Op de Berner Conferentie van 1884 was op voorstel van Duitschland
een artikel aangenomen (art. 8), dat een aantal gevallen opsomde,
waarin geheele of gedeeltelijke reproductie was toegelaten in het
belang van onderwijs en wetenschap. Dit artikel vond echter het volgend
jaar van verschillende zijde bestrijding [629] en werd tenslotte in de
Commissie met zeven tegen vijf stemmen verworpen [630]. Toen de poging,
om op dit punt eene eenvormige regeling voor het geheele Verbond tot
stand te brengen, hiermede was mislukt, stelde de Commissie van 1885
in de plaats van het afgestemde artikel de volgende bepaling voor,
die werd aangenomen en sindsdien ongewijzigd is blijven bestaan
(art. 8 C. 1886, art. 10 C. 1908):
Ten opzichte van het geoorloofde overnemen uit letter- of
kunstwerken in voor het onderwijs bestemde of een wetenschappelijk
karakter dragende uitgaven of in bloemlezingen, blijven de
bepalingen van de wetgeving der Verbondslanden en van de tusschen
dezen bestaande of nog te sluiten bijzondere overeenkomsten
gehandhaafd.
Deze bepaling was noodig, omdat als algemeene regel slechts die
bepalingen van wetten en tractaten hare kracht behouden, welke meer
bescherming geven dan de Conventie (art. 15 en Add. Artikel Conventie
1886; artt. 19 en 20 Conventie 1908); op dien regel vormt de bepaling
nu eene uitzondering. De strekking ervan is dus, om aan wetten en
bijzondere tractaten volledige vrijheid te laten op dit punt, zoodat
ook die bepalingen, welke het auteursrecht beperken of aan voorwaarden
verbinden, door de Conventie niet buiten werking worden gesteld.
Onze wet heeft op dit punt geene speciale bepalingen; alleen wordt
in artikel 7 eerste lid het opnemen van aanhalingen "ter aankondiging
of beoordeeling" uit andere werken vrijgelaten. Dit is dus feitelijk
iets anders dan waarop artikel 10 der Conventie betrekking heeft. Bij
de bespreking van de bepaling te Bern werd echter ook de vrijheid van
citeeren ter sprake gebracht. Door de gedelegeerden van alle landen
werd de verklaring afgelegd, dat deze vrijheid door hunne wetgeving
binnen zekere grenzen wordt erkend [631]. Aan deze verklaringen werd in
het rapport van 1908 nog eens nadrukkelijk herinnerd [632]. Het mag dus
als vaststaande worden aangenomen, dat deze vrijheid door de Conventie
in geenen deele wordt beperkt en dat de desbetreffende bepalingen
der landswetten ook tegenover werken uit andere Verbondslanden van
kracht blijven.
Daar onze wet voor bloemlezingen en school-uitgaven (het eigenlijke
onderwerp van art. 10 Conventie) geen afzonderlijke bepalingen heeft,
gelden voor deze werken de gewone regels, die dus na onze toetreding
tot de Conventie ook zouden moeten worden toegepast, indien uit werken
van andere Verbondslanden stukken waren overgenomen.
Tegenover werken van Fransche auteurs zou moeten worden toegepast
artikel 2 van de Additioneele Overeenkomst van 27 April 1860 tusschen
Frankrijk en Nederland, waarvan de tekst luidt:
De uitgave in het Koninkrijk der Nederlanden van chrestomathieën,
samengesteld uit fragmenten of uittreksels van Fransche schrijvers,
zal veroorloofd zijn, mits die verzamelingen inzonderheid bestemd
zijn voor het onderwijs, en uitlegkundige aanteekeningen of
vertalingen in de Nederlandsche taal bevatten.
Daar verzamelingen als de hier bedoelde in ons land zeer talrijk zijn
[633], en voor het onderwijs niet alleen van het Fransch, maar ook
b.v. van Duitsch en Engelsch vrijwel onmisbaar kunnen worden geacht,
zou het wellicht met het oog op eene toekomstige toetreding van ons
land tot de Berner Conventie aanbeveling verdienen, van de vrijheid die
artikel 10 der Conventie op dit punt aan de wetten en afzonderlijke
tractaten laat, een ruimer gebruik te maken, dan volgens de thans
bestaande bepalingen zou geschieden. Door b.v. eene bepaling, in den
zin van de bovengenoemde uit ons tractaat met Frankrijk, in onze wet
op te nemen, zouden wij volkomen binnen de grenzen blijven, welke
art. 10 der Conventie stelt. Deze bepaling zou dus toepasselijk zijn
op alle bloemlezingen, die in Nederland zouden worden verspreid,
waarin werken van auteurs uit andere Verbondslanden zouden zijn
opgenomen. Het behoeft geen betoog dat, zoolang art. 10 der Conventie
zijne tegenwoordige gedaante blijft behouden, eene oplossing langs
dezen weg (nl. door eene bepaling in de binnenlandsche wet op te nemen,
die voor alle Verbondsauteurs zou gelden) gemakkelijker en eenvoudiger
is, dan door met elken staat hierover een afzonderlijke overeenkomst
te sluiten.
Onze wetgever heeft het dus in zijne macht, de vrijheid die hier
nu bestaat, om van de werken van buitenlandsche schrijvers voor
schoolboeken gebruik te maken, ook na onze toetreding tot de Conventie,
althans binnen redelijke perken, te bestendigen. Dit is wel eens door
tegenstanders van onze aansluiting betwijfeld. In Het Vaderland van
17 December 1898 werd hierover b.v. opgemerkt: "Bij toetreding tot
de Berner-Conventie--wij herhalen het--zal het mogelijk zijn het
bewerken van dergelijke schoolboeken" (boeken nl. waarin stukken
van buitenlandsche auteurs zijn opgenomen) "te weren. Dit schijnt de
bedoeling der voorstanders. Wij weten wel, dat de Conventie zegt":
(volgt de tekst van het artikel). "Maar 't spreekt van zelf, dat het
geheel van de interpretatie van de uitdrukking "op geoorloofde wijze"
en van "te sluiten overeenkomsten" afhangt, hoever de hier welwillend
verleende bevoegdheid gaat. Wee den dwerg, die te contracteeren heeft
met den reus!" [634]
Van een contract, en nog wel een dat gesloten wordt tusschen een dwerg
en een reus, behoeft hier, zooals uit mijne uiteenzetting volgt, in
't geheel geen sprake te zijn. Het is voldoende, eene bepaling in de
wet op te nemen, en uitsluitend naar die bepaling zal de Nederlandsche
rechter hebben te beslissen, wat al of niet geoorloofd is. Natuurlijk
moet de wet blijven binnen de grenzen die door art. 10 der Conventie
worden gesteld (eene bepaling b.v. die het overnemen van geschriften
in alle mogelijke verzamelingen vrij liet, zou tegenover auteurs van
andere Verbondslanden niet mogen worden toegepast); doch deze grenzen
zijn ruim genoeg. De wetgevingen van bijna alle Verbondslanden bevatten
bepalingen in den bedoelden zin, waarvan sommige zelfs de vrijheid
van ontleeningen nog verder uitstrekken dan de bovengenoemde bepaling
van ons tractaat met Frankrijk. In dit opzicht kunnen dus de uitgevers
gerust zijn.