§ 1 Algemeene opmerkingen
Zooals op bijna elk gebied van het privaatrecht brengt ook voor het
auteursrecht het drukke en steeds toenemende verkeer tusschen de
verschillende volkeren zijne eigenaardige moeilijkheden mede. Doch
bestaan op andere punten van internationaal privaatrecht deze
moeilijkheden voornamelijk hierin, dat een antwoord moet worden
gevonden op de vraag, welk recht in elk geval moet worden toegepast;
ten opzichte van het auteursrecht dient men eerst eene andere
vraag te stellen, nl. óf de vreemdeling zich wel op eenig recht kan
beroepen. Geldt het een recht op een lichamelijke zaak, dan kan er
strijd bestaan over de vraag, of de wet van het land, waartoe de
rechthebbende behoort, dan wel die van het land waar het goed zich
bevindt of die van het land, waar de zaak voor den rechter wordt
gebracht moet worden toegepast; doch hoe de uitkomst hiervan ook zij,
nergens, in geen enkelen beschaafden staat, zal volkomen rechteloosheid
ten opzichte van zulk een goed blijken te heerschen. Anders is het
gesteld met immaterieele goederen. De bescherming der auteurs berust
op bijzondere wetten, die, behoudens enkele uitzonderingen, alleen
op inlandsche werken toepasselijk zijn. Naast deze wetten wordt geen
ander auteursrecht erkend tenzij dit bij tractaat zij bedongen.
Wij hebben hier dus met een abnormalen toestand te doen, waarvan
het bedenkelijke zelfs wordt ingezien door een beslist tegenstander
van alle auteursrecht als Mr. J. A. Levy. Deze toch schreef over
de artt. 27 en 28 van onze wet, die de territoriale grens van hare
geldigheid vaststellen: "Zoodra ons privaatrecht het auteursrecht
stempelt tot een absoluut vermogensrecht, moet iedere territoriale
grens vallen en moet ieder, wie hij zijn moge, ook de niet-Nederlander,
ook de ingezetene van een land zonder tractaat, door dit ons
privaatrecht worden beschermd. Dit schijnt mij zonneklaar. Of, wat
dunkt u, zal men een Oostenrijker, die, gesteld, in Amsterdam wandelt,
straffeloos zijn horloge mogen ontnemen? Zoodanig vreemdeling,
zegt onze wet allervriendelijkst, kan op eene Nederlandsche
drukkerij doen drukken en hij is gevrijwaard. Het is het toppunt
van goedgeefschheid. Edoch, zullen wij den Oostenrijker van zooeven
alleen dan tegen diefstal beschermen, indien zijn horloge in een
Nederlandsche keurkamer is gemerkt? .... maak u niet de geringste
illusie, gij, die leek zijn mocht op rechtsgebied: inbreuk op een
absoluut vermogensrecht is diefstal. Wie dit betwijfelen mocht,
cijfere mij voor, wat het anders zijn zou. Bestelen nu moogt gij
niemand, noch binnen noch buiten de landpalen" [526].
Afgezien van het woord "diefstal", dat den "leek op rechtsgebied"
misschien op een dwaalspoor zou kunnen brengen, valt er tegen deze
beschouwing m. i. niets in te brengen. De artikelen 27 en 28 onzer
wet, die ik hieronder nog nader zal bespreken, bevatten inderdaad
eene stuitende uitzondering op den algemeenen regel, die terecht
een grondbeginsel onzer hedendaagsche samenleving is genoemd [527],
dat nl. voor den Nederlandschen rechter vreemdelingen met evengoed
gevolg als Nederlanders een beroep moeten kunnen doen, waar het geldt
de bescherming en handhaving van privaatrechtelijke bevoegdheden.
Men weet, dat voor de bestendiging van dezen toestand wordt aangevoerd
het belang, dat ons volk erbij heeft, dat hier de buitenlandsche
werken vrijelijk geëxploiteerd kunnen worden. Dit belang wordt--ik
heb er al met een enkel woord op gewezen (pp. 183, 184)--door degenen
die zich erop beroepen doorgaans veel te breed uitgemeten; bovendien
vergeet men dikwijls daarbij te denken aan de schade, die door een
groot aantal andere Nederlanders wordt geleden tengevolge van het
stelsel van "vrijheid", dat hier tot nu toe gehuldigd is. Ik meen
mij echter in den strijd, die op dit terrein wordt gevoerd, niet te
moeten mengen [528]. Stelt men zich op het standpunt, dat ik gepoogd
heb te verdedigen, dat het auteursrecht (en het vertalingsrecht als
integreerend bestanddeel daarvan) niet uitsluitend een product is
van utiliteit, een doelmatig middel om de beoefening van kunsten
en wetenschappen aan te wakkeren, maar een recht, niet minder
eerbiedwaardig dan elk ander vermogensrecht, dan mag het belang van
sommigen (laat het er ook velen zijn) om dit recht niet te erkennen,
niet in aanmerking worden genomen. Tegenover rechten leggen belangen
geen gewicht in de schaal.
Indien het waar mocht zijn (wat ik betwijfel), dat de bescherming
van buitenlandsche werken in Nederland tot gevolg zou hebben, dat
vele dier werken daardoor voor ons volk ontoegankelijk zouden worden,
daar voor de uitgave eener Nederlandsche vertaling te veel geld zou
worden gevraagd, dan zal men zich daarbij hebben neer te leggen. Er
zijn nog wel meer buitenlandsche producten, die te duur zijn om
in Nederland te worden ingevoerd; zoolang men er meer voor vraagt,
dan wij er hier voor kunnen of willen betalen, zullen wij er ons van
moeten onthouden. Meer dan honderd jaar geleden werd dit door Fichte
ook reeds zoo ingezien; zijne meening over buitenlandschen nadruk
illustreerde hij met de volgende vergelijking:
"Joseph II hatte allerdings das vollkommene Recht, die Einfuhr der
holländischen Häringe in seine Staaten zu verbieten: wer könnte ihm
dies abstreiten? Aber hätte er darum auch wohl das Recht gehabt--da
holländische Häringe sich nun einmal nicht nachdrucken lassen--Kaper
auszusenden, welche den Holländern aufpassen und ihnen ihre Häringe
abnähmen?" [529]
De naam "roofstaat", dien men ons land met het oog op het gemis aan
bescherming voor buitenlandsche auteurs wel heeft gegeven, schijnt
in dit licht beschouwd maar al te verdiend. Dat deze toestand nog tot
onzen tijd heeft kunnen voortduren kan, zoo al niet verontschuldigd,
dan toch verklaard worden uit het feit, dat het mijn en dijn op
het gebied van kunst en letteren nog niet zóó algemeen erkend is
en nog niet zóó diep in het volksrechtsbewustzijn is doorgedrongen
dan waar het stoffelijke goederen geldt. De ons omringende volken
zijn ons daarin verre vooruit en het beste bewijs hiervoor is wel
het internationale Verbond ter bescherming van het auteursrecht,
dat vrijwel alle staten omvat, met wie ons geestelijk ruilverkeer
van eenige beteekenis is.
Van allen, die het met het boven aangegeven beginsel eens zijn, zou
met reden kunnen worden verwacht, dat zij met alle kracht voor onze
toetreding tot de Berner Conventie ijverden. Vooral de aangehaalde
woorden van Mr. J. A. Levy, die voorkomen in een artikel getiteld
"Nederland en de Berner-Conventie", zouden moeilijk kunnen doen
vermoeden, dat zij afkomstig zijn van een fel tegenstander van
onze aansluiting. Toch is dit het geval; wat trouwens niet ál te
zeer behoeft te verwonderen na de vele onverwachte uitspraken in
hetzelfde artikel, waarop reeds hierboven (pp. 143 sqq.) de aandacht
is gevestigd.
Daar Mr. Levy, voorzoover mij bekend, de eenige is, die onze
aansluiting bij de Berner Conventie op juridische gronden bestrijdt,
wil ik zijne argumenten niet geheel voorbijgaan. Zij zijn twee
in getal.
In de eerste plaats acht Mr. Levy het een bezwaar tegen de Berner
Conventie, dat zij op wederkeerigheid berust. "Het ontzien van een
anders eigendom of vermogensrecht is niet, en mag niet afhankelijk
zijn van wederkeerigheid." In beginsel is hier weinig tegen te zeggen,
en de mooiste en tevens eenvoudigste oplossing van het vraagstuk der
internationale auteursbescherming zou zeker hierin bestaan, dat in de
wetten van alle landen eene bepaling werd opgenomen als die van art. 16
van de loi-type der Association: "Deze wet is toepasselijk op alle
auteurs, onverschillig tot welke nationaliteit zij behooren en waar ook
het werk voor het eerst verschenen zij." Misschien, dat het eenmaal
nog zoover komt en in dat geval zal de Berner Conventie overbodig
zijn geworden; doch voorloopig blijft er één groot bezwaar tegen dit
stelsel bestaan, dat het ook begrijpelijk maakt, dat zoo weinig staten
het tot nog toe hebben willen aanvaarden [530], nl. de belangrijke
verschilpunten tusschen de verschillende wetgevingen. Mr. Levy merkt
op, dat het gebod: gij zult niet stelen, in gansch de beschaafde wereld
geldt en in de helft der onbeschaafde wereld. Dit moge waar zijn ten
opzichte van den eigendom van lichamelijke goederen; met betrekking
tot auteursrecht is hiermede echter te veel gezegd. Het auteursrecht
verkeert te dien opzichte nog in een toestand, die te vergelijken is
met dien van den privaten eigendom voor een paar duizend jaar. In de
"beschaafde wereld", d.i. binnen het gebied der Berner Conventie,
vindt de auteur voldoende bescherming, zij het dan ook niet overal in
volkomen gelijke mate. Doch daarbuiten laat die bescherming soms nog
veel te wenschen over en treft men nog de zonderlingste opvattingen
over het recht der auteurs aan. Het is daarom niet te verwonderen,
dat tot toetreding tot de Berner Conventie alleen die staten worden
toegelaten, die althans een minimum van bescherming aan hun eigen
onderdanen verleenen, en dat van hen geëischt wordt, hiervan ook de
onderdanen der andere aangesloten rijken te doen genieten.
Het tweede argument van Mr. Levy tegen onze toetreding betreft
het vertalingsrecht, waarvan deze schrijver niets wil weten, op
grond van de bewering, dat de vertaler zelfstandigen arbeid heeft
voortgebracht. Op de onjuistheid dezer redeneering behoef ik hier
niet meer in te gaan; het is hier genoeg er aan te herinneren,
dat de vertaling de gewone reproductievorm is voor geschriften uit
andere landen en dat het uitsluitend vertalingsrecht in de groote
meerderheid der beschaafde staten als een integreerend bestanddeel van
het auteursrecht wordt beschouwd. Onder de "zonderlinge opvattingen"
over het auteursrecht, waarvan ik zooeven sprak, behoort dan ook
in de eerste plaats die van Mr. Levy over het vertalingsrecht,
want aan auteursrecht zonder vertalingsrecht heeft een auteur
van een buitenlandsch geschrift in ons land zoo goed als niets,
evenmin trouwens als een Nederlandsch schrijver in den vreemde. Den
Oostenrijker, die in Amsterdam wandelt, zal men niet straffeloos
zijn horloge mogen ontnemen, maar gaat hij in een winkel om het te
laten repareeren, zal dan de horlogemaker hem mogen toevoegen: wij
erkennen hier wel uw eigendomsrechten, maar uw horloge krijgt u niet
meer terug; door de "zelfstandige arbeid", die ik er aan verricht heb,
is het het mijne geworden? En wat te zeggen van iemand, die met een
dusdanig begrip van eigendom nog den moed zou hebben te verklaren:
in mijn land wordt elke eigendom geëerbiedigd, en daarom ben ik tegen
het sluiten van een tractaat, dat wederkeerigheid eischt?
Tot zoover de denkbeelden van Mr. Levy. Om nu weer op het punt van
uitgang terug te komen: de eenige en aangewezen weg om op het gebied
van het auteursrecht te komen tot verwezenlijking van het beginsel,
dat het geheele internationale privaatrecht van onzen tijd beheerscht
en dat kort uitgedrukt aldus luidt: gelijk recht voor vreemdelingen als
voor Nederlanders, is: toetreding tot de Berner Conventie. Dat deze weg
vroeg of laat zal worden ingeslagen, is mijne vaste overtuiging. Nu
eene dergelijke krachtige internationale organisatie eenmaal bestaat
en nu daarmede resultaten zijn bereikt, waartoe men langs anderen
weg waarschijnlijk nooit had kunnen komen, is het voor een klein land
als het onze op den duur niet mogelijk, zich daar verre van te houden.
De geschiedenis van het internationaal auteursrecht heeft het
geleerd, dat slechts door samenwerking van de verschillende staten
eene bevredigende oplossing kan worden gevonden. De groote beteekenis
van de Berner Conventie ligt dan ook voornamelijk hierin, dat zij de
vrucht is van deze samenwerking. Zoolang elke staat slechts voor zich
en op zijne wijze het auteursrecht regelde kon er van gelijkvormigheid
der verschillende wetgevingen geen sprake zijn; eerst toen zij zich
hadden vereenigd om gezamenlijk de moeilijkheden, die zich in deze
materie voordoen, onder de oogen te zien, was verandering hierin
mogelijk. Hierdoor werd het mogelijk de beginselen op te sporen, die
onafhankelijk van plaatselijke inzichten aan het auteursrecht ten
grondslag kunnen worden gelegd; van de toepassing dezer beginselen
zijn de bepalingen der Berner Conventie het positief resultaat. Nog
is bij lange na niet bereikt wat men zich bij de voorbereiding en
later bij herzieningen der Conventie tot ideaal heeft gesteld, en het
zal waarschijnlijk nog jarenlange inspanning kosten, alvorens in alle
aangesloten landen voor alle auteurs en alle werken een gelijk recht
bestaat. Maar hierin ligt juist voor ons land een reden te meer,
om zich zoo spoedig mogelijk aan te sluiten. Zoolang dit niet is
geschied, loopen wij de kans dat het auteursrecht hier te lande zich
in andere richting ontwikkelt dan in de overige beschaafde staten,
zoodat ons deelnemen aan eene internationale regeling hoe langer hoe
moeilijker wordt. Bovendien ontnemen wij onszelven de mogelijkheid, om
invloed uit te oefenen op den ontwikkelingsgang van het internationaal
auteursrecht.
Ik meen, ook met het oog op de toetreding van ons land, die na de
jongste verklaringen der Regeering voor aanstaande mag worden gehouden,
mijn aandacht in het volgende voornamelijk aan de Berner Conventie
te kunnen wijden. Onze tractaten met Frankrijk en België, waarvan
de algemeene strekking in de historische inleiding is weergegeven,
kunnen verder buiten bespreking blijven. Wanneer Nederland eenmaal deel
uitmaakt van het Internationale Verbond, zal van hunne toch al geringe
beteekenis ongeveer niets meer zijn overgebleven. Voorzoover zij nog
op een enkel punt toepassing zullen kunnen vinden, zal dit bij de
bespreking van de desbetreffende bepaling der Conventie worden vermeld.
Alvorens echter tot bespreking van de Berner Conventie over te gaan,
is het noodig een oogenblik stil te staan bij de wijze waarop onze
wet zelve de grenzen harer geldigheid vaststelt.
Er zijn twee hoofd-systemen, volgens welke de grenzen der
toepasselijkheid van eene wet op het auteursrecht getrokken kunnen
worden.
Het eerste systeem, het nationaliteits-stelsel, neemt als criterium
aan de nationaliteit of woonplaats van den auteur. De wet beschermt
dus alleen werken van auteurs die tot het Rijk behooren of in het
Rijk woonachtig zijn.
Het tweede systeem richt zich niet naar de subjecten, maar naar
de objecten van het recht; het vraagt niet naar de nationaliteit
of woonplaats van den auteur, maar naar wat de Franschen noemen la
nationalité de l'oeuvre. De "nationaliteit van het werk" kan weer
op verschillende wijzen worden vastgesteld; men kan deze laten
afhangen van:
a) de plaats waar het werk voor het eerst in druk is verschenen;
b) de plaats, waar het werk is ontstaan;
c) de plaats, waar een tooneel- of muziekstuk voor het eerst is op-
of uitgevoerd of eene mondelinge voordracht voor het eerst is gehouden.
Van elk dezer stelsels zijn in onze wet en in het Ontw. B. K. sporen
te vinden. Beschouwen wij eerst de wet van 1881.
Het beginsel van de "nationaliteit van het werk" geldt in de eerste
plaats voor alle door den druk gemeen gemaakte werken. De wet is
alleen toepasselijk op de werken, die in Nederland zijn gedrukt en
door den druk gemeen gemaakt; nationaliteit of woonplaats van den
auteur doet dus niet ter zake.
Voor niet door den druk gemeen gemaakte werken is het andere stelsel
gevolgd; deze vallen onder de bescherming der wet, indien zij afkomstig
zijn van in Nederland woonachtige auteurs.
Ten aanzien der mondelinge voordrachten bestaat eene afzonderlijke
regeling; deze worden, ook als zij van niet in Nederland woonachtige
auteurs afkomstig zijn, door de wet beschermd voor zoo ver zij in
Nederland zijn gehouden. Op de weinig duidelijke redactie van het slot
van art. 27, waaruit dit moet worden opgemaakt, is o.a. reeds door
Mr. Veegens gewezen [531]. Met dezen schrijver ben ik van oordeel,
dat de uitdrukking "daaronder begrepen" niet tot de opvatting mag
leiden, dat mondelinge voordrachten slechts dan begrepen worden onder
de beschermde niet door den druk gemeen gemaakte werken, wanneer zij
aan beide genoemde vereischten voldoen, dus behalve afkomstig van
een in Nederland woonachtig auteur, bovendien in Nederland gehouden
zijn. M. i. zal het voldoende zijn, dat het werk aan één der beide
vereischten voldoet, dus óf afkomstig van een in Nederland wonend
auteur, óf binnen Nederland gehouden. Uit hetgeen Mr. Veegens over
deze bepalingen opmerkt, meen ik op te maken, dat deze schrijver
alleen het laatstgenoemd vereischte hier in aanmerking wil laten
komen. Volgens deze opvatting zou dus b.v. een te Londen gehouden
voordracht, van iemand die in Nederland woont, niet beschermd zijn
door onze wet. Naar mijne meening is echter de andere, boven gegeven
interpretatie juister: is de voordracht in het buitenland gehouden,
dan wordt zij behandeld als alle andere niet door den druk gemeen
gemaakte werken. Zoo verkrijgt ook de uitdrukking "daaronder begrepen"
althans eenigen zin.
Ten opzichte der voordrachten gelden dus de criteria van beide
bovengenoemde stelsels, zoowel de woonplaats van den auteur als de
plaats waar zij zijn uitgesproken. Voor tooneel- en muziekwerken
bestaat echter geen afzonderlijke regeling, hoewel er alle reden
bestond, de op- of uitvoering hiervan in dit opzicht met het
uitspreken eener voordracht gelijk te stellen. De plaats der eerste
op- en of uitvoering is dus ten aanzien der toepasselijkheid onzer
wet van geene beteekenis. Uit het voorgaande volgt, dat zoodra een
voordracht, tooneel- of muziekwerk in druk uitkomt, uitsluitend de
plaats waar dit is geschied beslissend wordt, daar het werk hierdoor
gaat behooren tot de groep "door den druk gemeen gemaakte werken".
Er doet zich hier nog eene--ook door Mr. Veegens
besproken--moeilijkheid voor ten aanzien van het op- en
uitvoeringsrecht. Een onuitgegeven tooneelstuk b.v. van een niet in
Nederland woonachtig auteur valt niet onder de bescherming onzer
wet. Wordt het stuk echter in Nederland gedrukt en uitgegeven,
dan beschouwt onze wet het wel als een Nederlandsch werk. Volgens
Mr. Veegens zal nu een dergelijk werk wél tegen nadruk, maar niet tegen
opvoering beschermd zijn, omdat volgens art. 12 het opvoeringsrecht
bij het in druk uitkomen verloren gaat, tenzij het uitdrukkelijk
wordt voorbehouden. "Dat voorbehoud dient om het verloren gaan van die
uitsluitende bevoegheid waar zij bestaat, te voorkomen, maar vermag
haar niet te scheppen voor een auteur, die haar niet bezit" [532].
Mij komt het voor, dat de woorden van art. 12 deze interpretatie, die
een door niets gemotiveerd verschil tusschen kopie- en opvoeringsrecht
zou scheppen, niet noodzakelijk maken. Zoodra een tooneelstuk
behoort tot de werken, waarop de wet van toepassing is, geniet het
ook de volle bescherming der wet. Dat voor het opvoeringsrecht een
voorbehoud geëischt wordt, verandert hieraan niets; ook het uitsluitend
vertalingsrecht moet bij het in druk uitkomen worden voorbehouden,
en dat de auteur dit in het hier besproken geval met vrucht zou kunnen
doen, schijnt door Mr. Veegens niet te worden betwist. Het voorbehoud
schept het opvoeringsrecht niet; door de uitgave in Nederland wordt
het werk gerangschikt onder de beschermde auteursproducten en daardoor
alleen ontstaan alle den auteur bij de wet toegekende rechten, dus ook
het opvoeringsrecht; het voorbehoud strekt hier alleen om dit recht,
hetwelk in dit geval tegelijk met zijn ontstaan weer zou te niet gaan,
het voortbestaan mogelijk te maken.
Nog dient op enkele andere vragen te worden gewezen, waarop in de
wet wel geen stellig antwoord is te vinden, doch waarover verschil
van meening moeilijk denkbaar is. De wet spreekt van "in Nederland
of in Nederlandsch-Indië gedrukte en door den druk gemeen gemaakte
werken". Dit moet natuurlijk zóó worden verstaan, dat de eerste uitgave
in Nederland of Nederlandsch-Indië plaats heeft gehad. Is een boek in
het buitenland uitgekomen, dan kan eene volgende uitgave in Nederland
geen auteursrecht meer vestigen. Omgekeerd zal eene tweede uitgave
in het buitenland van een hier verschenen werk het auteursrecht
niet opheffen.
De eerste uitgave beslist dus over de "nationaliteit" van het werk
en wel de eerste uitgave, die vanwege den rechthebbende op het
auteursrecht geschiedt. Ook dit vindt men in onze wet niet bepaald
[533]; eene andere uitlegging zal echter wel door niemand worden
voorgestaan. Het spreekt vanzelf, dat eene uitgave tegen den zin
van den auteur of van zijne rechtverkrijgenden (een nadruk dus)
geen auteursrecht kan vestigen of doen te nietgaan.
Artikel 28 verklaart de wet ook verbindend voor Nederlandsch-Indië;
waar ik in het voorgaande kortheidshalve alleen van "Nederland"
heb gesproken, moet daaronder ook steeds Nederlandsch-Indië
worden begrepen. Het Rijk in Europa en de Oost-Indische koloniën
vormen dus ten opzichte van het auteursrecht één rechtsgebied;
het eenige onderscheid tusschen de twee deelen bestaat hierin, dat
de formaliteiten in het moederland bij het departement van Justitie
moeten worden vervuld en die in Indië bij den directeur van Justitie
te Batavia.
In Suriname en Curaçao bestaat eene afzonderlijke regeling van het
auteursrecht, vrijwel met die van onze wet overeenkomende (K. Ben. van
11 Mei 1883 nos. 39 en 40). Doch daar het niet één en dezelfde wet
is, die het onderwerp regelt, is de betrekking niet zoo nauw als
met Oost-Indië. Auteursrecht volgens de Nederlandsche wet wordt in
West-Indië wel erkend, doch volgens onze wet staan Suriname en Curaçao
gelijk met het buitenland.
De bepalingen van het Ontw. B. K. wijken eenigszins van die der wet
van 1881 af. Het ontwerp maakt in dit opzicht geen onderscheid tusschen
gepubliceerde (door den druk gemeen gemaakt of tentoongesteld) en niet
gepubliceerde werken. Het is toepasselijk op alle werken van beeldende
kunst, die vervaardigd zijn door in Nederland of in Nederlandsch-Indië
woonachtige kunstenaars; het stelsel dus, dat de wet van 1881 alleen
voor niet door den druk gemeen gemaakte werken huldigt.
Bovendien houdt het Ontw. ook rekening met de nationaliteit van
het werk; het is nl. eveneens van toepassing op alle werken, die in
Nederland of Nederlandsch-Indië vervaardigd zijn.
Ten slotte huldigt het dezelfde volkomen gelijkstelling van de
Oost-Indische koloniën met het moederland.
Na bovenstaande uiteenzetting van het stelsel onzer wet is het
duidelijk, dat het voor vreemdelingen feitelijk onmogelijk is in ons
land bescherming te vinden, tenzij dan in die gevallen, waarin onze
tractaten met Frankrijk en België van toepassing zijn. Sluit men deze
tractaten uit, dan wordt hier te lande geen ander auteursrecht erkend
dan wat de wet van 1881 verleent. Terecht is door Mr. J. P. Moltzer
[534] opgemerkt, dat wij hier te doen hebben met eene uitzondering
op het beginsel, dat in art. 9 W. A. B. is neergelegd; want al is de
nationaliteit op zichzelf geen beletsel om auteursrecht volgens onze
wet te hebben, de vereischten die de wet stelt zijn toch van dien aard,
dat vreemdelingen feitelijk van de bescherming zijn uitgesloten. Ik heb
er reeds op gewezen, dat de loi-type van de Association eene regeling
geeft, die beter met de thans geldende beginselen van internationaal
privaatrecht in overeenstemming is [535], doch dat deze regeling in het
stadium van ontwikkeling, waarin het auteursrecht thans nog verkeert,
weinig kans heeft algemeen te worden toegepast. Verreweg de meeste
wetgevingen zijn, evenals de onze, nog in hare werking beperkt tot
een bepaalden, van nationaliteit of woonplaats van den auteur of van
de plaats van verschijnen van het werk afhankelijken kring; en zoolang
de volkomen gelijkstelling voor de wet van alle werken, onverschillig
waar zij zijn uitgekomen of tot welk land de auteur behoort, voorloopig
tot de onbereikbare idealen blijft behooren, zal men met dit stelsel
genoegen moeten nemen. Doch afgezien van dit principieele bezwaar,
hetwelk trouwens door internationale overeenkomsten grootendeels
kan worden opgeheven, geeft het stelsel onzer wet nog aanleiding tot
enkele kritische opmerkingen, die ik hier wil laten volgen.
In de eerste plaats is aan bedenking onderhevig de bepaling, dat
voor de nationaliteit van het werk niet alleen de plaats waar het
uitkomt, doch ook die, waar het gedrukt is, beslissend is. Deze
bepaling kwam niet in het oorspronkelijk Regeeringsontwerp, wél in
het Ontw. Boekh. (art. 5a) en in de wet van 1817 (art. 6a) voor. In
laatstgenoemde wet was zelfs bovendien nog als eisch gesteld, dat
de uitgever Nederlander was (art. 6b). Men nam de bepaling tenslotte
nog in de nieuwe wet op, omdat men vreesde, dat de uitdrukking "door
den druk gemeen gemaakt" tot verwarring en onzekerheid aanleiding
zou geven. Door er bij te voegen, dat het werk in Nederland moet
zijn gedrukt, wilde men verhinderen, dat een buitenlandsch schrijver
of uitgever hier auteursrecht zou kunnen verwerven, alleen door een
gedeelte der oplage op het titelblad van den naam van een Nederlandsch
uitgever te voorzien; waardoor immers het werk in Nederland zou zijn
uitgegeven of "door den druk gemeen gemaakt." [536]
De angst, dat een buitenlander in ons land auteursrecht zou kunnen
genieten, schijnt dus wel erg zwaar te hebben gewogen. Het komt mij
echter voor, dat het "gevaar", dat hier dreigde, vrijwel denkbeeldig
was. Immers indien de Nederlandsche uitgever, wiens naam op het
titelblad zou worden gezet, in een gegeven geval een strooman bleek
te zijn, zou niets den rechter hebben verhinderd om in een dergelijk
boek een in het buitenland door den druk gemeen gemaakt werk te zien;
indien men echter met een werk te doen heeft, dat, zooals meermalen
voorkomt, door de samenwerking van verschillende uitgevers werkelijk
tegelijk in verschillende landen verschijnt, zie ik niet in waarom
zulk een werk, waarin ook een Nederlandsch uitgever zijn aandeel zou
hebben genomen en waarvoor hij hier op eigen risico adverteerkosten
zou hebben gemaakt, hier te lande volgens het aangenomen stelsel der
wet niet onder de bescherming der wet zou mogen vallen.
Het middel was hier in ieder geval erger dan de kwaal. Door de
vereischten "in Nederland of Nederlandsch-Indië door den druk gemeen
gemaakt" en "gedrukt" beide te stellen sloot men onherroepelijk
van de bescherming uit alle werken, die om de een of andere reden
niet gedrukt kunnen worden in het land waar zij verschijnen. Men
stelle zich eens voor, dat ook in andere landen hetzelfde stelsel zou
worden gevolgd, dan zouden boeken, waarmee dit het geval was, nergens
bescherming kunnen vinden. Dat de bepaling niet verdedigd kan worden
als een maatregel ter bescherming der nationale industrie, springt in
het oog. Onthouding van auteursrecht mag niet als een straf worden
aangewend tegen dengeen die zich liever door een buitenlandschen
dan door een Nederlandschen drukker laat bedienen. In deze lijn
voortgaande zou men evengoed als vereischte kunnen stellen, dat de
letters en cliché's, waarvan men zich bij het drukken bedient, in
het land moeten zijn vervaardigd, zooals in de Vereenigde Staten
is voorgeschreven. Deze Amerikaansche bepaling, de zoogenaamde
manufacturing clause, wordt echter terecht door bijna alle schrijvers
over auteursrecht ten scherpste afgekeurd.
Wil men dus het stelsel van de "nationaliteit van het werk" voor
door den druk gemeen gemaakte werken blijven behouden, dan dient
deze alleen bepaald te worden door de plaats van verschijnen,
d. i. de plaats waar het boek in den handel wordt gebracht. Waar
het boek is gedrukt moet daarop van geen invloed zijn. "Het feit der
vermenigvuldiging door den druk", schreef Mr. de Ridder reeds zeer
terecht, "is slechts de gewichtigste der voorbereidende handelingen,
die tot het "in het licht verschijnen" leiden kunnen" [537].
Waar onze wet (en ook het Ontw. B. K.) de bescherming afhankelijk
stelt van den staat des auteurs, wordt diens woonplaats als criterium
genomen. Het ware m. i. beter geweest, in plaats van de woonplaats
hier de nationaliteit te laten beslissen. Ten eerste pleit hiervoor,
dat dit in bijna alle landen zoo is, zoodat nu in sommige gevallen
Nederlanders in den vreemde volgens geen enkele wet bescherming
vinden, terwijl omgekeerd vreemdelingen, die in Nederland verblijf
houden, zoowel in hun eigen land als in Nederland auteursrecht kunnen
hebben. Vooral ook met het oog op eene toekomstige aansluiting bij de
Berner Conventie zou deze wijziging in onze wet aanbeveling verdienen,
zooals hieronder nader zal worden uiteengezet.
Het nationaliteitsstelsel heeft buitendien nog boven het in onze wet
gevolgde het voordeel, dat het een meer standvastig en betrouwbaar
criterium biedt. Het komt meer voor dat men zijne woonplaats
tijdelijk in een ander land kiest, dan dat men van nationaliteit
verandert. Schilders, schrijvers en kunstenaars zijn meestal niet
aan eene bepaalde plaats gebonden en brengen dikwijls een geruimen
tijd van hun leven buiten hun vaderland door, zonder daarom hunne
nationaliteit prijs te geven. Het behoeft geen betoog, dat dit volgens
het stelsel onzer wet tot allerlei moeilijkheden aanleiding kan geven.
Soortgelijke bezwaren zijn ook in te brengen tegen de bepaling van
het Ontw. B. K., volgens welke dit ontwerp van toepassing is op in
Nederland of Nederlandsch-Indië vervaardigde kunstwerken. Waar een
kunstwerk vervaardigd is (de terminologie is ook niet gelukkig) zal
dikwijls niet gemakkelijk zijn uit te maken; het is niet onmogelijk
dat een schilder b.v. aan hetzelfde doek in meer dan één land heeft
gearbeid. Het is trouwens moeilijk in te zien, waarom een in ons land
ontstaan kunstwerk daarom als een Nederlandsch werk zou moeten worden
beschouwd; de plaats waar de kunstenaar heeft gearbeid komt mij voor
in dit opzicht van geene beteekenis te zijn.
Een beter criterium zou, ook voor de werken van beeldende kunst, zijn
de plaats waar het werk in het licht is verschenen. Etsen, houtsneden,
photographieën, teekeningen voor geïllustreerde tijdschriften--in
één woord: werken die bestemd zijn voor verveelvoudiging--zijn in
dit opzicht volkomen met geschriften gelijk te stellen.
Voor de werken die niet in de eerste plaats voor reproductie
zijn bestemd, waartoe de meeste schilderijen en beelden zullen
zijn te rekenen, heeft de uitgave weliswaar eene eenigszins andere
beteekenis. Omdat van een schilderij voor het eerst eene reproductie
is openbaar gemaakt in een Nederlandsch tijdschrift, zal men nog niet
kunnen zeggen, dat het schilderij hier thuisbehoort, dat het een
Nederlandsch werk is. Toch schijnt mij dit geen overwegend bezwaar
tegen het bedoelde stelsel, dat, zooals hieronder zal blijken,
ook in de Berner Conventie wordt toegepast. In elk geval heeft het
boven dat van het Ontw. B. K. voor, dat de plaats waar voor het eerst
reproducties zijn verschenen, voor belanghebbenden gemakkelijker zal
zijn na te speuren dan die, waar het werk is ontstaan.
§ 2 De Berner Conventie
Zooals reeds in het historisch overzicht is opgemerkt, heeft de laatste
herzienings-conferentie te Berlijn wél één enkelen tekst in de plaats
gesteld van de oude Berner Conventie met de Additionneele Acte en de
Verklaring van Parijs, doch zonder aan deze oude Conventie-bepalingen
alle kracht te ontnemen.
De staten, die vóór de herziening van Berlijn reeds tot het
Verbond behoorden en den aldaar vastgestelden tekst niet wenschen te
bekrachtigen, behoeven om die reden niet uit het Verbond te treden. Zij
kunnen, krachtens art. 27 lid 1, tweede zinsnede, daarvan deel blijven
uitmaken onder de oude voorwaarden. Ten aanzien van deze staten blijft
de oude Conventie dus haar volle kracht behouden. Bovendien kunnen
alle staten--ook degenen die zich eerst ná de Berlijnsche conferentie
aansluiten--bij de bekrachtiging der nieuwe Conventie verklaren, dat
zij op bepaalde punten niet door de nieuwe maar door de oude bepalingen
gebonden wenschen te zijn. Voor de nieuw-toetredende staten bestaat dus
ook de mogelijkheid om géén der Berlijnsche bepalingen te aanvaarden
en uitsluitend krachtens de Berner Conventie van 1886 (al dan niet
met de wijzigingen die zij in 1896 te Parijs heeft ondergegaan) lid
te worden van het Verbond. Ik wil hier echter dadelijk bijvoegen,
dat eene dergelijke handelwijze, hoewel formeel geoorloofd, toch in
strijd zou zijn met de bedoeling van de voorstellers der bepaling
in Berlijn: "il faut espérer que les États adhérants n'abuseront pas
de ce pouvoir de faire des réserves" wordt in het commissie-rapport
[538] dienaangaande opgemerkt; eene verwachting, die men zeker niet
onredelijk kan noemen.
Één ding staat intusschen vast: de bepalingen van Bern en Parijs
zijn geen van alle onherroepelijk afgeschaft; en daarom verdienen
zij evenzeer te worden besproken als die van de herziene Conventie.
Wij hebben dus te onderscheiden: