluiting zal duren, hangt derhalve
uitsluitend af van de houding, die ons land bij de bekrachtiging der
Conventie op het stuk van het vertalingsrecht zal aannemen.
V Bewerkingsrecht (Conv. 1908 art. 12; Conv. 1886 art. 10; Verklaring
van Parijs 3o)
De moeilijkheid, om een juisten regel te formuleeren op het stuk
van het bewerkingsrecht, doet zich natuurlijk vooral bij het
samenstellen van eene internationale regeling gevoelen, waarbij
met wetsbepalingen en opvattingen van meerdere staten rekening moet
worden gehouden. Het valt daarom niet te verwonderen, dat men het
op de Berner Conferenties niet dan na lange beraadslagingen over dit
vraagstuk eens is geworden. De redactie van art. 10 Conventie 1886,
dat in Parijs niet, in Berlijn slechts op ondergeschikte punten
gewijzigd is, is te danken aan de Commissie van 1885, die uit niet
minder dan vier verschillende voorstellen te kiezen had gehad [639].
Het hoofdbeginsel, waarover alle staten het eens waren, is dat de
min of meer vermomde reproductie, waarbij b.v. de naam van het
werk veranderd is, kleine wijzigingen in het werk zijn gemaakt,
stukken zijn weggelaten of wel nieuwe erbij gevoegd, als inbreuk
op het auteursrecht zou gelden en dus verboden zou zijn. Daar de
bedoelde practijken niet met één woord waren aan te duiden en in het
bijzonder het Fransche woord adaptation (dat eigenlijk beteekent:
"pasklaarmaking" dus: omwerking voor een ander doel of eene andere
smaak) tot verschillende uitleggingen en verwarring aanleiding
zou geven, nam men zijne toevlucht tot eene omschrijving, waarbij
"omwerkingen" (adaptations) en "muziek-arrangementen" slechts als
voorbeelden zijn genoemd, zonder dus andere wijzen van nabootsing in
veranderden vorm uit te sluiten.
Vóór 1896 bestond er nog twijfel over de vraag, of ook het zoogenaamde
"dramatiseeren" (omwerking van roman in tooneelstuk) onder de bepaling
van dit artikel viel. In de Parijsche Verklaring werd deze vraag
bevestigend beantwoord (3o); op de Conferentie van Berlijn heeft
men eene uitdrukkelijke bepaling in dezen zin in den tekst van het
artikel ingelascht. Het artikel luidt nu als volgt:
Tot de ongeoorloofde reproducties, waarop de tegenwoordige
Overeenkomst van toepassing is, behooren in het bijzonder
de indirecte, niet toegestane toeëigeningen van een werk
van letterkunde of kunst, die met verschillende namen worden
aangeduid als: omwerkingen, muziek-arrangementen; vervorming
van een roman, novelle of gedicht tot tooneelstuk en omgekeerd,
enz., wanneer zij niets anders zijn dan de reproductie van een
dergelijk werk in denzelfden of in anderen vorm, met wijzigingen,
toevoegsels of afkortingen, die tot het wezen van het werk niets
afdoen, zonder overigens het karakter te hebben van een nieuw,
oorspronkelijk werk.
In art. 10 Conventie 1886 volgde hierna nog een tweede lid van
dezen inhoud:
Bij de toepassing van dit artikel zullen de rechtbanken der
verschillende Verbondslanden casu quo rekening houden met de
bijzondere bepalingen hunner respectieve wetten.
Reeds in 1896 was er op aangedrongen deze laatste bepaling te
schrappen, doch zonder succes, daar Engeland er zich tegen verzette
[640]. Op de Conferentie van Berlijn werd echter hetzelfde voorstel
zonder bestrijding te ontmoeten aangenomen. De beteekenis van het
artikel is naar mijne meening door het weglaten van het laatste
lid niet eene andere geworden. Ook nu zullen de rechters nog met
de bijzondere bepalingen van de wet van hun land rekening moeten
houden bij de toepassing van dit artikel, voorzoover nl. in die wetten
punten zijn geregeld, waarover het Conventie-artikel zich niet stellig
uitspreekt [641]. Evenals ten aanzien van het op- en uitvoeringsrecht
blijft de wet van het land, waar de bescherming wordt ingeroepen, ook
in dit opzicht al hare kracht behouden. Dit volgt uit de redactie,
die aan art. 12 is gegeven. Er staat niet: "de auteurs hebben het
recht enz." zooals in art. 8 ten aanzien van het vertalingsrecht,
maar: "Tot de ongeoorloofde reproducties, waarop de tegenwoordige
Overeenkomst van toepassing is, behooren .. enz." De Conventie schept
hier dus geen zelfstandig recht tot exploitatie van bewerkingen,
arrangementen enz. buiten de landswetten om; doch het artikel geeft,
evenals het vorige, slechts enkele nadere bepalingen van den omvang
der bescherming, die krachtens de artt. 4-7 der Conventie in de
verschillende landen van het Verbond genoten wordt. Door de weglating
van het tweede lid van art. 10 Conventie 1886 uit het nieuwe art. 12
Conventie 1908 zijn dus niet de bepalingen der inlandsche wetten op
dit stuk geheel buiten werking gesteld. Men had er alleen de bedoeling
mede te verhinderen, dat de rechter, steunende op de wet van zijn
land, tegen de uitdrukkelijke bepalingen van het eerste lid van het
artikel in, in sommige gevallen bescherming zou kunnen weigeren [642].
In ons land komen bijzondere wetsbepalingen als de bovenbedoelde niet
voor. Men zou daarom de vraag, die ons zoo juist bezighield, over
de al of niet toepasselijkheid der inlandsche wetten op dit punt,
ten aanzien van ons land zonder practisch belang kunnen achten,
ware het niet, dat aan het stilzwijgen onzer wet door sommigen
eene uitlegging wordt gegeven, die lijnrecht in strijd is met
de bepalingen der Conventie. Volgens deze uitlegging zou nl. een
uitsluitend bewerkingsrecht in ons land in het geheel niet bestaan;
het auteursrecht van onze wet zou alleen betrekking hebben op het
reproduceeren in denzelfden vorm. In een vorig hoofdstuk heb ik over
deze uitlegging, die aan onze wet wordt gegeven, gesproken en de
redenen opgegeven, waarom ik mij er niet mede kan vereenigen (pp. 189
sqq.). Het gaat hier echter niet over hare juistheid of onjuistheid;
met terzijdestelling van deze vraag wenschte ik er hier slechts aan
te herinneren, dat deze opvatting bestaat en ook door den rechter
bij voorkomende gevallen zou kunnen worden in toepassing gebracht
[643]. In verband met het vorige zal het duidelijk zijn, dat dit na
onze toetreding tot de Conventie tot moeilijkheden aanleiding zou
kunnen geven. Door aanvaarding van art. 12 Conventie 1908 zou ons land
zich verbinden, aan de werken uit andere Verbondslanden bescherming te
verleenen tegen de exploitatie van bewerkingen (o. a. arrangementen
van muziekstukken en dramatiseeringen van romans, novellen en
dichtstukken); blijft onze wet echter op dit stuk zooals zij is, dan
kan het geval zich voordoen, dat door den Nederlandschen rechter eene
dergelijke bescherming wordt geweigerd. Ik meen daarom, dat het lid
worden van het Verbond voor ons land de verplichting meebrengt, eene
uitdrukkelijke bepaling in de wet op te nemen, die de bovengenoemde
interpretatie te niet doet en waardoor de bescherming, die art. 2
Conventie 1908 eischt, in ons land buiten twijfel wordt gesteld.
VI Mechanische muziek-instrumenten (Conv. 1908 art. 13; Conv. 1886
Slotpr. no. 3)
In de jaren, dat de Berner Conventie tot stand kwam (1884-1886)
had de industrie der mechanische muziek-instrumenten nog niet den
graad van volmaaktheid bereikt, die haar later voor het auteursrecht
der componisten zoo gevaarlijk zou maken. Men kende toen nog maar
hoofdzakelijk de muziek- of speeldoozen, die vooral in Zwitserland veel
worden vervaardigd en verder draaiorgels: instrumenten dus, die slechts
een zeer beperkt aantal muziekstukjes kunnen ten gehoore brengen en
die als exploitatiemiddel van muziekwerken een hoogst bescheiden rol
vervullen. Hierdoor laat zich de weinige belangstelling verklaren,
die aan dit vraagstuk op de Berner Conferenties werd gewijd. In het
verslag der handelingen van geen der drie Conferenties is er iets
over te vinden; men kan dus aannemen, dat de bepaling, die erover in
de Conventie 1886 werd opgenomen, geene bestrijding had ontmoet. De
bepaling, te vinden in het Slotprotocol (no. 3) luidt als volgt:
Men is overeengekomen, dat de vervaardiging en de verkoop van
instrumenten, dienende om langs mechanischen weg muziekstukken
weer te geven, die tot de beschermde producten behooren, niet
wordt beschouwd als nadruk van muziekwerken.
Bij deze bepaling, die tot 1908 ongewijzigd in stand is gebleven,
wensch ik eerst een oogenblik stil te staan, om daarna de regeling,
welke in 1908 te Berlijn daarvoor in de plaats kwam, afzonderlijk
te bespreken.
Over de uitlegging, die aan Slotprotocol no. 3 Conventie 1886
moet worden gegeven, loopen de meeningen uiteen. Door velen wordt
aangenomen, dat het alleen toepasselijk is op speeldoozen en
draaiorgels, omdat deze de eenige instrumenten zijn, die men bij
het vaststellen der bepaling kan hebben bedoeld. De vrijheid van
reproductie, die het artikel verleent, zou dus niet gelden voor de
later in exploitatie gebrachte instrumenten als pianola, pianista,
phonograaf, grammophoon, herophoon, symphonion enz. enz., waarmede wél
inbreuk op het auteursrecht der componisten kan worden gepleegd. Zij,
die deze interpretatie huldigen, kunnen zich op de autoriteit van
Numa Droz beroepen, den voorzitter der drie Berner Conferenties,
die zich op eene letterkundige en artistieke Conferentie te Bern in
1889 in dezen zin uitliet [644].
Doch hoewel men deze interpretatie, afkomstig van den voorzitter
der Conferenties, "presque authentique" heeft genoemd, schijnt mij
toch de tegenovergestelde meening, volgens welke alle mechanische
muziek-instrumenten onder de bepaling vallen, de juiste. Het moge waar
zijn, dat men te Bern in 1885 niet voorzag, welke vlucht de techniek
zou nemen in zake automatische muziek-instrumenten, en dat men slechts
het oog had op de speeldoozen en straat-orgels, dit neemt niet weg,
dat men eene bepaling heeft vastgesteld, die zoodanig is geredigeerd,
dat er van een te maken onderscheid tusschen de eene en de andere soort
instrumenten niets is te bespeuren. In Parijs heeft men bovendien in
1896 gelegenheid gehad de vrijheid van reproductie in te trekken voor
de inmiddels op de markt gebrachte nieuwe instrumenten door wijziging
van de betreffende bepaling. Een Fransch voorstel van deze strekking
werd aldaar echter verworpen. Ik meen dus dat er geen reden is om de
bepaling niet woordelijk uit te leggen. Zij is dus toepasselijk op
alle "instrumenten, dienende om langs mechanischen weg muziekstukken
weer te geven" [645].
Hiertoe behooren echter niet phonografen, voorzoover deze
geen muziekstukken, maar voordrachten of tooneelstukken
reproduceeren. Zeer juist is in dit opzicht het bovengenoemde vonnis
van het Trib. de la paix van Brussel, waarin geoordeeld moest worden
over phonograaf-rollen, die fragmenten van Sardou's tooneelstuk
Madame Sans-Gêne reproduceerden. Terecht werd overwogen: "... que
les termes employés (nl. die van Slotprotocol no. 3 Conventie 1886)
marquent l'intention formelle de favoriser uniquement des instruments
de musique ...; qu'on ne peut, dès lors, étendre cette disposition
aux instruments reproduisant mécaniquement des oeuvres littéraires."
De bepaling spreekt overigens alleen van het "vervaardigen en
verkoopen" en heeft geen betrekking op het ten gehoore brengen van
muziekstukken door middel van mechanische instrumenten. Of dit, naar
omstandigheden, als openbare uitvoering is aan te merken, moet dus
in elk Verbondsland naar het inlandsche recht worden uitgemaakt [646].
Tot zoover de oude regeling van 1886. Op de Conferentie van Parijs
in 1896, werd, zooals reeds gezegd, eene poging gedaan om haar te
herzien, die echter op niets uitliep [647]. Intusschen breidde zich de
handel in de bedoelde instrumenten, vooral phonografen en pianola's,
elk jaar meer uit, zóó zelfs, dat in enkele landen de reproductie van
muziekstukken door middel van deze zingende en spelende instrumenten
reeds van meer belang wordt geacht dan die door middel van den gewonen
notendruk. Dit had tot gevolg, dat componisten en uitgevers steeds
luider begonnen te klagen over de vrijheid, die door de Conventie aan
de fabrikanten dier instrumenten werd gelaten om zonder toestemming
te vragen, en dus natuurlijk ook zonder ervoor te betalen, van alle
muziekstukken gebruik te maken. Van verschillende zijden werd er op
aangedrongen, de bepaling geheel te laten vervallen [648], of haar te
vervangen door eene regeling, die met de sinds 1886 zoozeer gewijzigde
toestanden en verhoudingen beter in overeenstemming was.
Het was daarom te voorzien, dat het vraagstuk op de Berlijner
Conferentie weer aan de orde zou worden gebracht, wat dan ook
geschiedde. Uit de verschillende voorstellen, die hierover inkwamen
(nl. van: Duitschland, Spanje, Frankrijk, Engeland, Italië en
Zwitserland) bleek dat men het in beginsel er vrijwel over eens
was, dat de tot dusverre bestaande vrijheid voor de mechanische
muziek-instrumenten voor de rechten der auteurs behoorde te wijken;
alleen het voorstel van Zwitserland strekte, om de bepaling van
no. 3 Slotprotocol 1886 ongewijzigd in stand te houden. Wegens de
bijzondere moeilijkheden, die het vraagstuk opleverde, werd het
onderzoek opgedragen aan eene sub-commissie, die bij het door haar
overgeleverd rapport een nieuw voorstel aanbood, waaruit tenslotte,
nadat er nog eenige wijzigingen in waren aangebracht, artikel 13
Conventie 1908 is voortgekomen.
De inhoud van dit artikel is in het kort deze: Het recht der
componisten wordt erkend om uitsluitend toestemming te verleenen,
zoowel voor het vervaardigen van instrumenten, die hunne stukken
spelen, als tot de openbare uitvoering hunner werken door middel van
die instrumenten (lid 1); aan dit recht zullen echter de inlandsche
wetten beperkingen en voorwaarden kunnen stellen (lid 2). Het derde
lid bevat eene overgangsbepaling; terwijl het vierde en laatste eene
bijzondere bepaling bevat over het in beslagnemen van instrumenten,
waarmede inbreuk op het auteursrecht is gepleegd.
Over de eerstgenoemde bepaling behoeft weinig te worden gezegd. Zij
houdt--en hierover waren alle staten uitgezonderd Zwitserland het
terstond eens geweest--de erkenning in van het recht der componisten
op dit stuk; juist het tegenovergestelde dus van hetgeen no. 3
Slotprotocol 1886 inhield. Er dient echter op gewezen te worden, dat
dit laatste alleen betrekking had op het vervaardigen der bedoelde
instrumenten, terwijl het nieuwe artikel ook de openbare uitvoering
noemt.
De algemeene regel, die hiermede was gesteld, zouden echter de meeste
staten niet onvoorwaardelijk en zonder eenige restrictie in toepassing
hebben willen brengen. Behalve met de belangen der auteurs, had men
ook met die der fabrikanten van muziek-instrumenten en phonografen
rekening te houden. Gewapend met het hun verleende recht zouden de
auteurs te hooge prijzen kunnen vragen voor het gebruikmaken hunner
werken, waardoor deze nieuwe tak van industrie ernstig getroffen zou
kunnen worden. Ook bestond de vrees, dat zich monopolies zouden vormen
ten bate van enkele groot-industrieelen met veel kapitaal, zoodat er
voor de ondernemingen op kleinere schaal geen kans zou bestaan om over
nog beschermde muziekstukken zich de beschikking te verzekeren. Om aan
deze bezwaren te ontkomen was in het Duitsche voorstel eene bepaling
opgenomen, volgens welke een auteur, die eenmaal zijn werk had laten
gebruiken voor mechanische reproductie, gedwongen zou zijn aan ieder
derde hetzelfde gebruik toe te staan tegen behoorlijke--ingeval van
strijd door de inlandsche wet vast te stellen--vergoeding [649]. Het
bleek echter dat vele staten tegen de invoering van dit systeem
bezwaren hadden, en daarom besloot men, op voorstel van Engeland,
het stellen van voorwaarden of beperkingen, die elke staat noodig
mocht achten, liever aan den inlandschen wetgever over te laten. Zoo
kwam men tot de bepaling van het tweede lid van artikel 13. Elke
Verbondsstaat behoudt dus de vrijheid, om bepalingen vast te stellen,
waardoor het auteursrecht der componisten, dat in het eerste lid van
art. 13 Conventie 1908 is omschreven, aan voorwaarden wordt gebonden
of binnen bepaalde grenzen wordt gehouden.
Hoever men hierin zal mogen gaan, zonder met de Conventie in strijd
te komen, is natuurlijk moeilijk te zeggen. Het blijkt echter uit
het verslag der beraadslagingen, dat men ook de mogelijkheid heeft
voorzien, dat een staat eene regeling maakt, welke de fabrikanten
van muziek-instrumenten op voor hen zeer gunstige en voor de auteurs
zeer ongunstige voorwaarden in staat stelt van muziekwerken gebruik
te maken. Speciaal met het oog hierop heeft men het noodig geacht nog
uitdrukkelijk te bepalen, dat de beperkingen en voorwaarden, die een
staat zal hebben ingesteld, uitsluitend in dat land zelf van kracht
zullen zijn. Andere staten, die het auteursrecht der componisten
minder beperkingen in den weg zullen leggen, zullen dus krachtens
deze bepaling vrij zijn, om b.v. bij zich den invoer te verbieden van
instrumenten, platen of rollen, die op hun grondgebied slechts onder
voor de fabrikanten minder gunstige voorwaarden vervaardigd hadden
mogen worden [650].
Daar door den regel van het eerste lid van art. 13 rechten worden
erkend, die vroeger niet bestonden of hoogstens twijfelachtig waren
(cf. wat boven over de uitlegging van no. 3 Slotprotocol 1886 is
gezegd), heeft men het wenschelijk geacht voor deze materie een
bijzonderen overgangsmaatregel vast te stellen. Deze maatregel
bestaat hierin, dat in elk Verbondsland de bepaling van het eerste
lid niet toepasselijk is op de werken, die vóór het in werking treden
der nieuwe Conventie reeds in dat land op geoorloofde wijze voor
mechanische muziekinstrumenten gebruikt zullen zijn (art. 13 lid
3). De vervaardigers van muziek-instrumenten zullen dus door mogen
gaan met het zonder toestemming van den componist exploiteeren van die
muziekstukken, die onder de vroeger bestaande vrijheid reeds op die
wijze door henzelven of door anderen geëxploiteerd werden. Overigens
zal de wet van elk land dit meer in bijzonderheden kunnen regelen; de
beperkingen en voorwaarden, die krachtens art. 13 lid 2 mogen worden
vastgesteld kunnen--zooals nog uitdrukkelijk in het Commissie-rapport
wordt opgemerkt--ook de regeling van de terugwerkende kracht van dit
artikel betreffen [651].
Krachtens de besproken bepalingen van het tweede en derde lid
van art. 13 zal het geval zich kunnen voordoen, dat in het eene
Verbondsland het vervaardigen en verspreiden van instrumenten,
rollen en platen geoorloofd is, terwijl de verspreiding van diezelfde
voorwerpen in een ander land als inbreuk op het auteursrecht van den
componist zou moeten worden aangemerkt. Op verzoek van Italië heeft
men met het oog op deze mogelijkheid nog een vierde lid aan art. 13
toegevoegd, waarin bepaald is, dat op dergelijke voorwerpen in de
landen waar de verspreiding ervan niet geoorloofd is, beslag zal kunnen
gelegd worden. Daar de Conventie 1908 in art. 16 tweede lid een regel
van volkomen dezelfde strekking inhoudt, die op alle in strijd met het
auteursrecht vervaardigde voorwerpen toepasselijk is, was deze laatste
bepaling van art. 13 geheel overbodig. Dit werd ook door de Commissie,
die haar voorstelde, zeer goed ingezien; zij zwichtte echter voor den
aandrang der Italiaansche delegatie, welke er bijzonder op gesteld
schijnt te zijn geweest, dat de bepaling werd opgenomen [652].
De verplichtingen, die een staat door de aanvaarding van art. 13
Conventie 1908 op zich neemt, behoeven na het voorgaande weinig
toelichting meer. De regel van het eerste lid moet worden erkend; door
eene tegenovergestelde bepaling (b.v. zooals die van no. 3 Slotprotocol
1886) in de wetgeving op te nemen, zou men met de Conventie in strijd
komen. Het beginsel, dat de auteurs in dit opzicht beschermd zijn,
moet dus worden erkend; er mogen echter uitzonderingen (voorwaarden
en beperkingen) op worden gemaakt. Wordt dit verzuimd, dan moet de
bescherming onvoorwaardelijk en in haar vollen omvang verleend worden,
tenzij natuurlijk men zich aan de oude bepaling van no. 3 Slotprotocol
1886 wil houden, die geenerlei verplichting oplegt.
Hoe men in ons land over dit vraagstuk denkt, is mij niet
bekend. Wellicht zal door sommigen de erkenning van het recht der
componisten op dit punt als een ongewenschte uitbreiding van het
auteursrecht worden beschouwd, waaraan zij ons land liever niet zagen
meedoen. In elk geval zal er wel eenige oppositie worden gemaakt tegen
eene onvoorwaardelijke aanvaarding van art. 13 bij onze toetreding
tot de Conventie.
Ik meen, dat hierover niet veel meer behoeft gezegd te worden. Mijne
meening over de gegrondheid van dit recht in het algemeen heb ik
reeds kenbaar gemaakt (pp. 240 sqq., 249 en 250); door het hier te
lande in te voeren zou men, zooals ik poogde aan te toonen, slechts
voortbouwen op de beginselen, die aan onze tegenwoordige wet op het
auteursrecht ten grondslag hebben gelegen.
Als maatregel ter bescherming onzer nationale industrie op het gebied
van muziek-instrumenten en phonografen, die voorzoover mij bekend
tot nu toe niet van groote beteekenis is, zou het niet-aanvaarden
van art. 13 Conventie 1908 weinig baten. Weliswaar zou men hierdoor
bereiken, dat de vervaardiging van deze artikelen hier onder
gunstiger voorwaarden zou kunnen geschieden dan in andere landen,
waar voor het gebruikmaken van nog beschermde muziekstukken betaald
zou moeten worden; doch het zou moeilijk zijn voor deze artikelen een
afzetgebied te vinden buiten ons land. De staten die deel uitmaken
van het Verbond zullen tenminste hoogstwaarschijnlijk alle hunne
grenzen ervoor gesloten houden.