In het voorgaande was alleen sprake van rechten die den auteur, al
of niet in vereeniging met het auteursrecht toekomen. Van zijn kant
heeft echter ook de auteur met rechten van andere personen rekening
te houden, waarmede hij bij de uitoefening van het auteursrecht in
botsing kan komen.
Dit is in het bijzonder het geval bij portretten. Vrij algemeen wordt
aangenomen, dat iemands beeltenis niet zonder zijne uitdrukkelijke of
stilzwijgende toestemming mag worden gepubliceerd. Sommigen spreken
zelfs in dit verband van een eigendom op de gelaatstrekken, van
een Recht am eigenen Bilde. Dit schijnt mij, zooals hieronder nog
zal worden aangetoond, minder juist toe; wat echter wel kan worden
toegegeven, is dat er gevallen zijn, waarin de afgebeelde persoon
het recht moet hebben, de publicatie van zijne beeltenis te verbieden.
Daar waar dit recht door wettelijke bepalingen is erkend, vindt men
deze meestal in de wet op het auteursrecht; het nauwe verband dat
tusschen beide rechten bestaat, springt dan ook in het oog. Beide
toch hebben de strekking, de reproductie en verspreiding aan één
persoon voor te behouden; aan den eenen kant staat het recht van den
auteur-portrettist, dat hier evenveel reden van bestaan heeft als bij
andere kunstwerken, aan den anderen kant dat van den geportretteerde.
Op verschillende wijzen heeft men de moeilijkheid, die hieruit
voortspruit, trachten op te lossen. Volgens de vroegere Duitsche wet op
het auteursrecht van werken van beeldende kunst (van 9 Januari 1876)
en die tot bescherming der photographieën (van 10 Januari 1876) ging
het auteursrecht van portretten en busten van rechtswege over op den
besteller. Deze bepalingen werden door Kohler [516] verklaard, door den
auteur als handelende in naam van den geportretteerde voor te stellen,
zoodat het auteursrecht ten behoeve van dezen gevestigd wordt. Doch
zoowel de bepaling zelf als de daaraan gegeven constructie komen mij
verwerpelijk voor. Het moge waar zijn, dat ik bij het laten maken van
mijn portret "dem Maler das Internum meiner Person in Gestalt der ihm
stundenlang zugekehrten Gesichtszüge darbiete", dit geeft m. i. nog
geen grond om mij in de rechten van den auteur te laten treden,
waaronder dan b.v. ook valt het genieten van de materieele voordeelen,
die de exploitatie zijner schepping kan opleveren. De rechten van
den geportretteerde worden op deze wijze onnoodig en onredelijk ten
koste van die des auteurs op den voorgrond geschoven. Een practisch
bezwaar van dit stelsel is ook, dat de duur der bescherming niet
in overeenstemming is met het doel, waarvoor zij dient. Volgens de
bovengenoemde Duitsche wetten duurde het auteursrecht voor werken
van beeldende kunst dertig jaar na den dood des auteurs en dat voor
photographieën vijf jaar na het verschijnen of vervaardigen; de
reproductie van iemands gelaatstrekken naar eene schilderij konden
dus zijne erfgenamen nog dertig jaren na zijn dood verhinderen,
terwijl een photographisch portret reeds na vijf jaar straffeloos
verveelvoudigd en verspreid kon worden. Doch het is duidelijk dat de
duur van het hier bedoelde recht van den geportretteerde onafhankelijk
dient te zijn van de wijze, waarop de afbeelding is tot stand gekomen.
Het verdient dus aanbeveling, ook hier het persoonlijkheidsrecht
van het auteursrecht goed te onderscheiden; acht men het noodig den
geportretteerde bij de wet een recht toe te kennen, dan dient dit
afzonderlijk te worden omschreven, opdat het zoowel wat strekking
als wat tijdsduur betreft in de grenzen worde gehouden, die door het
beginsel, waarop deze bescherming berust, worden aangegeven.
In de wetten op het auteursrecht van den lateren tijd komt deze
samensmelting van auteursrecht en persoonlijkheidsrecht dan ook niet
meer voor. De Belgische wet bijvoorbeeld heeft de bepaling (artikel 20)
dat noch de auteur, noch de eigenaar van het portret het recht hebben,
dit te reproduceeren of openlijk ten toon te stellen zonder toestemming
van den persoon, dien het voorstelt, of die zijner rechtverkrijgenden
tot twintig jaar na zijn overlijden. Het auteursrecht blijft dus aan
den auteur; deze laatste wordt slechts in de uitoefening van zijn
recht beperkt door het recht van den persoon, dien hij heeft afgebeeld.
Ook in de nieuwe Duitsche wet op het auteursrecht van werken
van beeldende kunst en photographieën (van 9 Januari 1907) is dit
beginsel in hoofdzaak gevolgd. Het recht van den afgebeelden persoon
om verspreiding of tentoonstelling van zijn portret tegen te gaan
wordt hem, behoudens in enkele door de wet genoemde gevallen,
gedurende zijn leven toegekend en blijft nog ten behoeve zijner
naaste verwanten tien jaar na het overlijden voortduren (§§ 18, 22,
23 en 24). Ook hier hebben wij dus met een afzonderlijk, wel van het
auteursrecht te onderscheiden, recht te doen.
In landen waar de wet dit recht niet uitdrukkelijk verleent, vindt
men het toch vaak door de jurisprudentie erkend. In Frankrijk is
herhaalde malen door den rechter uitgemaakt, dat ieder het recht
toekomt, zich tegen de publicatie van zijn portret te verzetten,
ook al geschiedt dit zonder kwaadwillige bedoelingen [517]. Ook na
den dood blijft het voor de bloedverwanten bestaan [518].
Hoe staat het met dit recht hier te lande? Wetsbepalingen ontbreken
op dit stuk en ook het Ontw. B. K. zwijgt erover. Ook hier zou dus
art. 1401 B. W. de eenige bepaling zijn, waarop deze bescherming zou
kunnen worden gesteund. Het behoeft echter nauwelijks te worden gezegd,
dat zoolang de ruime opvatting van de woorden "onrechtmatige daad"
en "schade", welke in dit artikel gebezigd worden, nog niet algemeen
wordt gedeeld, de bedoelde bescherming nog op zeer losse schroeven
staat. Om die reden ware wellicht eene opzettelijke regeling van dit
vraagstuk in het tot wet te verheffen Ontw. B. K. niet ongeraden.
Het is m. i. niet wenschelijk, dat men daarbij deze bescherming
zoover uitstrekke als in Duitschland, Frankrijk en België wordt
gedaan, waar--behoudens dan enkele uitzonderingen--een uitsluitend
beschikkingsrecht van ieder op zijne gelaatstrekken wordt erkend. Eene
uitspraak als de volgende, afkomstig van den Turijnschen hoogleeraar
Amar en door Rosmini aangehaald: "ieder mensch heeft een vol
eigendomsrecht op zichzelf, bij gevolg heeft hij het ook op zijne
beeltenis ... enz."--komt mij onjuist voor. Evenmin als op den
naam, is een uitsluitend recht op de gelaatstrekken gewenscht
of zelfs maar mogelijk. Niet door elke gebruikmaking van iemands
afbeelding wordt zijn persoonlijkheidsrecht gekrenkt. Zoo kan men
m. i. moeilijk aannemen, dat dit het geval is, wanneer een portret
wordt gereproduceerd, waarvan reeds vele exemplaren met toestemming
van den afgebeelden persoon in omloop zijn [519]. Slechts dan moet
men zich tegen reproductie of tentoonstelling kunnen verzetten,
wanneer deze plaats heeft onder omstandigheden of in eene omgeving,
welke met de ongereptheid of waardigheid van den afgebeelden persoon
niet in overeenstemming zijn. Als voorbeelden hiervan noemt Kohler
[520] b.v. het zetten van het portret eener dame op een doosje met
was-lucifers en het beschilderen van een bierpul met de gelaatstrekken
van een professor. Ook acht hij het onrechtmatig: "wenn etwa eine
Beleibte Dame als Reklamebild für ein kräftiges Nahrungsmittel
verwendet wird" [521].
Indien de verspreiding of tentoonstelling tevens de kenmerken
draagt van beleediging, kan zij natuurlijk als zoodanig ook onder de
termen der strafwet vallen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat ons
Wetboek van Strafrecht (artt. 261 en 266) beleediging door middel van
afbeeldingen alleen kent in den vorm van smaadschrift (telastlegging
van een bepaald feit); eenvoudige beleediging door middel van
afbeeldingen gepleegd is hier te lande dus niet strafbaar. Op de
wenschelijkheid om deze leemte in ons Straf-wetboek aan te vullen,
werd reeds door enkele schrijvers gewezen [522].
Afgezien van het boven behandelde persoonlijkheidsrecht zal het
in vele gevallen nog op andere wijze mogelijk zijn de reproductie
van zijn portret te beletten, wanneer nl. hij die het portret heeft
vervaardigd contractueel verbonden is er geen exemplaren van in omloop
te brengen. Dit zal bijna altijd het geval zijn bij op bestelling
gemaakte photographische portretten. Wanneer men bij een photograaf
zijn portret laat maken, behoudt deze weliswaar in den regel het
negatieve cliché, doch men kan aannemen dat het in de bedoeling
van partijen heeft gelegen, dat behalve de bestelde exemplaren
geen andere afdrukken worden gemaakt en in den handel gebracht. De
gebruiken zijn vrijwel overal zoo, dat de overeenkomst in dezen zin
moet worden uitgelegd, tenzij het tegendeel uitdrukkelijk is bedongen
of op andere wijze blijkt, dat partijen van den gewonen regel hebben
willen afwijken. Dit laatste kan b.v. het geval zijn, wanneer voor de
levering der portretten niets in rekening is gebracht of wanneer de
prijs volgens het zoogenaamde "artiesten-tarief" is berekend. Eene
afzonderlijke wettelijke regeling hiervan, zooals men in sommige
landen aantreft, komt mij echter overbodig voor.
Op soortgelijke wijze als bij portretten het geval is, kan het
auteursrecht nog met andere rechten in botsing komen. Zoo leidt
het door sommigen erkende recht op den naam ertoe, dat ieder zich
kunne verzetten tegen de uitgave of vertooning van een roman of
tooneelstuk, indien zijn naam aan een der daarin optredende personen
is verleend. Dit recht is herhaaldelijk door buitenlandsche rechters,
met name in Frankrijk, erkend [523]; hetgeen zelfs een Fransch
schrijver er eens toe geleid heeft de personen in een zijner stukken
uitsluitend naar geguillotineerden te noemen! [524] Eveneens hebben
schrijvers er zich volgens sommigen van te onthouden, voorvallen
uit het particuliere leven van bestaande personen in hunne werken te
pas te brengen of zoodanige beschrijvingen en karakterteekeningen te
leveren, dat uit de helden van roman of tooneelstuk personen uit de
omgeving van den schrijver kunnen worden herkend. Hoever in al deze
gevallen de bescherming der persoonlijkheid dient te gaan, zal ik
hier niet verder trachten te onderzoeken [525]. Nog minder dan de
rechten der geportretteerden leent zich deze materie voor speciale
wettelijke regeling; in ieder geval zou een wet op het auteursrecht
hiervoor m. i. niet de plaats zijn.