IV Duur der bescherming (Conv. 1908 art. 7; Conv. 1886 art. 2 lid 2)

De regeling van den duur der bescherming volgens de Conventie 1886

is al besproken (pp. 349 sqq.). Zij vormt een van de punten, waarop

de bepalingen van de wet van het land van herkomst van een werk van

invloed zijn bij de toemeting van rechten op dat werk in de andere

landen. De rechter heeft eene vergelijking te maken tusschen de wet

van zijn eigen land en die van het land van herkomst; de wet die den

kortsten beschermingstermijn heeft moet bij de berekening van den

duur van het auteursrecht door hem worden toegepast.

Op de Berlijnsche Conferentie stelde Duitschland voor, de

bescherming voortaan te verleenen in elk land volgens de aldaar

geldende wet, geheel onafhankelijk van de wetsbepalingen van het

land van herkomst. Hierop werd door de Fransche afgevaardigden een

amendement ingediend, strekkende om wat den duur van het auteursrecht

betreft één termijn vast te stellen, die in het geheele Verbond

zou gelden. Bij de toelichting van dit amendement werd opgemerkt,

dat het Duitsche voorstel, indien het ongewijzigd werd aangenomen,

eene onbillijkheid in het leven zou roepen. De auteurs van een land

met een korten beschermingstermijn zouden in andere landen van den

langeren duur der bescherming genieten en dus aldaar nog beschermd

zijn, wanneer het auteursrecht in hun eigen land reeds een einde had

genomen, terwijl daartegenover in het eerstgenoemde land de vreemde

auteurs zich met de bescherming van korten duur tevreden zouden moeten

stellen. Dit zou--zoo meende de Fransche delegatie--voor sommige landen

eene aanleiding kunnen zijn om in hunne wetgeving een auteursrecht van

korten duur in te voeren of te bestendigen, daar dit immers van hun

nationaal standpunt alleen voordeelen en geen nadeelen zou opleveren

[587].

De Berlijnsche Conferentie koos tenslotte een middenweg tusschen het

Duitsche en het Fransche voorstel.

In beginsel werd een uniforme termijn voor het geheele Verbond

aangenomen, zooals het Fransche amendement beoogde. Het eerste lid

van het nieuwe artikel 7 luidt als volgt:

De duur der bescherming, die door de tegenwoordige Overeenkomst

wordt verleend, omvat het leven van den auteur en vijftig jaren

na zijn dood.

Dit is echter niet meer dan eene beginselverklaring, want het tweede

lid van het artikel luidt:

Doch voor het geval dat deze duur niet gelijkelijk door alle landen

van het Verbond mocht worden ingevoerd, zal de duur geregeld worden

door de wet van het land waar de bescherming wordt ingeroepen

en zal hij den duur, vastgesteld in het land van herkomst, niet

mogen overschrijden. De contracteerende Landen zijn bijgevolg

slechts gehouden de bepaling van het vorige lid toe te passen

voor zoover zij met hun inlandsch recht in overeenstemming is.

De termijn voor de internationale bescherming in het Verbond van

vijftig jaar na den dood des auteurs bestaat dus, zooals men ziet,

slechts in naam. Zoolang er nog staten zijn, die den duur van het

auteursrecht in hunne wetgeving anders regelen, zal de bepaling van

deze inlandsche wet en niet die van art. 7 eerste lid der Conventie

worden toegepast, ook zonder dat dit door den betrokken staat bij

de bekrachtiging der Conventie uitdrukkelijk behoeft te worden

voorbehouden. Het eerste lid van artikel 7 is--zooals ik reeds

opmerkte--niet meer dan eene beginselverklaring. Het beteekent, dat

de Verbondsstaten in het algemeen een duur van vijftig jaren na den

dood des auteurs wenschelijk achten, doch het houdt voor hen niet

de verplichting in, hunne wetgeving daarmede in overeenstemming te

brengen. De Engelsche Regeering heeft zich zelfs op de Berlijnsche

Conferentie, bij monde van den gedelegeerde Askwith, hare volle

vrijheid van handelen op dit punt uitdrukkelijk voorbehouden [588].

Men zou misschien kunnen geneigd zijn in verband hiermede het geheele

eerste lid van het artikel voor onnoodig en zonder zin te houden

en het liever geheel weggelaten te zien. Ik meen echter, dat de

bepaling, ook al mist zij bindende kracht, wel haar nut heeft. Nu

men het eenmaal in beginsel over één termijn eens bleek te kunnen

worden, was het m. i. zeer goed gezien daarvan ook in den tekst

der Conventie te doen blijken. De termijn van vijftig jaar na den

dood des auteurs, die al in de meeste Verbondslanden gold, is nu de

officieele geworden. Door hem bij zich in te voeren volgt een staat

niet meer eene toevallige meerderheid, maar hij richt zich naar een

door gemeen overleg vastgestelden maatregel, iets waar de meeste

staten ongetwijfeld eerder toe zullen overgaan.

Het bovenstaande heeft alleen betrekking op den zoogenaamden

hoofdtermijn. De afzonderlijke termijnen, die in sommige landen voor

enkele onderdeelen van het auteursrecht gelden (zoo b.v. de termijn

van drie jaar na de uitgave, die de Noorsche wet heeft gesteld aan het

recht om een geschrift in het openbaar voor te lezen [589]), zijn met

het uitgesproken beginsel niet in strijd. Verder is de algemeene regel

van het eerste lid van artikel 7 niet toepasselijk op: photographieën

en daarmede gelijksoortige werken, nagelaten werken en anonieme of

pseudonieme werken. De duur van het recht op deze werken zal geregeld

worden door de wet van het land, waar de bescherming wordt ingeroepen,

doch zal niet langer kunnen zijn dan die, welke de wet van het land

van herkomst vaststelt (art. 7 lid 3).

Deze laatste regel zal dus feitelijk, evenals vroeger onder de

Conventie 1886, op alle werken toepasselijk zijn. Wat hierboven

(p. 350) is gezegd over de beteekenis van de bepaling, dat de duur

der bescherming dien van het land van herkomst "niet kan overtreffen"

(ne peut excéder) geldt ook voor het nieuwe artikel 7 der Conventie

1908. Er is niet mede bedoeld een absoluut verbod om langer bescherming

te verleenen; doch het is slechts de tijdsgrens, welke de Conventie aan

de bescherming, die volgens hare bepalingen wordt verleend, stelt. Op

rechten, die buiten de Conventie om kunnen worden ingeroepen, is de

bepaling dus niet toepasselijk [590].

De wet van het land van herkomst blijft dus op dit ééne punt: de

berekening van den duur der bescherming, haar invloed op de bescherming

in de andere Verbondslanden behouden. Indien echter een werk in het

land van herkomst in het geheel niet beschermd is--hetgeen trouwens

ingevolge de bepalingen van art. 2 lid 3 Conventie 1908 wel niet

dikwijls meer zal voorkomen--dan kan dit niet meer, zooals onder

de oude Conventie, een reden zijn om er ook in de andere landen

bescherming aan te weigeren. De uitdrukkelijke bepaling van het

tweede lid van artikel 4, dat de bescherming in de andere landen

"onafhankelijk is van het bestaan van bescherming in het land van

herkomst van het werk" laat in dit opzicht geen ruimte voor eenigen

twijfel over.

Bij de toetreding van ons land tot de Conventie zal ongetwijfeld naar

aanleiding van het eerste lid van art. 7 Conventie 1908 in ernstige

overweging worden genomen, ook in onze wet den termijn van vijftig jaar

na den dood des auteurs in te voeren. Al bestaat hiertoe, zooals uit

het voorafgaande blijkt, geenerlei verplichting, toch schijnt het mij

ten zeerste wenschelijk, dat dit geschiedt. Het stelsel van onze wet,

waarbij het tijdstip der uitgave als uitgangspunt wordt genomen voor

de berekening van den duur van het auteursrecht moge boven dat van de

Conventie eenige voordeelen hebben, daar staan ontegenzeggelijk ook

nadeelen tegenover. Het pro en contra van beide stelsels is in een

vorig hoofdstuk reeds besproken (pp. 257 sqq.), en de slotsom was,

dat er in abstracto geen overwegende reden bestaat om aan het een

boven het ander de voorkeur te geven. Nu de Conventie echter tusschen

de twee systemen eene keus heeft gedaan, dienen alle staten, zoowel

die reeds aangesloten waren als die zich later aansluiten, zich ter

bevordering van de eenheid in het Verbond daarbij neer te leggen. Dat

trouwens ons land, door het stelsel van onze wet prijs te geven,

een groot offer zou brengen, zal wel niemand willen beweren. Het zal

integendeel, wanneer ons land deel uitmaakt van het Verbond, ook uit

zuiver nationaal standpunt gewenscht zijn, dat het auteursrecht van

onze wet even lang duurt als in de andere Verbondslanden. Behoud van

ons systeem (vijftig jaar na de uitgave en ten minste tot den dood

des auteurs, indien deze zijn recht nooit heeft overgedragen) na onze

aansluiting zou tot gevolg hebben, dat in het grootste gedeelte van

het Verbond de uit Nederland afkomstige werken veel korter beschermd

zouden zijn dan die uit andere landen. Dit zou dus alweer een reden

kunnen zijn voor Nederlandsche auteurs, om hunne werken niet hier,

maar in een der andere Verbondslanden te doen uitgeven waardoor zij

aan deze werken een beter "land van herkomst" zouden kunnen bezorgen.

b Bijzondere regelen omtrent sommige onderdeelen

I Het uitsluitend vertalingsrecht (Conv. 1908 art. 8; Conv. 1886

art. 5; Add. Acte 1896 art. 1, III)

Op het groote practische gewicht van het vraagstuk van het uitsluitend

vertalingsrecht in de internationale betrekkingen behoeft niet meer

gewezen te worden. Bij de voorbereiding der Berner Conventie was men

hiervan ook doordrongen. Renault noemde dit punt: "la disposition

capitale et essentielle du projet" [591] en later, op de Conferentie

van Parijs: "la question internationale par excellence" [592], en dat

dit gevoelen algemeen werd gedeeld kan o. a. blijken uit de lange

beraadslagingen, zoowel te Bern als te Parijs en Berlijn over deze

kwestie gehouden.

In het ontwerp der Association was het uitsluitend vertalingsrecht

met het auteursrecht volkomen gelijkgesteld (art. 5); evenzoo in

art. 7 van het ontwerp van den Zwitserschen Bondsraad, waarbij echter

subsidiair als beperkende voorwaarde was voorgesteld: "indien van

dit recht binnen een termijn van tien jaar wordt gebruik gemaakt."

Op de Conferentie van 1884 kwam de kwestie het eerst ter sprake

bij de behandeling van de door de Duitsche delegatie opgestelde

vraagpunten. Een dezer vragen luidde:

"Moet de duur van het uitsluitend vertalingsrecht gelijk zijn aan die

van het auteursrecht op het oorspronkelijke werk? Zoo neen, moet dan

die duur niet voor het geheele Verbond eenvormig worden vastgesteld?"

De Scandinavische afgevaardigden verklaarden, dat aanneming van een

vertalingsrecht van gelijken duur als het auteursrecht voor Zweden

en Noorwegen waarschijnlijk de toetreding tot het Verbond onmogelijk

zou maken; Duitschland zou er voor te vinden zijn, op voorwaarde van

eenstemmigheid van alle staten op dit punt [593].

Uit het rapport der Commissie bleek, dat er, behalve het voorstel

van den Zwitserschen Bondsraad, nog drie andere oplossingen waren

geformuleerd:

1o. Een voorstel van de Duitsche delegatie, waarin een uniforme termijn

van tien jaar voor het uitsluitend vertalingsrecht was aangenomen, te

beginnen op het tijdstip van de uitgave eener geautoriseerde vertaling,

en onder voorwaarde dat deze binnen drie jaar na de uitgave van het

oorspronkelijke werk plaats heeft. Een maximumtermijn derhalve van

dertien jaar na de uitgave van het oorspronkelijke werk.

2o. Een van den Zweedschen afgevaardigde Lagerheim afkomstig

voorstel: het vertalingsrecht duurt tien jaar na de uitgave van het

oorspronkelijk werk, mits eene geautoriseerde vertaling in de taal,

waarvoor de bescherming verlangd wordt, binnen drie jaar na die

uitgave verschijnt.

3o. Een Fransch voorstel, waarin de volkomen gelijkstelling van

vertalingsrecht met auteursrecht op het origineel was uitgesproken.

Nadat dit laatste voorstel met drie tegen zes stemmen (en drie

onthoudingen) was verworpen, werd ten slotte het voorstel der Commissie

aangenomen, waarin de berekening van den duur van het vertalingsrecht

uit het Duitsche voorstel was overgenomen (tien jaar na de uitgave

der vertaling, mits deze binnen drie jaar na het oorspronkelijk

werk het licht ziet), terwijl evenals in het Zweedsche voorstel deze

voorwaarde voor elke taal afzonderlijk geldt. Bij de verdediging van

haar voorstel verklaarde de Commissie eenstemmig te zijn in haar

oordeel, dat "la tendance de l'époque est à l'assimilation de la

durée du droit exclusif de traduction à celle du droit sur l'oeuvre

originale" [594], doch dat de voorgestelde redactie alleen gekozen

was, om de toetreding van sommige staten, wier wetgeving nog niet

zoover gevorderd was, mogelijk te maken.

In 1885 werd opnieuw over het artikel gestreden. Weer werd van Fransche

zijde (Lavollée en Renault) op volkomen gelijkstelling aangedrongen,

terwijl weer door Zweden en Noorwegen de onmogelijkheid werd verklaard

om met den toenmaligen stand hunner wetgeving meer te verleenen dan

een vertalingsrecht van tien jaar [595].

Er was nu ook een Engelsch voorstel, om geen termijn in de Conventie

vast te stellen, maar de regeling hiervan aan de inlandsche

wetgevingen over te laten. Voorts was door de Zwitsersche en

Italiaansche afgevaardigden voorgesteld, de bepaling dat eene door

den auteur goedgekeurde vertaling binnen drie jaar moet verschijnen,

weg te laten, óf--indien men hiertoe niet kon besluiten--in elk

geval de termijnen van drie jaar (binnen welke de vertaling moest

verschijnen) en van tien jaar (den duur van het vertalingsrecht) te

verlengen. In het rapport der Commissie worden al deze voorstellen

kortelijk besproken. Door aanneming van het Engelsche voorstel zou

volgens de meerderheid der Commissie te veel speelruimte worden

gelaten aan de inlandsche wetgevingen en de werking der Conventie

te zeer beperkt worden; tegen het Zwitsersch-Italiaansche voorstel

werden ook eenige bezwaren ingebracht, terwijl het Fransche voorstel

werd verworpen (met zes tegen vijf stemmen), niet omdat men het met

het beginsel der gelijkstelling niet eens was, maar omdat de aanneming

hiervan tengevolge zou hebben, dat enkele landen niet tot de Conventie

zouden kunnen toetreden. Men achtte trouwens deze verwerping niet van

overwegend practisch belang, daar er alle reden bestond te verwachten,

dat vóór de verstrijking van den tienjarigen termijn de Conventie

reeds in den gewenschten zin zou zijn gewijzigd.

Het artikel werd ten slotte, zooals de Commissie het had voorgesteld,

in de Conventie opgenomen: het vertalingsrecht duurt tien jaren na

de uitgave van het oorspronkelijke werk, hetzij de auteur al of niet

binnen dien tijd eene vertaling laat verschijnen.

Uit het bovenstaande moge de beteekenis, welke aan art. 5 Conventie

1886 is te hechten, eenigermate duidelijk zijn geworden. De termijn

van tien jaren werd door de groote meerderheid min of meer als

een overgangsmaatregel beschouwd; men stelde zich ermede tevreden,

omdat nu eenmaal op het oogenblik niet meer was te bereiken, en in de

stellige verwachting, dat het slechts eene kwestie van tijd was, het

juiste beginsel in zijn geheel doorgevoerd te krijgen. Dat hierover

alle Berner gedelegeerden het eens waren, blijkt wel uit den wensch,

zoowel in 1884 als in 1885 uitgesproken:

"Il y aurait lieu de favoriser autant que possible la tendance vers

l'assimilation complète du droit de traduction au droit de reproduction

en général" [596].

Het werd daarom als vanzelf sprekend beschouwd, dat op de Conferentie

van Parijs de kwestie van het vertalingsrecht niet onbesproken

zou blijven. Frankrijk stond hier weer vooraan met den eisch van

"assimilation complète". Doch ook toen bleek de tijd daarvoor nog

niet volkomen rijp te zijn en daarom werd, vooral ten gerieve van

Engeland en Italië, weer een middenweg gekozen nl. gelijkstelling

in duur, doch op voorwaarde dat binnen tien jaar na de uitgave van

het oorspronkelijke werk eene door den auteur goedgekeurde vertaling

verschijnt in de taal, waarvoor de bescherming wordt ingeroepen.

Dat de meeste staten ook hiermede nog niet alles bereikt achtten wat

zij wenschten, kan blijken uit de dienaangaande afgelegde verklaringen

[597]. Zelfs werd, om het den toekomstigen herzieners der Conventie

gemakkelijk te maken, de redactie van de nieuwe bepaling zoodanig

gekozen, dat in den eersten zin het gewenschte beginsel (volkomen

gelijkstelling van vertalingsrecht met auteursrecht) zonder meer is

vooropgesteld, terwijl daarna een nieuwe zin de beperkende voorwaarde

inhoudt, welke men later hoopte te zien verdwijnen. "Nos successeurs

n'auront qu'à supprimer tout ce qui suit cette phrase", merkte Renault

in zijn rapport daarbij op [598].

En zoo is ook werkelijk te Berlijn geschied. Renault, die weer

de opsteller van het commissie-rapport was, kon na aanhaling van

zijne in 1896 geschreven woorden zelf de verwezenlijking van den lang

gekoesterden wensch constateeren [599]. Het voorstel was uitgegaan van

Duitschland, welks Regeering in samenwerking met het Berner Bureau

de werkzaamheden der Conferentie had voorbereid. Het nieuwe artikel

(art. 8 Conventie 1908) luidt nu als volgt:

De tot een der landen van het Verbond behoorende auteurs van

niet-gepubliceerde werken en de auteurs van werken, welke voor

de eerste maal in een dezer landen gepubliceerd zijn, genieten in

de overige Verbondslanden, tijdens den vollen duur van het recht

op het oorspronkelijke werk, het uitsluitend recht hunne werken

te vertalen of tot de vertaling toestemming te verleenen.

Eene ernstige bestrijding heeft deze bepaling op de Conferentie van

Berlijn niet gevonden. Alleen van den kant van Japan was een voorstel

ingediend dat er lijnrecht mede in strijd was, nl. om het uitsluitend

vertalingsrecht--doch alleen in de betrekkingen tusschen Japan en

de overige Verbondslanden--geheel te doen vervallen. Als argument

voor deze exceptionneele bepaling werd aangevoerd, dat de Japansche

taal aanmerkelijk in karakter verschilt met de Europeesche talen,

dat daarom het vertalen in en uit het Japansch hoogst moeilijk is en

zelden voorkomt, en dat het belang zoowel van Japan zelf als van de

andere beschaafde staten meebracht, dat aan dit toch al gebrekkig

letterkundig ruilverkeer zoo min mogelijk hinderpalen in den weg

werden gelegd. Tot deze hinderpalen meende de Japansche delegatie nu

ook het uitsluitend vertalingsrecht te moeten rekenen [600].

Het was te voorzien, dat de Berlijnsche Conferentie op dit voorstel

niet in zou gaan. In het rapport van Renault wordt er met hoffelijke

termen gewag van gemaakt, doch toch zóó, dat wel blijkt, dat van

aannemen van het voorstel geen kwestie is geweest. Duidelijk wordt

te kennen gegeven, dat ten gerieve van één staat niet van een van de

grondbeginselen der Conventie kon worden afgeweken. Bovendien werd

opgemerkt, dat de ervaring met het uitsluitend vertalingsrecht in

Europa opgedaan juist het tegenovergestelde had geleerd van hetgeen de

Japansche delegatie vreesde. Nergens worden ernstige vertalers door

onredelijke eischen der auteurs tegengehouden; zij komen er juist

eerder toe eene vertaling te ondernemen, wanneer zij de zekerheid

hebben, tegen andere vertalingen beschermd te zullen zijn [601].

Japan zag dus zijn voorstel geheel terzijde gesteld en moest zich

bij dit besluit der Conferentie wel neerleggen. Daar het reeds

toegetreden is tot de Add. Acte van Parijs, blijft er--tenzij het

geheel uit de Unie wil treden--geen andere weg voor dit land over,

dan zich te blijven vasthouden aan hetgeen te Parijs ten aanzien van

het vertalingsrecht is bepaald (gelijkstelling in duur met het overige

auteursrecht, mits binnen tien jaar eene vertaling met goedkeuring

van den auteur verschijnt). Op de zitting van 13 November 1908

werd bij de behandeling van het nieuwe artikel 8 dan ook door den

Japanschen gedelegeerde Horiguchi Kumaichi eene verklaring in dien

zin afgelegd. Eenzelfde verklaring werd daar ook namens Spanje gedaan

[602]. Deze twee staten zullen dus bij de bekrachtiging der Conventie

1908 artikel 8 niet aanvaarden, maar zich houden aan de bepaling van

art. 5 Conventie 1886, gewijzigd door de Add. Acte van Parijs.

Daarentegen bestaat er alle kans dat Zweden en Noorwegen, de

twee eenige Verbondsstaten, die de Add. Acte nog niet hebben

bekrachtigd en die dus in de internationale betrekkingen nog

slechts een vertalingsrecht van tien jaar erkennen krachtens het

ongewijzigde art. 5 Conventie 1886, het nieuwe art. 8 Conventie 1908

onvoorwaardelijk zullen aanvaarden, zoodat zij van de achterhoede

plotseling in de voorste rij zullen komen te staan [603].

Men ziet uit het bovenstaande, hoe het beginsel van een uitsluitend

vertalingsrecht van even langen duur als het overige auteursrecht,

dat reeds door de ontwerpers der Conventie van Bern als het juiste

werd erkend, gestadig in het Verbond veld heeft gewonnen. De Conventie

1886 verleende een vertalingsrecht van slechts tien jaar; de Add. Acte

maakte den duur gelijk aan dien van het overige auteursrecht, doch

onder voorwaarde, dat binnen tien jaar eene geautoriseerde vertaling

verscheen; totdat eindelijk de Conventie 1908 ook deze beperking

wegnam en het juiste beginsel in zijn vollen omvang invoerde.

Tusschen deze drie verschillende regelingen zal dus een staat, die

zich bij het Verbond wenscht aan te sluiten, hebben te kiezen. Over

deze keus--speciaal in verband met de toetreding van ons land--zal

zoo aanstonds nog het een en ander worden gezegd. Ik wensch echter

eerst nog een oogenblik stil te staan bij de beteekenis der genoemde

Conventie-bepalingen. Daar ons land hoogstwaarschijnlijk niet--of

tenminste niet terstond bij de aansluiting--het nieuwe art. 8

onvoorwaardelijk zal aanvaarden, kunnen daarbij de bepalingen van

1886 en 1896 niet geheel voorbij worden gegaan.

Het vertalingsrecht--en dit geldt voor alle drie de regelingen--behoort

tot die rechten, welke in de Conventie zelve gecodificeerd zijn; of

zooals de Conventie 1908 (art. 4 lid 1) ze, in tegenstelling met de

rechten die op de landswetten berusten, noemt: "droits spécialement

accordés par la présente Convention". De bedoelde bepalingen houden

dus--zooals het door sommige schrijvers is uitgedrukt--dwingend

materieel recht in; d. w. z. het vertalingsrecht geldt in het geheele

Verbond binnen de grenzen, welke de Conventie zelve daarvoor gesteld

heeft, onafhankelijk van de bepalingen, welke de inlandsche wetten

op dit punt mochten bevatten. Deze wetten zijn slechts toepasselijk,

voorzoover dit uit de bepalingen der Conventie valt op te maken. Art. 8

Conventie 1908 bepaalt b.v. dat het vertalingsrecht evenlang duurt als

"het recht op het oorspronkelijke werk"; middellijk is dus ook de

inlandsche wet van het betreffende land van invloed, daar deze den

duur van het recht op het oorspronkelijke werk bepaalt of althans

meehelpt bepalen. De bijzondere bepalingen, die de landswetten op

het vertalingsrecht mochten bevatten, worden echter door de Conventie

geheel terzijde gesteld. Dit sluit natuurlijk ook in, dat eventueel

door deze wetten voorgeschreven bijzondere voorwaarden of formaliteiten

voor het vertalingsrecht niet in acht behoeven te worden genomen [604].

Hierbij dient men echter te bedenken, dat de Conventie slechts een

minimum van bescherming waarborgt, d. w. z. dat hare bepalingen nooit

de strekking kunnen hebben, om rechten, die, indien zij niet bestond,

zouden kunnen worden ingeroepen, geheel of gedeeltelijk te doen

vervallen. Over dezen algemeenen regel, die nu in de Conventie 1908

(art. 19) eene stellige uitdrukking heeft gevonden, is hierboven, bij

de behandeling van art. 7 Conventie 1908 en art. 2 lid 2 Conventie

1886 gesproken. In dit verband is hij alleen van practisch belang

ten aanzien van de bepalingen der Conventie 1886 en der Add. Acte,

daar deze, in tegenstelling met het nieuwe art. 8 Conventie 1908,

het vertalingsrecht nog beperkingen in den weg leggen.

De strekking van den bedoelden regel, waarover vroeger nog wel

getwist werd, doch die nu in art. 19 Conventie 1908 duidelijk staat

aangegeven, is deze, dat de rechten van wijdere strekking of langeren

duur der inlandsche wetten alleen dán ondanks de voor de auteurs

minder gunstige bepalingen der Conventie kunnen worden ingeroepen,

indien die rechten geheel buiten de Conventie om bestaan. De

grond van den regel heeft men hierin te zoeken, dat de Conventie

in geen enkel opzicht de auteurs, die onder hare bepalingen staan,

in slechter conditie wil brengen dan zij zonder de Conventie zouden

zijn. Indien de wet van een land--zooals b.v. in Luxemburg het geval

is--op alle werken toepasselijk is, onverschillig wie auteur is

en waar het werk is uitgekomen, dan zullen dus ook voor de werken

uit de andere Verbondslanden de bepalingen dezer wet, voorzoover

zij meer bescherming verleenen dan de Conventie, voor den rechter

van dit land kunnen worden ingeroepen. Als men zich echter op de

Conventie moet beroepen, dan moet met den beschermingstermijn, dien de

Conventie stelt, genoegen worden genomen. Gesteld dus, dat Nederland

tot de Conventie toetrad zonder het nieuwe art. 8 Conventie 1908 te

bekrachtigen, doch op den voet van het oude art. 5 Conventie 1886, dan

zou b.v. in Duitschland, waar de Nederlandsche werken nú onbeschermd

zijn, het uitsluitend vertalingsrecht van deze werken slechts tien

jaren duren, hoewel volgens de Duitsche wet het vertalingsrecht met

het auteursrecht in tijdsduur is gelijkgesteld. Daarentegen zou het

uitsluitend vertalingsrecht van vijftig jaar na den dood des auteurs,

dat nú krachtens de Luxemburgsche wet in dat land de Nederlandsche

auteurs genieten, door de toetreding van ons land bij het Verbond

niet worden opgeheven of verkort.

Er zijn nu nog enkele opmerkingen te maken, die uitsluitend het oude

art. 5 Conventie 1886 en Add. Acte 1896 raken.

Het artikel--zoowel in zijne oorspronkelijke gedaante als na de

wijziging die er te Parijs in is gebracht--begint aldus:

De tot een der landen van het Verbond behoorende auteurs of hunne

rechtverkrijgenden genieten in de andere landen het uitsluitend

recht hunne werken te vertalen, enz.

Alleen dus de werken van "tot een der landen van het Verbond behoorende

auteurs" worden genoemd. Dit beteekent echter niet, dat de bepaling

niet toepasselijk zou zijn op de binnen het Verbond uitgegeven werken

van vreemde auteurs, die genoemd worden in art. 6 Conventie 1908

en art. 3 Conventie 1886. In laatstgenoemd artikel worden eenvoudig

"de bepalingen dezer Conventie" op de bedoelde werken toepasselijk

verklaard en artikel 1, II Add. Acte, waardoor dit artikel gewijzigd

wordt, houdt in, dat de auteurs van deze werken "de bescherming door de

Conventie en de Additionneele Acte verleend" zullen genieten. Hieronder

is dus ook het uitsluitend vertalingsrecht begrepen. Art. 6 Conventie

1908 is nog duidelijker en spreekt van "de rechten, die door de

tegenwoordige Conventie worden toegekend". Deze rechten kunnen echter

alleen in de andere landen, niet in het land van herkomst worden

ingeroepen (cf. art. 4 lid 1, artt. 5 en 6 Conventie 1908).

De termijn van tien jaar (zoowel die voor den duur van het

vertalingsrecht van het ongewijzigde art. 5 Conventie 1886, als de

zoogenaamde "Benützungsfrist" van de Add. Acte) wordt berekend naar

het tijdstip der uitgave; hieruit volgt, dat het vertalingsrecht van

onuitgegeven werken niet aan een bepaalden termijn wordt gebonden

en derhalve evenlang duurt als het auteursrecht in het algemeen. De

redactie van het gewijzigde artikel laat geen ruimte over voor eene

andere uitlegging [605]; wat het artikel in zijne oude gedaante betreft

zou men nog kunnen twijfelen, daar hierin niet de gelijkstelling

in duur van vertalings- en auteursrecht als algemeene regel is

vooropgesteld. Eene andere uitlegging dan de bovengenoemde is echter

moeilijk denkbaar en zou hoogstwaarschijnlijk ook met de bedoeling van

de ontwerpers der bepaling in strijd zijn. Er bestaat geen grond voor

de onderstelling, dat het artikel in het geheel niet op onuitgegeven

werken toepasselijk zou zijn; en daar het alleen voor uitgegeven werken

een bepaalden tijdsduur vaststelt, ligt het voor de hand, dat voor

de andere (dus de niet-uitgegeven) werken het vertalingsrecht duurt,

zoolang het werk overigens van de bescherming der Conventie geniet.

In het tweede, derde en vierde lid van art. 5 Conventie 1886, waarin

de Add. Acte van Parijs geene veranderingen heeft aangebracht, worden

nog eenige detail-regelingen gegeven betreffende de berekening van den

termijn, welke geene nadere verklaring behoeven. Alleen kan het zijn

nut hebben, te wijzen op de beteekenis, welke men heeft willen hechten

aan de woorden "aflevering" (livraison) en "verslagen of tijdschriften"

(bulletins ou cahiers). Onder "livraison" verstond de Commissie van

1885, die het artikel geredigeerd heeft: "une partie d'un ouvrage

paraissant par fascicules successifs, qui ne forme pas en elle même

une publication séparée, mais est si indissolublement liée au reste de

l'ouvrage, soit par la pagination, soit par son ensemble typographique,

que le défaut d'une seule livraison rendrait l'ensemble de l'ouvrage

incomplet et défectueux" [606]. Het Nederlandsche woord "aflevering"

geeft hier m.i. het juiste aequivalent; men spreekt hier echter

ook van afleveringen van een tijdschrift: deze zullen niet onder de

"livraisons" maar onder de "cahiers ou bulletins" vallen.

Het nieuwe art. 8 Conventie 1908 geeft, dank zij ook de

meer nauwkeurige redactie, geen aanleiding tot verschillende

interpretatie. Afzonderlijk worden erin genoemd de onuitgegeven werken

van auteurs die tot een der Verbondslanden behooren, en de uitgegeven

werken, waarvan de eerste uitgave binnen het Verbond heeft plaats

gehad; terwijl voorts--in overeenstemming met de bepalingen van art. 4

lid 1, art. 5 en art. 6 Conventie 1908--onderscheid wordt gemaakt

tusschen de bescherming in het land van herkomst en die in de overige

Verbondslanden. Alleen in de laatste kunnen de auteurs krachtens het

artikel aanspraak maken op het vertalingsrecht der Conventie. Daar

het artikel geen bijzonderen termijn voor het vertalingsrecht stelt,

konden de bepalingen van lid 2, 3 en 4 van art. 5 Conventie 1886

geheel vervallen.

Ten slotte nog enkele opmerkingen over het uitsluitend vertalingsrecht

der Conventie in verband met eene toekomstige aansluiting van ons

land bij het Verbond. Zooals bekend hebben de tegenstanders van

onze aansluiting het juist op het vertalingsrecht gemunt; indien dit

slechts uit de Conventie kon worden geschrapt, of indien er een nòg

korteren duur dan tien jaar (art. 5 Conventie 1886) aan kon gegeven

worden, zou waarschijnlijk bijna niemand meer eenig bezwaar tegen

het toetreden van ons land maken.

Het behoeft echter na het voorgaande nauwelijks te worden gezegd,

dat er niet de allerminste kans bestaat dat de Verbondsstaten

eerlang tot eene inkrimping of afschaffing van het vertalingsrecht

zullen overgaan. Langzaam maar zeker heeft dit recht, dat in de

internationale betrekkingen van zooveel gewicht is, in het Verbond de

erkenning gevonden, die het naar recht en billijkheid verdient. Van

eene kentering der gevoelens op dit punt is niets te bespeuren. Alleen

de houding van Japan op de Berlijnsche Conferentie zou hieraan kunnen

doen denken; doch het onthaal, dat het Japansche voorstel aldaar vond,

bewijst wel dat er aan een teruggang op den afgelegden weg niet valt

te denken.

Ons land zal dus, wil het niet voor altijd buiten het Verbond

blijven, op zijn minst de regeling van art. 5 Conventie 1886,

een vertalingsrecht dus van tien jaar, dienen te aanvaarden. Dat

toetreding op deze voorwaarde nog mogelijk is, is een gevolg van de

tegemoetkomende houding, welke door de Verbondslanden op de Berlijnsche

Conferentie is aangenomen tegenover landen als het onze, die nog geen

deel uitmaken van het Verbond en die voor de invoering eener volledige

internationale auteursbescherming nog eenigszins huiverig zijn. Men

heeft dezen landen--en hierbij had men vooral Rusland en Nederland

op het oog--het toetreden tot het Verbond gemakkelijk willen maken,

door hen niet te dwingen terstond alle bepalingen te aanvaarden,

waartoe nu eerst de landen, die van den aanvang af lid van het

Verbond zijn geweest, na een tijdperk van geleidelijke ontwikkeling,

waren gekomen. Ook aan de landen, die zich tot nu toe buiten de

internationale auteursrechts-regeling hadden gehouden, wilde men de

gelegenheid geven denzelfden geleidelijken weg te volgen en dezelfde

ervaringen op te doen, niet twijfelende, of ook zij zouden, wanneer

eenmaal de eerste stap zou zijn gezet, de noodzakelijkheid inzien om

in dezelfde richting verder te gaan.

Afgaande op de verklaring, welke door den Nederlandschen gedelegeerde

Mr. F. W. J. G. Snijder van Wissenkerke op de Berlijnsche Conferentie

is afgelegd [607], mag men aannemen, dat het in het voornemen

onzer Regeering ligt, van deze aangeboden gelegenheid om met een

vertalingsrecht van slechts tien jaar (het oude art. 5 Conventie

1886) toe te treden, gebruik te maken. Hoogstwaarschijnlijk zal ook

onze volksvertegenwoordiging, gegeven de sterke oppositie die hier

nog tegen een vertalingsrecht van eenigszins langen duur bestaat,

slechts onder die voorwaarde de voor onze toetreding vereischte

goedkeuring verleenen.

Het behoeft geen verder betoog, dat onze toetreding tot het Verbond in

dat geval niet meer zal zijn dan een eerste stap op den goeden weg. Wij

zullen dan nog altijd op het meest belangrijke punt van internationaal

auteursrecht ongeveer twintig jaar ten achter zijn bij bijna alle

andere beschaafde staten. Men zou kunnen aanvoeren, dat het niet goed

is te hard van stapel te loopen en dat het beter is, evenals de andere

landen vóór ons hebben gedaan, te beginnen met een vertalingsrecht

van tien jaar bij wijze van overgangsmaatregel. Later--wellicht

nog vóórdat de eerste tien jaren verstreken zijn--zou men dan tot

invoering van den langeren termijn kunnen overgaan.

Met eene dergelijke redeneering zou men echter blijk geven van te

groote voorzichtigheid. Indien men inziet, dat het op den duur toch

eens zoover zal komen, dat in ons land een vertalingsrecht van even

langen duur als het overige auteursrecht wordt erkend, dan bestaat

er geen reden om dit tijdstip nog langer te willen verschuiven. Want,

ook afgezien van alle overwegingen van principieel-juridischen aard,

zou een onvoorwaardelijk aanvaarden van het nieuwe artikel 8 Conventie

1908 verre de voorkeur verdienen boven het zich vastklampen aan de

oude bepaling der Conventie 1886. Wat toch zou het gevolg zijn van dit

laatste? Niet alleen, dat de werken uit de andere landen in ons land

slechts tien jaar tegen vertalingen beschermd zouden zijn, maar ook dat

voor alle Nederlandsche werken in het geheele Verbond diezelfde korte

termijn zou gelden. De Nederlandsche werken (d.w.z. de in Nederland

uitgegeven werken en de onuitgegeven werken van Nederlandsche auteurs)

zouden dus overal aanmerkelijk minder goed beschermd zijn dan de werken

uit andere landen. Dit zou waarschijnlijk het, reeds door mij genoemde,

gevolg hebben, dat Nederlandsche auteurs, die ook in het buitenland

(en dan natuurlijk alleen in vertaling) gelezen en opgevoerd worden,

hunne werken niet hier, maar in een ander Verbondsland (b.v. België

of Duitschland) zouden uitgeven. Des te eerder zouden zij hiertoe

kunnen overgaan, daar de uitgave in een ander Verbondsland, zooals wij

hierboven gezien hebben, na onze toetreding tot de Conventie niet meer

het gevolg zou hebben, dat de bescherming in Nederland zelf ophield.

Er zijn zeer zeker nog andere en sterkere argumenten, die ervoor

pleiten om bij onze aansluiting terstond art. 8 Conventie 1908

onvoorwaardelijk te bekrachtigen, doch ik heb op het bovenstaande

den nadruk willen leggen, omdat een vertalingsrecht van tien jaar

"om mee te beginnen" waarschijnlijk zal worden aangeprezen juist als

een maatregel in het belang der uitgevers en drukkers. Men ziet nu,

dat hij in sommige opzichten juist het tegenovergestelde gevolg zou

kunnen hebben.

Het vertalingsrecht van onze wet is nog beperkter dan dat van de

Conventie 1886. Voor onuitgegeven werken staat het met het overige

auteursrecht in tijdsduur gelijk (art. 5a jo art. 16, 1o); voor

uitgegeven werken echter (en deze vormen natuurlijk verreweg de

belangrijkste categorie) duurt het slechts vijf jaar na de uitgave

en dan nog onder voorwaarde, dat het op de voorgeschreven wijze zij

voorbehouden en dat de vertaling binnen drie jaar verschenen zij

(art. 5b). Deze bepalingen hebben echter, zooals reeds is opgemerkt,

geene practische beteekenis, daar onze wet alleen toepasselijk is op

in het Rijk door den druk gemeen gemaakte werken. Zij zouden ook geen

beletsel zijn voor de toetreding van ons land tot de Conventie. Er

zijn meer voorbeelden van Verbondslanden, die in hunne binnenlandsche

wetgeving onder het minimum bleven, dat de Conventie voor het

vertalingsrecht vaststelt (Duitschland vóór de wet van 19 Juni 1901;

Denemarken, dat in 1902 tot de Conventie met de Add. Acte toetrad en

eerst in 1904 zijne wetgeving in overeenstemming hiermede wijzigde;

Italië met een vertalingsrecht van tien jaar en Zwitserland met een

"Benützungsfrist" van vijf jaar, hoewel beide staten de Additionneele

Acte hebben bekrachtigd).

Het vertalingsrecht der Conventie bestaat, zooals hierboven is

uiteengezet, onafhankelijk van de bijzondere bepalingen der inlandsche

wetten op dit punt. Deze wetten blijven dus in de gevallen, waar de

Conventie toepasselijk is, buiten toepassing en behoeven daarom ook

niet aan zekere, door de Conventie te stellen, eischen te voldoen

[608]. Ter wille der rechtseenheid is het echter gewenscht, dat de

inlandsche wet ook op dit punt met de Conventie in overeenstemming

zij. Daarom kan worden verwacht, dat wanneer Nederland tot het Verbond

toetreedt, in onze wet dezelfde regeling zal worden overgenomen,

die krachtens ons lidmaatschap van het Verbond in de internationale

betrekkingen zullen gelden, dus: óf een vertalingsrecht van tien jaar

(ongewijzigd art. 5 Conventie 1886); óf een vertalingsrecht van even

langen duur als het overige auteursrecht, mits binnen tien jaar eene

geautoriseerde vertaling verschijnt (art. 5 Conventie 1886 gewijzigd

door Add. Acte 1896); óf eindelijk de volkomen gelijkstelling van het

vertalingsrecht met het overige auteursrecht (art. 8 Conventie 1908).

II Dagbladen en tijdschriften (Conv. 1908 art. 9; Conv. 1886 art. 7;

Add. Acte 1896 art. 1, IV)

De omstandigheden, die tot het vaststellen van bijzondere bepalingen

voor het auteursrecht op in tijdschriften en dagbladen gepubliceerde

stukken aanleiding geven, doen zich ook in de internationale

verhoudingen voor. Bijna geen courant kan het zonder aanhalingen en

ontleeningen uit toonaangevende buitenlandsche bladen stellen. Het

van elkander overnemen van berichten en artikelen behoort tot de

internationale persgebruiken, die evenmin als de binnenlandsche bij

de regeling van het auteursrecht over het hoofd mogen worden gezien.

Hoewel nóch in het ontwerp der Association, nóch in dat van den

Zwitserschen Bondsraad, eene afzonderlijke bepaling hierover voorkwam,

werd toch de kwestie op de Conferenties te Bern van 1884 en 1885

aan de orde gesteld en langdurig besproken. In 1884 zegevierde een

Duitsch voorstel (art. 9 Ontw. 1884), volgens hetwelk ontleeningen

aan tijdschriften en dagbladen zouden worden vrijgelaten, behalve

wat betreft feuilleton-romans en artikelen over eenig onderwerp

van wetenschap of kunst, terwijl het auteursrecht zou kunnen worden

voorbehouden van andere opstellen van eenigen omvang (articles de

quelque étendue), onder welke laatste echter niet zouden worden

gerekend die over de politiek [609].

In 1885 kwam de Commissie, na verschillende andere oplossingen

verworpen te hebben, met een nieuw voorstel, dat behoudens eene kleine

redactie-wijziging, het volgend jaar onveranderd in de Conventie

is opgenomen.

Het artikel (art. 7 Conventie 1886) strekt de vrijheid, om uit

dagbladen en tijdschriften over te nemen, uit tot bijdragen van

elken aard, tenzij de auteur of uitgever dit uitdrukkelijk heeft

verboden. Doch voor twee categorieën, nl. nieuwtjes (nouvelles du jour)

en gemengde berichten (faits divers) is zelfs het stellen van een

verbod uitgesloten; deze kunnen dus in elk geval zonder toestemming

van auteur of uitgever worden overgenomen.

Deze bepalingen vonden al dadelijk van verschillende zijden afkeuring;

het gevolg was, dat op de Conferentie van Parijs niet minder dan vijf

verschillende wijzigingsvoorstellen werden ingediend, resp. afkomstig

van: Frankrijk, Duitschland, België, Noorwegen en Monaco [610]. De

Commissie kwam na lange beraadslaging ten slotte tot eene redactie,

waarin zooveel mogelijk met de verschillende wenschen was rekening

gehouden, doch waarbij zich België en Italië slechts noodgedrongen

neerlegden [611].

Het gewijzigde artikel 7 onderscheidt drie categorieën pers-bijdragen:

a) feuilleton-romans en novellen, die onvoorwaardelijk beschermd zijn;

b) andere artikelen in dagbladen of tijdschriften, die niet mogen

worden overgenomen, mits auteur of uitgever uitdrukkelijk verklaren,

dat zij den nadruk (waaronder natuurlijk ook te verstaan is overnemen

in eene andere taal) verbieden. Ontbreekt deze verklaring, dan mag het

artikel worden overgenomen, doch slechts met vermelding van de bron;

c) artikelen over de politiek, nieuwtjes en gemengde berichten,

waarvan het auteursrecht niet kan worden voorbehouden.

Op de Conferentie van Berlijn heerschte weer evenveel verdeeldheid

over dit vraagstuk als op de vorige Conferentiën. Er waren wederom

verschillende wijzigings voorstellen, nl. van: Duitschland,

België, Engeland en Italië [612]. Ook duurde het lang, voordat

men in den boezem der Commissie, die dit alles te verwerken had,

tot eenstemmigheid was gekomen [613]. Het resultaat was in 't kort

het volgende.

In het nieuwe artikel (art. 9 Conventie 1908) wordt als algemeene

regel vooropgesteld, dat de inhoud van dagbladen en tijdschriften

("feuilleton-romans, novellen en alle andere, hetzij letterkundige,

wetenschappelijke of kunstwerken, onverschillig wat het onderwerp ervan

is") niet zonder toestemming der auteurs gereproduceerd mag worden.

Het staat echter aan een dagblad vrij, uit een ander dagblad (van

tijdschriften wordt dus niet meer gesproken) die artikelen (geen

feuilleton-romans en novellen) over te nemen, waarvan de reproductie

niet uitdrukkelijk is verboden. De bron moet daarbij worden genoemd.

Verder bepaalt het artikel, dat de Conventie niet toepasselijk is

op nieuwtjes of gemengde berichten, die het karakter van eenvoudige

persinformaties dragen.

De beteekenis der wijzigingen, die de Conventie in deze materie

achtereenvolgens heeft ondergaan, zal duidelijker worden, indien men

de verschillende vragen, waarop een antwoord moest worden gevonden,

een oogenblik afzonderlijk beschouwt.

Wat in het algemeen de strekking is van bijzondere bepalingen op

het auteursrecht der journalisten behoeft geen lange uiteenzetting:

het is het waarborgen eener zekere vrijheid in het van elkander

overnemen van artikelen en berichten; dus het geoorloofd verklaren

van handelingen, die anders volgens den algemeenen regel inbreuk op

het auteursrecht zouden uitmaken. Er zijn dus vragen van tweeërlei

aard te beantwoorden. In de eerste plaats: voor welke soorten van

werken en bijdragen behoort deze vrijheid verleend te worden?--en ten

tweede: waarin bestaat deze vrijheid; hoever moet zij in elk geval

worden uitgestrekt?

Ten aanzien der eerste vraag kan al dadelijk worden opgemerkt, dat

de inhoud van een dagblad gedeeltelijk gevormd wordt door berichten

en mededeelingen, die geen auteurs-scheppingen zijn en waarvan dus de

reproductie nooit een inbreuk op het auteursrecht kan uitmaken. Deze

werken zouden dus in eene regeling, die alleen het auteursrecht

betreft, geheel buiten beschouwing kunnen blijven. Zeer juist is, wat

hierover op de Parijsche Conferentie de gedelegeerde de Borchgrave in

het midden bracht: "Le régime spécial adopté pour les nouvelles du jour

et les faits divers pourrait échapper à toute critique sérieuse. On

ne conçoit pas de droit d'auteur là où il n'y a ni oeuvre littéraire,

ni création de l'esprit dans le sens élevé du mot. Si donc il y a lieu

de protéger les informations et les faits divers contre les emprunts

peu scrupuleux de certains journaux, c'est dans une loi spéciale, et

non pas dans une loi relative au droit d'auteur, qu'il faut réaliser

cette protection. Elle échappe à l'objet propre de notre matière"

[614].

Deze zienswijze is pas in de Conventie 1908 duidelijk tot uitdrukking

gekomen. Het laatste lid van art. 9 bepaalt, dat "de bescherming der

Conventie" niet van toepassing is op nieuwtjes en gemengde berichten,

die het karakter van eenvoudige pers-informaties dragen. Er is op de

Conferentie van Berlijn nog sprake van geweest, eene bepaling op te

nemen tegen het overnemen van telegraphische berichten uit dagbladen

[615]. Doch men heeft ingezien, dat men daarmede buiten het gebied van

het auteursrecht zou treden. Daarom is ook de bovengenoemde redactie

gekozen van art. 9 laatste lid, waarin duidelijk staat uitgedrukt, dat

de Conventie zich met de bedoelde berichten in het geheel niet inlaat

en zich over het al of niet rechtmatige van het overnemen ervan niet

uitspreekt [616]. Dit is juister dan hetgeen de Conventie 1886 en de

Add. Acte 1896 op dit punt bepaalden, dat nl. op de bedoelde berichten

(en ook op politieke artikelen, waarover straks) het verbod van nadruk,

dat de auteur of uitgever krachtens de voorafgaande bepaling kon

stellen, niet toepasselijk was (art. 7 laatste lid). Hieruit zou de

verkeerde gevolgtrekking kunnen worden gemaakt, dat het krachtens de

Conventie in alle gevallen vrijstond, berichten uit dagbladen zonder

toestemming van schrijver of uitgever over te nemen, ook indien daarin

b.v. een daad van deloyale concurrentie was te zien. In hoofdzaak

echter komen de bepalingen van art. 7 laatste lid Conventie 1886 en

Add. Acte en van art. 9 laatste lid Conventie 1908 op hetzelfde neer

hierin nl. dat er van auteursrecht op de bedoelde berichten in geen

geval sprake kan zijn. Om die reden kunnen zij ook verder buiten

beschouwing blijven.

Wij staan dus nu nog voor de vraag, welke de producten van

journalistieken arbeid zijn, waarvoor afzonderlijke bepalingen

noodig zijn.

Er valt in de eerste plaats te wijzen op een belangrijk verschilpunt

tusschen de Conventie 1886 en de Add. Acte 1896 eenerzijds en

de Conventie 1908 anderzijds. Volgens de oude regeling worden in

het algemeen als journalistiek werk beschouwd de stukken, die in

tijdschriften en dagbladen zijn verschenen, terwijl de Conventie

1908 uitsluitend daartoe rekent wat in dagbladen is verschenen. Ten

aanzien der tijdschriften meende men op de Conferentie van Berlijn,

dat voor bijzondere bepalingen geen grond bestond; eene opvatting,

waarmede het niet moeilijk valt zich te vereenigen, indien men zich

rekenschap geeft van de redenen, die eene afzonderlijke behandeling

der journalistieke producten in het auteursrecht noodig maken. Van een

publicist in een tijdschrift kan niet, zooals van een dagbladschrijver,

het verlangen worden verondersteld, om zooveel mogelijk in andere

bladen gereproduceerd te worden. Aan den anderen kant bestaat ook

voor een tijdschrift niet de noodzakelijkheid, die de directie van

een dagblad, die hare lezers volledig wil inlichten, wél zal gevoelen,

om stukken uit andere bladen over te nemen.

De kring der journalistieke werken werd dus door deze nieuwe bepaling

der Conventie 1908 reeds vrij aanmerkelijk vernauwd.

Gaan wij thans de verschillende soorten pers-bijdragen afzonderlijk

na, waarbij in verband met het voorgaande in het oog dient te worden

gehouden, dat de nieuwsberichten, die geen auteursproducten zijn,

geheel buiten beschouwing blijven en dat de bepalingen der Conventie

1886 en der Add. Acte op stukken in tijdschriften en dagbladen,

die der Conventie 1908 alleen op die in dagbladen slaan.

Wij hebben dan te onderscheiden:

Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht · 第 58 / 215 题