1o alle rechten, die onze wet toekent, en

2o de rechten, welke de Conventie zelve uitdrukkelijk toekent

(vertalingsrecht, op- en uitvoeringsrecht, enz.). Alleen moet hierbij

in het oog worden gehouden, dat wat de sub 1o genoemde rechten betreft,

de duur daarvan niet langer kan zijn dan die, welke in het land

van herkomst van het werk geldt. Meerdere bijzonderheden hierover

zullen nog hieronder, bij de behandeling van art. 7 der Conventie,

worden medegedeeld.

2 Door den druk gemeen gemaakte werken--Deze werken vinden volgens

onze tegenwoordige wet (art. 27) hier te lande bescherming, indien

zij in Nederland of Nederlandsch-Indië zijn gedrukt en door den druk

gemeen gemaakt. Om de beteekenis, die deze bepaling, gesteld dat men

haar onveranderd liet, na onze toetreding tot de Conventie zou hebben,

goed in te zien, is het weer noodig van elkander te onderscheiden

het geval dat Nederland het land van herkomst van het werk is volgens

de Conventie en dát, waarin het werk een ander Verbondsland tot land

van herkomst heeft.

Alle werken, die voor het eerst in Nederland door den druk gemeen

gemaakt zijn, zouden volgens artikel 4 lid 3 der Conventie uit

Nederland herkomstige werken zijn en als zoodanig in alle andere

Verbondslanden bescherming vinden. Met de bescherming in Nederland

zelf bemoeit de Conventie zich slechts, voorzoover de auteurs geen

Nederlandsche onderdanen zijn. De Nederlandsche onderdanen blijven

dus, ook als hun werk in Nederland door den druk gemeen gemaakt is,

wat de bescherming aldaar betreft, uitsluitend aangewezen op de

Nederlandsche wet. Bij handhaving van de bovengenoemde bepaling van

art. 27 W. A. R. zullen dus hunne werken, om in Nederland beschermd te

zijn, niet alleen aldaar door den druk gemeen gemaakt, maar ook gedrukt

moeten worden; bovendien zullen de formaliteiten, die de wet eischt

(inzending van twee exemplaren van het werk bij het Departement van

Justitie benevens van eene verklaring van den drukker, dat het werk op

zijne in het Rijk gevestigde drukkerij is gedrukt, W. A. R. art. 10)

vervuld moeten worden.

De Conventie bevat echter wél bepalingen, die betrekking hebben op de

bescherming in het land van herkomst van door den druk gemeen gemaakte

werken, afkomstig van niet tot dat land behoorende auteurs. Zoowel

de auteurs, die tot een der andere Verbondslanden behooren (art. 5)

als die, welke tot geen der landen van het Verbond behooren (art. 6)

genieten in het Verbondsland, waar hun werk voor de eerste maal door

den druk wordt gemeen gemaakt, "dezelfde rechten als de inlandsche

auteurs." Men ziet, dat deze bepaling in het gestelde geval ten

aanzien van ons land geene uitwerking zou hebben. Wat de Conventie

eischt is niet meer dan: gelijke behandeling van vreemdelingen en

eigen onderdanen; en deze gelijkheid bestaat reeds volgens onze wet,

daar zij ten aanzien der door den druk gemeen gemaakte werken geen

onderscheid maakt tusschen Nederlanders en vreemdelingen. Derhalve

zouden ook de vreemde auteurs, die hunne werken alhier deden uitgeven,

aan de bovengenoemde voorwaarden en formaliteiten van onze wet

gebonden blijven.

Daarentegen zouden de auteurs van werken, die elders in het Verbond

door den druk gemeen zijn gemaakt, en waarvan dus een der andere

Verbondslanden het land van herkomst is, in Nederland niet alleen de

volle bescherming genieten (d. w. z. de rechten die onze wet toekent

en daarenboven de uitdrukkelijk door de Conventie verleende rechten),

maar ook alhier van alle voorwaarden en formaliteiten vrijgesteld zijn

(art. 4 lid 2, art. 6).

Wat dit laatste betreft zouden dus de bepalingen onzer wet (de eisch,

dat het werk in Nederland gedrukt zij en de verplichte inzending

bij het Departement van Justitie) door onze aansluiting bij de

Conventie gedeeltelijk buiten werking worden gesteld, waardoor de,

toch al twijfelachtige [586], reden van bestaan dezer bepalingen nog

aanmerkelijk zou verminderen. Zonder eenige formaliteit zouden hier

beschermd zijn alle werken, die in een der andere Verbondslanden

zijn uitgekomen; alleen degenen, die hunne werken in Nederland zelf

laten verschijnen, zouden--voor de bescherming in Nederland--zich

de vervulling der formaliteiten hebben te getroosten. En wat het

vereischte betreft, dat het werk in Nederland moet zijn gedrukt, dit

zou bijna alle beteekenis verliezen. Gesteld dat er tegen het laten

drukken van een werk in Nederland eenig bezwaar bestaat en men toch op

bescherming van het werk in ons land prijsstelt, dan zal de aangewezen

weg zijn, ook de uitgave in het buitenland (mits binnen het Verbond)

te doen plaats hebben. Een boek, dat b.v. in Duitschland is gedrukt,

zou, indien het bij een Nederlandschen uitgever uitkwam, in Nederland

niet beschermd zijn; wél echter, indien het ook in Duitschland werd

uitgegeven. Uitgave in Duitschland in plaats van in Nederland zou

bovendien nog het voordeel opleveren, dat de bescherming--ook die

in Nederland--van geene formaliteiten afhankelijk zou zijn; terwijl

ook de uitgebreidheid der bescherming in Nederland erdoor zou winnen,

daar het werk dan als "uit een ander Verbondsland herkomstig", ook de

uitdrukkelijk door de Conventie toegekende rechten zou genieten. Reeds

nu, terwijl ons land nog geen deel uitmaakt van het Verbond, zijn

er Nederlandsche auteurs, die hunne werken niet in hun vaderland,

maar in een der Verbondslanden laten verschijnen, om daardoor de

bescherming in het Verbond te krijgen. Wat velen waarschijnlijk nog

hiervan weerhoudt, is dat zij daardoor de bescherming in Nederland

zelf verbeuren. Dit laatste zal echter, wanneer ons land bij het

Verbond zal zijn aangesloten, niet meer het geval zijn; integendeel:

hun werk zal, zooals wij gezien hebben, als buitenlandsch werk,

d.w.z. uit een ander Verbondsland afkomstig, in Nederland nog beter

beschermd zijn dan indien het in Nederland was uitgegeven.

Wat de bescherming in de overige landen van het Verbond betreft,

deze zal natuurlijk, wanneer ons land is aangesloten, ook aan de

in Nederland uitgekomen werken niet onthouden worden, en daar de

bescherming overal verleend wordt onafhankelijk van die in het land

van herkomst, zou men zelfs kunnen meenen, dat het in dit opzicht geen

verschil maakt, of een werk Nederland dan wel een ander Verbondsland

als land van herkomst heeft. Toch zou men zich hierin vergissen. Indien

ons land op het punt van het vertalingsrecht zich houdt aan de oude

regeling van de Conventie 1886, dan zal het gevolg zijn, dat een

uit Nederland herkomstig werk in alle andere Verbondslanden slechts

tien jaar tegen vertalingen is beschermd, terwijl een werk, afkomstig

uit een land dat de Conventie 1908 onvoorwaardelijk heeft aanvaard,

zoolang het auteursrecht duurt tegen vertalingen beschermd is. En

behalve deze zullen er, zooals hieronder zal blijken, nog meer redenen

kunnen zijn, waarom de auteurs ons land niet als het meest gewenschte

"land van herkomst" van hunne werken zullen beschouwen.

Hieronder kom ik nog op deze kwestie terug. Wat ik echter met het

bovenstaande reeds meen duidelijk te hebben gemaakt is, dat indien

ons land tot de Conventie toetreedt met behoud van de bovengenoemde

bepalingen onzer wet, onze auteurs in verschillende opzichten beter

beschermd zullen zijn indien zij hunne werken niet, dan indien zij ze

wél binnen ons land laten verschijnen. Of dit nu voor velen een reden

zal zijn, om zich den last te getroosten een uitgever in een der andere

Verbondslanden te zoeken, wil ik in het midden laten; de kans bestaat

in ieder geval dat dit zal geschieden en ik meen dat men deze kans

reeds aanmerkelijk zou verminderen, door de hinderlijke formaliteit

van inzending van twee exemplaren van elk werk en de voorwaarde,

dat een in Nederland uitgegeven werk ook alhier gedrukt moet zijn,

te laten vervallen. Voor handhaving van de laatste bepaling bestaat

des te minder reden, daar met zekerheid kan worden aangenomen, dat er

na onze aansluiting tot de Conventie niet één werk meer in Nederland

om zal worden gedrukt.

Een uitvoerige bespreking van het stelsel van het Ontw. B. K. in

verband met de artt. 4, 5 en 6 der Conventie schijnt mij na het

bovenstaande overbodig. Dit ontwerp is, nog minder dan de wet van 1881,

met het door de Conventie gevolgde systeem in overeenstemming. Er

wordt geen onderscheid gemaakt tusschen wél en niet door den druk

gemeen gemaakte werken. Het ontwerp is toepasselijk op:

a) de werken van in Nederland of Nederlandsch-Indië woonachtige auteurs

(hiervoor geldt hetzelfde wat boven reeds is opgemerkt ten aanzien

der analoge bepaling in W. A. R.);

b) de in Nederland of Nederlandsch-Indië vervaardigde kunstwerken.

Na toetreding tot de Conventie zouden in ons land beschermd zijn:

a) de niet door den druk gemeen gemaakte werken van auteurs, die tot

een der Verbondslanden behooren;

b) de werken, die in een der andere Verbondslanden voor het eerst

door den druk zijn gemeen gemaakt.

Met de Nederlandsche auteurs zouden gelijkgesteld zijn:

c) de vreemde auteurs, die hunne werken voor de eerste maal in

Nederland door den druk gemeen lieten maken.

De onder a en b genoemde werken zouden hier beschermd zijn zonder

eenige voorwaarde of formaliteit; niet echter de werken der onder c

genoemde auteurs.

Het zijn ook hier weer de formaliteiten, die aanleiding geven

tot bedenkingen. Het Ontwerp eischt (art. 7) inzending van eene

beschrijving of van eene reproductie van het kunstwerk uiterlijk

dertig dagen nadat dit voor de eerste maal geleverd of tentoongesteld,

of wel openlijk te koop of ter bezichtiging is aangeboden, op straffe

van tenietgaan van het auteursrecht. Na wat hierover reeds gezegd is

(pp. 273 en 274), meen ik over de onredelijkheid en nutteloosheid

dezer bepaling niet lang te behoeven uit te weiden. Een enkel

voorbeeld slechts, om te doen zien wat het gevolg zou zijn van hare

handhaving in het tot wet te verheffen Ontwerp na onze toetreding

tot de Conventie. Een Nederlander verkoopt zijn schilderij in het

land en verzuimt binnen dertig dagen eene beschrijving ervan in te

zenden. Gevolg: verlies van het auteursrecht in Nederland. In alle

andere Verbondslanden echter is het schilderij als een Nederlandsch

werk (nl. een niet door den druk gemeen gemaakt werk van een

Nederlandsch auteur) wél beschermd. Gesteld nu, dat daarna van

hetzelfde schilderij in Berlijn eene reproductie in het licht wordt

gegeven, dan is het geworden een door den druk gemeen gemaakt werk

met Duitschland als land van herkomst, en geniet het derhalve weer de

bescherming in Nederland, zonder dat daarvoor eenige voorwaarde of

formaliteit mag worden gesteld. Een Franschman echter, die precies

hetzelfde doet, zou ook vóór de publicatie in Nederland beschermd

zijn, daar men in dat geval te doen zou hebben met een niet door den

druk gemeen gemaakt werk met Frankrijk als land van herkomst. Doch

stellen wij nu, dat deze Franschman zijn werk niet in Berlijn, maar

in Amsterdam door den druk gemeen maakt, dan zou hij daardoor de

bescherming in Nederland wederom verliezen. Immers dan zou Nederland

het land van herkomst zijn geworden en de Fransche auteur zou krachtens

art. 5 der Conventie slechts aanspraak kunnen maken in Nederland

op dezelfde behandeling die de Nederlandsche auteurs er genieten,

hetgeen in dit geval zou beteekenen: van alle bescherming verstoken

te zijn. Uitgave in het land zelf zou dus hier tengevolge hebben

verlies van het auteursrecht, terwijl in het eerstgenoemde geval door

de uitgave in het buitenland het auteursrecht alhier zou ontstaan!

De slotsom, waartoe de voorafgaande beschouwingen leiden, is de

volgende.

De Conventie houdt geene bepaling in, die ons land na toetreding tot

het Verbond zou dwingen, een van de bepalingen onzer wet (of van het

Ontw. B. K., gesteld dat dit tot wet zou zijn verheven,) te wijzigen

of te doen vervallen. Ons land kan dus lid worden van het Verbond met

bepalingen in hare wetgeving als die van de artt. 10 en 27 W. A. R. en

7 en 19 Ontw. B. K. Deze bepalingen zouden echter door die der

Conventie gedeeltelijk buiten werking worden gesteld (nl. ten aanzien

van alle werken, die uit een der andere Verbondslanden herkomstig zijn)

terwijl zij, voorzoover zij nog toepassing zouden kunnen vinden, aan

de bescherming hier te lande onredelijke en onnoodige belemmeringen in

den weg zouden leggen, waarvan voornamelijk de Nederlandsche auteurs

en uitgevers de slachtoffers zouden worden.

Om laatstgenoemde bezwaren te voorkomen, zouden de volgende wijzigingen

in onze wetgeving zijn aan te brengen, die ook overigens in alle

opzichten als verbeteringen zouden zijn te beschouwen:

1o Afschaffing van de verplichte inzending van exemplaren en

beschrijvingen (art. 10 W. A. R., art. 7 Ontw. B. K.); toekenning

dus van het auteursrecht zoowel op niet als wél door den druk gemeen

gemaakte werken zonder eenige formaliteit;

2o Uitbreiding van de grenzen, die aan de geldigheid onzer wet zijn

gesteld, zoodanig, dat zij tenminste toepasselijk is op:

a) alle niet door den druk gemeen gemaakte werken van Nederlandsche

onderdanen;

b) alle werken, die voor het eerst in Nederland door den druk zijn

gemeen gemaakt, onverschillig waar zij zijn gedrukt. Hierdoor zou

ook vanzelf vervallen de formaliteit, welke art. 10 tweede lid

W. A. R. voorschrijft, nl. de inzending van eene door den drukker

onderteekende verklaring, dat het werk op zijne in het Rijk gevestigde

drukkerij is gedrukt.

Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht · 第 57 / 215 题