I Legitimatie voor den rechter (Conv. 1908 art. 15; Conv. 1886 art. 11)

Artikel 15 Conventie 1908 is volkomen gelijk aan artikel 11 Conventie

1886, met uitzondering hiervan, dat in laatstgenoemd artikel nog

eene bepaling voorkomt, die betrekking heeft op het vervullen van

voorwaarden en formaliteiten in het land van herkomst. Daar dit

door de nieuwe Conventie (art. 4 lid 2) niet meer wordt geëischt,

kon deze bepaling in 1908 vervallen. Ik laat haar daarom ook verder

onbesproken en bepaal mij dus tot het artikel in zijne nieuwe gedaante.

De regeling, die het artikel geeft, is hoogst eenvoudig. Twee

categorieën van werken worden onderscheiden: 1o zij die den naam van

den auteur dragen, en 2o de pseudonieme en anonieme werken, die den

naam van den uitgever dragen.

Hij wiens naam op de gebruikelijke wijze op het werk als auteur

vermeld staat, wordt, zoolang niet het tegendeel is aangetoond, ook

als zoodanig door den rechter aangemerkt (lid 1). Eene praesumptio

juris dus, die de bewijslast ten gunste van den eischer omkeert. Niet

hij zal hebben te bewijzen, dat hij werkelijk de auteur is, maar de

tegenpartij, die dit betwist, dat hij het niet is.

Het tweede lid van het artikel betreft de anonieme en pseudonieme

werken, voorzoover zij voorzien zijn van den naam des uitgevers. Er

worden hier twee gevallen onderscheiden [655]. In de eerste plaats dat

de auteur zijn recht nog niet heeft vervreemd, dus zelf rechthebbende

is op het auteursrecht. Opdat hij nu niet gedwongen worde zich bekend

te maken, wanneer op zijn recht inbreuk is gemaakt, is bepaald, dat de

uitgever bevoegd is voor hem op te treden (lid 2 eerste zinsnede). Doch

het is ook mogelijk, dat de auteur zijn recht aan den uitgever heeft

overgedragen en dat deze dus voor zijn eigen recht opkomt. Voor dat

geval schrijft het artikel voor, dat de uitgever zonder nader bewijs

als rechtverkrijgende van den anoniemen of pseudoniemen auteur zal

worden beschouwd, (lid 2 tweede zinsnede), zoodat ook dán de ware

naam van den auteur in het proces niet genoemd behoeft te worden.

Het artikel heeft dus alleen betrekking op werken, die den naam dragen

van den auteur of van den uitgever. Hieruit mag echter niet--zooals in

enkele rechterlijke uitspraken werd gedaan [656]--worden afgeleid, dat

werken, waarop geen naam vermeld staat, onbeschermd zouden zijn. Ware

dit zoo, dan zou de Conventie hier voor eene bepaalde categorie

van werken (nl. door den druk gemeen gemaakte geschriften) eene

afzonderlijke voorwaarde voor de bescherming hebben voorgeschreven;

iets wat allerminst in de bedoeling lag en wat ook met het beginsel,

dat voorwaarden en formaliteiten buiten het land van herkomst niet

vervuld behoeven te worden (art. 4 lid 2 Conventie 1908, art. 2 lid

2 Conventie 1886) in strijd zou zijn. Het doel van het artikel is,

zooals duidelijk uit de daarover gehouden beraadslagingen blijkt

[657], den rechthebbenden het ageeren tegen de nadrukkers gemakkelijk

te maken. Met de vraag, of zekere werken al dan niet beschermd zijn,

hebben deze bepalingen dus niet te maken; zij hebben uitsluitend

betrekking op de rechtsmiddelen die dengene, op wiens recht inbreuk

is gemaakt, voor de rechtbanken der Verbondslanden ten dienste

staan. [658]

Aan de bepalingen van art. 15 kan niet anders dan een imperatief

karakter worden toegekend [659], in dien zin, dat zij moeten worden

toegepast, ook al bevat de binnenlandsche wetgeving geenerlei bepaling

van dezelfde strekking. Eene andere uitlegging zou aan het artikel

allen zin ontnemen.

Hieruit volgt, dat na de toetreding van ons land tot de Conventie de

auteurs van werken uit andere Verbondslanden in elk geval de voordeelen

van art. 15 Conventie 1908 voor den Nederlandschen rechter onverkort

zullen genieten. Hierdoor zouden zij in één opzicht eenigermate

bevoorrecht worden boven de auteurs van in het land zelf uitgekomen

werken, daar onze wet het rechtsvermoeden van art. 15 eerste lid niet

kent. De auteur van een in Nederland uitgekomen werk zou dus gedwongen

kunnen worden het bewijs te leveren, dat hij werkelijk auteur is,

terwijl dit bewijs van den buitenlandschen auteur, wiens naam op

het werk voorkomt, niet gevorderd zou kunnen worden. Het zou daarom

m. i. aanbeveling verdienen eene bepaling als die van art. 15 eerste

lid der Conventie in onze wet op te nemen, waardoor de auteur van

een in het land uitgekomen werk op dit punt met den buitenlandschen

gelijkgesteld zou worden.

In artikel 3 W. A. R. hebben wij eene bepaling, die in strekking

vrijwel overeenkomt met die van het tweede lid van artikel 15 der

Conventie. Bij pseudonieme en anonieme werken "wordt de uitgever,

en zoo ook diens naam niet op het titelblad of bij gebreke daarvan

op den omslag vermeld is, de drukker als auteur aangemerkt". In dit

opzicht zouden dus Nederlanders en vreemdelingen gelijkstaan; beiden

zouden tegen inbreuk op hun recht kunnen laten ageeren, zonder hun

naam bekend te maken. In de memorie van toelichting voor onze wet

worden de bevoegdheden van den uitgever of drukker, die als auteur

aangemerkt wordt, nader uiteengezet: hij kan "het werk inzenden bij het

departement van justitie, het recht tot vertalen zich voorbehouden en

doen gelden, de vordering tot schadeloosstelling instellen, nagedrukte

exemplaren in beslag nemen, kortom al datgene verrichten, waartoe de

auteur zelf bevoegd is". Hiertoe behoort ongetwijfeld ook het indienen

van de klacht volgens artikel 349 quater Wetb. van Strafrecht, in de

M. v. T. begrijpelijkerwijze niet genoemd, daar opzettelijke inbreuk

op het auteursrecht volgens het ontwerp geen klachtdelict was. Al

deze handelingen (behalve natuurlijk het vervullen van voorwaarden of

formaliteiten, waarvan zij volgens de Conventie zijn vrijgesteld),

zullen nu krachtens art. 15 lid 2 Conventie 1908 met hetzelfde

rechtsgevolg door de uitgevers uit andere Verbondslanden verricht

kunnen worden.

II Beslag op nadruk (Conv. 1908 art. 16; Conv. 1886 art. 12; Add. Acte

1896 art. 1, V)

Evenals het vorige artikel dient artikel 16 Conventie 1908 (dat in

de plaats is gekomen van het oude art. 12 Conventie 1886) om den

auteurs den strijd tegen de nadrukkers in het Verbond gemakkelijker

te maken. De hoofdbepaling is, dat in elk Verbondsland op door

ongeoorloofde reproductie verkregen exemplaren beslag kan worden

gelegd.

Er is gestreden over de vraag, of door deze bepaling aan de

Verbondslanden de verplichting wordt opgelegd, het recht tot het leggen

van beslag aan de auteurs van werken uit andere Verbondslanden te

verleenen, dan wel of zij slechts de mogelijkheid daartoe opent [660].

De geschiedenis van het artikel geeft wel eenigen grond voor

de laatstgenoemde interpretatie. Op de Conferentie van 1885, waar

de tekst werd vastgesteld, werd door den Zweedschen afgevaardigde

Lagerheim uitdrukkelijk geconstateerd, dat hij de bepaling als eene

louter facultatieve opvatte, en dat hij dus daarin voor zijn land niet

de verplichting opgesloten zag, om bij toetreding tot het Verbond

het beslag, dat de Zweedsche wetgeving voor dit geval niet kent,

bij zich in te voeren [661]. Tegen deze verklaring werd door geen der

andere gedelegeerden eenige bedenking ingebracht, en Zweden is tot het

Verbond toegetreden (hoewel eerst in 1904), zonder zijne wetgeving op

dit punt aan te vullen. Toen in 1896 te Parijs aan het artikel eene

eenigszins wijdere strekking werd verleend door schrapping van de

woorden "bij den invoer", zoodat het ook toepasselijk werd op beslag

in het land zelf gelegd, heeft Engeland deze wijziging aanvaard,

doch niet zonder uitdrukkelijk verklaard te hebben, dat zoo ergens

in het Engelsche Rijk de wetgeving dit beslag niet toeliet (gedoeld

werd op sommige koloniën), de voorgenomen wijziging daartoe niet de

verplichting oplegt [662]. Men heeft er zich dus bij neergelegd, dat

ten aanzien van Zweden en Engeland de bepaling facultatief is; hieruit

is, niet geheel ten onrechte, de conclusie getrokken, dat zij het dan

ook ten aanzien van alle andere staten is. Dat dezelfde bepaling den

eenen staat zou binden en den anderen niet, schijnt niet wel mogelijk.

Hier kan echter tegenovergesteld worden de stellige verklaring in

het Commissie-rapport van de Conferentie van Parijs, die in dat van

de Berlijner Conferentie nog eens is herhaald, dat het artikel wel

degelijk de verplichting oplegt aan de Verbondsstaten, het recht van

beslaglegging bij zich te erkennen [663]. Speciaal wordt er daar nog

op gewezen, dat men uit de in het artikel gebezigde uitdrukkingen

ten onrechte het tegendeel heeft willen afleiden. Het artikel zegt,

dat beslag gelegd kan worden; doch dit maakt de bepaling niet tot

eene facultatieve. Zij is slechts facultatief in dien zin, dat aan

de belanghebbenden wordt overgelaten er al dan niet gebruik van te

maken; doch aan de Verbondsstaten legt het de verplichting op, te

zorgen dat deze mogelijkheid werkelijk voor hen bestaat.

Het komt mij voor dat na deze duidelijke en zeer besliste verklaring,

die op de Conferentie van Berlijn, voorzoover uit de gepubliceerde

handelingen is na te gaan, zonder eenige tegenspraak uit te lokken is

aanvaard, voor de tegenovergestelde meening weinig grond meer bestaat.

De Verbondsstaten zijn derhalve verplicht, aan de auteurs van werken

uit andere Verbondslanden, behalve de andere hun toekomende rechten,

ook het bijzondere recht tot het leggen van beslag toe te kennen. Aan

deze verplichting kan niet op andere wijze worden voldaan dan door eene

wettelijke regeling. Het beslag moet in elk Verbondsland geschieden

door de daartoe "bevoegde autoriteiten" (art. 16 eerste lid) en

"overeenkomstig de bepalingen van de binnenlandsche wetgeving van elk

land" (art. 16 derde lid). Waar de wet geen bepaling hierover inhoudt

en dus ook geen bevoegde autoriteit aanwijst, zal derhalve van de

naleving dezer Conventiebepaling weinig terecht komen. Trouwens op

een punt van formeel recht als dit, waar "de wijze waarop" van zoo

groot belang is, is eene eenvoudige bepaling als die van de Conventie:

"... Er kan beslag gelegd worden ... enz." niet voldoende om zonder

nadere regeling eenig effect te kunnen hebben.

In elk Verbondsland moet dus volgens dit artikel eene wettelijke

regeling van het beslag bestaan. Bijzondere eischen, waaraan deze

regeling moet beantwoorden, worden verder niet gesteld. In het oude

artikel werd, zooals reeds gezegd, alleen gesproken van het beslag

bij invoer in een der Verbondslanden. Men dacht daarbij voornamelijk

aan het geval, dat een werk in een land, waar de bescherming heeft

opgehouden te bestaan, wordt nagedrukt en dat deze nadruk in een

ander land, waar de beschermingstermijn nog niet is verstreken, wordt

ingevoerd. De op geoorloofde wijze vervaardigde exemplaren zouden

daardoor op een gebied komen, waar de verspreiding ervan inbreuk op het

auteursrecht zou zijn. Hiertegen nu wilde men den auteur beschermen

door hem een bijzonder wapen in de hand te geven, waardoor reeds

aan de grenzen deze nadruk geweerd zou kunnen worden. Doch daar de

woorden "bij den invoer" tot de, niet gewilde, gevolgtrekking zouden

kunnen leiden, dat beslag later in het binnenland niet meer mogelijk

was, werden zij in 1896 op voorstel van Frankrijk weggelaten. Op de

Conferentie van Berlijn werd eene nieuwe zinsnede in het artikel

ingelascht (art. 16 lid 2 Conventie 1908) die uitdrukkelijk het

beslag weer toepasselijk verklaart op het geval, dat men bij het

redigeeren van de oude bepaling op het oog had, nl. op exemplaren,

die afkomstig zijn uit een land, waar het oorspronkelijke werk niet

beschermd is. Eigenlijke wijzigingen heeft het artikel dus niet

ondergaan; doch slechts verduidelijkingen op enkele--overigens weinig

twijfelachtige--punten.

Met de bepalingen van de artt. 22 en 23 van onze wet zou ons land

bij toetreding tot het Verbond desnoods kunnen volstaan. Evenals in

deze artikelen is ook in artikel 16 der Conventie het woord "beslag"

("saisie") gebruikt in den zin van provisioneele maatregel tot bewaring

van het recht, conservatoir beslag dus [664]. Art. 22 W. A. R. verleent

aan de auteurs of aan hunne rechtverkrijgenden de bevoegdheid om beslag

te laten leggen op "exemplaren, die in strijd met hun uitsluitend recht

door den druk zijn gemeen gemaakt". Hieronder zijn ongetwijfeld ook

begrepen de exemplaren, die in een ander land, waar dit geen inbreuk

op het auteursrecht was, zijn gedrukt en die in Nederland, in strijd

met het aldaar bestaande auteursrecht, worden "gemeen gemaakt". In

dit opzicht voldoet dus onze regeling wel aan hetgeen door art. 16

der Conventie wordt geëischt. Hetzelfde kan worden gezegd van de

bijna gelijkluidende bepalingen in het Ontw. B. K. (art. 16).

Er dient echter te worden opgemerkt, dat onze wet alleen beslag

toelaat op gedrukte exemplaren, terwijl volgens de Conventie ook

door de vervaardiging en verspreiding van voorwerpen van anderen

aard, (rollen en platen van mechanische muziek-instrumenten en

phonografen, kinematograaf-films) inbreuk op het auteursrecht

kan worden gepleegd. Artikel 16 der Conventie, dat het recht van

beslag toekent op "toute oeuvre contrefaite", is zonder eenigen

twijfel ook op al deze voorwerpen toepasselijk. Over het beslag op

muziek-instrumenten, phonografen enz. houdt art. 13 lid 4 Conventie

1908 reeds eene bijzondere bepaling in; doch ik heb er reeds op

gewezen, dat deze naast de bepalingen van art. 16 lid 2 volkomen

overbodig was. Om dus geheel te voldoen aan de verplichting, die

art. 16 der Conventie oplegt, zouden de bepalingen van artt. 22 en 23

W. A. R. ook toepasselijk moeten worden verklaard op alle voorwerpen,

waarvan de vervaardiging of verspreiding na de toetreding van ons

land tot de Conventie in strijd zou zijn met het auteursrecht.

d Uitvoerings- en overgangsbepalingen

I Maatregelen der Verbondsstaten tegen verspreiding of uitstalling

van geschriften en kunstwerken (Conv. 1908 art. 17; Conv. 1886 art. 13)

De erkenning van het auteursrecht op werken uit andere Verbondslanden

sluit natuurlijk niet in, dat de uitoefening van dit recht onder alle

omstandigheden onvoorwaardelijk zal worden toegelaten, ook dan wanneer

hierdoor andere rechten worden geschonden of politie-maatregelen worden

overtreden. Elke staat behoudt daarom het recht, maatregelen te nemen

tegen de verspreiding, opvoering of uitstalling van sommige werken,

wanneer hem dit noodig voorkomt. Dit wordt in art. 17 Conventie 1908

uitdrukkelijk erkend; men mag echter aannemen, dat ook zonder deze

bepaling niemand het bestaan van dit recht in twijfel zou trekken.

II Overgangsbepalingen (Conv. 1908 art. 18; Conv. 1886 art. 14 en

Slotpr. no. 4; Add. Acte 1896 art. 2, II)

Het systeem der Conventie, volgens hetwelk de bescherming in

de verschillende Verbondslanden berust, deels op de bepalingen

der Conventie zelve, deels op die van de inlandsche wet, deels

ook (nl. wat den duur aangaat) op die van de wet van het land,

waaruit het werk afkomstig is, maakte het bijzonder moeilijk eene

geschikte overgangsregeling vast te stellen. In de eerste plaats was

de vraag te beantwoorden, of de Conventie bij hare in werkingtreding

toepasselijk zou zijn ook op die werken, welke vóór dat tijdstip reeds

bestonden. Deze vraag werd reeds in het Voorontwerp der Association

en later op alle volgende diplomatieke Conferenties in bevestigenden

zin beantwoord. Doch daarmede was de grootste moeilijkheid nog niet

uit den weg geruimd. Er moest ook rekening worden gehouden met de

belangen dergenenen, die van de vrijheid van reproductie, waaraan door

het in werking treden der Conventie een einde zou komen, reeds gebruik

gemaakt zouden hebben. Indien men deze personen niet wilde dwingen,

de door hen, op volkomen geoorloofde wijze, ondernomen exploitatie

plotseling te staken, waardoor zij onverdiend schade zouden kunnen

lijden, dan moesten daarvoor bijzondere bepalingen worden gemaakt. Doch

in de Conventie zelve konden dergelijke bepalingen moeilijk worden

opgenomen, daar zij dan noodzakelijkerwijze voor het geheele Verbond

zouden moeten gelden.

Men bepaalde zich er daarom toe, in de Conventie den hoofdregel op

te nemen, dat zij op alle werken toepasselijk is, die op het tijdstip

van haar in werking treden in het land van herkomst geen gemeen goed

zijn geworden (art. 14 Conventie 1886, art. 18 lid 1 en 2 Conventie

1908), terwijl aan wetten en bijzondere tractaten wordt overgelaten

het vaststellen van eigenlijke overgangsbepalingen (Conventie 1886

Slotprotocol no. 4, Conventie 1908 art. 18 lid 3).

De regel, welke de Conventie zelf inhoudt, kan geen overgangsbepaling

worden genoemd, d. w. z. hij schept geen overgangstijdperk, waarin de

bepalingen der Conventie geleidelijk geldigheid verkrijgen. Alleen die

werken worden van de bescherming uitgesloten, die wegens het ontbreken

van bescherming in het land van herkomst toch in de overige landen

volgens het stelsel der Conventie onbeschermd zouden zijn. Hierbij

kan worden gewezen op een klein verschil tusschen de bepaling van

art. 18 eerste lid Conventie 1908 en die van art. 14 Conventie 1886,

dat in verband staat met de wijziging, die het systeem der Conventie in

1908 heeft ondergaan. Volgens de Conventie 1886 was de bescherming in

de andere Verbondslanden afhankelijk van het bestaan van bescherming

in het land van herkomst (art. 2), terwijl volgens de Conventie 1908

het ontbreken van bescherming in het land van herkomst geen beletsel

meer is, dat het werk in de andere Verbondslanden bescherming vindt

(art. 4 lid 2), behalve wat betreft den duur van het recht, die dien

van het land van herkomst niet kan overschrijden (art. 7 lid 2). In

verband hiermede is nu ook art. 18 Conventie 1908 eenigszins anders

geredigeerd dan art. 14 Conventie 1886. Terwijl volgens laatstgenoemd

artikel de Conventie bij hare inwerkingtreding toepasselijk zou zijn op

alle werken, die op dat tijdstip "nog geen gemeengoed waren geworden

in hun land van herkomst", is in de Conventie 1908 daarbij gevoegd:

"als gevolg van het verstrijken van den beschermingstermijn". Immers

het verstrijken van den beschermingstermijn in het land van herkomst

is het eenige, wat volgens de nieuwe Conventie aan de bescherming in

de andere Verbondslanden nog een einde kan maken; niet meer zooals

vroeger, ook het "gemeengoed worden" door een andere reden, b.v. omdat

de voorwaarden of formaliteiten niet zijn vervuld.

Het tweede lid van art. 18 is er in 1908 nieuw bij gemaakt. Het luidt:

Indien echter een werk wegens het verstrijken van den

beschermingstermijn, die er vroeger voor was vastgesteld,

gemeengoed is geworden in het land waar de bescherming wordt

ingeroepen, zal dat werk daar niet opnieuw beschermd worden.

Deze bepaling heeft niet betrekking op de eerste invoering van nieuwe

Conventie-bepalingen; maar zij ziet op het geval, dat in de wet van

een der Verbondslanden de beschermingstermijn wordt verlengd (een

geval waarop art. 18 krachtens de bepaling van het laatste lid ook

toepasselijk is). Gesteld b.v. een staat met een beschermingstermijn

van dertig jaar na den dood des auteurs verlengt dezen tot vijftig

jaar. Het gevolg hiervan is, dat de uit dat land afkomstige werken

nu ook in de andere landen, waar de termijn van vijftig jaar geldt,

twintig jaar langer bescherming vinden dan voorheen. De strekking der

hierboven afgeschreven bepaling is nu deze, dat in zulk een geval

de bescherming in die andere landen niet herleeft, indien zij daar

reeds, doordat de auteur voor meer dan dertig jaar gestorven was,

had opgehouden te bestaan.

Men ziet dus, dat deze bepaling geen uitzondering vormt op den

algemeenen regel van het eerste lid van het artikel, daar ook zij

betrekking heeft op werken, die bij de inwerkingtreding der nieuwe

regeling "gemeengoed zijn geworden in hun land van herkomst als gevolg

van het verstrijken van den beschermingstermijn".

Uitzonderingen op den regel worden, zooals gezegd, door de Conventie

zelve niet gesteld, doch aan de Verbondsstaten wordt overgelaten ze

onder elkander of ieder voor zich vast te stellen.

In de eerste plaats komen hier in aanmerking de overgangsbepalingen

van reeds bestaande of nog te sluiten bijzondere verdragen; deze

bepalingen worden zonder meer toepasselijk verklaard op de Conventie

(art. 18 derde lid eerste zinsnede).

Ontbreken zoodanige verdragen, dan staat het den Verbondsstaten vrij,

over de invoering der Conventie op hun gebied in de binnenlandsche

wetgeving eene regeling vast te stellen. Uit de wijze, waarop deze

laatste bepaling (art. 18 Conventie 1908 derde lid laatste zinsnede;

Conventie 1886 Slotprotocol no. 4 derde lid) is geredigeerd, en ook

uit hetgeen bij de daarover gehouden beraadslagingen is opgemerkt,

moet worden afgeleid, dat hier alleen die wettelijke bepalingen

worden bedoeld, welke ná het tot standkomen der Conventie, speciaal

met het oog op dit artikel, zouden worden gemaakt, en dat dus niet

(zooals ten opzichte der verdragen) de in de wetgevingen voorkomende

overgangsbepalingen bij analogie toepasselijk worden verklaard

[665]. Tevens, dat deze wetten wél de wijze waarop het beginsel van

art. 18 zal worden toegepast, mogen regelen, hetgeen ook insluit

beperkingen of voorwaarden voor sommige categorieën van werken, maar

dat zij dit beginsel als hoofdregel moet eerbiedigen; dat dus de

staten zich verbinden geene regeling te maken, die met dit beginsel

in strijd is [666].

Op verschillende wijzen hebben de Verbondsstaten deze materie, binnen

de grenzen, die de Conventie hun stelt, geregeld en dit heeft een

toestand in het leven geroepen, die vrij ingewikkeld is en in de

verhoudingen tusschen sommige Verbondsstaten tot allerlei moeilijk

op te lossen vragen aanleiding heeft gegeven [667].

Ik laat deze vragen hier echter rusten en bepaal mij tot hetgeen met

het oog op de toetreding van ons land bij het Verbond van belang kan

worden geacht. Terloops zij hier opgemerkt, dat in het laatste lid van

art. 18 de bepalingen van dit artikel ook uitdrukkelijk van toepassing

worden verklaard op het geval, dat een nieuwe staat zich aansluit. Deze

bepaling dagteekent van 1896. Het plan heeft toen nog bestaan, eraan

toe te voegen, dat de staten, welke binnen twee jaar geene regeling

zouden hebben vastgesteld, geacht zouden worden den regel van art. 18

(toen art. 14) zonder uitzondering en onvoorwaardelijk te hebben

aanvaard. Men heeft echter dit plan laten varen, omdat men vreesde,

dat sommige staten daardoor van het toetreden van het Verbond zouden

worden afgeschrikt [668]. Er bestaat dus nu geen termijn, binnen welken

van de bevoegdheid om bijzondere overgangsbepalingen vast te stellen,

moet worden gebruik gemaakt.

Bij de toetreding van ons land tot het Verbond zal dus de bepaling van

art. 18 eerste lid der Conventie toepasselijk zijn: d. w. z. van het

oogenblik, dat de Conventie ten aanzien van ons land in werking treedt,

zullen alle werken die volgens hare bepalingen daarvoor in aanmerking

komen, zoowel Nederlandsche in de andere landen als die uit andere

landen in Nederland, terstond de volle bescherming genieten. Wat

de beperkingen betreft bij de toepassing van dezen regel, deze

zullen, behalve tegenover Frankrijk en België, waarmede wij reeds

een tractaat hebben gesloten, kunnen worden vastgesteld deels door

den Nederlandschen wetgever (nl. ten aanzien van de bescherming,

die vreemde werken hier zullen genieten); deels door de wetgevers

der verschillende Verbondslanden (ten aanzien der bescherming van de

Nederlandsche werken aldaar).

Artikel 7 van onze tractaten met Frankrijk en België bepaalt, dat

vrij verkocht mogen worden nadrukken, die vóór het in werking treden

dier tractaten mochten zijn uitgekomen. Het is echter verboden nieuwe

uitgaven daarvan in het licht te geven, of exemplaren van buiten in te

voeren, tenzij deze bestemd zijn om vroeger aangevangen bestellingen

of inteekeningen aan te vullen. Deze bepaling zal dus krachtens het

derde lid van art. 18 ook toepasselijk zijn op de, onder de bepalingen

der Berner Conventie vallende, Nederlandsche werken in Frankrijk en

België en op de Fransche en Belgische werken alhier. Dit zal b.v. ook

gelden voor vertalingen, die wél volgens de Berner Conventie, doch

niet volgens de bovengenoemde twee tractaten een inbreuk op het

auteursrecht uitmaken. De vóór het in werking treden der Conventie

alhier zonder toestemming des auteurs uitgekomen vertaling van een

Fransch boek zal ook daarna verspreid mogen worden; doch het zal niet

geoorloofd zijn er een nieuwe druk van te laten verschijnen.

Tegenover de andere Verbondsstaten, waarmede Nederland geen

tractaten heeft gesloten, zullen beperkingen als de bovengenoemde op

afzonderlijke wetten moeten berusten.

Gaan wij eerst na, wat Nederland op dit punt van de andere staten heeft

te verwachten, wat dus de toestand zal zijn van de Nederlandsche werken

in het overige gedeelte van het Verbond. Slechts in vier dezer landen,

te weten: Denemarken, Duitschland, Engeland en Zweden bestaat eene

wettelijke regeling, zooals in art. 18 derde lid wordt bedoeld. Alle

overige staten passen dus bij zich de bepaling van artikel 18

eerste lid der Conventie onbeperkt en onvoorwaardelijk toe [669]. De

Nederlandsche auteurs zullen er dus, zoodra de Conventie ten aanzien

van ons land in werking is getreden, de volle bescherming genieten.

Wat nu de vier genoemde staten betreft, daarvan heeft Duitschland een

stel zeer uitvoerige bepalingen, vervat in eene Keizerlijke Verordening

van 11 Juli 1888 en eene Bekanntmachung van 7 Augustus 1888 [670],

die ook toepasselijk zijn voor het geval zich nieuwe staten bij de

Conventie aansluiten. In hoofdzaak komen deze bepalingen hierop neer,

dat reproducties, die vóórdat de Conventie in het nieuwe Verbondsland

verbindend is geworden, van werken uit dat land afkomstig zijn gemaakt,

verder vrij verspreid mogen worden, mits men de exemplaren binnen

drie maanden door de politie heeft laten afstempelen. Hetzelfde moet

geschieden met cliché's van platen, gravures, etsen enz., waarvan

dan gedurende vier jaar nog afdrukken mogen worden gemaakt. Zijn

vertalingen van een werk in Duitschland uitgekomen, dan mogen deze

verder geëxploiteerd worden; tegen alle nieuwe vertalingen is de

auteur echter beschermd. Is een tooneelstuk of dramatisch-muzikaal

werk eenmaal, hetzij in de oorspronkelijke taal, hetzij vertaald,

opgevoerd, dan is verdere opvoering voor iedereen vrij. Deze laatste

bepaling wordt verschillend geïnterpreteerd. Kohler meent, dat ook

eene van den auteur uitgaande uit- of opvoering vóór den datum der

inwerkingtreding het opvoeringsrecht doet vervallen [671]. Volgens

deze opvatting, die trouwens niet algemeen wordt gedeeld [672], zou

dus geen der Nederlandsche tooneelstukken, die nu reeds in Duitschland

vertoond zijn (zooals b.v. met verscheidene stukken van Heyermans het

geval is) na onze toetreding tot de Conventie in Duitschland tegen

opvoering beschermd zijn.

In Denemarken zijn twee Koninklijke Besluiten van 19 Juni 1903

en 2 April 1904, die de Deensche wet op het auteursrecht en dus

ook hare overgangsbepalingen op werken uit andere Verbondslanden

toepasselijk verklaren. In het algemeen mag elke reproductie, vóór de

inwerkingtreding begonnen, voleindigd worden; doch het zal b.v. niet

geoorloofd zijn later eene tweede uitgave zonder toestemming des

auteurs te verspreiden [673].

Zweden heeft den 8sten Juli 1904 in een K. B. bepalingen gemaakt

op den overgangstoestand, door de toetreding tot het Verbond in

het leven getreden. In Zweden verschenen vertalingen mogen verder

verspreid en herdrukt worden; muziek- en tooneelwerken mogen door

degenen, die ze reeds hebben uit- of opgevoerd, ook in het vervolg

op deze wijze geëxploiteerd worden; ook van cliché's, die gediend

hebben tot reproductie van kunst- of letterwerken mogen nog afdrukken

worden gemaakt.

In Engeland eindelijk zijn de overgangsbepalingen van de wet van

25 Juni 1886 betreffende de internationale bescherming van het

auteursrecht van toepassing op de Conventie (volgens een Kon. Besluit

van 28 November 1887), terwijl tot nu toe, telkens wanneer een nieuwe

staat tot het Verbond toetrad, deze bepalingen door een afzonderlijk

besluit op de daardoor ontstane verhoudingen toepasselijk zijn

verklaard. Dit zal dus hoogstwaarschijnlijk ook geschieden, wanneer

ons land zich aansluit.

De algemeene strekking van deze bepalingen is, dat buitenlandsche

werken, die voordat de nieuwe internationale regeling van kracht

was reeds bestonden, dezelfde bescherming genieten, alsof de

desbetreffende Engelsche wetten reeds bij de eerste uitgave ervan

daarop van toepassing waren (dezelfde regel dus als die van artikel

18 der Conventie). Deze bescherming kan echter in geen geval met

rechten of belangen in strijd zijn van degenen, die vóór dien tijd de

bedoelde werken reeds gereproduceerd hadden. Hoever die rechten en

belangen gaan, staat niet volkomen vast. Ik meen mij echter van een

nader onderzoek over deze vraag, die reeds tot velerlei beschouwingen

aanleiding heeft gegeven, te moeten onthouden [674].

Dit vluchtig overzicht moge eenig denkbeeld hebben gegeven van

hetgeen na onze aansluiting bij de Conventie den auteurs van reeds

vóór dit tijdstip verschenen Nederlandsche werken in de verschillende

Verbondslanden te wachten staat.

Nu blijft nog de andere vraag ter beantwoording over, nl. wat hier

te lande zal gelden ten aanzien van de werken uit andere landen.

Tegenover Frankrijk en België zal, zooals reeds is opgemerkt, de

bepaling van de met deze staten gesloten tractaten hier toepasselijk

zijn. Tegenover de andere staten zal, indien men de volle bescherming

niet terstond wil laten intreden, eene afzonderlijke regeling gemaakt

moeten worden.

Het vaststellen van enkele beperkingen, zooals de vier bovengenoemde

staten hebben gedaan, schijnt mij niet ongewenscht toe. Het hierbij te

volgen beginsel moet m. i. zijn, dat zij, die zich met de exploitatie

van (tot dusver onbeschermde) werken hebben beziggehouden, in staat

worden gesteld hunne zaken af te wikkelen, zoodat de kosten, die voor

een dergelijke onderneming zijn gemaakt, kunnen worden goedgemaakt. Is

dus een nadruk of vertaling reeds gedrukt, dan moet de verkoop der

exemplaren vrij worden gelaten; zijn voor de monteering van een

tooneelstuk costuums, decoratief en andere requisieten aangeschaft,

dan moeten deze ook voor het beoogde doel gebruikt kunnen worden; zijn

ter reproductie van werken van beeldende kunst cliché's vervaardigd,

dan moeten daarvan ook afdrukken genomen kunnen worden. Het Duitsche

systeem van afstempeling der cliché's en gedrukte exemplaren verdient

hierbij wellicht navolging.

De vrijheid, om met de reeds aangevangen exploitatie voort te gaan,

mag echter niet langer worden uitgestrekt dan voor het beoogde

doel noodzakelijk is. De bevoegdheid om een tooneelstuk nog te

blijven vertoonen, moet b.v. m. i. niet langer duren dan twee of drie

jaren. In elk geval verdient het afkeuring, de opvoering van een stuk

aan ieder vrij te laten, indien daarvan, ook al is het maar éénmaal,

eene vertooning heeft plaats gehad. Eene dergelijke vrijheid die,

zooals wij gezien hebben, in de Duitsche wet wordt verleend, gaat

m. i. veel te ver. De overgangsbepalingen hebben alleen reden van

bestaan als middel tot bescherming der belangen van degenen, die

reeds met de exploitatie waren begonnen; voor personen, die nog geen

moeiten en kosten hebben aangewend, zijn dergelijke exceptionneele

maatregelen niet noodig.

De toetreding van ons land tot de Conventie zal--zooals uit het

voorgaande herhaaldelijk is gebleken--gepaard moeten gaan met eene

herziening van onze inlandsche wetgeving; de auteursbescherming zal

hier eene belangrijke uitbreiding moeten ondergaan, wil ons land aan

de verplichtingen der Conventie voldoen. Voorzoover deze uitbreiding

mocht bestaan in eene verlenging van den duur van het auteursrecht,

(een maatregel, die weliswaar niet strikt noodig maar toch ingevolge

art 7 Conventie 1908 gewenscht is) zal volgens de bepaling van het

laatste lid art. 18 der Conventie toepasselijk zijn. Indien--wat het

waarschijnlijkst is--de wijziging in onze wet wordt aangebracht vóórdat

de Conventie ten aanzien van ons land in werking is getreden, zou over

de al of niet toepasselijkheid van de bepaling van het tweede lid van

art. 18 der Conventie kunnen worden getwijfeld. Gesteld b.v. dat ons

land tot de Conventie toetreedt, nadat eerst de beschermingstermijn

in onze wet gebracht is op vijftig jaar na den dood des auteurs:

dit zal dan tengevolge hebben, dat in elk ander Verbondsland,

waar deze zelfde termijn geldt, de uit Nederland afkomstige werken

vijftig jaar na den dood des auteurs beschermd zullen zijn. Maar

hoe zal in dat geval beslist moeten worden ten aanzien van die

Nederlandsche werken, welke vóór de herziening onzer wet door het

verstrijken van den ouden termijn van korteren duur reeds gemeengoed

waren geworden? Men kan niet zeggen, dat deze werken daardoor ook in

de andere Verbondslanden gemeengoed waren geworden, daar zij op het

tijdstip, dat dit dan zou moeten hebben geschieden, aldaar nog in het

geheel niet beschermd waren. Toch meen ik, dat men in dat geval de

bepaling van het tweede lid van art. 18 der Conventie bij analogie

toepasselijk zal moeten achten. De bedoelde werken zullen dus in de

andere Verbondslanden geen bescherming meer vinden, even alsof de

verlenging van den termijn ná het in werking treden der Conventie

had plaats gehad. Neemt men het tegenovergestelde aan, dan zou de

bepaling eene onredelijke bevoorrechting inhouden voor de staten,

die zich eerst later bij de Conventie aansluiten. Want stellen wij

b.v. het geval dat in Duitschland, dat sinds de oprichting lid is

van het Verbond, de termijn van het auteursrecht op vijftig jaar

na den dood des auteurs wordt gebracht (hij is nu van dertig jaar)

op hetzelfde tijdstip dat dit in Nederland, dat nog geen lid van het

Verbond is, ook wordt gedaan. Het gevolg zou zijn, dat de Duitsche

werken, waarvan de auteur reeds meer dan dertig jaar dood is, niet

meer in de andere Verbondslanden van die langere bescherming zouden

genieten; doch indien Nederland zich een jaar later bij het Verbond

aansloot, dan zouden, volgens deze opvatting, de Nederlandsche werken,

die onder volkomen dezelfde omstandigheden verkeeren, in diezelfde

landen wél bescherming vinden. Een voordeel dus voor het land, dat

zich het laatst bij de Conventie heeft aangesloten.

Ten slotte nog enkele opmerkingen met betrekking tot de invoering

in ons land van auteursrecht op werken van beeldende kunst, welke,

zooals wij gezien hebben, eene voorwaarde is voor onze toetreding

tot het Verbond.

Het Ontw. B. K., dat geen overgangsbepalingen bevat, zou, eenmaal wet

geworden, niet toepasselijk zijn op de werken, die meer dan dertig

dagen vóór het inwerkingtreden ervan geleverd, tentoongesteld of

openlijk te koop of ter bezichtiging zouden zijn gesteld, daar ten

aanzien van deze werken niet zou kunnen zijn voldaan aan de voorwaarde,

in art. 7 van het Ontwerp voor de bescherming gesteld. Het gevolg

zou dus zijn, dat verreweg de meeste werken van beeldende kunst,

die vóór het inwerkingtreden van de wet bestonden, onbeschermd zouden

blijven. Deze werken zouden echter na onze toetreding tot het Verbond

wél beschermd zijn in de andere Verbondslanden, daar volgens het

nieuwe systeem der Conventie het ontbreken van bescherming in het

land van herkomst alleen dán het auteursrecht in de andere landen

doet te nietgaan, indien het het gevolg is van het verstrijken van

den beschermingstermijn.

Aan den anderen kant zouden ook de reeds bestaande werken uit andere

Verbondslanden, voorzoover zij daartoe overigens in aanmerking komen,

in Nederland wél beschermd zijn.

Het zal daarom m. i. aanbeveling verdienen, in het Ontwerp eene

bepaling op te nemen in den geest van die van artikel 18 eerste

lid der Conventie. Als regel worde dus gesteld, dat het Ontwerp

ook toepasselijk is op de werken, die vóór het tijdstip van het

inwerkingtreden reeds bestonden. De beperkingen van dit auteursrecht

ten bate van degenen, die reeds van deze werken reproducties in

omloop hebben gebracht, kunnen dan dezelfde zijn, als die, welke

ingevolge de bepaling van art. 18 derde lid der Conventie zullen

worden vastgesteld. Zoodoende zou men de tegenwoordige generatie van

Nederlandsche kunstenaars nog van de bescherming in hun eigen land

doen genieten en wel binnen dezelfde grenzen als hunne tijdgenooten

uit andere landen.

III De wetten en afzonderlijke tractaten in verband met de Conventie

(Conv. 1908 artt. 19 en 20; Conv. 1886 art. 15 en add. art.)

Er is hierboven (pp. 349, 350, 366, 367 en 377) meer dan eens sprake

geweest van het, op de Conferenties van Bern reeds uitgesproken

beginsel, dat de Conventie slechts een minimum van bescherming

waarborgt, d. w. z. dat zij er zich niet tegen verzet, dat buiten

haar om rechten van wijder strekking worden genoten. Deze rechten

kunnen berusten, hetzij op de inlandsche wetten, hetzij op bijzondere

tractaten tusschen twee of meer Verbondsstaten.

Wat de eerstgenoemde, dus op de wetten berustende, rechten betreft,

daarover kwam vóór 1908 in de Conventie geen afzonderlijke bepaling

voor. Het was echter zóó dikwijls en met zooveel nadruk op de

Conferenties van Bern uitgesproken, dat de Conventie slechts een

minimum van bescherming beoogt te geven [675], dat nooit door iemand

is beweerd, dat het toekennen van eene ruimere bescherming volgens

de inlandsche wetten in strijd met de Conventie zou zijn. Op de

Conferentie van Parijs achtte men het daarom ook niet noodig eene

uitdrukkelijke bepaling in de Conventie daarover op te nemen [676].

Twijfelde dus niemand aan de bevoegdheid van elken Verbondsstaat, om

aan de auteurs uit andere landen eene meer uitgebreide wettelijke

bescherming te verleenen dan die welke uit de bepalingen der

Conventie voortvloeide; sommigen gingen nog verder en beweerden dat

de Verbondsstaten verplicht waren de rechten van de inlandsche wet,

voorzoover zij boven het minimum der Conventie uitkwamen, ook aan de

auteurs der andere landen te verleenen. Deze meening, die o. a. door

de redactie van het officieele orgaan van het Verbond werd voorgestaan

[677], werd verdedigd met een beroep op het bovengenoemde beginsel van

de minimum-bescherming der Conventie in verband met den hoofdregel

(art. 2 Conventie 1886), dat in elk Verbondsland op de werken uit

andere landen de inlandsche wet toepasselijk is. Wanneer dus deze

inlandsche wet meer gaf dan de Conventie, moest de omvang der

bescherming worden berekend naar de eerste en niet naar de laatste.

Uit hetgeen voorafgaat kan reeds zijn gebleken, dat ik deze meening

niet deel. M. i. bedoelde men met de minimum-bescherming der Conventie

alleen dit, dat eene ruimere bescherming buiten haar om bestaanbaar

zou zijn; men wilde niet, dat rechten, die uit anderen hoofde konden

worden ingeroepen, door de Conventie verkort zouden worden. Iets anders

is uit hetgeen over deze vraag in de handelingen der verschillende

Conferenties voorkomt, niet op te maken. Het zou trouwens min of meer

ongerijmd zijn, dat rechten, die in de Conventie nauwkeurig zijn

omschreven, zooals b.v. het uitsluitend vertalingsrecht, krachtens

diezelfde Conventie in sommige landen naar een anderen, ruimeren,

maatstaf zouden moeten worden toegemeten.

Beroept men zich op de Conventie, dan moet men, voorzoover deze den

omvang en den duur van het recht zelf vaststelt, zich daarmee tevreden

stellen; meer kan redelijkerwijze niet worden verlangd [678]. Zoo

heeft men het blijkbaar ook op de Conferentie van Berlijn ingezien. Er

waren verschillende voorstellen, waarin meer of minder duidelijk

de verhouding der Conventie tot de verder gaande (d. w. z. meer

bescherming gevende) landswetten was aangegeven. De Commissie kwam

tenslotte met de volgende redactie, die ongewijzigd is aanvaard

(art. 19 Conventie 1908):

De bepalingen der tegenwoordige overeenkomst verhinderen niet de

toepassing te eischen van bepalingen van wijder strekking die in

de wetgeving van een Verbondsland mochten zijn vastgesteld ten

gunste van vreemdelingen in het algemeen.

Uit de laatste woorden blijkt duidelijk, dat er geen sprake kan zijn

van toepassing van alle voor de auteurs gunstigere wetsbepalingen

zonder meer; slechts die bepalingen komen in aanmerking, die zijn

vastgesteld "ten gunste van vreemdelingen in het algemeen". Alleen dus,

als de wet uit zichzelf reeds toepasselijk is, kan de buitenlandsche

auteur zich op hare bepalingen beroepen in plaats van op die der

Conventie.

Ten aanzien der afzonderlijke tractaten is hetzelfde beginsel

gevolgd. Hierover bevatte de Conventie 1886 reeds bepalingen, nl. in

art. 15 (t. a. v. nog te sluiten tractaten) en in het additionneel

artikel (t. a. v. reeds gesloten tractaten). Beide bepalingen zijn nu

in art. 20 Conventie 1908 samengebracht. De Verbondsstaten behouden

zich het recht voor, bijzondere overeenkomsten onder elkander te

sluiten, voorzoover deze aan de auteurs rechten van wijder strekking

verleenen dan de Conventie, of overigens daarmede niet in strijd

zijn. De bepalingen der bestaande overeenkomsten, die aan deze

voorwaarde beantwoorden, blijven van toepassing.

Een strijdvraag als die over de al of niet toepasselijkheid der

wetten heeft zich ten aanzien der tractaten uit den aard der zaak

nooit voorgedaan.

Met betrekking tot ons land zijn de bovenbesproken bepalingen van

weinig practisch belang, daar nóch onze wet, nóch onze tractaten met

Frankrijk en België zich op punten van eenige beteekenis boven het

minimum der Conventie verheffen.

IV Huishoudelijke inrichting van het Verbond (Conv. 1908 artt. 21-24;

Conv. 1886 artt. 16 en 17 en Slotpr. nos. 5 en 6)

De vier artikelen, die nu volgen, betreffen de huishoudelijke

inrichting van het Verbond: de inrichting en werkkring van

het internationale Bureau te Bern, de wijze waarop dit wordt

geadministreerd en de verdeeling van de kosten over de verschillende

Verbondsstaten; verder de regeling der herzieningsconferenties.

Voor den tekst dezer bepalingen verwijs ik naar de hierachter opgenomen

bijlagen; tot bijzondere bespreking geven zij mij geen aanleiding.

V Toetreding van nieuwe staten en hunne koloniën (Conv. 1908 artt. 25

en 26; Conv. 1886 artt. 18 en 19)

Reeds op de Conferentie van 1884 werd, op voorstel van den Duitschen

afgevaardigde Reichardt, besloten, de bepaling in de Conventie op te

nemen, dat slechts die staten zouden worden toegelaten er zich bij

aan te sluiten, die in hunne wetgeving het auteursrecht erkennen

[679]. Natuurlijk is het niet voldoende, dat er eene wet op het

auteursrecht bestaat in het land dat wenscht toe te treden; deze wet

moet ook aan zekere eischen voldoen.

Dat onze tegenwoordige wetgeving aan deze eischen niet voldoet, is

hierboven reeds meer dan eens opgemerkt. De belangrijkste leemte is wel

het ontbreken van auteursrecht op werken van beeldende kunst en van

uitvoeringsrecht van muziekwerken. Ook zou misschien bezwaar kunnen

worden gemaakt tegen den korten termijn, dien onze wet voor het op-

en uitvoeringsrecht van door den druk gemeen gemaakte tooneelwerken

en dramatisch-muzikale werken stelt, hoewel daarin opzichzelf

waarschijnlijk geen reden zou worden gezien, om ons het toetreden tot

het Verbond te beletten. Doch naast de hier genoemde zijn er nog vele

andere punten, waarop onze wetgeving aanvulling en verbetering behoeft,

voordat zij het gemiddeld peil van die der andere Verbondslanden zal

hebben bereikt: zoo b.v. in zake het vertalingsrecht, de formaliteiten,

het auteursrecht van photographieën, werken van kunstnijverheid en

van bouwkunst, enz. enz. Al deze punten zijn hierboven afzonderlijk

besproken en er is daarbij ook op gewezen, wat de gevolgen zouden

zijn, indien deze hervormingen, die bij onze toetreding tot het

Verbond weliswaar niet geëischt, maar toch wel min of meer van een

toetredenden staat verwacht worden, achterwege zouden blijven.

In het algemeen kan hierover nog worden gezegd, dat, indien men er

prijs op stelt dat ons land niet alleen lid wordt van het Verbond, maar

ook onder de goede leden ervan gerangschikt zal kunnen worden, onze

wet zooveel mogelijk op de hoogte zal moeten worden gebracht van de

Conventie, en dat men zich niet zal moeten bepalen tot het aanbrengen

van die wijzigingen, welke krachtens artikel 25 strikt geboden zijn.

Dit geldt ook voor de vrijheid, die art. 25 (laatste zinsnede) aan

de toetredende staten laat, om op sommige punten in plaats van de

bepalingen der Conventie 1908 die van de Conventie 1886 of van de

Add. Acte van 1896 te aanvaarden. Herhaaldelijk heb ik er reeds

op gewezen, dat het niet de bedoeling is, dat van deze vrijheid

een ruim gebruik worde gemaakt. Men is tot dezen maatregel niet

dan noodgedrongen overgegaan. Wat erdoor wordt opgeofferd is niet

zonder belang, nl. de eenheid in het Verbond: "si nous avons l'Union,

nous n'avons pas l'unité" wordt spijtig in het rapport van Renault

opgemerkt [680]. Van de staten, die het brengen van dit offer noodig

maken door den achterlijken stand hunner wetgeving op dit gebied,

waardoor zij anders voor langen tijd buiten het Verbond zouden moeten

blijven, kan daarom worden verwacht, dat zij van hun kant ook tot

eenige concessies geneigd zullen zijn. De eenheid in het Verbond,

zonder welke het slechts ten deele aan zijn doel kan beantwoorden,

mag m. i. niet dan om zeer belangrijke redenen door een zijner leden

worden verstoord.

Artikel 26 regelt de wijze waarop de koloniën in de toetreding kunnen

worden begrepen. De bepalingen hierover zijn duidelijk en behoeven

geene nadere verklaring.

Ik wil alleen, in verband hiermede, herinneren aan de eigenaardige

verhouding tusschen ons land en de koloniën Suriname en Curaçao

ten opzichte van het auteursrecht. Zooals reeds is vermeld wordt

het in Nederland volgens de wet van 1881 bestaande auteursrecht wél

in Suriname en Curaçao erkend; niet echter omgekeerd dat van deze

koloniën in het moederland.

Indien Nederland, zooals te verwachten is, zich met alle koloniën

bij de Conventie aansluit, zou het onredelijke van dezen toestand

nog meer uitkomen dan nu het geval is. Volgens de Conventie wordt een

land met zijne koloniën (voorzoover deze natuurlijk in de toetreding

zijn begrepen) als een geheel beschouwd [681]; in het gestelde geval

zou dus b.v. een te Paramaribo uitgekomen boek in het Verbond als

een Nederlandsch werk gelden; Nederland zou volgens art. 4 lid 3

der Conventie het land van herkomst zijn. In Nederland zelf zou het

echter niet beschermd zijn, behalve in het geval, dat de schrijver

een vreemdeling was, want dan zou art. 5 of art. 6 der Conventie erop

toepasselijk zijn. De toetreding van ons land tot de Conventie moge

daarom eene aanleiding zijn, om ook de Nederlandsche wet toepasselijk

te verklaren op werken uit Curaçao en Suriname.

Het behoeft verder nauwelijks te worden gezegd, dat ook in de koloniën,

die in de toetreding begrepen worden, de wet moet beantwoorden aan

de eischen der Conventie. Invoering van auteursrecht op werken van

beeldende kunst, van uitvoeringsrecht van muziekwerken enz. enz. zal

dus ook in Suriname en Curaçao moeten geschieden.

VI Bekrachtiging, inwerkingtreding en opzegging (Conv. 1908

artt. 27-30; Conv. 1886 artt. 20 en 21 en Slotpr. no. 7; Add. Acte

1896 art. 20)

De vier laatste artikelen der Conventie hebben geen lange bespreking

noodig; de bepalingen die zij inhouden zijn meest van formeelen aard.

Artikel 27 bepaalt, dat de Conventie 1908 in de plaats treedt van de

Conventie 1886 en de Add. Acte van Parijs. Het laat echter aan de

staten, die nu deel uitmaken van het Verbond, de vrijheid, om lid

te blijven zonder de nieuwe Conventie te aanvaarden. In dat geval

blijven dus de oude bepalingen in de betrekkingen met die staten

van kracht. Bovendien kunnen de staten, die de nieuwe Conventie wél

aanvaarden, evenals de nieuw toetredende staten op sommige punten

verklaren, door de vroegere verdragsbepalingen gebonden te blijven.

Artikel 28 regelt de bekrachtiging, artikel 29 de inwerkingtreding

en de opzegging.

Artikel 30 eindelijk houdt eene bepaling in, die in verband

staat met het systeem der facultatieve aanvaarding, dat in

1908 is ingevoerd. Volgens dit systeem is het--zooals wij gezien

hebben--mogelijk, dat de internationale bescherming in het Verbond

wijzigingen ondergaat, zonder dat er iets aan de bepalingen der

Conventie wordt veranderd.

Dit kan nl. het geval zijn, wanneer een staat in zijne wetgeving

den beschermingstermijn verlengt, daar dit tengevolge heeft, dat de

uit dat land afkomstige werken ook in andere landen langer beschermd

kunnen zijn.

In de tweede plaats kan dit het geval zijn, wanneer een staat,

die eerst krachtens een van de artt. 25, 26 of 27 bedongen had op

een of meer punten door de oude verdragsbepalingen van 1886 of 1896

gebonden te zijn, hiervan afstand doet. Ook dit brengt natuurlijk

een nieuwen rechtstoestand teweeg voor de werken uit dat land in de

andere Verbondslanden.

Voor deze beide gevallen nu bepaalt art. 30, dat de betreffende staat

van den stap, dien hij heeft gedaan, eene schriftelijke mededeeling

aan de Zwitsersche Regeering moet doen, die dan op hare beurt de

andere staten daarmede in kennis stelt.

Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht · 第 65 / 215 题