IV Het recht met betrekking tot den auteursnaam

De vraag, in hoeverre een recht bestaat op den naam, is met betrekking

tot het auteursrecht in verschillende opzichten van belang. Ik zal

mij er hier toe bepalen te onderzoeken, hoever het recht van den

auteur gaat, om anderen te verbieden, zijn naam aan hunne werken te

verbinden of om te eischen, dat zijn werk niet zonder zijn naam of

onder een anderen naam gepubliceerd wordt.

Dit vraagstuk heeft veel overeenkomst met dat van het gebruik van

den handels- of firma-naam. De naam strekt in beide gevallen niet

zoozeer ter onderscheiding van de personen, dan wel ter aanduiding

van de herkomst der producten. Niet minder dan voor den handelaar en

den fabrikant is het voor den schrijver en kunstenaar van belang, dat

hunne producten niet met die van anderen verwisseld kunnen worden;

de band tusschen producent en product is bij de laatsten in het

algemeen nog veel nauwer; dit komt door het persoonlijke, hetwelk het

kenmerk van elk kunstwerk is: een kunstenaar legt meer van zichzelf

in zijn werk, is meer één met zijn werk dan b.v. een vervaardiger van

naaimachines of een handelaar in wijn. En evenals voor producten van de

laatstgenoemde soort,--in het algemeen: voor alle handelswaren--geldt

voor werken van kunst en letterkunde, dat het publiek er belang bij

heeft omtrent hunne herkomst juist te worden ingelicht: wie een

schilderij valschelijk voorziet van den naam Jozef Israëls maakt

niet alleen inbreuk op het persoonlijkheidsrecht van den schilder,

maar maakt zich tevens schuldig aan misleiding van het publiek.

Bescherming van den auteursnaam heeft dus geen mindere reden van

bestaan dan de, door onze jurisprudentie dikwijls verleende [503],

bescherming van den handelsnaam. De beginselen waarop beide berusten,

zijn ook grootendeels dezelfde.

Vooropgesteld moet worden dat een uitsluitend recht op den naam in

dien zin, dat men elke gebruikmaking ervan, tot welk doeleinde ook,

zou kunnen tegengaan, niet alleen onnoodig en ongewenscht, maar zelfs

onbestaanbaar is te achten. Dit is door verschillende schrijvers ten

aanzien van den burgerlijken naam in het maatschappelijk verkeer en

ten aanzien van den handelsnaam reeds voldoende aangetoond, en geldt

ook voor den auteursnaam [504].

De naam is niet een goed, dat afgescheiden van den drager bestaat

en object van een recht kan zijn; hij is niets anders dan een

onderscheidingsteeken, een middel om den eenen persoon van den anderen,

en zijne uitingen van die van anderen, te onderscheiden [505]. Daarom

is niet elk gebruik van den naam, maar slechts een zoodanig gebruik,

waardoor verwarring mogelijk wordt gemaakt, een inbreuk op het

persoonlijkheidsrecht. Dit beginsel wordt o. a. ook door de Fransche

jurisprudentie gevolgd, hoewel daarin steeds wordt gesproken van

"eigendom op den naam." De Seine-Rechtbank wees b.v. een eisch af, die

strekte om aan twee schrijvers, die onder het pseudoniem "J. R. Rosny"

artikelen publiceerden, dit te beletten, omdat de eischer, Léon de

Rosny, het uitsluitend recht op dien naam zou hebben. Wel werd erkend

"... qu'en principe, une revendication de cette nature est légitime,

et qu'un tiers ne peut s'approprier le nom d'autrui,..." doch slechts

onder voorwaarde "... que cette usurpation aura eu pour résultat de

créer une confusion qui serait, soit moralement, soit matériellement,

préjudiciable au propriétaire du nom" [506]. Dat mogelijke verwarring

in dit geval uitgesloten was, werd o. a. hiermede gemotiveerd, dat

de geschriften van Léon de Rosny van zuiver wetenschappelijken aard

waren, terwijl de artikelen welke onder het pseudoniem J. H. Rosny

verschenen, een meer "litterair" karakter hadden. Dit vonnis werd

bekrachtigd door het Hof van Appèl te Parijs, waarin o. m. wordt

overwogen: "que la confusion entre "Léon de Rosny" et "J. H. Rosny"

ne s'est pas produite dans le monde des sciences et des lettres" [507].

In eene zaak, die volkomen aan de bovengenoemde gelijk was, alleen met

dit verschil, dat hier eischer en gedaagde zich met hunne geschriften

wel op hetzelfde gebied bewogen, werd de eisch toegewezen, o.a. op

dezen grond; dat: "... les demandeurs ont intérêt à revendiquer le

droit à la propriété exclusive de leur nom, ne fût-ce que pour éviter

la confusion qui pourrait naître de la création de travaux similaires"

[508].

Waar het dus voornamelijk op aankomt, is dat er geen verwisseling

mogelijk worde gemaakt, zoodat iemand een werk wordt toegeschreven

dat niet van hem is, of omgekeerd dat van een werk dat wél het

zijne is, een ander als auteur wordt aangemerkt. Of dit geschiedt

door gebruikmaking van den waren naam van een auteur of van den

schuilnaam, waaronder hij gewoon is te publiceeren, maakt geen

verschil. Het kiezen van een "nom de plume" is eene gewoonte, die zoo

lang reeds in zwang is en zoo algemeen doorgedrongen, dat daartegen

geen bezwaar kan bestaan. Niemand zal daarin eene misleiding van

het publiek zien. Trouwens ook in het handelsverkeer treft men iets

soortgelijks aan: de naam waaronder iemand handelt is dikwijls een

andere dan die waaronder de persoon bij den burgerlijken stand

staat ingeschreven. Neemt men dus aan, dat het een schrijver of

kunstenaar vrijstaat zich een naam te kiezen, waaronder hij zijne

werken publiceert, dan bestaat er geen reden om dien gekozen naam

niet geheel op dezelfde wijze te behandelen als den gewonen (familie-)

naam. Immers de rol, die beide in het verkeer vervullen, is volkomen

dezelfde; ook de schuilnaam dient om de werken van een bepaalden

(al of niet bij het publiek onder zijn werkelijken naam bekenden)

auteur van die van anderen te onderscheiden. Hoe de auteur in het

dagelijksch leven heet, is hierbij onverschillig; het is zooals Kohler

het eigenaardig uitdrukt: "der Autor kann als unbekanntes X gelten;

aber es musz eben dieses X als der Träger schriftstellerischer Werke

von den übrigen Schriftstellern unterschieden werden; es ist ein

Versteckspiel, ein Maskenspiel, wobei die eine Maske von allen anderen

unterschieden bleiben soll und das Recht hat, unterschieden zu bleiben"

[509].

De auteur heeft niet alleen het recht te verhinderen, dat werken van

een ander met zijn naam worden getooid; hij moet er zich ook tegen

kunnen verzetten, dat zijne eigen werken zonder zijn naam of onder

een anderen naam voor het publiek worden gebracht. Hierbij is het

beginsel te volgen, waarvoor, zooals hierboven vermeld werd, o.a. de

Association ijvert, dat nl. de auteur recht heeft op erkenning van

zijn auteurschap.

Eene toepassing van dit beginsel vindt men in de meeste wetten in

verband met de bepalingen op het aanhalen van andere schrijvers

en het overnemen van artikelen uit dagbladen. Deze aanhalingen en

overnemingen zijn geoorloofd, mits de bron daarbij wordt genoemd. Ook

in Frankrijk, waar de wet hierover zwijgt, wordt deze verplichting

door de jurisprudentie aangenomen [510].

In onze wet (art. 7 tweede lid) wordt alleen het noemen van de bron

voorgeschreven bij het overnemen van berichten of opstellen uit dag-

en weekbladen; m. i. bestaat er geen reden, waarom dit bij aanhalingen

uit andere werken, waarover het eerste lid van het artikel handelt,

niet eveneens zou behoeven te geschieden. De Duitsche wet is in dit

opzicht veel beter; daar wordt het noemen van de bron verplichtend

gesteld bij elk geoorloofd (d.i. niet op het auteursrecht inbreuk

makend) gebruik, dat van eens anders werk wordt gemaakt (§ 25); wie

tegen dit verbod handelt, maakt zich, afgezien natuurlijk van zijne

civielrechtelijke aansprakelijkheid, schuldig aan eene overtreding,

waarop eene boete van hoogstens honderd vijftig mark staat (§ 44).

Deze regeling schijnt mij in alle opzichten navolging te verdienen.

Wat de bepaling van onze wet betreft wil ik er nog op wijzen, dat men

hier een voorbeeld heeft van een door de wet toegekend recht, dat niet

als een uitvloeisel van het auteursrecht is te verklaren. Het noemen

van de bron komt alleen te pas bij het overnemen van berichten of

opstellen, waarvan het auteursrecht niet uitdrukkelijk is voorbehouden,

waarop dus geen auteursrecht bestaat. Toch kan de auteur eischen,

dat zijn naam of die van zijn dagblad worde genoemd. Hier wordt dus

ook in onze wet het persoonlijkheidsrecht als een zelfstandig recht

erkend, dat standhoudt, ook als het auteursrecht teniet is gegaan.

Een andere toepassing van het beginsel, dat de auteur recht heeft op

de erkenning van zijn auteurschap, kan men vinden in de bepalingen,

die gericht zijn tegen de vervalsching van auteursnamen op schilderijen

en andere werken van beeldende kunst.

In de meeste landen is het opzettelijk misbruik maken of vervalschen

van auteursnamen strafbaar gesteld. Deze strafbepalingen strekken

echter niet uitsluitend tot bescherming van de rechten der auteurs,

doch tevens tot bescherming van het publiek, dat van dergelijke

bedriegelijke handelingen het slachtoffer kan worden. Het stellen van

een valschen auteursnaam op een schilderij b.v. kan, behalve inbreuk

op het persoonlijkheidsrecht van den schilder, ook zijn een middel om

bedrog te plegen, indien n.l. deze vervalsching, wat wel meestal het

geval zal zijn, is geschied met het doel het schilderij voor een echt

stuk van den meester, wiens naam het draagt, te laten doorgaan en er

op deze wijze den kooper meer voor te laten betalen dan het waard is.

In de Belgische wet op het auteursrecht (art. 25) wordt b.v. strafbaar

gesteld: "... l'application méchante ou frauduleuse sur un objet d'art,

un ouvrage de littérature ou de musique, du nom d'un auteur, ou de

tout signe distinctif adopté par lui pour désigner son oeuvre." Ook

is strafbaar het verkoopen, ten verkoop uitstallen, in een magazijn

in voorraad hebben of binnen België invoeren van werken waarvan men

weet, dat zij van een valschen naam of een valsch merk zijn voorzien

(art. 25 3de lid).

In Frankrijk bevat eene afzonderlijke wet van 9 Febr. 1895 (Loi sur

les fraudes en matière artistique) vrijwel gelijkluidende bepalingen.

Het is duidelijk, dat de handelingen, waartegen deze bepalingen zijn

gericht, hare strafwaardigheid grootendeels ontleenen aan het feit, dat

zij met bedrog in verband staan of tot het plegen van bedrog aanleiding

kunnen geven. Toch heeft men met deze bepalingen voornamelijk bedoeld

eene strafrechtelijke bescherming van de rechten der auteurs. Dit

blijkt o.a. voor de Belgische bepaling hieruit, dat zij in de wet

op het auteursrecht is opgenomen; wat de Fransche wet betreft,

is deze bedoeling door de voorstellers duidelijk uitgesproken; men

ging zelfs zoover van te beweren, dat er geen strafbaar feit in den

zin van deze wet kon worden gepleegd, wanneer het auteursrecht een

einde had genomen, en op dien grond werd ook de bepaling van art. 4

dezer wet verdedigd, volgens welk artikel de wet alleen toepasselijk

is op werken, waarop nog auteursrecht bestaat [511]. Deze laatste

bepaling heeft het (zeker niet door de voorstellers gewilde) gevolg,

dat nu een auteur zich niet op deze wet zal kunnen beroepen, indien

men zijn naam op een oud schilderij heeft gezet [512].

Het is m.i. wenschelijk, dat hier goed worde onderscheiden tusschen de

tweeërlei belangen, ter bescherming waarvan dergelijke strafbepalingen

moeten dienen. Wenscht men alleen vervalsching of verwisseling van

den auteursnaam strafbaar te stellen, voor zoover daarin is te zien

een inbreuk op het persoonlijkheidsrecht van den auteur, dan dient in

de eerste plaats vast te staan, hoe lang dit recht na den dood van

den auteur ten behoeve zijner erfgenamen voortduurt. De bedoeling

van den Franschen wetgever, die in het bovengenoemd artikel 4 van

de wet van 1895 onhandig tot uitdrukking is gekomen, is duidelijk:

het recht met betrekking tot den auteursnaam duurt even lang als

het auteursrecht. In de Belgische bepaling wordt alleen gesproken

van vervalschingen enz. met den naam "van een auteur". Verstaat men

hieronder ieder auteur, dus ook b.v. een schrijver of kunstenaar, die

tweehonderd jaar geleden heeft geleefd, dan is hiermede tevens gezegd,

dat de strafbare handelingen, die in het artikel worden omschreven,

niet behoeven te zijn gericht tegen rechten van bijzondere personen,

niemand zal immers willen beweren, dat er ten behoeve van bijzondere

personen nog een recht kan bestaan b.v. ten aanzien van den naam

Rembrandt. Indien dus het artikel alleen strafbaar stelt inbreuk op

een subjectief recht, dan zal het begrip "auteur" hier enger dienen

te worden opgevat en het meest rationeele is dan zeker om er onder

te verstaan: een auteur, die ook overigens van de bescherming der

wet kan genieten. Op deze wijze komen wij dus ook tot de slotsom,

dat het persoonlijkheidsrecht even lang duurt als het auteursrecht.

Welke van deze twee uitleggingen van het artikel de juiste is, wil

ik in het midden laten en doet hier ook minder ter zake. Ik heb het

hier slechts als voorbeeld genoemd, om op de moeilijkheden te wijzen,

die aan het formuleeren van strafbepalingen als de hier bedoelde

zijn verbonden, indien niet uitdrukkelijk in de wet is omschreven

hoever het recht van den auteur op eerbiediging van den auteursnaam

gaat en hoelang het na zijn dood ten behoeve zijner erfgenamen

standhoudt. Dat de termijnen, welke voor het auteursrecht gelden, in

het algemeen voor de persoonlijkheidsrechten te lang moeten worden

geacht, heb ik hierboven reeds opgemerkt; ook ten aanzien van het

recht op eerbiediging van den auteursnaam zou het wenschelijk zijn,

eene wetsbepaling te hebben, welke een vasten termijn van niet te

langen duur na het overlijden van den auteur voorschreef [513].

Doch het behoeft geen betoog, dat na afloop van dezen termijn

het bedriegelijk gebruik maken van den auteursnaam nog niet

straffeloos behoort te kunnen geschieden. Daarbij is dan echter geen

subjectief recht van den auteur meer betrokken; eerbiediging van de

persoonlijkheid des auteurs heeft dan opgehouden een rechtsbelang te

zijn, ter beveiliging waarvan eene strafbepaling noodzakelijk is.

Hebben wij in dit geval dus te doen met handelingen, die wel

als bedrog strafbaar zijn, maar die geen inbreuk maken op het

persoonlijkheidsrecht van den auteur; ook het omgekeerde is mogelijk:

dat nl. inbreuk op het persoonlijkheidsrecht wordt gemaakt, zonder

dat daarbij het plegen van bedrog in het spel is. Dit laatste zal

echter wel zeer zelden voorkomen; het motief bij het wijzigen of

weglaten van den auteursnaam op een werk zal wel meestal zijn,

den onwaren naam voor echt te laten doorgaan om op deze wijze voor

zich of voor anderen een vermogensvoordeel te behalen. Opzettelijke

inbreuk op het recht van den auteur ten aanzien van den auteursnaam

uit een ander motief, b.v. uit lust om den auteur in zijne reputatie

te schaden, of om zichzelf als auteur van een werk van een ander te

laten aanmerken, is weliswaar niet geheel uitgesloten, maar daarvoor is

toch m. i. geene afzonderlijke strafbepaling noodig, vooral indien men

ten aanzien der bedriegelijke handelingen zulke volledige bepalingen

heeft als de boven besproken Belgische en Fransche.

Onze strafwet is op dit punt niet zoo volledig. De bepalingen welke

hierop betrekking hebben zijn te vinden in art. 337. Dit artikel

stelt o. m. strafbaar het opzettelijk invoeren, verkoopen, te koop

aanbieden, afleveren, uitdeelen of ten verkoop of ter uitdeeling in

voorraad hebben van waren, voorzien van den naam of het merk waarop een

ander recht heeft. Onder "waren" zijn volgens de M. v. T. [514] alle

roerende goederen begrepen, dus ook boeken, platen, schilderijen enz.

Het opzettelijk voorzien van waren van een valschen naam of een

valsch merk is hier dus niet, zooals in Frankrijk en België,

strafbaar gesteld; het kan echter naar gelang van omstandigheden

medeplichtigheid zijn aan de door de wet strafbaar gestelde handelingen

[515]. Hoofdzaak is, volgens de M. v. T.: "het bedrog, gepleegd door

het in den handel brengen en verder verhandelen van met een valsch

certificaat van oorsprong gemerkte goederen". Hiermede is echter niet

in overeenstemming het vereischte, dat een ander op den naam of het

merk waarvan misbruik gemaakt wordt, recht moet hebben, m. a. w. dat

een subjectief recht moet zijn geschonden. Ook zonder dat dit het

geval is kan, zooals ik hierboven al heb opgemerkt, bedrog worden

gepleegd. Overigens heeft deze verwijzing naar een recht, waarvan

de omvang en in het bijzonder de tijdsduur niet wettelijk vaststaat,

de bezwaren, waarop reeds is gewezen.

Het Ontw. B. K. bevat nog eene bijzondere strafbepaling betrekking

hebbend op den auteursnaam in art. 18. Daarin wordt strafbaar gesteld

overtreding van het verbod, vervat in art. 3b tweede zinsnede van

het Ontwerp, nl. het namaken van den naam of het naamteeken of

eenig ander merkteeken van den oorspronkelijken vervaardiger van

een kunstwerk op eene daarvan gemaakte copie. Bedriegelijk oogmerk

of opzet wordt hierbij niet gevorderd. De namaak is ook strafbaar,

indien de copie aan niemand wordt vertoond. In dit geval kan men

m. i. in deze handeling geen inbreuk op het persoonlijkheidsrecht van

den auteur zien; hoogstens bestaat er gevaar, dat men vroeg of laat

deze copie voor een origineel werk van den schilder zal aanzien. Doch

juist omdat dit gevaar voor verwisseling bij copieën zoo groot is,

schijnt mij deze strafbepaling wel gerechtvaardigd.

Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht · 第 52 / 215 题