a) de eigenlijke Conventie, verdeeld in 21 artikelen;
b) een additionneel artikel;
c) het Slotprotocol, dat van enkele in de Conventie behandelde
onderwerpen eene nadere regeling inhoudt;
II De Additionneele Acte van Parijs van 4 Mei 1896, verdeeld in
vier artikelen:
art. 1 brengt wijzigingen in de artt. 2, 3, 5, 7, 12 en 20
der Berner Conventie;
art. 2 wijzigt het Slotprotocol (nos. 1 en 4);
artt. 3 en 4 geven overgangs- en uitvoerings-bepalingen;
III De Verklaring (Déclaration) van Parijs, die eene uitlegging
geeft van enkele bepalingen der Berner Conventie en der
Additionneele Acte van Parijs;
IV De herziene Berner Conventie van 13 November 1908, bestaande
uit dertig artikelen.
Bij de bespreking, die hier volgt, zal ik mij houden aan de volgorde
der artikelen van den onder IV genoemden, herzienen tekst, welken ik
verder kortheidshalve zal noemen: Conventie 1908. De bepalingen uit
de andere stukken (Conventie 1886 met add. art. en Slotprotocol,
Add. Acte 1896 en Verklaring 1896) zullen dan telkens ter sprake
komen bij het onderwerp, waarop zij betrekking hebben.
Om het overzicht te vergemakkelijken heb ik de bepalingen der Conventie
1908, met behoud van de volgorde der artikelen, in een viertal groepen
verdeeld, als volgt:
a Algemeene beginselen betreffende het internationale auteursrecht in
het Verbond (doel en strekking van het Verbond art. 1; de werken waarop
de Conventie toepasselijk is artt. 2 en 3; het stelsel, volgens hetwelk
omvang en duur der bescherming zijn geregeld artt. 4, 5, 6 en 7);
b Bijzondere regelen omtrent sommige onderdeden (vertalingsrecht
art. 8; journalistiek auteursrecht art. 9; bloemlezingen art. 10;
op- en uitvoeringsrecht art. 11; bewerkingsrecht art. 12; mechanische
muziekinstrumenten art. 13; kinematograaf art. 14);
c Rechtsmiddelen tot handhaving van het auteursrecht (legitimatie
voor den rechter art. 15; beslag op nadruk art. 16);
d Uitvoerings- en overgangsbepalingen (erkenning van het recht van
iederen staat om verspreiding en uitstalling van geschriften of
kunstwerken te verbieden art. 17; overgangsbepalingen art. 18; de
geldigheid van wetten en bijzondere tractaten tegenover de Conventie
artt. 19 en 20; huishoudelijke inrichting van het Verbond artt. 21-24;
toetreding van nieuwe staten en hunne koloniën artt. 25 en 26;
bekrachtiging, inwerkingtreding en opzegging artt. 27-30).
a Algemeene regelen betreffende het internationaal auteursrecht in
het Verbond
I Doel en strekking van het Verbond (Conv. 1908 art. 1; Conv. 1886
art. 1)
Over het eerste artikel der Conventie, dat sinds 1886 onveranderd is
gebleven, behoeft weinig te worden gezegd. Het is te beschouwen als
een korte inleiding van hetgeen volgt; in hoofdtrekken geeft het het
doel aan der Conventie en het terrein, waarop zij zich beweegt.
Met de vorming van een internationaal Verbond (Union) meende men eene
hechtere aaneensluiting te vestigen, dan eene eenvoudige Conventie zou
geven [539]. Als voorbeelden werden daarbij verscheidene malen genoemd
de Post-Unie en het Verbond tot bescherming van den industrieelen
eigendom.
Over den naam van het recht, dat de Conventie den auteurs verleent,
is men het op de Berner Conferentiën niet dan na lange beraadslaging
eens geworden. In den titel der Conventie 1886 wordt gesproken van de
"bescherming van de werken van letterkunde en kunst." De term droits
d'auteur werd verworpen, omdat men daaronder in Frankrijk verstaat
het recht op tantièmes van een dramatisch schrijver bij de vertooning
van zijn stuk, en propriété littéraire et artistique, de in Frankrijk
gebruikelijke benaming voor auteursrecht, omdat dit juridisch minder
juist werd geacht en tot verkeerde gevolgtrekkingen (aanvaarding van
de theorie van den letterkundigen eigendom) aanleiding zou kunnen
geven. Doch er werd uitdrukkelijk geconstateerd, dat de gekozen
uitdrukking (protection des oeuvres littéraires et artistiques)
dezelfde beteekenis heeft als propriété littéraire et artistique
bij Fransche schrijvers en als b.v. het Duitsche Urheberrecht en het
Engelsche copyright, dus ook als ons auteursrecht.
In den considerans en in artikel 1 wordt gesproken van "protection des
droits des auteurs sur leurs oeuvres... etc." dus: van de verschillende
den auteurs toekomende rechten op hunne werken. Hier geeft dus ook
ons woord auteursrecht de juiste vertaling.
II De werken, waarop de Conventie van toepassing is (Conv. 1908 artt. 2
en 3; Conv. 1886 artt. 4 en 6, Slotpr. nos. 1 en 2; Add. Acte 1896
art. 2, I)
De algemeene uitdrukking "werken van letterkunde en kunst", waarmede
in het eerste artikel der Conventie de beschermde producten worden
aangeduid, zou zonder nadere omschrijving natuurlijk voor zeer
verschillende uitleggingen vatbaar zijn. Deze nadere omschrijving,
die de Conventie 1886 eerst in het vierde artikel gaf, is bij
de Berlijnsche herziening m. i. terecht terstond na artikel 1
geplaatst. Wij krijgen dus eerst de vraag te behandelen, op welke
categorieën van werken de Conventie toepasselijk is.
De vraag heeft reeds op de Conferentie van Bern velerlei besprekingen
uitgelokt. De verschillende wetgevingen zijn op dit punt niet alle
even volledig; wat in het eene land als object van auteursrecht wordt
beschouwd, vindt soms in het andere land geen bescherming, of wel is
aldaar als industrieproduct beschermd. Waar men het altijd over eens
is geweest, dat zijn:
1o. de geschriften (in de ruime beteekenis, waarin ik dezen term ook
hierboven heb gebruikt);
2o. de platen en kaarten van wetenschappelijken of technischen aard;
3o. de muziekwerken, zoowel met als zonder tekst;
4o. de werken van beeldende kunst (teekeningen, schilderijen,
beeldhouwwerk enz.).
Al deze categorieën van werken worden reeds in art. 4 der Conventie
1886 met name genoemd en hebben sinds dien onder goedkeuring van
alle aangesloten staten behoord tot degenen, waarop de Conventie
onvoorwaardelijk toepasselijk was.
Daarentegen gaven vooral vier categorieën van werken aanleiding
tot verschil van meening, te weten: de photographieën, de werken
der bouwkunst, de choregraphische werken en de producten van
kunstnijverheid. Volgens de Conventie 1886 genoten deze werken, deels
in 't geheel niet, deels slechts voorwaardelijk de internationale
bescherming; door de herzieningen van Parijs en Berlijn zijn zij
geleidelijk met de overige beschermde werken gelijkgesteld.
In de Conventie 1908 (artikel 2 tweede lid) zijn voor het eerst ook
bij de beschermde werken genoemd de vertalingen en andere bewerkingen
alsmede de verzamelwerken. Het recht van den vertaler was weliswaar
reeds in de Conventie 1886 uitdrukkelijk erkend, doch onder de
opsomming van art. 4 kwamen de vertalingen niet voor. Er was hieraan
een afzonderlijk artikel gewijd (art. 6), waartegen, afgezien van
de stelsellooze plaatsing die er aan was gegeven, nog enkele andere
bedenkingen zijn te maken, waarop ik zoo aanstonds terugkom.
De Conventie 1908 heeft ten slotte nog eene andere nieuwe rubriek
auteursproducten ingevoerd nl. de door den kinematograaf vertoonde
stukken. Strikt genomen hadden deze ook in artikel 2 moeten zijn
vermeld; de betreffende bepaling is echter opgenomen in het tweede
lid van artikel 14, in welk artikel alles wat met den kinematograaf
in verband staat bijeen is gebracht. Ik zal ze daarom niet hier,
maar onder artikel 14 bespreken.
Thans mogen de verschillende werken, en de wijzigingen, die de
Conventie te hunnen opzichte heeft ondergaan, meer in bijzonderheden
worden beschouwd.
In de eerste plaats de werken, die van den aanvang af tot de beschermde
producten zijn gerekend, dus:
Geschriften, platen en kaarten, werken der toonkunst en werken van
beeldende kunst--Artikel 4 Conventie 1886 geeft dienaangaande de
volgende opsomming, die ook in artikel 2 Conventie 1908 is overgenomen:
De uitdrukking "werken van letterkunde en kunst" omvat:
boeken, brochures en alle andere geschriften; dramatische
of dramatisch-muzikale werken, muziekstukken met of zonder
tekst; teekeningen, schilderijen, beeldhouwwerken en gavures;
lithographieën, illustraties, landkaarten; geographische,
topographische, bouwkundige of in het algemeen wetenschappelijke
ontwerpen, schetsen en plastische modellen; ...
Na deze opsomming komt dan nog de volgende algemeene aanduiding:
"... ten slotte elk product op letterkundig, wetenschappelijk of
kunstgebied, dat gepubliceerd kan worden door middel van den druk
of van eenige andere wijze van reproductie.
De belangrijkste vraag, waartoe artikel 4 Conventie 1886 aanleiding
heeft gegeven is, of het al dan niet dwingend recht schept, m. a. w. of
de verschillende categorieën van geschriften en kunstwerken, welke er
in genoemd worden, onafhankelijk van de bepalingen der landswetten
beschermd moeten worden, dan wel of de internationale bescherming
voor deze werken alleen geldt, voorzoover zij ook door de landswetten
onder de beschermde auteursproducten moeten gerekend worden. De eerste
meening werd dikwijls, ook van gezaghebbende zijde [540], vernomen;
er is o.a. voor aan te voeren dat die categorieën van werken, waarvan
de bescherming niet in het geheele Verbond verplichtend was gesteld,
nl. photographieën, werken der bouwkunst en choregraphische werken,
niet in het artikel zijn genoemd, maar dat de Conventie daarvoor
afzonderlijke bepalingen heeft. Daaruit heeft men afgeleid, dat
artikel 4 alleen die werken noemt, welke beschermd moeten zijn. Andere
schrijvers nemen aan, dat dit voor het minst het geval is ten aanzien
van de met name in het artikel genoemde werken; niet ten aanzien
van die werken, welke met meer algemeene termen aan het slot van het
artikel worden aangeduid [541].
Naar mijne meening is echter ook deze opvatting niet de juiste. Zij is
niet overeen te brengen met het systeem der Conventie 1886, zooals dat
in de bepalingen van de twee voorgaande artikelen omschreven is. Immers
indien men aanneemt, dat alle werken, welke in art. 4 worden opgesomd,
in het Verbond beschermd moeten zijn, ook al zijn zij niet beschermd
volgens de wetgeving van het land van herkomst of van die van het land,
waar de bescherming wordt ingeroepen, dan blijft er van de bepalingen
van artikel 2 niet veel meer over. In het eerste lid van dit artikel
staat uitdrukkelijk voorgeschreven dat in elk der verbondslanden de
bescherming wordt genoten "welke de betreffende wetten den inlandschen
auteurs nu verleenen of in het vervolg verleenen zullen". Voor de
vervulling der voorwaarden en formaliteiten en voor de berekening
van den duur van het auteursrecht verwijst het tweede lid van genoemd
artikel naar "de wetgeving van het land, waaruit het werk herkomstig
is". Het stelsel der Conventie 1886 is dus wel, zooals ook hieronder
nog zal worden uiteengezet, dat geen bescherming wordt verleend voor
werken, die niet zoowel in het land van herkomst als in het land, waar
men het auteursrecht wenscht uit te oefenen, onder de beschermende
bepaling der inlandsche wetgeving vallen. Natuurlijk zijn op dezen
algemeenen regel uitzonderingen mogelijk, en men treft deze dan ook in
sommige artikelen der Conventie aan (o. a. wat betreft het uitsluitend
vertalingsrecht, geregeld in art. 5); doch uit niets blijkt, dat ook
met artikel 4 van den algemeenen regel is afgeweken, en er bestaat nog
des te minder grond om dit aan te nemen, nu dit artikel niet op een
bepaald onderdeel der bescherming of op eene bepaalde categorie van
auteursproducten betrekking heeft, maar integendeel op alle werken,
die voor bescherming door de Conventie in aanmerking komen. Ik meen
dus, dat in de opsomming van art. 4 Conventie 1886 niet anders moet
worden gezien dan eene nadere omlijning van het, min of meer vage,
begrip dat de woorden "werken van letterkunde en kunst" in den titel
en het eerste artikel der Conventie aangeven. Het artikel leert ons,
welke de werken zijn die--volgens de regelen en onder de voorwaarden,
welke de twee voorgaande artikelen stellen--in het Verbond beschermd
zullen worden.
Volgens deze meening is dus voor een werk het feit dat het behoort tot
degenen die in artikel 4 worden opgenoemd, op zichzelf nog niet genoeg
om het de bescherming der Conventie 1886 deelachtig te doen worden;
het moet daarenboven zoowel in het land, dat door de Conventie als
land van herkomst wordt beschouwd, als in het land waar de bescherming
wordt ingeroepen, beschermd zijn.
Hiermede is echter niet gezegd, dat het artikel alle beteekenis mist,
en dat het evengoed had weggelaten kunnen worden. Voor de reeds bij
de Conventie aangesloten staten geeft het, zoo al niet eene stellige
verplichting, dan toch in ieder geval eene aanwijzing, die moeilijk
kon worden voorbijgezien, dat zij hunne wetgevingen met dit artikel
in overeenstemming dienen te brengen of te houden. En in het algemeen
kan worden gezegd, dat deze overeenstemming ook steeds heeft bestaan.
Voor de nog niet aangesloten staten, die zich op dit stuk aan de
Conventie 1886 zouden willen houden, is het besproken artikel
van niet minder gewicht, en wel in verband met de bepaling van
artikel 25 eerste lid Conventie 1908 (art. 18 eerste lid Conventie
1886). Hier staat, dat alle staten tot het Verbond kunnen toetreden,
"die (op hun gebied) wettelijke bescherming verleenen aan de rechten,
die het onderwerp dezer Overeenkomst uitmaken." De toetreding kan dus
worden geweigerd aan die staten, wier wetgeving niet op de hoogte is,
welke de Conventie eischt, en waar dus b.v. sommige van de in artikel
4 genoemde werken niet beschermd zijn.
Dat in dit opzicht aan artikel 4 eene uitlegging in strengen zin zou
worden gegeven, is zoo goed als zeker, vooral waar geoordeeld zou
moeten worden over eene onvolledige wetgeving als de Nederlandsche,
die de geheele rubriek "werken van beeldende kunst" onbeschermd
laat. Professor Röthlisberger, zeker een vertrouwbare autoriteit op
dit gebied, schreef hierover (vóór de herziening van Berlijn) o. a:
"So ist est auch communis opinio, dass ein Land, das der Berner Union
beitreten will, den Schutz, den die K(onvention) bietet, bei sich
verwirklichen muss. Ohne Zaudern nimmt jedermann an ...., dass vor dem
Eintritt in die Union zur Vermeidung von Konflicten die Landesgesetze
auf die Höhe des Schutzmasses speziell von Art. 4 zu bringen seien."
Speciaal wat ons land betreft voegt de schrijver er nog bij:
"Man erachtet es in Holland als selbstverständlich, dass die dortige
Gesetzgebung zuerst im Sinne des Schutzes der Künstler zu revidieren
sei, bevor dieses Land in die Union trete. Eine Stellung, wie sie
Holland in der gewerblichen Union einnimmt, der es angehört, ohne
Erfindungsschutz zu besitzen, wäre in der Literarunion nicht denkbar"
[542].
Het kan dus als vaststaande worden aangenomen, dat aan ons land het
toetreden tot het Verbond geweigerd zal worden, zoolang de werken
van beeldende kunst bij ons onbeschermd zijn. Wat de overige werken
betreft, is onze wet vrijwel op de hoogte van art. 4 der Conventie
1886. De "boeken, brochures en alle andere geschriften" van dit
artikel zouden alle vallen onder de "geschriften" van artikel 1
onzer wet. Verder zijn ook in onze wet beschermd: "dramatische of
dramatisch-muzikale werken, muziekstukken met of zonder tekst" [543].
Nemen wij aan, dat het Ontw. B. K. vóór onze toetreding tot wet is
verheven, dan zou ook de uitdrukking "werk van beeldende kunst" in
artikel 1 van dit ontwerp alles omvatten, wat in de Conventie wordt
aangeduid met de woorden: "teekeningen, schilderijen, beeldhouwwerken
en gravures" en waarschijnlijk ook de "lithographieën" (waaronder
ook gerekend moeten worden de chromo-lithographieën) [544] en
"illustraties", die de Conventie daarna nog noemt. Alleen de
"landkaarten, geographische, topographische, bouwkundige of in het
algemeen wetenschappelijke ontwerpen, schetsen en plastische modellen"
zouden eenige moeilijkheid opleveren. Deze werken behooren, zooals ik
in hoofdstuk III heb uiteengezet, niet tot de werken van beeldende
kunst. In de memorie van toelichting van het Ontw. B. K. (§ 2 p. 4)
wordt wel gezegd: "Het spreekt echter van zelf, dat de namaak van
bouwkundige teekeningen wel in de termen van de wet valt; immers
bouwkundige teekeningen zijn teekeningen enz." Doch dit is eene
verklaring van niet veel beteekenis; men kan evengoed zeggen (al gaat
natuurlijk overigens de vergelijking niet op): "een huisschilder is
een schilder enz." Platte gronden, doorsneden en dergelijke moge
men teekeningen kunnen noemen, werken van beeldende kunst zijn
zij zeker niet. Vonden zij als zoodanig dus geen bescherming, dan
zouden zij nog kunnen behooren tot de "plaat- en kaartwerken" van
art. 1 W. A. R. Over deze ongelukkig gekozen uitdrukking onzer wet
is te zijner plaatse (pp. 196 sqq.) reeds genoeg gezegd. Indien men
haar, wat te verwachten is, vóór onze toetreding tot de Conventie
uit de wet verwijdert, dan zou het m. i. aanbeveling verdienen, in
de plaats daarvan de--misschien wat omslachtige, maar in elk geval
duidelijke en volledige--termen der Conventie over te nemen, dus:
"landkaarten, geographische, topographische, bouwkundige of in het
algemeen wetenschappelijke ontwerpen, schetsen en plastische modellen".
Men ziet uit het bovenstaande, dat de Conventie 1886 van de staten
die wenschen toe te treden eischt, dat zij den besproken werken in
hunne wetgeving bescherming verleenen. In artikel 2 der Conventie
1908 is deze verplichting, om allen twijfel onmogelijk te maken,
uitdrukkelijk voorgeschreven. Het derde lid van dit artikel luidt:
De contracteerende Landen zijn verplicht de bescherming der
bovengenoemde werken te verzekeren.
Door deze nieuwe bepaling, welke elke nieuw-toetredende staat wel
zal dienen te aanvaarden, valt aan de genoemde verplichting in het
geheel niet meer te ontkomen. Want terwijl het vroeger nog mogelijk
was, dat een staat met eene onvolledige wetgeving op dit punt met
goedkeuring der aangesloten staten lid werd van het Verbond, zou nú
een dergelijke staat de Conventie schenden, indien niet ten spoedigste
in zijne wetgeving de noodige aanvulling werd gebracht.
Nog dient er hier op te worden gewezen, dat de verschillende soorten
van werken, welke artikel 2 (nieuw) en artikel 4 (oud) opsommen,
slechts als voorbeelden zijn genoemd van "producten op letterkundig,
wetenschappelijk of kunstgebied, die door den druk of op andere wijze
gepubliceerd kunnen worden." Kan dus een werk tot de laatstgenoemde
producten gerekend worden, dan geniet het ook de bescherming der
Conventie, al is het niet onder een van de met name genoemde rubrieken
onder te brengen. Door eene redactiewijziging heeft men deze bedoeling
(die men trouwens van den aanvang af ook met het oude artikel 4 gehad
heeft) in het nieuwe artikel 2 duidelijker uitgesproken. Van groot
practisch belang is dit echter niet, want in de eerste plaats blijft
er na de vrij volledige opsomming niet veel meer over, dat gerekend
zou kunnen worden tot de producten op letterkundig, wetenschappelijk
of kunstgebied, die door den druk of op andere wijze gereproduceerd
kunnen worden [545] (behoudens natuurlijk de werken, die hierboven
afzonderlijk zijn genoemd en die zoo aanstonds besproken zullen
worden: photographieën, choregraphische werken, werken der bouwkunst
en producten van kunstnijverheid); en in de tweede plaats zou uit deze
min of meer vage en voor subjectieve uitlegging vatbare aanduiding
m. i. moeilijk eene stellige verplichting zijn te halen, nóch voor
een staat (om zijne wetgeving te veranderen) nóch voor den rechter (om
tegen de wet van zijn land in de bescherming van een werk te erkennen).
Photographieën--Tegen het opnemen der photographieën in artikel 4
Conventie 1886 werd destijds door sommige staten bezwaar gemaakt, omdat
zij een auteursrecht van photografen in hunne wet niet kenden. Daar men
echter de internationale bescherming van dit recht, daar waar het wél
door de inlandsche wetgeving erkend werd, niet onmogelijk wenschte te
maken, werd in het Slotprotocol no. 1 de volgende bepaling opgenomen:
Ten opzichte van artikel 4 is men overeengekomen, dat de
verbondslanden, die aan photographieën het karakter van kunstwerken
niet ontzeggen, zich verbinden aan deze werken de bepalingen der
heden gesloten overeenkomst van haar in werking treden af ten goede
te doen komen. Zij zijn overigens, afgezien van bestaande of nog
te sluiten internationale verdragen, slechts gehouden de genoemde
werken te beschermen in die mate als hunne wetgeving dit toelaat.
Men ziet, dat deze bepaling niet de verplichting oplegt,
om auteursrecht op photographieën in te voeren, daar waar het
niet bestaat. Doch de staten, die dit recht wél erkennen en die
aan photographieën het karakter van kunstwerken niet ontzeggen,
worden gedwongen dit recht, volgens de bepalingen der Conventie,
ook aan de photografen van andere Verbondslanden te verleenen,
zelfs aan degenen, die in hun eigen land onbeschermd zijn. Dit
laatste is eene uitzondering op het stelsel der Conventie 1886,
volgens hetwelk de internationale bescherming slechts aan die werken
ten goede komt, welke in hun eigen land (d. w. z. het land waar
zij het eerst gepubliceerd zijn of dat, waartoe de auteur behoort)
tot de beschermde producten worden gerekend. Voor het overige is
echter de photographie-bescherming aan dezelfde regels gebonden,
die de Conventie 1886 ten aanzien van alle andere werken inhoudt
(b.v. wat betreft de vervulling der voorwaarden en formaliteiten in
het land van herkomst en de berekening van den duur van het recht);
daar er niet een speciaal recht ten behoeve der photografen is in
het leven geroepen, doch slechts de verplichting gestipuleerd om hun
"de bepalingen der Overeenkomst ... ten goede te doen komen" [546].
De Additionneele Acte van Parijs (art. 2, I) bracht in deze bepaling
van het Bernsche Slotprotocol eene kleine wijziging. Volgens den ouden
tekst zijn alleen die staten verplicht de photographieën uit andere
Verbondslanden te beschermen, die daaraan "het karakter van kunstwerken
niet ontzeggen". Volgens deze bepaling was dus b.v. Duitschland, waar
vóór de wet van 9 Jan. 1907 de photographieën wel beschermd waren,
doch in eene afzonderlijke wet, niet als werken van beeldende kunst
(dus niet als "kunstwerken"), niet verplicht aan de photographieën uit
andere Verbondslanden bescherming te verleenen. In Parijs werd nu de
bepaling zoodanig gewijzigd, dat de verplichting wordt opgelegd aan
alle staten die de photographieën beschermen, onverschillig of deze
al dan niet als kunstwerken worden beschouwd.
Dit was de eenige wijziging, welke de regeling der photographieën
op de Parijzer Conferentie onderging. Wel werd nog in de Verklaring
(onder no. 1) uitdrukkelijk geconstateerd, dat de algemeene regel,
dat vervulling van voorwaarden en formaliteiten uitsluitend in het
land van herkomst kan geëischt worden, ook op de photographieën
toepasselijk is, doch men kan aannemen, dat dit ook zonder deze
uitdrukkelijke verklaring het geval was. Men nam haar slechts op,
om allen twijfel hieromtrent onmogelijk te maken.
Het Berner Slotprotocol no. 1 bevat nog een tweede lid, dat ook in
de Add. Acte van Parijs is blijven staan. Het houdt de bepaling in,
dat photographieën van beschermde kunstwerken, die met toestemming
van den rechthebbende zijn vervaardigd, even lang beschermd zijn in
het Verbond als deze kunstwerken zelve. Deze bepaling strekte dus
niet ter bescherming der photographie als auteursproduct, maar ter
bescherming van het kunstwerk tegen indirecte reproductie. Immers
het recht, dat de photograaf in het bedoelde geval zou kunnen doen
gelden, is niet het door hemzelf gevestigd auteursrecht, maar dat van
den schilder, teekenaar, beeldhouwer enz. hetwelk hem door dezen is
overgedragen. In dit nummer van het Slotprotocol, waar het auteursrecht
van den photograaf was geregeld, was de bepaling daarom niet op hare
plaats. Bovendien was zij volkomen overbodig; ook indien zij niet
bestond zou het verspreiden van eene reproductie van eene dergelijke
photographie tegen de bepalingen der Conventie strijden, als inbreuk
nl. op het recht van den auteur van het oorspronkelijke kunstwerk. Want
men is het er algemeen over eens, dat eene reproductie--van een
schilderij b.v.--ook dan inbreuk op het auteursrecht uitmaakt, wanneer
zij niet direct naar het origineel is vervaardigd, maar gemaakt is
met behulp van eene andere, reeds bestaande reproductie.
De Conventie 1908 behandelt de photographieën in artikel 3, dat
aldus luidt:
De tegenwoordige Overeenkomst is toepasselijk op photographieën en
op werken met een soortgelijk procédé verkregen. De contracteerende
Landen zijn gehouden de bescherming ervan te verzekeren.
De laatstbesproken bepaling van Slotprotocol no. 1 tweede lid en
Add. Acte 1896 art. 2 I, B tweede lid is dus, zeer terecht, weggelaten.
Van meer belang is, dat het nieuwe artikel de bescherming der
photographieën in alle landen verplichtend stelt. In dit opzicht
zijn zij dus gelijkgesteld met die werken, welke in het eerste lid
van artikel 2 zijn genoemd. Men heeft ze echter niet onder de daar
opgesomde "werken van kunst en letterkunde" willen noemen, omdat
men de vraag, of de photographieën al dan niet tot de kunstwerken
gerekend moeten worden geheel in het midden wilde laten. Elke staat
wordt vrijgelaten de photographieën te qualificeeren zooals hij wil,
mits hij ze maar beschermt.
De invoering van de verplichte bescherming der photographieën hield
de vervulling in van een der "wenschen" welke op de Conferentie van
Parijs waren uitgesproken, nl.: "dat in alle Verbondslanden de wet
bescherming moge verleenen aan photographieën en aan werken, die met
een soortgelijk procédé zijn verkregen." [547] Doch het tweede deel
van dezen wensch: "dat de duur dezer bescherming minstens vijftien
jaren moge bedragen", heeft men op de Berlijnsche Conferentie niet
kunnen verwezenlijken. Hoezeer men ook het nut inzag van een uniformen
termijn, heeft men zich toch genoodzaakt gezien de beslissing over
den duur der bescherming aan de wet van elk land over te laten. De
desbetreffende bepaling vindt men in artikel 7 derde lid Conventie
1908; ik laat haar daarom hier verder onbesproken.
De eischen, welke de Conventie aan een nieuw-toetredenden staat stelt
ten aanzien der photographieën, kunnen na het voorgaande in het kort
aldus worden samengevat.
Indien geen reserves worden gemaakt, indien men dus de Conventie
1908 op dit stuk onvoorwaardelijk aanvaardt, is de toetredende
staat krachtens artikel 3 verplicht de photographieën bij zich te
beschermen. Nederland zou dus in dit geval óf in eene speciale wet,
óf in het tot wet te verheffen Ontw. B. K. deze bescherming moeten
invoeren; deze bescherming zou krachtens de Conventie voor de
photographieën uit alle andere Verbondslanden gelden.
Wenscht men de nieuwe Conventie op dit punt niet te volgen, dan is de
eenige mogelijkheid: aanvaarding van de bepaling der Add. Acte van
Parijs (art. 2, I B eerste lid). Men neemt dan niet de verplichting
op zich de bescherming der photographieën onmiddellijk in te voeren,
doch gaat men hier later eenmaal toe over, dan zal evenals in het
vorige geval die bescherming ook voor de photographieën uit de andere
Verbondslanden gelden.
Een beroep op de bepaling van het Berner Slotprotocol, zonder de
wijziging die daarin te Parijs is gebracht, is hier uitgesloten. Die
wijziging strekte, zooals wij zooeven hebben gezien, alleen, om de
internationale bescherming ook te doen gelden in die landen, waar
de photographieën wél beschermd worden, maar niet tot de kunstwerken
worden gerekend. Uitsluitend dus voor een land, waar dit het geval is
of waar men van plan is eene wet in dezen zin in te voeren, zou het bij
toetreding tot de Conventie eenigen zin hebben, de oude bepaling van
het Berner Slotprotocol boven die van de Add. Acte te verkiezen. Doch
wat zou men hiermede bereiken? Dat men in dat land de eigen photografen
zou kunnen beschermen, zonder die uit de andere Verbondslanden van die
bescherming te laten genieten, terwijl omgekeerd in die andere landen
de eigen photografen wél beschermd zouden zijn. Een systeem dus van
niets geven en alles ontvangen, dat elke beschaafde staat zich zou
schamen te aanvaarden. Dit zou met recht een misbruik maken genoemd
kunnen worden van de vrijheid, die art. 25 lid 3 der Conventie 1908
aan de staten die wenschen toe te treden, laat!
Er mag echter wel op worden gewezen, dat een staat, die zich aan de
Add. Acte van Parijs houdt, eveneens de voordeelen geniet, welke de
Conventie op dit punt verschaft, zonder daarvoor iets in de plaats
te geven. In geen enkel der Verbondslanden zijn de photographieën
van alle bescherming verstoken; in de meeste landen worden zij in
de wet uitdrukkelijk onder de beschermde auteursproducten genoemd
(Zweden, Noorwegen en Denemarken hebben eene afzonderlijke wet; in
Duitschland, Japan en Zwitserland bevat de wet op het auteursrecht
daarover speciale bepalingen; in Engeland, Luxemburg, Monaco en
Spanje worden zij in de wet met name onder de kunstwerken genoemd);
terwijl b.v. in Frankrijk, Italië en België, ondanks het ontbreken van
uitdrukkelijke wetsbepalingen, door de jurisprudentie een auteursrecht
op photographieën wordt erkend [548]. Hoogstwaarschijnlijk zullen
dus alle staten, die op dit oogenblik deel uitmaken van het Verbond,
het nieuwe artikel 3 aanvaarden (uit de verslagen van de Berlijner
Conferentie blijkt niet, dat één staat zich er tegen heeft verklaard)
[549]; voor een nieuw toetredenden staat, wiens onderdanen dus in
de geheele Unie de photographie-bescherming zullen kunnen inroepen,
brengt deze omstandigheid m. i. wel eenigszins de moreele verplichting
mee om, zoo dit eenigszins mogelijk schijnt, die bescherming ook bij
zich in te voeren.
Choregraphische werken--Ten aanzien der choregraphische werken
bestond in de Conventie 1886 eene soortgelijke regeling als ten
aanzien der photographieën. Evenals deze laatsten waren zij niet in
de opsomming van artikel 4 opgenomen, doch volgens Slotprotocol no. 2
waren de Verbondslanden "wier wetgeving onder de dramatisch-muzikale
werken ook de choregraphische werken begrijpt" gehouden ze van "de
voordeelen der bepalingen der heden gesloten Overeenkomst" te laten
genieten. Vooral Italië, waar balletten in de schouwburgzaal eene
groote plaats innemen, deed telkens moeite eene algemeene bescherming
in het geheele Verbond voor deze werken te verkrijgen; doch zoowel
te Bern [550] als te Parijs [551] stuitten deze pogingen op bezwaren
af van de andere mogendheden. Het begrip "choregraphisch werk" stond
nog te weinig vast en er bestond niet eene gevestigde opinie over de
grenzen, waarbinnen de bescherming van deze soort werken diende te
worden gehouden. Men bleef dus, tot aan de herziening van Berlijn,
bij de bovengenoemde bepaling van het Berner Slotprotocol, dat de
verplichting tot internationale bescherming alleen oplegt aan de
landen, waar deze werken reeds beschermd zijn, terwijl nog in een
tweede lid aan de rechters, die deze bepaling zouden hebben toe
te passen, de meest mogelijke vrijheid bij hunne uitlegging werd
verzekerd.
Op de Conferentie van Berlijn kwam Italië weer met het oude voorstel:
choregraphische werken en pantomimes op te nemen onder de beschermde
producten. De Duitsche Regeering wenschte ook de bepalingen der
Conventie algemeen op deze werken toepasselijk te verklaren, doch
alleen op diegenen, "waarvan de dramatische actie schriftelijk was
vastgelegd"; de balletten en pantomimes, die dezen tastbaren vorm
ontbeerden, kwamen naar de meening dezer Regeering wegens hun al te
vluchtig bestaan niet voor bescherming in aanmerking [552].
Met elk dezer beide voorstellen is bij het redigeeren der nieuwe
bepaling rekening gehouden. De bedoelde werken werden in artikel
2 opgenomen, (waardoor men dus de verplichte bescherming in alle
landen voor hen had verkregen, wat door beide bovengenoemde staten
was verlangd), terwijl de door Duitschland voorgestelde voorwaarde in
overleg met de Italiaansche gedelegeerden zoodanig werd aangevuld,
dat niet alleen de schriftelijke vorm, maar ook elke andere vorm
van fixeering (b.v. door middel van teekeningen) voldoende zal
zijn, om voor een werk de bescherming te verzekeren. Tusschen de
"dramatisch-muzikale werken" en de "muziekstukken" prijken dus nu in
het nieuwe artikel de "choregraphische werken en pantomimes, waarvan
de mise-en-scène door schrift of op andere wijze is vastgelegd."
Indien derhalve een staat, welke tot de Conventie toetreedt, niet
de verplichting wil op zich nemen deze werken te beschermen, zal
hieromtrent eene uitdrukkelijke verklaring moeten worden afgelegd. In
plaats van de dwingende bepaling der Conventie 1908 (art. 2 lid 1
jo lid 3) zal dan de oude regeling van het Berner Slotprotocol no. 2
ten aanzien van dien staat van kracht blijven.
Werken der bouwkunst--In een vorig hoofdstuk is reeds uiteengezet
(p. 232), wat men te verstaan heeft onder het auteursrecht op werken
der bouwkunst en waarin het verschil bestaat tusschen dit recht en
dat op bouwkundige plannen en teekeningen. Dit laatste behoeft hier
niet te worden besproken; wij hebben alleen te maken met het recht
op de bouwkundige werken zelf, onafhankelijk van den vorm, waarin
zij zijn openbaar gemaakt.
De Conventie 1886 bevat geen bepaling over deze werken; eerst op
de Conferentie van Parijs is de bescherming ervan in het Verbond
ingevoerd. Dit geschiedde door de volgende bepaling, opgenomen in de
Add. Acte art. 2, I, A.:
In de landen van het Verbond, waar bescherming wordt verleend
niet alleen aan bouwkundige plannen, maar ook aan de bouwkundige
werken zelf, genieten deze werken de voordeelen der bepalingen van
de Berner Overeenkomst en van de tegenwoordige Additionneele Acte.
Hierdoor waren de bouwkundige werken gelijkgesteld met de
photographieën en de choregraphische werken. Geen verplichting dus
om de bouwkundige werken uit andere Verbondslanden te beschermen dan
alleen in die landen, waar deze bescherming reeds voor de inlandsche
auteurs bestond.
Hoewel deze bescherming lang niet zoo algemeen in de verschillende
Verbondslanden erkend is als b.v. die der photographieën, is men
er toch op de Conferentie van Berlijn in geslaagd, ook hierop den
algemeenen regel (verplichte bescherming in alle Verbondslanden)
toepasselijk te verklaren. Zonder dat iemand er zich tegen
verzette zijn de bouwkundige werken in artikel 2 onder de beschermde
auteursproducten opgenomen. Alleen door Zweden werden reserves gemaakt
[553].
Daar in ons land op werken der bouwkunst geen auteursrecht bestaat,
terwijl ook het Ontw. B. K. ze uitdrukkelijk van de bescherming
uitsluit (art. 1 lid 2), zal men bij onze toetreding tot de Conventie
óf de wetgeving op dit punt moeten aanvullen óf uitdrukkelijk
verklaren, dat men de nieuwe Berlijnsche regeling niet aanvaardt.
Producten van kunstnijverheid en toegepaste kunst--Deze werken bieden
voor eene internationale regeling van het auteursrecht nog groote
moeilijkheden. In het algemeen is wel, zoowel bij de schrijvers als
in de wetgevingen van verschillende landen, een streven merkbaar,
om met de kunstwerken in het auteursrecht gelijk te stellen die
werken, welke als nijverheidsproducten ook aan andere dan zuivere
kunst-doeleinden dienstbaar zijn gemaakt. Doch over de vraag, welke
werken van kunstnijverheid of van toegepaste kunst het dan zijn,
die voor deze gelijkstelling in aanmerking komen, wordt nog zeer
verschillend gedacht.
Het is daarom verklaarbaar, dat men nóch op de Conferenties van Bern,
nóch op de herzienings-conferentie van Parijs, er in geslaagd is,
eene bepaling over deze werken in de Conventie te doen opnemen. In
de Conventie 1908 worden zij voor het eerst met name genoemd, en wel
in het laatste lid van artikel 2, dat aldus luidt:
De producten van kunstnijverheid en toegepaste kunst (oeuvres d'art
appliqué à l'industrie) zijn beschermd voor zoover de inlandsche
wetgeving van elk land dit toelaat.
Ondanks de pogingen van verschillende staten (o. a. Frankrijk,
Duitschland, België en Italië) die voor de volkomen gelijkstelling
met de kunstwerken in engeren zin pleitten, heeft men zich ten
slotte moeten tevreden stellen met de bovengenoemde bepaling, die
alleen dwingend is voor de staten, waar auteursrecht op werken der
kunstnijverheid bestaat, en voor het overige alles aan de inlandsche
wetgeving overlaat.
Eene groote hervorming is hiermede niet bereikt. Want ook onder de
oude Conventie, die deze werken in 't geheel niet noemde, waren zij
niet geheel onbeschermd. Het laatste gedeelte van artikel 4 Conventie
1886 noemt onder de werken, waarop de Conventie toepasselijk is:
"... ten slotte ("enfin") elk product op letterkundig, wetenschappelijk
of kunstgebied, dat gepubliceerd kan worden door middel van den druk
of van eenige andere wijze van reproductie".
Het woord "enfin" waarmede deze zin wordt ingeleid, heb ik gemeend
te moeten vertalen door "ten slotte" en niet door "kortom", zooals
door anderen is gedaan. Oorspronkelijk stond in den Franschen tekst:
"et en général"; dit is veranderd in "enfin" uitsluitend terwille
der welluidendheid, omdat nl. anders wegens eene wijziging in het
voorafgaande woord, de uitdrukking "en général" tweemaal kort achtereen
in dezelfde zin zou zijn komen te staan. Het staat trouwens vast,
dat met het Fransche woord "enfin" niet is bedoeld de opsomming, die
eraan voorafgaat, af te sluiten, zoodat het daaropvolgende slechts eene
resumptie zou zijn van hetgeen voorafgaat. Het Fransche synoniem is,
zooals o. a. uitdrukkelijk door Numa Droz is verklaard [554], niet
"en somme" maar "en outre".
Met de laatste woorden van artikel 4 Conventie 1886 worden dus
weer andere producten bedoeld dan de reeds genoemde. En daar voor
photographieën, werken der bouwkunst en choregraphische werken elders
in de Conventie afzonderlijke bepalingen voorkomen, blijft er niet
veel meer over, waarop zij toepasselijk kunnen zijn, dan juist de
werken der kunstnijverheid.
Doch hiermede was de internationale bescherming van deze werken nog
niet op een hechten grondslag gevestigd. Want in de eerste plaats
is over de boven gegeven uitlegging van artikel 4 niet alle twijfel
uitgesloten; en bovendien kon verschil van meening bestaan over
den invloed, die in dezen aan de inlandsche wetgevingen moet worden
toegekend. Volgens het stelsel der Conventie 1886 moet een werk in
het land, waaruit het afkomstig is, tot de beschermde producten
behooren, wil het in een der andere Verbondslanden op de aldaar
geldende bescherming aanspraak maken. Dikwijls was dit ten aanzien
der hier bedoelde werken niet het geval; dan was dus de internationale
bescherming volgens de Conventie uitgesloten. Het kwam ook voor, dat
zekere categorieën van kunstnijverheids-producten in het ééne land
als kunstwerken, en in het andere land als objecten van industrieelen
eigendom werden beschermd. Men stond dan voor de moeilijke vraag,
of een dergelijk werk al dan niet als een "kunstwerk" in den zin der
Conventie was te beschouwen. Hierbij deed zich dan nog eene bijzondere
moeilijkheid voor in verband met de te vervullen voorwaarden en
formaliteiten, die in verscheidene landen voor industrie-producten wél,
doch voor kunstwerken niet werden geëischt. Had men eenmaal in zijn
eigen land de formaliteiten voor de industrieele bescherming vervuld,
dan was dit soms oorzaak dat in een ander land, waar hetzelfde werk
alleen als kunstwerk beschermd was, de bescherming werd geweigerd
[555].
Dit alles maakte, dat tot nu toe de bescherming der kunstnijverheid in
het Verbond--al was zij door de Conventie niet geheel uitgesloten--toch
van twijfelachtigen aard is geweest; met volkomen zekerheid viel er
in de meeste gevallen niet op te rekenen.
Hierin nu heeft de Conferentie van Berlijn wel eenige verbetering
gebracht. Het staat nu althans vast, dat zoodra de Conventie 1908 in
werking zal zijn getreden, in alle landen de bescherming volgens de
inlandsche wet zal kunnen worden ingeroepen, ook voor die werken,
waarvoor in hun eigen land geene bescherming bestaat. Voor de
rechters moge deze nieuwe regeling zeer eenvoudig zijn, daar zij nu
ten aanzien van alle producten van kunstnijverheid uit het geheele
Verbond slechts de wet van hun eigen land hebben toe te passen; voor
de belanghebbenden is zij dit zeer zeker niet. Immers om te weten,
waar voor een bepaald werk op bescherming kan worden gerekend en waar
niet, zal men de betreffende wetsbepalingen en de uitlegging, die er
aan wordt gegeven, in alle landen moeten kennen. Dat dit--vooral waar
het hier eene materie betreft waarover nog zooveel verschil van inzicht
bestaat--niet altijd even gemakkelijk zal vallen, springt in het oog.
Vertalingen, bewerkingen en verzamelwerken--Het tweede lid van artikel
2 Conventie 1908 is als volgt geredigeerd:
Als oorspronkelijke werken worden beschermd, onverminderd de
rechten van den auteur van het oorspronkelijk werk: vertalingen,
bewerkingen (adaptations), muziek-arrangementen en andere
reproducties in veranderden vorm (reproductions transformées)
van een geschrift of kunstwerk, alsmede verzamelingen van
verschillende werken.
Het noemen van deze werken onder degenen die door de Conventie
beschermd worden is iets nieuws. En al mag worden aangenomen,
dat de bedoelde rechten ook onder de oude Conventie bestonden,
kan de uitdrukkelijke vermelding op deze plaats uit een oogpunt van
volledigheid en stelselmatigheid als eene verbetering worden beschouwd.
De bescherming der vertalingen is in de Conventie 1886 wel
geregeld, doch het betreffende artikel (art. 6), is niet gelukkig
uitgevallen. Het luidt als volgt:
Geoorloofde vertalingen worden als oorspronkelijke werken
beschermd. Zij genieten derhalve, wat de onbevoegde reproductie
ervan in de Verbondslanden betreft, de bescherming, vastgesteld
in de artikelen 2 en 3.
Wanneer het echter een werk betreft, waarvan de bevoegdheid
tot vertalen gemeengoed is, kan de vertaler zich er niet tegen
verzetten, dat hetzelfde werk ook door andere schrijvers vertaald
wordt.
Uit alles blijkt, dat men bij de opstelling van dit artikel--wat
zoo dikwijls geschiedt--niet scherp genoeg van elkander heeft
weten te onderscheiden het uitsluitend vertalingsrecht van den
auteur van het oorspronkelijk werk en het recht van den vertaler op
zijne vertaling. De plaats, die men aan het artikel heeft gegeven
(nl. terstond ná de bepalingen over het uitsluitend vertalingsrecht
in art. 5) wijst dit reeds aan. Doch meer nog de bepalingen zelf.
Het artikel spreekt van geoorloofde vertalingen (traductions licites),
waarmede bedoeld zijn vertalingen, waarvan de verspreiding niet in
strijd is met het uitsluitend vertalingsrecht van den oorspronkelijken
auteur. Er bestaat echter, zooals reeds in dit proefschrift is
opgemerkt (pp. 179, 180), geen grond om den vertaler het recht op zijne
vertaling te onthouden in de gevallen, dat hij door de uitoefening
van dat recht met het uitsluitend vertalingsrecht van den auteur van
het werk in botsing zou komen. Beide rechten dienen onafhankelijk van
elkander erkend te worden. Niet alleen uit doctrinair oogpunt is het
woordje "licite" af te keuren; het bracht ook practische bezwaren bij
de toepassing. Tot de "geoorloofde" vertalingen behooren natuurlijk
ook degenen, die gemaakt zijn van werken, waarop geen uitsluitend
vertalingsrecht meer bestaat, daar in dat geval van den schrijver geene
toestemming behoeft gevraagd te worden. Doch volgens de Conventie 1886
is de duur van het vertalingsrecht niet in alle landen noodzakelijk
dezelfde. Daardoor kon het gebeuren, dat eene vertaling, waarin de
auteur van het oorspronkelijke werk niet was gekend, in het ééne land
"geoorloofd" was (omdat daar de termijn voor het vertalingsrecht
was verstreken) en in het andere land, waar het vertalingsrecht nog
voortduurde, en dus de toestemming van den auteur gevraagd had moeten
worden, "ongeoorloofd". Was zulke eene vertaling nu in het Verbond
beschermd? Hoe deze vraag moet worden opgelost komt er hier weinig
op aan; ik noemde haar slechts om ook op een der practische bezwaren
van het besproken artikel de aandacht te vestigen [556].
Een ander bezwaar tegen artikel 6 Conventie 1886 is, dat het door
uitsluitend naar de artikelen 2 en 3 te verwijzen, aan den vertaler
alleen bescherming tegen nadruk verleent en niet tegen onbevoegde
opvoering, voor 't geval het een tooneelstuk betreft. Het op- en
uitvoeringsrecht is in de Conventie 1886 geregeld in artikel 9;
hier wordt wel gesproken van het recht van den schrijver van een
tooneelstuk om zich tegen onbevoegde opvoering van vertalingen van
het stuk te verzetten, maar niet van het opvoeringsrecht van den
vertaler. Laatstgenoemd recht bestond dus niet onder de oude Conventie.
Het tweede lid van artikel 6 is volkomen overbodig. Op de
Conferentie van Berlijn stelde de Duitsche Regeering voor het te
laten vervallen. Als motief hiervoor werd opgegeven, dat het geval,
waarop de bepaling betrekking heeft, zich niet meer zou kunnen
voordoen, wanneer--wat deze Regeering eveneens voorstelde--het
uitsluitend vertalingsrecht met het reproductierecht in duur zou
zijn gelijkgesteld. Het was dan immers niet meer mogelijk, dat op een
werk wél auteursrecht en geen vertalingsrecht bestond [557]. Doch ook
al was deze laatste wijziging in de nieuwe Conventie niet tot stand
gekomen, bestond er alle reden om de bepaling te doen verdwijnen. Het
spreekt vanzelf dat een vertaler geen recht heeft, zich tegen het
uitgeven van andere vertalingen te verzetten, daar het object van
zijn recht is: de door hemzelf gemaakte vertaling. Het recht om
zich tegen de uitgave van andere vertalingen te verzetten (dus: het
uitsluitend vertalingsrecht) komt natuurlijk alleen den auteur van het
oorspronkelijke werk toe. Deze kan dat recht aan een vertaler hebben
overgedragen; maar met dit geval behoefde de Conventie zich niet in te
laten, en allerminst in een artikel dat het recht van den vertaler op
zijne vertaling regelt. Men ziet hier weer dezelfde dooreenhaspeling
van de beide rechten, als waarvan hierboven sprake was.
Na het voorgaande zal men inzien, dat de Conferentie van Berlijn
een goed werk deed, door het oude artikel 6 geheel te schrappen. In
de plaats daarvan is nu de eenvoudige vermelding gekomen, op de
plaats waar dit behoort, dat de vertalingen tot de door de Conventie
beschermde producten behooren. En daarmede is ook alles gezegd, wat
noodig was. Ten overvloede staat nog in het artikel: "onverminderd de
rechten van den auteur van het oorspronkelijk werk", hetgeen evengoed
had kunnen wegblijven. Verkeerde gevolgtrekkingen zijn uit deze
woorden echter niet te maken, en daarom kan men er vrede mede hebben.
Volgens de nieuwe bepaling zijn dus alle vertalingen in het geheele
Verbond beschermd (artikel 2 lid 2 jo lid 3 Conventie 1908). Onze
wet, die, zeer juist, "vertalers ten opzichte van hunne vertaling"
met auteurs gelijkstelt, is hiermede volkomen in overeenstemming. Op
dit punt bestaan dus niet de minste moeilijkheden met het oog op het
toetreden van ons land tot de Conventie.
Behalve de vertalingen noemt artikel 2 tweede lid nog: bewerkingen
en verzamelwerken.
Bewerkingen kunnen worden gemaakt van werken der toonkunst
(muziek-arrangementen), van geschriften (b.v. de omwerking van roman
tot toneelstuk) en ook van werken van beeldende kunst (b.v. een
ets naar eene schilderij). Op al deze soorten is de bepaling
toepasselijk. De bedoeling is natuurlijk, dat alleen die bewerkingen
beschermd worden, welke het resultaat zijn van eigen scheppenden
arbeid; en niet min of meer vermomde namaken of nadrukken van het
origineel. Aan dit laatste moet, zooals dat hierboven is uiteengezet,
een nieuwe uiterlijke of innerlijke vorm zijn gegeven, wil de bewerker
op auteursrecht aanspraak kunnen maken.
De bepaling laat echter--wat trouwens in deze materie niet anders
kan--eene groote vrijheid van beweging over aan wetenschap en
jurisprudentie, en het is daarom te voorzien, dat zij niet overal
in het Verbond precies op dezelfde wijze zal worden uitgelegd. De
inlandsche wetten kunnen ook op dit stuk bijzondere--min of meer
van elkaar afwijkende--bepalingen bevatten, die voorzoover zij met
het beginsel der Conventie niet in strijd zijn, ook op de werken uit
andere Verbondslanden toepassing zullen blijven vinden.
Een staat, die de bepaling zonder reserve aanvaardt, verbindt zich
(krachtens lid 3 van hetzelfde artikel), de genoemde werken bij zich te
beschermen. Eene uitdrukkelijke wetsbepaling is hiervoor niet noodig,
mits er eenige waarborg zij, dat die bescherming in voorkomende
gevallen werkelijk zal worden verleend. Of dit in ons land bij de
bestaande wetgeving het geval is, mag worden betwijfeld. De wet
zwijgt op dit punt en de rechtspraak heeft zich zoover mij bekend,
nog nooit duidelijk hierover uitgesproken [558]. Wil derhalve ons
land de verplichting, welke de bepaling oplegt, getrouw nakomen,
dan zal eene uitdrukkelijke vermelding van de genoemde werken in
onze wet (waartegen waarschijnlijk niemand eenig bezwaar zal hebben)
gewenscht zijn.
Wat de werken van beeldende kunst betreft bevat het Ontw. B. K. in
artikel 4 eene bepaling, die--eenmaal tot wet verheven--volkomen
aan de eischen der Conventie zou voldoen. Aan hem, die een werk
van beeldende kunst, door een ander vervaardigd, door eene andere
beeldende kunst of door eene mechanische bewerking namaakt, wordt
daarbij het auteursrecht op dien namaak verleend. Dit recht wordt
door het Ontwerp (art. 11) in tijdsduur achtergesteld bij het overige
auteursrecht; dat deze bepaling afkeuring verdient heb ik reeds pogen
aan te toonen (p. 228); met de bepalingen der Conventie is dit echter,
zooals hieronder nog zal blijken, niet in strijd.
Ten slotte noemt het tweede lid van artikel 2 der Conventie nog:
verzamelingen van verschillende werken. In het rapport van Renault
wordt hierover o. a. opgemerkt: "Ce que l'on veut protéger, c'est
le travail qui a consisté à réunir divers oeuvres suivant un plan
déterminé, d'après un mode de groupement plus ou moins ingénieux"
[559]. Wat hierboven van de bewerkingen is gezegd, geldt ook voor
de verzamelwerken. Niet elke verzameling van losse stukken is een
auteurs-product. Aan den rechter, voorgelicht door de wetenschap,
blijft het te beslissen, wanneer dit al dan niet het geval is, en
men kan verwachten, dat daarbij niet in alle landen dezelfde maatstaf
zal worden gebruikt.
Onze wet verleent auteursrecht aan ondernemers van werken "gevormd
door bijdragen van onderscheidene mede-arbeiders" (art. 2, a). Geen
bescherming wordt dus verleend voor verzamelingen van verschillende
werken van eenzelfden auteur. De Conventie spreekt echter van
"verzamelingen van verschillende werken"; met opzet zijn de woorden
"van verschillende auteurs" die in het Duitsche voorstel, waaraan
de bepaling is ontleend, daarop volgden, weggelaten, omdat men ook
verzamelingen van werken, die van een en denzelfden auteur afkomstig
zijn, onder de bepaling wilde begrijpen [560]. Op dit--trouwens niet
zeer belangrijke--punt stemt onze wet dus niet geheel overeen met
de Conventie.
III Aard en omvang der bescherming (Conv. 1908 artt. 4, 5 en 6;
Conv. 1886 artt. 2 en 3; Add. Acte 1896 art. 1, I en II; Verklaring
1896 1o en 2o)
De drie artikelen, die nu volgen, bevatten in hoofdzaak het geheele
systeem, waarop de internationale bescherming in het Verbond berust.
Men vindt hier in de eerste plaats een antwoord op de vraag, welke
werken van deze bescherming genieten. De verschillende soorten
van werken, waarop de Conventie toepasselijk is, zijn in de twee
voorgaande artikelen genoemd; doch dit beteekent niet, dat alle
geschriften, muziekwerken, werken van beeldende kunst enz. enz. uit
de geheele wereld in het Verbond beschermd zijn. De Conventie trekt
zich alleen het lot van die werken aan, welke, hetzij door de plaats
van verschijnen, hetzij door de nationaliteit van den auteur, in een
van de Verbondslanden thuis behooren.
De tweede vraag, waarop deze artikelen een antwoord geven, betreft
den aard en omvang der bescherming, welke aan de genoemde werken
ten deel valt, dus: wáár men de bepalingen heeft te zoeken die in de
internationale betrekkingen moeten worden toegepast.
Als hoofdregel is hierbij aangenomen, dat de wet toepasselijk is
van het land, waar de bescherming wordt ingeroepen (de lex fori). Dit
beginsel heeft men gevolgd, voornamelijk om de rechters niet te dwingen
het, voor hen dikwijls moeilijk verstaanbare, buitenlandsche recht
toe te passen. Doch tegen eene zuivere toepassing van dezen regel
bestond het bezwaar, dat het daardoor mogelijk werd voor een auteur,
om in een ander land rechten van wijder strekking te genieten dan die
hem door de wet van zijn eigen land werden verleend. Om dit zooveel
mogelijk te voorkomen heeft men de bepaling opgenomen, dat naast de
lex fori op sommige punten ook eene andere wet zou meetellen en wel de
wet van het land waaruit het werk afkomstig is. Bij de herziening van
Berlijn is de invloed die aan deze laatste wet door de Conventie 1886
was toegekend weliswaar weer eenigermate ingekort, doch niet geheel
weggenomen. Ook volgens de Conventie 1908 moet de rechter dus behalve
met de wet van zijn eigen land rekening houden met die van het land,
waaruit het werk afkomstig is.
Uit het bovenstaande volgt, dat de vraag, welk land moet beschouwd
worden als dat waaruit het werk afkomstig is, in verschillende
opzichten van belang is. Het "land van herkomst" (pays d'origine) moet,
wil de Conventie van toepassing zijn, behooren tot de toegetreden
staten; en bovendien is zijne wetgeving van invloed op de mate van
bescherming, die het werk in de andere Verbondslanden geniet.
Het is daarom noodig, dat het begrip "land van herkomst" nauwkeurig
vaststa. De Conventie (C. 1908 art. 4 lid 3, C. 1886 art. 2 lid 3
en 4) maakt te dien opzichte onderscheid tusschen gepubliceerde en
niet-gepubliceerde werken: voor de eerste geldt als land van herkomst
dat waarin de publicatie heeft plaats gehad (het stelsel dus van de
nationaliteit van het werk), voor de laatste dat waartoe de auteur
behoort (nationaliteit van den auteur). Over de beteekenis van deze
beide uitdrukkingen: "tot een land van het Verbond behoorend auteur" en
"gepubliceerde werken" dient eerst het een en ander te worden gezegd.
1 "Tot een Verbondsland behoorend auteur"--Deze uitdrukking (auteur
ressortissant à l'un des pays de l'Union) werd gekozen door de
Commissie van de Berner Conferentie van 1884 in plaats van de woorden
"sujets ou citoyens", die niet overeenkwamen met de in de verschillende
wetgevingen gebruikte termen [561]. Zoowel de Commissie van 1884
als die van 1885 [562] verklaarden uitdrukkelijk, dat de uitdrukking
"ressortissant", die in de Conventie herhaaldelijk voorkomt (Conventie
1886 art. 2 lid 1 en 4, art. 5 lid 1; Conventie 1908 art. 4 lid 1,
art. 5, art. 6, art. 8), en de daaraan synonieme "appartenant"
(C. 1886 art. 3; C. 1908 art. 4 lid 3) hetzelfde beteekenen als:
"qui ont l'indigénat".
Hoewel de opsomming van al deze verschillende termen geen duidelijke
verklaring mag heeten van de beteekenis van het begrip, dat men
wilde uitdrukken, is twijfel hierover toch volkomen uitgesloten. De
band, die hier wordt bedoeld, is die van de nationaliteit of van het
onderdaanschap [563]. Bij Duitsche schrijvers vindt men hiervoor de
termen: staatszugehörig en angehörig, en ook wel: heimatberechtigt
[564]; de Fransche spreken ook van: nationaux [565]. Dat men zich aan
eene definitie van dit begrip niet heeft gewaagd, is begrijpelijk,
daar elke staat op zijne wijze vaststelt, welke personen daartoe
behooren en welke daarvan de gevolgen zijn.
De Conventie neemt dus de nationaliteit van den auteur tot
criterium, en niet, zooals de Nederlandsche wet, de woonplaats;
op de moeilijkheden, die uit dit verschil van stelsel bij onze
aansluiting zouden voortspruiten, kom ik zoo aanstonds nog terug. Ik
wil er hier slechts even op wijzen, dat wanneer ons land bij de
Conventie zal zijn aangesloten, onder de "tot den Nederlandschen
staat behoorende auteurs" gerekend zullen moeten worden niet alleen
de "Nederlanders" volgens de wet van 12 December 1892 (Stbl. 268),
maar daarenboven zij, die sommige schrijvers "onderdanen" noemen,
hoewel zij volgens art. 12 van de wet van 1892 tot de "vreemdelingen"
behooren, en waartoe o. a. gerekend moet worden de geheele inlandsche
en daarmede gelijkgestelde bevolking van Nederlandsch-Indië [566]. In
een onlangs (16 April 1909) bij de Tweede Kamer ingediend wetsontwerp
wordt het Nederlandsch-onderdaanschap van de eigen bevolking van
Nederlandsch-Indië uitdrukkelijk erkend [567]. Indien dit ontwerp vóór
onze toetreding tot de Conventie wet is geworden, zal men het woord
"ressortissants" met betrekking tot ons land kunnen vertalen met
"Nederlandsche onderdanen", wat dan zal beteekenen: allen, die naar
ons recht niet tot de vreemdelingen behooren.
2 Publiceeren--Over de beteekenis van het woord "publier" in de
Conventie heerschte vóór 1896 eenige onzekerheid. Door sommigen werd de
uitdrukking in ruimen zin opgevat, zoodat er elke openbaarmaking onder
verstaan moest worden, niet alleen die door den druk, maar b.v. ook
door op- of uitvoering, voorlezing, tentoonstelling, enz. Deze ruime
opvatting van het woord vond eenigen steun in eene opmerking van den
afgevaardigde Lavollée op de Conferentie van 1884 naar aanleiding
van het woord éditeur in art. 3, waaronder deze afgevaardigde meende
te moeten verstaan niet alleen een uitgever in den gewonen zin van
het woord, maar ook b.v. een schouwburg-ondernemer [568]. Hoewel deze
opvatting niet werd weersproken, mag toch worden betwijfeld, of zij in
1884 algemeen werd gedeeld. Reichardt verklaarde dienaangaande op de
Conferentie van Parijs: "On tenait avant tout à aboutir, c'est pourquoi
aucune voix ne s'éleva pour réclamer contre cette interprétation"
[569]; en deze zelfde afgevaardigde had reeds in 1885 bij de bespreking
van artikel 2 opgemerkt, dat de Duitsche wetenschap en jurisprudentie
eene mondelinge publicatie (par la parole) van een letterkundig werk
niet erkent [570]. Ik meen daarom, dat ook vóór 1896 de uitdrukking
"publier" in de Conventie de beteekenis had van "in druk verschijnen"
en dat daaronder niet viel op- en uitvoering en tentoonstelling [571].
In Parijs is echter voor de staten, die de Verklaring hebben
geteekend, alle twijfel weggenomen. Zoowel de Fransche als de
Duitsche afgevaardigden hadden eene speciale memorie opgesteld,
waarin de wenschelijkheid werd uitgesproken, het begrip "publication"
nauwkeuriger vast te stellen [572]. In aansluiting hiermede werd in
de Verklaring (sub 2o) de interpretatie opgenomen, die hierboven is
weergegeven. Dezelfde bepaling werd later opgenomen in de Conventie
1908 (art. 4 laatste lid).
Een gepubliceerd werk volgens de Conventie is dus een werk dat in
druk is verschenen, of volgens de terminologie van onze wet: een
"door den druk gemeen gemaakt" werk; tot de niet gepubliceerde
(door den druk gemeen gemaakte) werken behooren dus b.v. tooneel-
en muziekstukken, ook al zijn zij op- of uitgevoerd; mondelinge
voordrachten, teekeningen, schilderijen, beeldhouwwerk, zoolang
zij niet verveelvoudigd en exemplaren ervan in den handel zijn
gebracht. Ten aanzien van werken der bouwkunst kan eene publicatie
in den zin der Conventie alleen plaats hebben door de uitgave van
plannen en teekeningen; in de Conventie 1908 is nog de uitdrukkelijke
vermelding opgenomen (die in de Verklaring 1896 ontbrak) dat de bouw
geene publicatie uitmaakt.
Wat als "land van herkomst" van een werk wordt beschouwd is na
bovenstaande uitlegging duidelijk. Voor onuitgegeven werken is het
het land, waartoe de auteur volgens zijne nationaliteit behoort;
voor uitgegeven werken datgene waar de eerste uitgave heeft plaats
gehad. Indien de eerste uitgave tegelijkertijd in twee of meer landen,
die tot het Verbond behooren, plaats heeft gehad, dan wordt datgene
als land van herkomst beschouwd, dat den kortsten beschermingstermijn
heeft. De beteekenis van deze bepaling zal hieronder bij de
behandeling van artikel 7 blijken. De Conventie voorziet eindelijk
nog een ander geval: gelijktijdige uitgave van hetzelfde werk in en
buiten het Verbond. Alsdan wordt alleen het Verbondsland, waarin
de uitgave heeft plaats gehad, als land van herkomst beschouwd;
de gelijktijdige uitgave buiten het Verbond heft dus de bescherming
daarbinnen niet op. Deze laatste bepaling komt voor het eerst voor
in de Conventie 1908; er bestaat echter geen reden om aan te nemen,
dat volgens de oude Conventie anders zou moeten worden beslist.
Het spreekt vanzelf (al wordt het in de Conventie niet uitdrukkelijk
gezegd), dat waar van uitgave of publicatie wordt gesproken,
alleen wordt bedoeld de uitgave, welke van den rechthebbende op het
auteursrecht uitgaat [573].
Het systeem der Conventie kan nu in het kort als volgt worden
samengevat.
De Conventie is toepasselijk op: 1o De niet door den druk gemeen
gemaakte werken van auteurs, die tot een van de landen van het Verbond
behooren, en
2o De door den druk gemeen gemaakte werken, onverschillig van welke
nationaliteit de auteur is, waarvan de eerste uitgave in een van de
landen van het Verbond heeft plaats gehad.
Buiten de bescherming der Conventie vallen dus: de niet door den
druk gemeen gemaakte werken van auteurs, die niet tot een der landen
van het Verbond behooren en de door den druk gemeen gemaakte werken,
waarvan de eerste uitgave buiten het Verbond heeft plaats gehad.
De bescherming, welke aan de auteurs van een werk waarop de Conventie
van toepassing is, ten deel valt, bestaat in het algemeen in het
volgende: in het land van herkomst genieten zij de rechten, die de
wet aldaar verleent;
in de overige Verbondslanden de rechten, die door de betreffende wetten
voor de inlandsche werken verleend worden, doch met inachtneming van
enkele bepalingen van de wet van het land van herkomst; en bovendien
de rechten, die in de Conventie zelve zijn omschreven (zooals b.v. het
vertalingsrecht).
In hoofdtrekken is hiermede het stelsel der Conventie (zoowel vóór als
ná de herziening van Berlijn) weergegeven. Het is nu echter noodig
enkele punten eenigszins nauwkeuriger te bezien, waarbij dan tevens
gewezen kan worden op hetgeen te Parijs en te Berlijn gewijzigd is.
Een punt van groot belang, waarmede ik mij het eerst wil bezighouden,
is: de invloed van de wet van het land van herkomst van een werk op
de bescherming, die dat werk in de overige Verbondslanden geniet.
Die invloed bestaat volgens de Conventie 1886 hieruit, dat: 1o geen
bescherming in de overige Verbondslanden wordt verleend, wanneer
niet in het land van herkomst de voorwaarden en formaliteiten, die
de wet aldaar voorschrijft, zijn vervuld, en 2o dat de duur van het
auteursrecht in de andere Verbondslanden dien van de wet van het land
van herkomst niet kan overschrijden (Conventie 1886 art. 2 tweede lid).
Over de beteekenis van de woorden "voorwaarden en formaliteiten"
(conditions et formalités) kan geen verschil van meening bestaan. Met
"conditions" zijn bedoeld de materieele voorwaarden als b.v. het
voorbehoud van auteursrecht of vertalingsrecht, dat in sommige
gevallen door de wetten wordt geëischt; "formalités" zijn de formeele
voorwaarden, zooals inzending van exemplaren of verklaringen [574].
Artikel 2 tweede lid Conventie 1886 bepaalt, dat de bescherming in de
andere landen afhankelijk is van het vervullen dezer voorwaarden en
formaliteiten in het land van herkomst. Dit beteekent, dat alleen in
het land van herkomst het vervullen van voorwaarden en formaliteiten
mag worden geëischt; op zeer enkele uitzonderingen na is men het steeds
over deze uitlegging der bepaling eens geweest; van den aanvang af
heeft het in de bedoeling gelegen de auteurs vrij te stellen van het
vervullen van voorwaarden en formaliteiten in alle Verbondslanden,
hetgeen in de practijk immers slechts door zeer weinigen zou worden
gedaan. De afgevaardigde Reichardt noemde dit zelfs op de Conferentie
van Parijs: "le point de départ et le but principal de la Convention
de Berne" [575].
Toch heeft men het, om elke verkeerde uitlegging op dit punt onmogelijk
te maken, gewenscht geacht in de Parijzer Verklaring (1o) nog eens
uitdrukkelijk te zeggen, dat de Conventie alleen in het land van
herkomst de vervulling eischt van de door de wet gevorderde voorwaarden
en formaliteiten.
Op dit punt heeft de rechter dus in elk geval de wet van het land
van herkomst te raadplegen. Bovendien heeft hij dit te doen voor
de berekening van den duur der bescherming. Volgens art. 2 lid 2
Conventie 1886 kan de bescherming niet langer duren ("ne peut excéder")
dan in het land van herkomst. Er is gestreden over de vraag, of door
deze woorden aan de Verbondsstaten de verplichting wordt opgelegd,
geen bescherming te verleenen, wanneer deze in het land van herkomst
heeft opgehouden, dan wel of de binnenlandsche wetgeving, indien
deze ook voor vreemde werken een langeren termijn van bescherming
stelt dan die van het land van herkomst, mocht worden toegepast. Het
lijdt m. i. geen twijfel of de laatste opvatting is de juiste. Het,
meermalen uitgesproken, beginsel van de Conventie is altijd geweest,
dat zij slechts een minimum van bescherming waarborgt; het staat den
Verbondsstaten steeds vrij, hetzij door hunne inlandsche wetgeving,
hetzij door afzonderlijke tractaten, deze bescherming verder uit te
breiden. Dit was ook de algemeene opinie op de Conferentie van Parijs,
van welker juistheid men toen zoozeer overtuigd was, dat het opnemen
van eene uitdrukkelijke verklaring in dezen zin in de Déclaration,
waartoe de Zwitsersche delegatie een voorstel had gedaan, onnoodig
werd geacht [576].
De beteekenis der bepaling is dus duidelijk. De bescherming,
d. w. z. de bescherming die het werk krachtens de Conventie toekomt,
kan niet langer duren dan die, welke de wet van het land van herkomst
verleent. Volgens de Conventie 1886 is dus een werk, dat tot land van
herkomst heeft Duitschland (waar de wet bescherming verleent dertig
jaar na den dood des auteurs) in Frankrijk (waar het auteursrecht
vijftig jaar na den dood des auteurs blijft bestaan) toch maar dertig
jaar beschermd, doch in Luxemburg, waar de interne wetgeving ook
buiten de Conventie om toepasselijk zou zijn, vijftig jaar.
De boven besproken bepalingen van de Conventie 1886 brengen mede,
dat voor een werk, hetwelk in het land van herkomst niet beschermd
is, ook in de andere Verbondslanden geene bescherming (krachtens de
Conventie) is te vinden. Dit is niet alleen het geval, wanneer het
ontbreken van bescherming in het land van herkomst een gevolg is van
het niet vervullen der aldaar gevorderde voorwaarden en formaliteiten
(dat alsdan in de andere landen geen bescherming kan worden verleend
is volgens de besproken bepaling niet twijfelachtig) maar ook indien
men met een werk te doen heeft, dat in het land van herkomst absoluut
van de bescherming is uitgesloten, omdat het volgens de daar geldende
wet niet tot de beschermde producten wordt gerekend. Dit laatste
wordt niet algemeen aangenomen; toch schijnt het mij niet mogelijk
eene andere oplossing aan de vraag te geven. De bescherming mag
in de andere Verbondslanden niet langer duren dan in het land van
herkomst: dit sluit m. i. in, dat wanneer in laatstgenoemd land
geen bescherming wordt verleend, deze ook in de andere landen moet
ontbreken. De tegenovergestelde meening zou o. a. tot de zonderlinge
gevolgtrekking moeten voeren, dat een werk, afkomstig uit een land met
een korten beschermingstermijn (b.v. Duitschland met 30 j. p. m. a.),
in de landen met een langeren termijn er beter aan toe zijn indien
het in het land van herkomst niet, dan indien het er wél beschermd
is. In het eerste geval toch zou het den vollen duur der bescherming
genieten, terwijl in het tweede geval volgens den korteren termijn
van het land van herkomst zou moeten gerekend worden.
Een vereischte voor de toepasselijkheid der Conventie 1886 is dus, dat
er in het land van herkomst op het werk auteursrecht bestaat. Indien
de rechter zich eenmaal hiervan overtuigd heeft, dan heeft hij voor
het overige uitsluitend de wet van zijn eigen land toe te passen,
behoudens natuurlijk erkenning van de rechten, welke in de Conventie
zelve omschreven zijn. Het geval is daarom niet uitgesloten, dat een
auteur in een ander land rechten van wijder strekking geniet dan die
de wet van zijn eigen land verleent. Wat den omvang der bescherming
betreft (dus: de verschillende den auteur toekomende bevoegdheden)
en de rechtsmiddelen welke hem ter handhaving van het recht ten
dienst staan behoeft geene vergelijking te worden gemaakt tusschen
de wetten van het land van herkomst en van dat, waar de bescherming
wordt ingeroepen; in deze opzichten zijn uitsluitend de bepalingen
van de laatstgenoemde wet van toepassing.
De herziening van Berlijn heeft in het bovenbesproken stelsel
eene gewichtige verandering gebracht. Het tweede lid van artikel 4
Conventie 1908, dat in de plaats is gekomen van het tweede lid van
art. 2 Conventie 1886, luidt als volgt:
Het genot en de uitoefening dezer (d. w. z. in het eerste lid
van het artikel genoemde) rechten is aan geen enkele formaliteit
onderworpen; dit genot en deze uitoefening zijn onafhankelijk
van het bestaan van bescherming in het land van herkomst van het
werk. Bijgevolg worden, behoudens de bepalingen dezer Overeenkomst,
de uitgebreidheid der bescherming alsmede de middelen, welke den
auteur zijn verzekerd tot handhaving zijner rechten, uitsluitend
bepaald door de wetgeving van het land waar de bescherming wordt
ingeroepen.
Deze nieuwe bepaling komt in hoofdzaak overeen met hetgeen op
dit punt door de Duitsche Regeering op de Conferentie van Berlijn
was voorgesteld. Het Duitsche voorstel ging echter nog verder en
strekte om ook den duur der bescherming in de andere Verbondslanden
niet langer afhankelijk te doen zijn van de wet van het land van
herkomst. Dit punt is in de Conventie 1908 afzonderlijk geregeld,
en wel in artikel 7. Ik stel dus de bespreking tot later uit, maar
wensch hier reeds te vermelden, dat er, wat den duur der bescherming
betreft, aan den ouden toestand feitelijk niets is veranderd. Volkomen
onafhankelijkheid van de wet van het land van herkomst heeft dus de
Conventie 1908 niet gebracht. Wél echter houdt het nieuwe artikel,
zooals men ziet, de uitdrukkelijke bepaling in, dat het ontbreken
van bescherming--om welke reden dan ook--in het land van herkomst
geen beletsel is voor de bescherming in de andere landen.
De bescherming is nu aan geen enkele formaliteit meer onderworpen,
nóch in het land van herkomst, nóch in dat waar de bescherming
wordt ingeroepen. Het artikel spreekt alleen van "formaliteiten",
niet, zooals vroeger van "voorwaarden en formaliteiten"; doch in
het commissie-rapport wordt dienaangaande opgemerkt, dat men met
"formalités" hetzelfde bedoelde als wat de Conventie 1886 noemde:
"conditions et formalités" [577]. Welke reden men had om de
oude uitdrukking niet meer in haar geheel over te nemen, wordt
niet meegedeeld; waarschijnlijk was het de vrees, dat het woord
"condition" misschien wat ál te ruim mocht worden opgevat. Op de
mogelijkheid hiervan had ook de Duitsche Regeering bij de toelichting
harer voorstellen gewezen; volgens haar moesten er niet toe gerekend
worden de "innerlijke voorwaarden" die als het ware tot het recht
zelve behooren, zooals b.v. de voorwaarde van nog niet in druk te zijn
verschenen, die sommige wetten verbinden aan het uitsluitend recht om
een werk in het openbaar voor te dragen. Om dit goed te doen uitkomen,
had de Duitsche Regeering in plaats van "voorwaarden en formaliteiten"
willen lezen "formaliteiten en uiterlijke voorwaarden" (conditions
extrinsèques) [578]. Tot die uiterlijke voorwaarden behooren dan
b.v. het voorbehoud, de vermelding van den naam des auteurs en andere
verklaringen of mededeelingen van dien aard op de gedrukte exemplaren
van het werk.
Over de zaak zelve is men het blijkbaar steeds--en ook op de
Conferentie van Berlijn--eens geweest; de moeilijkheid lag slechts in
het vinden van de juiste uitdrukking. Nu de Conventie alleen spreekt
van "formaliteiten" zijn daaronder zonder twijfel ook de "uiterlijke
voorwaarden", welke de Duitsche Regeering bedoelde, begrepen. Voor
een verkeerde uitlegging bestaat trouwens weinig kans. Dat men zich in
het land van herkomst aan geen enkele voorwaarde of formaliteit meer
heeft te storen om in de overige landen beschermd te zijn, is aan geen
twijfel onderhevig, daar immers het bestaan van bescherming aldaar
niet eens meer wordt geëischt. En van het vervullen van voorwaarden
en formaliteiten in de andere landen was men--zooals hierboven is
medegedeeld--reeds krachtens de Conventie 1886 vrijgesteld. Dat de
Conventie 1908 hierin verandering zou hebben gebracht en dus eene
belemmering voor de bescherming zou hebben ingevoerd, die vroeger
niet bestond, zal wel niemand, die zich van de beteekenis en het doel
der Berlijnsche herziening eenigermate op de hoogte heeft gesteld,
durven beweren.
Uit het bovenstaande mag echter niet worden afgeleid, dat de
Conventie 1908 aan alle voorwaarden en formaliteiten in het Verbond
een einde heeft gemaakt. De bepaling van het tweede lid van artikel
4, dat ik hierboven heb afgeschreven, slaat alleen op de rechten,
die in het eerste lid van hetzelfde artikel worden genoemd en daar is
alleen sprake van de bescherming, die de tot een der Verbondslanden
behoorende auteurs genieten in alle landen van het Verbond, behalve
in het land van herkomst van het werk. Artikel 4 beslist dus niets
ten aanzien van de bescherming die de tot een der Verbondslanden
behoorende auteurs genieten in het land van herkomst van het werk;
en evenmin ten aanzien der bescherming, die de auteurs, welke niet
tot een der landen van het Verbond behooren, zoowel in het land
van herkomst als in de andere landen genieten. De desbetreffende
bepalingen vindt men in de artt. 5 en 6 Conventie 1908, welke beide
artikelen nu nog een oogenblik afzonderlijk besproken dienen te worden.
Artikel 5 is als volgt geredigeerd:
Zij die tot een der landen van het Verbond behooren, en hunne
werken voor de eerste maal publiceeren in een ander Verbondsland,
hebben in laatstgenoemd land dezelfde rechten als de inlandsche
auteurs.
Eene dergelijke bepaling kwam in de Conventie 1886 niet voor. Men
achtte het blijkbaar vanzelf sprekend, dat een werk in zijn eigen land
van herkomst onder de bepalingen der wet viel en vond het onnoodig,
dat de Conventie dit uitdrukkelijk vaststelde.
De Duitsche Regeering, van wie het voorstel tot het opnemen der
bepaling op de Conferentie van Berlijn is uitgegaan, merkte bij de
motiveering ervan op, dat het niet redelijk is, dat de Conventie, welke
de eerste uitgave binnen het Verbond als eene onmisbare voorwaarde
stelt voor elke bescherming, zich niets zou aantrekken van het lot, dat
aan het werk is beschoren juist in het land, waar dit werk om zoo te
zeggen genationaliseerd zou zijn [579]. Met deze overweging hebben alle
Berlijnsche gedelegeerden zich, blijkens het Commissieverslag [580],
kunnen vereenigen en het voorstel der Duitsche Regeering werd, nadat
de redactie eenigszins was gewijzigd, in de nieuwe Conventie opgenomen.
Het verdient opmerking, dat het artikel alleen die gevallen op
het oog heeft, waarin het land van herkomst van het werk niet dat
is, waartoe de auteur behoort. De Conventie bemoeit zich dus niet
met de bescherming, die een auteur geniet in zijn eigen land voor
zijne onuitgegeven werken of voor zijne werken, die hij in het land
zelf heeft doen uitgeven. Dit is eene zaak die, naar het oordeel
der Commissie, uitsluitend den inlandschen wetgever aangaat. Eene
bepaling in de Conventie, die de toepasselijkheid der inlandsche wet
op de bedoelde werken vaststelt, kon trouwens overbodig worden geacht,
daar in geen der landen, die nu deel uitmaken van het Verbond, door
de wet aan deze werken bescherming wordt onthouden. In ons land is
dit echter ten aanzien van enkele dezer werken wél het geval; reden
waarom ik zoo aanstonds nog op deze kwestie terugkom.
De strekking van art. 5 Conventie 1908 is overigens duidelijk. Er wordt
eenvoudig bepaald, dat voor de genoemde werken dezelfde rechten als
voor die der inlandsche auteurs zullen gelden. Geen vrijstelling dus
van voorwaarden of formaliteiten, indien de wet deze van de inlandsche
auteurs eischt; evenmin toekenning van de bijzondere rechten, die in
de Conventie zelve omschreven zijn.
De bescherming der auteurs, die niet tot een der landen van het
Verbond behooren, is geregeld in artikel 6. Hunne werken zijn alleen
dán in het Verbond beschermd, indien zij voor het eerst daarbinnen
zijn uitgegeven. Dit was ook reeds zoo onder de Conventie 1886,
met dit belangrijke verschil echter, dat volgens de oude bepaling
(Conventie 1886 art. 3) het auteursrecht toekwam niet aan den auteur,
maar aan den uitgever. Het motief voor deze zonderlinge bepaling was
vooral geweest, dat men het den auteurs van landen, die nog niet tot
het Verbond zouden zijn toegetreden, niet te gemakkelijk wilde maken,
daar hierdoor het belang, dat die landen erbij zouden hebben om alsnog
toe te treden, aanzienlijk zou verminderen; de werken dezer auteurs
zouden wel in het Verbond beschermd zijn, maar niet zij, doch de
uitgevers, die dan toch in elk geval binnen het Verbond gedomicilieerd
zouden zijn, zouden van die bescherming mogen genieten [581].
De bepaling, welke men, door deze overwegingen geleid, vaststelde,
is uit doctrinair oogpunt niet te verdedigen en gaf bovendien bij
de uitlegging vele moeilijkheden. Door het feit der uitgave binnen
het Verbond kreeg niet de auteur van het werk, maar de uitgever
het auteursrecht. Moest men dit zóó verstaan, dat de uitgever dit
recht kreeg, onverschillig op welke wijze hij zich van het werk had
meester gemaakt, dus ook indien de uitgave tegen den zin van den
auteur had plaats gehad? Op deze wijze uitgelegd zou de bepaling met
de allereerste beginselen, welke aan het auteursrecht ten grondslag
liggen, in strijd zijn. Men moest dus aannemen, dat de bepaling
alleen sloeg op de uitgaven, waartoe de auteur zijne toestemming had
verleend. Het auteursrecht kon deze echter niet aan den uitgever
overdragen, daar hij dit zelf niet bezat. Vandaar de vraag, of de
auteur, wanneer hij zijn werk ter publicatie afstond, voorwaarden
kon stellen ten aanzien van het opvoeringsrecht en vertalingsrecht
dan wel of de uitgever ook hierover, onafhankelijk van den auteur,
kon beschikken. Neemt men het eerste aan (dat dus de auteur den
uitgever bij contract kon verplichten slechts enkele der uit het
auteursrecht voortvloeiende bevoegdheden uit te oefenen, terwijl
hij de overige aan zich kon houden), dan zou de bepaling practisch
ongeveer dezelfde gevolgen hebben gehad, als indien het auteursrecht
direct aan den auteur ware verleend. De eenige moeilijkheid, welke
hem door de bepaling in den weg werd gelegd, zou dan zijn, dat hij,
om aan zijn auteursrecht iets te hebben, een vrij ingewikkeld contract
met een binnen het Verbond gevestigd uitgever had te sluiten. In elk
geval kon m. i. de auteur, gesteld dat een uitgever hiertoe bereid
was, met dezen contracteeren, dat na de uitgave aan hem, den auteur,
het volle auteursrecht weer zou worden overgedragen. Doch hoe dit ook
moge geweest zijn, te verdedigen was de bepaling in geen enkel opzicht.
Op de Conferentie van Parijs werden de bezwaren ertegen helder
uiteengezet in eene memorie van de Duitsche afgevaardigden
[582]. Hieraan was het zeker voor een goed deel te danken, dat er
aldaar niemand meer werd gevonden, die de bepaling in bescherming nam;
de verschillende wijzigingen, die werden voorgesteld, strekten alle,
om de bescherming niet aan de uitgevers, maar direct aan de auteurs
te verleenen [583]. In dezen zin werd ook besloten. De Add. Acte 1896
bracht nu de volgende lezing van het oude art. 3:
Auteurs, die niet tot een der landen van het Verbond behooren,
maar die hunne werken van letterkunde en kunst voor het eerst
in een van deze landen hebben gepubliceerd of doen publiceeren,
genieten voor deze werken de door de Berner Overeenkomst en de
tegenwoordige Additionneele Acte toegekende bescherming.
De Berlijnsche Conferentie heeft hierin geene principieele
veranderingen gebracht. Alleen werd--evenals ten aanzien van de tot het
Verbond behoorende auteurs was geschied--onderscheid gemaakt tusschen
de bescherming in het land van herkomst (in dit geval dus het land
waar de vreemde auteur zijn werk voor de eerste maal gepubliceerd
heeft) en die in de overige Verbondslanden. De bepaling werd als
volgt geredigeerd (art. 6 Conventie 1908):
De niet tot een der landen van het Verbond behoorende auteurs, die
hunne werken voor de eerste maal in een dezer landen publiceeren,
genieten, in dat land, dezelfde rechten als de inlandsche auteurs,
en in de overige Verbondslanden de rechten, welke de tegenwoordige
Overeenkomst verleent.
De vreemde auteurs zijn dus, indien de eerste uitgave hunner werken
binnen het Verbond geschiedt, volkomen met de auteurs, die tot een
der Verbondslanden behooren, gelijkgesteld. Evenals deze hebben
zij in het land van herkomst "dezelfde rechten als de inlandsche
auteurs"--eene uitdrukking, die na het bovenstaande geene toelichting
meer behoeft--en in de overige Verbondslanden "de rechten, welke de
tegenwoordige Overeenkomst verleent", hetgeen dus insluit: behandeling
in elk land volgens de inlandsche wet met vrijstelling van eventueel
voorgeschreven voorwaarden en formaliteiten (art. 4 lid 1 en 2)
benevens het genot van de rechten, welke de Conventie zelve omschrijft.
Er blijft nu nog over de beteekenis van de besproken artikelen na
te gaan speciaal met het oog op eene toekomstige aansluiting van
ons land bij het Verbond. Ik zal mij hierbij uitsluitend bepalen
tot de Conventie 1908, en de bepalingen van de Conventie 1886 en
van de Add. Acte en Verklaring 1896 buiten bespreking laten. Dit
kan m. i. veilig geschieden, daar er nóch uit practisch, nóch uit
theoretisch oogpunt eenige reden voor ons land kan bestaan, om een
of meer van die oude bepalingen te verkiezen boven de nieuwe, zooals
zij in Berlijn zijn gewijzigd. De eenige wijziging van beteekenis,
die de Conferentie van Berlijn heeft gebracht, bestaat hierin, dat
de bescherming in de andere Verbondslanden onafhankelijk is gemaakt
van die van het land van herkomst en dat met name de voorwaarden
en formaliteiten in laatstgenoemd land niet meer vervuld behoeven
te worden.
Indien--wat te hopen is--de formaliteiten, die onze wet nu nog eischt,
vóór onze toetreding tot het Verbond zullen zijn afgeschaft, zal tegen
aanvaarding van dit gewijzigde stelsel der Conventie wel door niemand
bezwaar worden gemaakt. Mocht dit niet zijn geschied, dan bestaat er
evenmin eenige reden, om aan het stelsel der Conventie 1886 boven het
gewijzigde de voorkeur te geven, daar men hiermede toch niet zou kunnen
verhinderen, dat hier te lande bescherming zou moeten worden verleend
aan werken waarvoor geen formaliteiten zijn vervuld (de werken nl. uit
de Verbondslanden, waar de wet ze niet eischt, welke landen verreweg
de meerderheid vormen); terwijl voor de auteurs van uit Nederland
herkomstige werken het gevolg zou zijn, dat zij bij verzuim van de
door onze wet gestelde voorwaarden en formaliteiten niet alleen hier,
maar ook in het geheele Verbond, bescherming zouden moeten missen.
Wat de andere wijzigingen betreft, die de Conventie 1908 heeft
gebracht, deze strekken, zooals uit de bovenstaande bespreking
reeds gedeeltelijk heeft kunnen blijken, meer tot verbetering en
verduidelijking van de oude bepalingen dan tot het vervangen van deze
door nieuwe, daarvan afwijkende regels. Volledigheidshalve wil ik ze
nog even opsommen:
1 In de Conventie 1908 wordt eene duidelijke onderscheiding gemaakt
tusschen de bescherming in het land van herkomst van het werk en die
in de andere Verbondslanden (art. 4 lid 1, art. 5, art. 6); terwijl de
Conventie 1886 twijfel liet bestaan omtrent het al of niet beschermd
zijn in het land van herkomst (art. 2 lid 1, art. 3).
2 De Conventie 1908 noemt onder de rechten, waarop in de andere
Verbondslanden, behalve het land van herkomst, aanspraak kan worden
gemaakt, ook: "de rechten welke uitdrukkelijk door de tegenwoordige
Overeenkomst worden toegekend" (art. 4 lid 1). Dit is uitsluitend
terwille der duidelijkheid geschied; ook onder de Conventie 1886
konden de bedoelde rechten worden ingeroepen, al werden zij niet in
art. 2 genoemd.
3 Terwijl de Conventie 1886 sprak van "auteurs of hunne
rechtverkrijgenden" is dit in de Conventie 1908 overal (niet alleen
in de hier besproken artikelen) veranderd in "auteurs". De toevoeging
"of hunne rechtverkrijgenden" werd overbodig geacht, daar immers de
vervreemdbaarheid van het auteursrecht nergens ter wereld betwist wordt
[584].
4 Het geval, dat een werk tegelijkertijd in een land van het Verbond
en in een land daarbuiten in druk verschijnt, was in de Conventie
1886 niet voorzien. De Conventie 1908 beslist, dat dan het land van
het Verbond alleen als land van herkomst geldt.
Zooals men ziet kan er voor geen enkelen staat eenige reden bestaan,
om een of meer dezer wijzigingen niet te aanvaarden; nog minder kan
dit het geval zijn ten aanzien der wijziging, die de Add. Acte 1896 in
de Conventie 1886 heeft gebracht in zake de bescherming der buiten het
Verbond staande auteurs, welke bescherming de oude Conventie (art. 3)
aan de uitgevers verleende. Dit behoeft na, hetgeen hierover reeds
is gezegd, geene toelichting meer.
Ik meen dus te kunnen veronderstellen, dat ons land, bij toetreding
tot het Verbond, de bepalingen der artikelen 4, 5 en 6 Conventie 1908
zonder reserve zal aanvaarden. Gaan wij thans na, welke gevolgen dit
zal hebben in verband met het stelsel van onze wet en dat van het
Ontw. B. K. Daar zoowel de Conventie als onze wet onderscheid maakt
tusschen door den druk gemeen gemaakte en niet door den druk gemeen
gemaakte werken (oeuvres publiées en oeuvres non publiées), kunnen deze
twee categorieën ook bij dit onderzoek afzonderlijk worden beschouwd.
1 Niet door den druk gemeen gemaakte werken--Artikel 27 van de
W. A. R. zegt, dat deze wet toepasselijk is op de niet door den
druk gemeen gemaakte werken, afkomstig van in Nederland of in
Nederlandsch-Indië woonachtige auteurs. Gesteld dat deze bepaling
bij onze toetreding behouden blijft, dan zal zij door de Conventie
in zooverre worden aangevuld, dat onze wet ook toepasselijk wordt op
alle niet door den druk gemeen gemaakte werken van auteurs, die tot
een der andere Verbondslanden behooren (art. 4 eerste lid). Derhalve
zullen in dat geval uitgesloten blijven van de bescherming in Nederland
de onuitgegeven werken van auteurs, die niet in het Rijk woonachtig
zijn, en evenmin behooren tot een van de andere staten, die tot de
Conventie zijn toegetreden. Hieronder zullen dus ook vallen de niet
door den druk gemeen gemaakte werken van Nederlandsche onderdanen, die
in een ander land (onverschillig of dit een Verbondsland is of niet)
woonachtig zijn. Onze wet, die het domicilie als criterium neemt,
beschermt deze werken niet en de Conventie laat het, zooals wij boven
gezien hebben, geheel aan den inlandschen wetgever over, de bescherming
van de onderdanen in hun eigen land te regelen. Zoo zou b.v. in het
gestelde geval het niet door den druk gemeen gemaakte werk van een in
Duitschland woonachtig Nederlander hier te lande niet beschermd zijn,
terwijl datzelfde werk overal in het Verbond als een uit Nederland
herkomstig werk (art. 4 lid 3) wél bescherming zou vinden. Daarentegen
zou het werk ook in Nederland beschermd zijn, indien de in Duitschland
wonende auteur niet Nederlander maar Duitscher was, daar in dat geval
niet Nederland, maar Duitschland het "land van herkomst" zou wezen en
dus hier te lande art. 4 lid 1 der Conventie erop toepasselijk zou
zijn. Men ziet hieruit, dat behoud van het domicilie-stelsel onzer
wet bij aansluiting tot de Conventie tot onredelijke gevolgen zou
leiden en dat het dus beter ware daarbij--of in de plaats daarvan--het
nationaliteitsstelsel in te voeren, temeer daar dit laatste ook om
andere, reeds door mij genoemde redenen, de voorkeur verdient.
De bijzondere bepaling, welke art. 27 W. A. R. nog inhoudt ten aanzien
der mondelinge voordrachten (waarop zij toepasselijk is indien de
voordracht in Nederland of Nederlandsch-Indië is gehouden) [585] kan
hier buiten beschouwing blijven. Wáár eene voordracht gehouden is, is
op de al of niet toepasselijkheid der Conventie van geen invloed. Is
een Nederlander de auteur, dan is de voordracht volgens de Conventie
eene Nederlandsche (d. w. z. Nederland is het land van herkomst),
al werd zij ook uitgesproken in China; terwijl eene in Nederland
gehouden voordracht van een Engelschman of Franschman volgens de
Conventie resp. Engeland of Frankrijk als land van herkomst heeft.
Wat den omvang der bescherming betreft, welke voor den Nederlandschen
rechter zou kunnen worden ingeroepen, moet onderscheid worden gemaakt
tusschen twee gevallen:
a) Nederland is volgens de Conventie het "land van herkomst". De
Conventie trekt zich in dat geval het lot van het werk in Nederland
zelf niet aan; de bescherming berust derhalve uitsluitend op de
Nederlandsche wet.
b) Het werk heeft een van de andere Verbondslanden tot "land van
herkomst". In dat geval kan de auteur krachtens art. 4 lid 1 der
Conventie voor den Nederlandschen rechter aanspraak maken op: