3) alle andere artikelen.

De eerste categorie wordt in het oude art. 7 Conventie 1886

niet genoemd; doch daar deze geschriften eigenlijk niet tot de

journalistieke bijdragen gerekend kunnen worden [617], wordt veelal

aangenomen, dat zij niet onder de bepalingen van het artikel vielen en

dat dus ook vóór de herziening van Parijs de romans en novellen geen

voorbehoud behoefden om niet te worden nagedrukt. Zonder twijfel is dit

ook te Bern de bedoeling geweest van degenen, die het artikel hebben

geredigeerd; hetgeen ook hieruit zou zijn af te leiden, dat eene op

de Conferentie van 1886 door de Fransche gedelegeerden voorgestelde,

doch later weer ingetrokken "Verklaring", waarin deze interpretatie

uitdrukkelijk was uitgesproken, door degenen die er het woord over

voerden voor overbodig werd gehouden, daar zij geen wijziging, maar

slechts eene uitlegging der bepaling bracht [618].

Intusschen heeft men het te Parijs noodig geacht eene uitdrukkelijke

bepaling in den genoemden zin op te nemen, hoewel men ook daar van

oordeel was, dat hiermede slechts eene verduidelijking, en geene

wijziging van het oude artikel tot stand werd gebracht; "... il n'y

a pas vraiment innovation; la disposition est seulement explicative",

merkte Renault dienaangaande in het Commissie-rapport op [619].

Ook de Conventie 1908 houdt de uitdrukkelijke bepaling in, dat

feuilleton-romans en novellen niet tot de dagblad-artikelen behooren,

waarvan het overnemen onder bepaalde voorwaarden vrij is gelaten

(art. 9 lid 2).

Wat onder romans en novellen moet worden verstaan, zal in de meeste

gevallen wel zonder moeite zijn uit te maken. In het Commissie-rapport

van 1896 worden de novellen ("nouvelles") omschreven als: "de petits

romans, de petits contes, des oeuvres de fantasie concentrées souvent

dans un seul article de journal ou de revue" [620]. De Engelsche

vertaling is "works of fiction" en de Duitsche "Novellen". Hier

is dus ook ons woord "novellen" op zijne plaats. De rapporteur van

1908 verklaart, met aanhaling van de in 1896 gegeven omschrijving,

dat de Commissie nog dezelfde zienswijze heeft. Ook worden daar

als tot deze soort werken behoorende genoemd: "de petits dialogues,

de petits récits historiques, etc." [621].

Onder artikelen over de politiek (articles de discussion politique),

die afzonderlijk worden genoemd in art. 7 laatste lid Conventie 1886

en Add. Acte 1896, heeft men alleen die geschriften te verstaan,

welke de politiek van den dag betreffen; niet bijvoorbeeld opstellen

over staatkundige of sociaal-economische vraagstukken. In dezen zin

heeft men zich op de Conferentie van Bern van 1885 in overeenstemming

met een wensch der Duitsche delegatie uitdrukkelijk uitgesproken [622].

Deze artikelen werden op ééne lijn gesteld met de nieuwtjes en

gemengde berichten, d. w. z. het overnemen werd in alle gevallen,

ook indien schrijver of uitgever het uitdrukkelijk verboden had,

vrijgelaten. Het motief hiervoor was ongetwijfeld dit, dat juist ten

aanzien van artikelen over de politiek het overnemen uit buitenlandsche

bladen veelvuldig geschiedt en dikwijls zelfs onvermijdelijk is. Op

de Conferentie van Berlijn heeft men echter ingezien, dat het niet

aangaat, geschriften, die overigens aan alle eischen die men aan een

auteursproduct kan stellen, voldoen, om die reden onvoorwaardelijk

van alle bescherming uit te sluiten. Daarom heeft de Conventie 1908

de onderscheiding tusschen de politieke en niet-politieke artikelen

laten vallen.

De, hierboven in de derde plaats genoemde, "alle andere artikelen",

waarvoor de bijzondere journalistieke bepalingen gelden, zijn

dus volgens de Conventie 1886 en de Add. Acte 1896: alle stukken

in tijdschriften en dagbladen, uitgezonderd: nieuwtjes en gemengde

berichten, feuilleton-romans en novellen en artikelen over de politiek,

en volgens de Conventie 1908: alle stukken in dagbladen, uitgezonderd:

"nieuwtjes en gemengde berichten, die het karakter van eenvoudige

pers-informaties dragen", feuilleton-romans en novellen.

Door de Belgische delegatie was op de Conferentie van Berlijn nog

voorgesteld ook op de in dagbladen geplaatste teekeningen de bepalingen

voor de dagblad-artikelen toepasselijk te verklaren; doch dit voorstel,

dat alleen van den kant van Zweden ondersteund werd, werd later weer

ingetrokken [623].

Wij komen nu tot de tweede vraag, nl.: waarin bestaat de vrijheid,

die voor de genoemde werken wordt verleend?

In het algemeen kan hierop het antwoord zijn, dat het overnemen

van deze artikelen vrijstaat, tenzij schrijver of uitgever dit

uitdrukkelijk heeft verboden. Het beginsel is dus (en hierin

stemmen de regelingen van 1886, 1896 en 1908 met elkander overeen),

dat het auteursrecht wordt erkend, doch dat de toestemming van den

rechthebbende om het stuk over te nemen wordt verondersteld gegeven

te zijn, tenzij deze uitdrukkelijk het tegendeel te kennen geeft door

het stellen van een verbod.

Er valt hierbij echter nog op enkele punten de aandacht te vestigen,

ten aanzien waarvan de herzieningen van Parijs en Berlijn wijzigingen

of verduidelijkingen hebben gebracht.

In de eerste plaats betreft dit de vraag, wat verstaan moet

worden onder het overnemen of "reproduceeren" van een artikel

in dit verband. Het behoeft geen betoog, dat daaronder ook valt

het reproduceeren in een anderen vorm of eene andere taal; de

uitdrukkelijke vermelding hiervan, wat het vertalen betreft, in de

Conventie 1886 en de Add. Acte 1896 kan overbodig worden geacht, daar

er geen grond bestaat om in dit opzicht van de gewone regelen van het

auteursrecht af te wijken. De vraag is echter deze, of de vrijheid van

reproductie, indien het stuk zonder voorbehoud verschijnt, geldt voor

iedereen, dan wel alleen voor andere dagbladen of tijdschriften. De

Conventie 1908 is op dit punt duidelijk en beslist: het overnemen is

alleen toegestaan aan andere dagbladen (art 9 lid 2). De oude bepaling

(Conventie 1886 art. 7 lid 1 en Add. Acte 1896 art. 1, IV lid 1)

liet het overnemen toe "in de andere Verbondslanden"; vrij algemeen

wordt echter aangenomen, dat dit ook alleen slaat op het overnemen in

andere dagbladen of tijdschriften, en dat dus het artikel in geen geval

toestaat, de overgenomen stukken ook in boekvorm te publiceeren. Zoowel

op de Berner Conferentie van 1885 als op de Parijzer Conferentie

van 1896 was men het over deze uitlegging der bepaling eens [624],

en op grond hiervan kon van de redactie-wijziging, die in Berlijn

werd aangebracht, in het Commissie-rapport worden gezegd: "C'est une

précision, et non une innovation" [625].

Eene andere vraag, die nog even besproken dient te worden, is die

betreffende het vermelden van de bron. De verplichting hiertoe werd

voor het eerst bij de herziening van Parijs in 1896 in de Conventie

opgenomen; men kwam daarbij overeen, dat niet alleen de naam van

het blad, waaruit het stuk is overgenomen, maar ook de naam van

den auteur, indien het stuk onderteekend was, moet worden vermeld

[626]. Volgens deze bepaling der Add. Acte was het echter niet geheel

duidelijk, welke de rechtsgevolgen waren van de overtreding van het

voorschrift. Het recht, dat daardoor wordt geschonden, is volgens

de theorie, die ik in de voorgaande hoofdstukken heb ontwikkeld,

geen auteursrecht maar persoonlijkheidsrecht. Strikt genomen kwam

de Conventie daarom met deze bepaling buiten de grenzen, die zij

zich gesteld heeft. In art. 1 wordt immers alleen gesproken van

"de bescherming van het auteursrecht op werken van letterkunde

en kunst"; daaronder behoort niet het recht op eerbiediging van

den auteursnaam. Nu echter de Conventie bepaalt, dat het overnemen

van stukken, die zonder voorbehoud verschenen zijn, is toegestaan,

"mits de bron wordt genoemd", kan men aannemen dat het overnemen van

dergelijke stukken zonder aan de gestelde voorwaarde te voldoen, als

inbreuk op het auteursrecht moet worden aangemerkt. Uit doctrinair

oogpunt blijft dan alleen tegen de bepaling de bedenking te maken,

dat zij auteursrecht en persoonlijkheidsrecht niet goed onderscheidt.

Op de Berlijnsche Conferentie is deze fout hersteld. Het voorschrift

betreffende bron-vermelding is gebleven; doch er staat nu uitdrukkelijk

bij, dat de sanctie op het niet nakomen dezer verplichting bepaald

wordt door de wet van het land, waar de bescherming wordt ingeroepen

(Conventie 1908 art. 9 lid 2).

De bepalingen van onze wet in deze materie komen met geen der besproken

regelingen der Conventie geheel overeen; het verschil is nog het

minst met die van het oorspronkelijke art. 7 Conventie 1886. Het

volgend staatje diene om de vergelijking gemakkelijk te maken.

----------+-----------------------+----------------------------+------------------

|Van alle bescherming |Voorwaardelijk beschermd |Onvoorwaardelijk

|uitgesloten: |d. w. z. mits door uitgever |beschermd:

| |of schrijver een verbod van |

| |nadruk is gesteld: |

----------+-----------------------+----------------------------+------------------

Conventie |artikelen over de |dagblad- en |(feuilleton-romans

1886 |politiek, nieuwtjes en |tijdschriftartikelen |en novellen)[627]

art. 7 |gemengde berichten. | |

----------+-----------------------+----------------------------+------------------

Add. Acte | id. |id. behalve feuilleton- |feuilleton-romans

1896 | |romans en novellen. |en novellen.

art. 1, IV| |De bron moet worden genoemd.|

----------+-----------------------+----------------------------+------------------

Conventie |nieuwtjes en gemengde |dagblad-artikelen, behalve | id.

1908 |berichten, die het |feuilleton-romans en |benevens alle

art. 9 |karakter van eenvoudige|novellen. |artikelen in

|pers-informatie dragen.|De bron moet worden genoemd.|tijdschriften.

----------+-----------------------+----------------------------+------------------

W. A. R. | [628] |berichten en opstellen uit |

art. 7 | |dag- en weekbladen. |

lid 2 | |De bron moet worden genoemd.|

----------+-----------------------+----------------------------+------------------

De verschilpunten zijn, zooals men ziet, nogal belangrijk, vooral met

den nieuwen tekst der Conventie. Dit zou echter bij de toetreding

van ons land geen practische bezwaren meebrengen, tenminste indien

in onze wet het stelsel van art. 27 behouden blijft. Wij hebben hier

uit den aard der zaak uitsluitend met door den druk gemeen gemaakte

werken te doen, waarop onze wet alleen toepasselijk is, indien dit

"door den druk gemeen maken" in Nederland of Nederlandsch-Indië is

geschied. De besproken bepalingen der Conventie daarentegen zijn,

in overeenstemming met de regeling van art. 4 Conventie 1908, alleen

toepasselijk op het overnemen van stukken uit dagbladen, die in andere

Verbondslanden verschijnen. De zaak zou dus voor den Nederlandschen

rechter vrij eenvoudig zijn: overnemingen uit een buitenlandsch

(d. w. z. in een der Verbondslanden verschijnend) blad zouden te

beoordeelen zijn naar de bepalingen der Conventie; die uit een hier

te lande (of in Ned.-Indië) verschijnend blad naar art. 7 tweede

lid van onze wet. Eene vergelijking tusschen de twee bepalingen zou

hierbij derhalve niet te pas komen. De vraag, tot welke nationaliteit

de auteur behoort, zou geheel buiten beschouwing kunnen blijven,

daar zoowel volgens de Conventie als volgens onze wet uitsluitend de

plaats van het door den druk gemeen maken (in dit geval dus: de plaats

waar het blad verschijnt) over de al of niet toepasselijkheid beslist.

Tot nu toe heb ik steeds den stelregel bepleit, dat bij onze

toetreding tot het Verbond ons inlandsch recht zooveel mogelijk in

overeenstemming worde gebracht met dat der Conventie, ook waar dit

niet strikt geboden is. In verband met het voorgaande meen ik echter,

dat ten aanzien van het journalistieke auteursrecht zonder bezwaar van

dien regel kan worden afgeweken. Indien de regeling der Conventie niet

volkomen strookt met de toestanden en gebruiken van de Nederlandsche

pers--eene vraag waarop ik hier niet verder wil ingaan--dan bestaat

er m. i. niet de minste reden om die regeling, welke natuurlijk ten

aanzien der internationale persverhoudingen moet worden aanvaard,

ook nog in onze wet onveranderd over te nemen. Het recht dient zich

aan de bestaande verhoudingen en toestanden aan te passen, en deze

verhoudingen en toestanden zijn allicht niet dezelfde tusschen de

Nederlandsche persorganen onderling dan tusschen de Nederlandsche en

de buitenlandsche. Verschilpunten tusschen onze wet en de Conventie

behoeven--zooals wij gezien hebben--geen aanleiding te geven tot

verwarring. Wél zou daarvoor eenig gevaar kunnen ontstaan, indien bij

eene herziening van onze wet ook in het stelsel van art. 27 wijziging

werd gebracht; indien b.v. de wet toepasselijk werd verklaard op

alle werken van Nederlanders, ook die welke in het buitenland in

druk uitkomen. In dat geval zou b.v. een Nederlander, die in een

Fransch blad een artikel plaatst, hier te lande zoowel krachtens

de Conventie als krachtens de Nederlandsche wet beschermd zijn, en

de rechter zou tusschen het Nederlandsche recht en de Conventie eene

vergelijking moeten maken, om de voor den auteur gunstigste bepalingen

te kunnen toepassen. Doch deze moeilijkheden zouden gemakkelijk

zijn te voorkomen, door de bijzondere bepalingen voor dagbladen en

tijdschriften in de wet uitsluitend toepasselijk te verklaren op het

overnemen van stukken uit de binnen het Rijk verschijnende bladen.

Bestaat er dus op dit punt geen reden om in ons inlandsch recht de

Conventie geheel na te volgen, wél is het gewenscht, dat bij onze

aansluiting tot het Verbond art. 9 Conventie 1908 onvoorwaardelijk

worde aanvaard. In de eerste plaats kan hiervoor worden aangevoerd,

dat de bepaling in alle opzichten beter is dan die der Conventie

1886 en der Add. Acte 1896. De vrijheid, die deze laatste bepalingen

laten, om artikelen over de politiek over te nemen zelfs tegen

den uitdrukkelijken wil van den schrijver of uitgever, is met de

beginselen van het auteursrecht moeilijk te rijmen. Ook op het stuk

van feuilletons, nieuwsberichten, verplichte bron vermelding, is de

Conventie 1908 juister en duidelijker dan die van 1886 en 1896.

Doch behalve wegens deze innerlijke eigenschappen verdient

het nieuwe art. 9 ook boven het oude art. 7 de voorkeur, omdat

hoogstwaarschijnlijk alle staten, die nu deel uitmaken van het Verbond,

het onvoorwaardelijk zullen bekrachtigen.

Men kan dus verwachten, dat wanneer de Conventie 1908 in werking zal

zijn getreden, er op dit punt eenheid zal heerschen in het geheele

Verbond en m. i. mogen alleen zeer gewichtige redenen een nieuw

toetredenden staat doen besluiten, deze eenheid te verstoren. Dat

dergelijke redenen voor ons land zouden bestaan, zal niemand willen

beweren.

Ten slotte nog eene opmerking naar aanleiding van de nieuwe bepaling,

volgens welke de sanctie op het niet nakomen der verplichting, de

bron te vermelden, bepaald moet worden door de wet van het land, waar

de bescherming wordt ingeroepen (Conventie 1908 art. 9 lid 3). Eene

bepaling als de hier bedoelde ontbreekt in onze wet. Er staat daar

(art. 7 lid 2) alleen, dat het verder door den druk gemeen maken van

berichten enz. vrijstaat "mits de bron genoemd worde", doch de wet laat

zich niet uit over de gevolgen van de overtreding van dit verbod. Het

ware wellicht wenschelijk om--zooals ik reeds eerder (p. 295) betoogd

heb--op dit punt de Duitsche wet tot voorbeeld te nemen, die het niet

noemen van de bron, waar dit vereischt wordt, tot een strafbaar feit

(eene overtreding met maximum boete van 150 Mark) verklaart.

Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht · 第 61 / 215 题