II Persoonlijkheidsrecht in verband met beslag op auteursrecht

Is het bij brieven, die meestal niet als auteursproducten zijn te

beschouwen, vooral het vertrouwelijk karakter dat de bescherming

tegen openbaarmaking rechtvaardigt, bij geschriften van anderen aard,

die daartoe wél gerekend moeten worden, en ook voor kunstwerken,

komt hier nog eene andere overweging bij.

Schrijvers en kunstenaars worden voornamelijk, zoo niet uitsluitend,

beoordeeld naar de werken, die van hen in het licht komen. Bij elke

nieuwe publicatie die van hen uitgaat is hun naam als geleerde of

kunstenaar gemoeid. De beslissing of een werk al dan niet openbaar

zal worden gemaakt is dus eene zaak van het grootste gewicht voor

den auteur: besluit hij tot openbaarmaking, dan zal hij daarvoor de

volle verantwoordelijkheid hebben te dragen. Maar daarom moet hij ook

in zijne beslissing volkomen vrij worden gelaten en niet gedwongen

kunnen worden tot publicaties, waarvoor hij die verantwoordelijkheid

niet op zich durft nemen. Elk auteur, die zijne taak ernstig opvat,

hij zij schilder, letterkundige, componist of geleerde, zal wel

eens werken in portefeuille hebben waarover hij niet tevreden is,

al maken zij ook overigens den indruk "af" te zijn. Men hoort soms

van schrijvers die jarenlang een manuscript onder zich houden, totdat

zij eindelijk het zoo hebben weten om te werken, dat het naar hun

zin is. Hetzelfde is het geval met voortbrengers op het gebied van

beeldende kunst en muziek.

Het is dus voor auteurs van het grootste gewicht en tevens een eisch

van rechtvaardigheid, dat zij zelf kunnen bepalen, óf, en zoo ja

wanneer en op welke wijze, hun werk publiek wordt gemaakt. Meestal

zullen zij hiervoor in het auteursrecht of in het eigendomsrecht

op hunne manuscripten, schetsen enz. voldoende bescherming vinden;

er zijn echter gevallen, waarin deze rechten niet baten, indien zij

nl., als andere vermogensrechten, ter beschikking moeten staan van

des auteurs schuldeischers, om hunne vorderingen tegen hem daaruit

te verhalen. Want ook van werken, die de auteur niet voor publicatie

geschikt acht en die hij daarom ongeëxploiteerd heeft gelaten, kan

het auteursrecht eene geldelijke waarde vertegenwoordigen. Stond het

nu den schuldeischers vrij, dit recht, evenals elk ander deel van

het vermogen van hunnen debiteur, in beslag te doen nemen, dan zou

daarmede tevens den auteur uit handen worden genomen het bovenbesproken

persoonlijkheidsrecht om over de eerste openbaarmaking te beslissen.

Hier dienen--en dit is eene vrijwel algemeen gedeelde opinie,

die na het voorgaande m. i. geen toelichting meer behoeft--de

belangen der schuldeischers te wijken voor die van den auteur. Geen

beslag op auteursrecht mag dus worden toegelaten, indien het

persoonlijkheidsrecht daardoor zou worden aangetast.

De bepaling in onze wet (art. 9 derde lid), welke elk beslag op

auteursrecht uitsluit, gaat echter te ver. Het blijkt trouwens niet,

dat zij haar bestaan dankt aan het boven gestelde beginsel. Het eerst

komt zij voor in het ontwerp van minister Modderman. Naar aanleiding

van eene in het voorloopig verslag (p. 8) gemaakte opmerking,

verklaarde de Regeering in de memorie van antwoord (ad art. 9, p. 4)

zich te kunnen vereenigen met het gevoelen der "meeste leden", dat

het niet wenschelijk was, beslag op het auteursrecht toe te laten. Van

geen van beide zijden werd dit echter nader gemotiveerd.

Ook in het Ontw. B. K. werd eene analoge bepaling opgenomen (art. 5

derde lid). In de memorie van toelichting (p. 4) vindt men daaromtrent

opgemerkt: "Het toelaten van beslag zou bij de uitvoering tot tal van

moeilijkheden leiden. Deze overweging schijnt ook bij de wet van 1881

tot eene bepaling als de hier bedoelde te hebben geleid."

Waarschijnlijk was het dus niet zoozeer de overweging, dat hier voor

een bijzonder recht van den auteur moest worden gewaakt, dan wel vrees

voor de moeilijkheden, die de uitvoering van het beslag op auteursrecht

mee zou brengen, die de bepaling in de wet heeft doen opnemen.

Hiermede is zij echter allerminst gerechtvaardigd. De "moeilijkheden",

waarvan wordt gesproken, mogen niet geheel denkbeeldig zijn,

onoverkomelijk zijn zij niet, zooals in andere landen, waar het beslag

in sommige gevallen wel is toegelaten, is bewezen. Hierop kom ik zoo

aanstonds nog terug.

De groote bedenking, die tegen een algemeen verbod van beslag, zooals

de wet van 1881 en het Ontw. B. K. inhouden, is te maken, bestaat

hierin, dat met de rechten der schuldeischers in 't geheel geen

rekening wordt gehouden. Betreft het een werk, dat reeds eerder door

den auteur gepubliceerd en in exploitatie gebracht was, dan bestaat

er volstrekt geen reden, waarom het uitsluitend recht om het verder op

dezelfde wijze te exploiteeren niet aan zijn schuldeischers zou mogen

worden toegewezen. Nog sterker komt de onbillijkheid der bepaling uit,

als men denkt aan het geval, dat het auteursrecht niet meer in handen

is van den auteur. In den boedel van eene uitgeverszaak bijvoorbeeld

zullen juist de auteursrechten dikwijls een belangrijk aandeel vormen

van de aanwezige baten en het gaat niet aan dat bij faillissement de

schuldeischers hierover niet zouden kunnen beschikken [490].

Het verbod van beslag dient derhalve te worden beperkt tot die

gevallen, waarin eene gedwongen vervreemding van het auteursrecht

tevens eene krenking van het persoonlijkheidsrecht zou meebrengen. Als

algemeene regel kan men stellen, dat beslag moet zijn toegelaten

wanneer het auteursrecht niet meer den auteur toebehoort, of wanneer

het een werk betreft, dat reeds vroeger door den auteur was publiek

gemaakt. Er doen zich echter in verband hiermee nog enkele vragen voor.

In de eerste plaats is door verschillende schrijvers gestreden

over de kwestie, of beslag moet zijn toegelaten, indien het werk

nog niet is uitgegeven, maar wel door den auteur definitief voor

openbaarmaking bestemd, b. v. in het geval een auteur zijn manuscript

naar een uitgever heeft gezonden of ter plaatsing aan een tijdschrift

aangeboden. Dit geval heeft zich o. a. voorgedaan in Duitschland (onder

de vroegere wet o. h. auteursrecht, die geen speciale bepalingen

over beslag inhield); het Landgericht van Berlijn liet het leggen

van beslag toe op een onuitgegeven roman, die door den auteur aan een

uitgevershuis was toegezonden [491]. In Frankrijk werd evenzoo beslist

door het Tribunal civil van Troyes (31 Jan. 1900); hier betrof het

kopie van een journalist, die reeds in handen van den drukker was

[492]. Deze beide beslissingen komen mij juist en billijk voor:

in beide gevallen stond vast, dat de auteur tot publicatie van zijn

werk wenschte over te gaan en aan zijn voornemen reeds een begin van

uitvoering had gegeven; in deze omstandigheden ware een beroep op zijn

persoonlijkheidsrecht, dat door de publicatie zou worden gekrenkt,

misplaatst. Met het oog hierop zou het m. i. aanbeveling verdienen

bij eene wijziging van art. 9 derde lid onzer wet het beslag, behalve

bij uitgegeven werken, ook toe te laten, indien het blijkt, dat de

auteur op het oogenblik dat het beslag wordt gelegd, zijn werk voor

publicatie heeft bestemd. Wat werken van beeldende kunst betreft geeft

o. a. de Belgische wet (art. 9) eene regeling, die navolging verdient:

geen beslag kan worden gelegd, zoolang een werk niet voor verkoop of

publicatie gereed is.

Een andere vraag is, of het persoonlijkheidsrecht, waarvan hier sprake

is, ook na den dood van den auteur moet blijven voortduren. Indien

deze het auteursrecht bij zijn leven heeft vervreemd, komt de vraag

niet te pas; het recht om te beslissen, of iets al dan niet openbaar

zal worden gemaakt, kan de auteur niet aan een ander overdragen. Maar

wél zou kunnen gevraagd worden, of niet zijne erfgenamen, en in 't

bijzonder zijne naaste verwanten, nog na den dood des auteurs eene

publicatie moeten kunnen beletten, waartoe deze bij zijn leven niet

heeft willen overgaan. Ik meen dat er reden is deze vraag bevestigend

te beantwoorden, op soortgelijken grond als hierboven bij de bespreking

van het recht op brieven is aangevoerd. Op de naastbestaanden van den

auteur gaat bij diens overlijden de verantwoordelijkheid van hetgeen

er van hem uitkomt min of meer over; zij hebben er, althans in de

eerste jaren na het overlijden, voor te waken, dat de naam, dien

hij zich bij zijn leven heeft gemaakt, ongeschonden blijft. Doch ook

hier bestaat er geen grond, dit recht der erfgenamen lang te laten

voortduren. De bescherming van de persoonlijkheid des overledenen

krijgt na verloop van tijd een ander karakter; zij behoeft dan niet

meer aan één persoon, of aan een kleine groep van personen te worden

overgelaten. De zuiver persoonlijke elementen, die het oordeel

over den nog in leven zijnden schrijver of kunstenaar mee hielpen

vormen, doen zich dan niet meer gelden; de auteur en zijn werk worden

slechts beoordeeld naar de beteekenis, die zij als verschijnsel in de

beschavingsgeschiedenis hebben gehad en er bestaat geen reden voor

om hun, die deze beteekenis hebben te bepalen, de hulpmiddelen die

daarover licht kunnen verspreiden, te onthouden.

De bepaling der Duitsche wet, die beslag van auteursrecht op

onuitgegeven werken ook tegenover de erfgenamen geheel uitsluit [493],

zoodat dertig jaren lang de onuitgegeven werken van den erflater

in hunne handen onaantastbaar zijn, gaat daarom m. i. te ver. Een

termijn van vijf jaar, zooals ik hierboven in navolging van Kohler

voor het publicatierecht van brieven van een overledene heb genoemd,

schijnt mij ook voor dit geval meer passend.

Na bovenstaande beschouwingen komen wij dus tot de conclusie,

dat beslag op auteursrecht dient te worden toegelaten: tegenover

den auteur, voorzoover het werken betreft, die reeds met zijn

goedvinden zijn gepubliceerd of die door hem tot publicatie zijn

bestemd; tegenover zijne erfgenamen bovendien op het auteursrecht

van niet-gepubliceerde werken, wanneer eenige (bijvoorbeeld vijf)

jaren na het overlijden zijn verloopen; tegenover zijne overige

rechtverkrijgenden in alle gevallen.

Hierbij dient echter nog onderscheid te worden gemaakt tusschen de

verschillende wijzen, waarop de publicatie kan plaats hebben. Heeft een

auteur b.v. zijn tooneelstuk in druk uitgegeven, dan volgt daaruit nog

niet, dat hij het ook voor opvoering geschikt acht. Er zijn stukken,

wier kenmerkende eigenschappen, waardoor zij bij de lezing juist

zoozeer bekoorden, op het tooneel niet tot hun recht komen; andere,

die hoewel naar den vorm tooneelstukken, in 't geheel niet op eene

vertooning in de schouwburg berekend zijn. Ook bij andere werken kan

het een groot verschil maken, op welke wijze en in welken vorm het

publiek er mede in aanraking wordt gebracht; men denke b.v. aan een

rede, die op degenen die haar hooren uitspreken grooten indruk maakt,

doch later, wanneer men haar gedrukt voor zich krijgt, bij de lezing

niet bevredigt. Daarom moet met het oog op de al of niet vatbaarheid

voor beslag elke wijze van reproductie afzonderlijk worden beschouwd;

en moet als beginsel aangenomen worden, dat het beslag slechts die

middelen van exploitatie mag betreffen, welke de auteur zelf reeds

heeft aangewend.

In het algemeen moet trouwens in het oog worden gehouden,

dat het beslag niet tot gevolg kan hebben, dat de executant

een onbepaald beschikkingsrecht krijgt over het geschrift of

kunstwerk. Naast de reeds behandelde bestaan er nog verschillende

andere persoonlijkheidsrechten van den auteur, die bij de exploitatie

van zijn werk door anderen gekrenkt kunnen worden, en het behoeft

geen betoog dat deze rechten ook na een gedwongen vervreemding van

het auteursrecht geëerbiedigd dienen te worden. Zoo zal b.v. de in

beslagneming van het auteursrecht er niet toe mogen leiden, dat

het werk met wijzigingen, zonder medeweten van den auteur daarin

aangebracht, wordt gepubliceerd, of dat bij de exploitatie middelen

worden gebruikt, die met het karakter of de kunstwaarde van het werk

niet in overeenstemming zijn: b.v. opvoering van een tooneelstuk

door daartoe ontoereikende krachten; reproductie van een werk van

beeldende kunst in een daarvoor ongeschikt procédé enz. enz. Ook

zal de nieuwe rechthebbende op het auteursrecht c.q. de anoniemiteit

hebben te eerbiedigen en zich in het algemeen bij het in den handel

brengen van exemplaren moeten houden aan de--hieronder nog nader te

bespreken--beginselen betreffende het gebruik van den auteursnaam.

Deze en andere rechten en belangen van den auteur kunnen uit den aard

der zaak bij executie van het auteursrecht in gevaar komen, en het is

wel gewenscht dat bij de uitvoering van het beslag hiermede rekening

wordt gehouden. Het exploitatie-recht van een geestesproduct is nu

eenmaal, juist wegens de persoonlijkheidsrechten, die er zoo nauw

mee zijn verbonden, niet geheel op eene lijn te stellen met andere

vermogensrechten, en het zijn wellicht de moeilijkheden die hieruit

voortspruiten, welke onze wetgever op het oog had, toen hij de absolute

onvatbaarheid voor beslag van het auteursrecht voorschreef. Met het

oog hierop kan het zijn nut hebben, hierbij nog een oogenblik stil te

staan en enkele opmerkingen te wijden aan de wijze, waarop aan deze

moeilijkheden zou kunnen worden tegemoet gekomen in verband met de

algemeene regeling van het beslag in onze wetgeving.

Hierbij moet onderscheiden worden tusschen de twee soorten van

gerechtelijk beslag, die ons recht kent: het beslag door een of

meer schuldeischers op bepaalde goederen gelegd (geregeld in het

Wetb. v. B. Rechtsv. artt. 439 sqq.); en het faillissement, waarbij

op het geheele vermogen ten behoeve van alle schuldeischers beslag

wordt gelegd (geregeld in de Faillissementswet). Beide soorten

van beslag hebben ten doel uit het vermogen van den schuldenaar de

vorderingen zijner schuldeischers te verhalen, en bij beide wordt dit

doel bereikt door eene gedwongen vervreemding der goederen, waarop

het beslag gericht is. Er bestaat echter verschil in de wijze waarop

deze realiseering der goederen tot stand komt.

Bij het individueele beslag schrijft de wet voor (artt. 463

sqq. B. Rv.), dat de goederen in het openbaar zullen worden verkocht en

aan den meestbiedende toegewezen (art. 469 Rv.). De toepassing dezer

bepaling op het auteursrecht zou m. i. niet geheel zonder bedenking

zijn, daar hier elke waarborg ontbreekt, dat de meestbiedende, wanneer

hem eenmaal het auteursrecht toebehoort, de persoonlijkheidsrechten

van den auteur zal ontzien. Wel moet natuurlijk worden aangenomen,

dat met het recht ook de daarmede verband houdende verplichtingen op

den nieuwen verkrijger overgaan, en dat deze in geen geval het recht

krijgt, om alles met het auteursproduct te doen wat hij wil. Neemt men

het bestaan van persoonlijkheidsrechten in den zin zooals ik het hier

heb gedaan aan, dan volgt daaruit, dat de auteur tegen elken inbreuk,

door wien ook gepleegd, in rechten kan optreden. Theoretisch maakt

het dus geen verschil, aan wien het auteursrecht wordt toegewezen;

in de practijk komt het er echter zeer veel op aan. De auteur zal

er niet zoo spoedig toe overgaan eene actie wegens inbreuk op het

persoonlijkheidsrecht in te stellen, vooral indien hij, zooals na een

beslag of faillissement wel steeds het geval zal zijn, in financieele

moeilijkheden zit; de uitkomst zal dikwijls zeer onzeker zijn en de

schadevergoeding, die hem in het gunstigste geval ten deel valt,

zal toch nooit de gevolgen van den inbreuk geheel kunnen te niet

doen. Het verdient daarom verre de voorkeur, waar dit maar eenigszins

mogelijk is, preventief tegen dergelijke inbreuken op te treden,

en dit zou ook bij de gerechtelijke verkoop van het auteursrecht

kunnen geschieden, indien het mogelijk was, toewijziging van het

auteursrecht te weigeren aan personen, in wier handen men het in dit

opzicht niet veilig acht. Zoo zal het b.v. niet kunnen geschieden,

dat een derderangs operette-gezelschap het uitsluitend exploitatierecht

van een ernstig en bij de uitvoering vele eischen stellend muziekdrama

krijgt, of een uitgever van prentbriefkaarten het reproductierecht

van een schilderij of teekening, wier karakter met zulk eene wijze

van verspreiding niet in overeenstemming is. Ook kan hierdoor worden

voorkomen, dat het auteursrecht wordt aangekocht met het doel alle

verdere exploitatie van het werk te verhinderen.

Indien men er hier toe overgaat beslag op auteursrecht in sommige

gevallen toe te laten, zal het derhalve wenschelijk zijn, dat bij de

uitvoering ervan van de bepalingen omtrent den gerechtelijken koop kan

worden afgeweken. De wijze waarop het auteursrecht te gelde gemaakt

moet worden, zou dan b.v. ter beslissing aan de Rechtbank kunnen worden

gelaten, indien schuldenaar en schuldeischer het daarover niet eens

kunnen worden.

Voor het geval van faillissement zou een dergelijke uitzondering op

den algemeenen regel m. i. niet noodig zijn. Aan den curator en den

rechter-commissaris wordt door de Faillissementswet voldoende vrijheid

van beweging gelaten, om de rechten en belangen, die hier op het spel

staan, behoorlijk te bewaken (men zie o. a. de bepaling van art. 174

F. W.), en men mag aannemen, dat hiervan in den regel een juist

gebruik zal worden gemaakt, waarbij dan natuurlijk zooveel mogelijk

met de wenschen van den faillieten auteur rekening zal worden gehouden.

III Het recht van den auteur dat zijn werk in ongeschonden staat

wordt publiek gemaakt

Niet alleen dat zijn werk zonder zijne toestemming niet openbaar

mag worden gemaakt is voor den auteur van groot belang, doch ook

dat de openbaarmaking, wanneer hij daartoe eenmaal besloten heeft,

zóó geschiede, dat zijn werk daardoor niet gewijzigd of verminkt

aan het oordeel van het publiek wordt blootgesteld. Dat ook in

dit opzicht eene krenking der persoonlijkheid mogelijk is, zal na

het voorgaande gemakkelijk zijn in te zien. De bescherming tegen

ongewenschte openbaarmaking zou maar weinig baten, indien de auteur,

na eenmaal zijne toestemming tot de publicatie te hebben gegeven,

lijdelijk moest toezien, dat aan zijn werk wijzigingen, afkortingen

of toevoegsels werden aangebracht, waardoor het geheel van aanzien

verandert; zijn streven, om alleen voldragen werk, waarover hijzelf

volkomen tevreden is, het licht te doen zien, zou in dat geval veelal

zonder gevolg blijven: want het publiek vormt natuurlijk zijn oordeel

naar het werk, niet zooals de auteur het heeft afgeleverd, maar zooals

de exploitanten het gelieven te publiceeren.

Het is dan ook een in de laatste jaren vrijwel algemeen aangenomen

beginsel, dat den auteur het recht toekomt--ook als het uitsluitend

reproductie-recht in andere handen is of in 't geheel niet bestaat--om

zich er in rechte tegen te verzetten, dat zijn werk zonder zijne

toestemming met wijzigingen, afkortingen of toevoegsels aan het

publiek wordt voorgezet.

In Frankrijk zijn herhaaldelijk beslissingen gewezen, waaruit de

erkenning van dit recht blijkt. Zoo werd b.v. aangenomen dat een

schilder er zich tegen kan verzetten, dat door degeen aan wien hij

het auteursrecht had overgedragen reproducties van zijn schilderij

in den handel werden gebracht waarbij de achtergrond was gewijzigd

[494]; evenzoo de teekenaar voor een geïllustreerd tijdschrift, wiens

teekeningen met onderschriften met veranderingen werden weergegeven

[495].

In een ander geval was van een schilderij in een der Rijksmusea,

voorstellende de Heilige Maagd, eene reproductie op email gemaakt,

alleen van het hoofd. De Seine-Rechtbank overwoog o.a. dat gedaagde "en

faisant reproduire sur émail la tête seule de la Vierge consolatrice

qu'il a mise en vente chez Ferrand, a dépassé les limites de son droit;

qu'il a en effet, isolé la tête de la vierge de l'ensemble de l'oeuvre

de Bouguereau; que, par suite de cette séparation, qui ne permet plus

de comprendre l'attitude ni l'expression qu'explique d'une manière

complète le reste du tableau représentant une mère affligée pleurant

la mort de son enfant, la pensée de l'auteur se trouve complètement

dénaturée, qu'elle devient absolument incompréhensible pour celui

qui n'aura sous les yeux que la reproduction partielle effectuée sur

l'émail saisi." En verder dat de auteur, ook als het reproductierecht

niet meer bestaat: "peut exiger que sa pensée et son oeuvre qui

n'en est que la traduction ne soient pas altérées; qu'elles soient

reproduites comme il les a lui-même enfantées; qu'il a, en dehors de

tout avantage matériel auquel il a renoncé, le droit de sauvegarder sa

réputation artistique et qu'il est fondé à réclamer la réparation du

préjudice à lui causé par toute atteinte qui y est portée ..." [496].

De Seine-Rechtbank veroordeelde voorts 18 Febr. 1902 tot betaling van

vijfhonderd francs schadevergoeding iemand die een tijdschriftartikel,

dat zonder voorbehoud van auteursrecht was verschenen en derhalve

nagedrukt mocht worden, zoodanig gewijzigd had overgenomen, dat

de denkbeelden van den oorspronkelijken auteur daarin onjuist

en onvolledig waren weergegeven [497]. Vier jaar later werd door

hetzelfde college aan iemand, die het uitsluitend vertalingsrecht

van een Engelsch werk in Frankrijk had verkregen, duizend francs

schadevergoeding opgelegd omdat hij bij de uitgave der Fransche

vertaling zonder toestemming des auteurs een nieuw hoofdstuk van

eigen maaksel aan het werk had toegevoegd [498].

Ook zijn mij eenige Fransche beslissingen bekend, die niet het geval

betroffen dat wijzigingen in het werk waren aangebracht, maar waar

de auteur zich beklaagde, dat zijn werk was weergegeven door middel

van een procédé, waarvoor het niet was berekend. Een beeldhouwer had

het reproductierecht van een buste vervreemd zonder eenige voorwaarde

daarbij te maken. Het beeld werd eerst, zooals de bedoeling van den

auteur was, in marmer uitgevoerd, doch later zonder zijne toestemming

ook in brons. De Seine-Rechtbank verklaarde dit laatste voor

onrechtmatig [499]. In een analoog geval, dat zich enkele jaren later

voordeed (hier gold het beeldhouwwerk, waarvan het reproductierecht

aan een fabrikant van bronzen verlichtings-artikelen was overgedragen,

die enkele ervan ook in marmer had laten reproduceeren), werd de eisch,

voorzoover deze het aangewende reproductie-middel betrof, afgewezen, op

grond dat de reproductie in marmer, waartegen de auteur zich verzette,

het origineel volkomen zuiver weergaf. Ook het feit, dat de naar het

origineel vervaardigde bronzen beelden als lampen ingericht in den

handel werden gebracht, leverde volgens de Seine-Rechtbank geen inbreuk

op het recht des auteurs op, omdat degeen aan wien het reproductierecht

was overgedragen, als fabrikant van dergelijke artikelen bekend stond

en de auteur dus geacht kon worden met deze wijze van exploitatie

genoegen te hebben genomen. Doch bovendien was bij de reproductie

van een dezer beelden eenigszins van het origineel afgeweken en de

naam, dien de auteur er aan had gegeven ("Gloria") was zonder zijne

toestemming vervangen door een anderen ("la Renommée"); op deze beide

punten werd de auteur ontvankelijk verklaard in zijn eisch [500].

De genoemde voorbeelden hebben eenig denkbeeld kunnen geven van

de verschillende vormen, waarin krenking van het hier behandelde

recht plaats kan hebben [501] en van de wijze, waarop daartegen in

Frankrijk, waar geen speciale wetsbepalingen op dit punt bestaan, recht

wordt verschaft. Of eene dergelijke op het gemeene recht berustende

bescherming met hetzelfde succes voor den Nederlandschen rechter zou

kunnen worden ingeroepen, staat nog te bezien; alles hangt hier weer

af van de uitlegging van het woord "onrechtmatige daad" in art. 1401

B. W. Het ware daarom misschien gewenscht, om in dezen het voorbeeld

te volgen, door de meeste moderne wetten op het auteursrecht gegeven,

waarin den auteur het bedoelde recht uitdrukkelijk wordt toegekend

[502].

Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht · 第 51 / 215 题