I Recht op brieven

Volgens Kohler heeft ieder mensch het recht te verlangen, "dasz

das Internum (seines) Lebens geschont wird"; dat de intieme zijden

der persoonlijkheid "nicht in einer der menschlichen Lebensführung

widersprechenden Weise an die Oeffentlichkeit gezogen werden"

[483]. Hieruit vloeien verschillende met het auteursrecht in verband

staande bevoegdheden voort, die in het algemeen bestaan in een recht

op geheimhouding (althans niet publiek-making) van hetgeen niet voor

openbaarmaking is bestemd.

Dit is vooral van belang met het oog op brieven [484]. In de meeste

gevallen zullen deze niet voldoen aan de vereischten, die aan een

auteursproduct moeten worden gesteld. Het zijn dikwijls niet anders

dan op schrift gestelde mededeelingen en ontboezemingen, die evenmin

aanspraak kunnen maken op den naam van scheppingen als soortgelijke

mededeelingen en ontboezemingen, die niet schriftelijk, maar mondeling

in een gesprek tot uiting zijn gekomen. Liet men dus de vraag, of de

schrijver van een brief het uitsluitend recht van publicatie heeft,

afhangen van het al of niet bestaan van auteursrecht, dan zou in de

meeste gevallen zulk een recht moeten worden ontzegd, en wel in de

eerste plaats voor die brieven, waarvan juist wegens hun vertrouwelijk

of intiem karakter eene ongewenschte openbaarmaking het pijnlijkst

kan zijn.

Slechts in enkele wetgevingen zijn de rechten op brieven uitdrukkelijk

genoemd; doch eene duidelijke regeling, waarin het hier besproken

persoonlijkheidsrecht onafhankelijk van het auteursrecht wordt

toegekend vindt men, zoover mij bekend is, in geen enkele wet. Wel

is dit recht in verschillende landen door de jurisprudentie erkend

[485], doch dit neemt niet weg, dat eene wettelijke regeling op dit

punt gewenscht blijft.

Vooral met het oog op den duur van dit recht is het wenschelijk een

vasten regel te hebben; de meesten zijn het er over eens, dat het in

elk geval voortduurt tot aan den dood van den briefschrijver; doch

daar men meestal eerst na iemands overlijden tot het uitgeven zijner

brieven overgaat, is het van groot belang te weten òf, en zoo ja hoe

lang, het daarna nog ten bate der erfgenamen blijft voortduren. Hier

is behoefte aan een vasten termijn, die natuurlijk alleen door de

wet kan worden gegeven [486].

Neemt het persoonlijkheidsrecht met den dood een einde? De vraag wordt

dikwijls bevestigend beantwoord; o. a. werd dit in Duitschland gedaan

door het Reichsgericht in een, hierboven reeds ter sprake gebracht,

arrest van 28 Februari 1898 [487]. Het betrof een aantal brieven van

Richard Wagner, die in een ongeveer negen jaren na diens overlijden

uitgekomen boek waren opgenomen. Wel werd aangenomen, dat er een

persoonlijk recht bestaat van den briefschrijver om zich tegen de

publicatie te verzetten, doch in dit geval kon men zich daarop niet

beroepen, daar de aard van dit recht meebrengt, dat het met den dood

van den rechthebbende te niet gaat. Zoolang geen uitdrukkelijke

wetsbepaling het tegendeel inhoudt, valt er voor deze opvatting

m. i. wel iets te zeggen [488]; in jure constituendo echter ben ik

van de meening van Kohler, die dit recht niet met het overlijden,

maar eenigen tijd daarna, wil doen ophouden. Lang behoeft de termijn

niet te zijn; vijf jaar, zooals Kohler voorstelt [489], of hoogstens

tien schijnt daarvoor voldoende; het is er slechts om te doen de

algeheele vrijheid van publicatie zoolang op te schorten, totdat

de beoordeeling van den overledene objectief kan geschieden, buiten

invloed van persoonlijke gevoelens van haat, vriendschap, jaloezie

enz. die hij bij zijn leven heeft opgewekt; het overgangstijdperk, zou

men kunnen zeggen, tusschen het tijdstip, waarop de persoon nog in het

volle leven staat en dat waarop hij geheel tot de geschiedenis behoort.

Uit het bovenstaande volgt, dat het hier besproken recht, hoewel met

het auteursrecht eenige punten van overeenkomst vertoonend, toch van

eene andere strekking is. Het beoogt niet, zooals het auteursrecht, de

uitsluitende exploitatie van een immaterieel goed aan den voortbrenger

te verzekeren; doch het beschermt de tot het private leven behoorende,

vertrouwelijke uitingen tegen ongewenschte openbaarmaking. Hieruit

volgt, dat wanneer de briefschrijver eenmaal zelf tot de uitgave zijner

brieven is overgegaan, hij zich niet tegen nadruk meer kan verzetten;

tenzij natuurlijk zijne uitgave, hetzij door den bijzonderen aard der

brieven, hetzij door de wijze waarop zij tot een geheel zijn geschikt,

als auteursproduct is te beschouwen en als zoodanig bescherming geniet.

De heerschende opvatting hier te lande, volgens welke alle mogelijke

schrifturen als door de wet beschermde geestesproducten zijn te

beschouwen, zou ongetwijfeld ook meebrengen, dat op alle brieven

auteursrecht wordt erkend. Zoo zou toch, al is het dan langs een

anderen weg, hetzelfde doel worden bereikt en dit zou wellicht

voor sommigen een reden kunnen zijn, om de onderscheiding tusschen

auteursrecht en persoonlijkheidsrecht op dit punt onnoodig en doelloos

te achten. Ik meen echter dat uit hetgeen voorafgaat genoegzaam

blijkt, dat de leer, die ik hier voorsta, ook wat de practische

gevolgtrekkingen betreft, niet geheel zonder belang is. Een recht

op publicatie van onuitgegeven brieven, dat met, of korten tijd na,

den dood van den schrijver een einde neemt, is toch iets anders dan

een uitsluitend exploitatierecht, dat de erfgenamen van den schrijver

nog dertig jaren na diens dood zouden kunnen uitoefenen. Het lijdt

m. i. geen twijfel, of het eerste is met het oog op het doel dat met de

bescherming hier moet worden bereikt, te verkiezen boven het laatste.

Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht · 第 50 / 215 题