Reeds meer dan eens heb ik erop kunnen wijzen, dat op het
gebied van het auteursrecht verschillende bevoegdheden bestaan,
die zich niet laten verklaren als een uitvloeisel van het
recht op het geestesproduct, maar die te rekenen zijn tot de
persoonlijkheidsrechten, omdat zij tot bescherming strekken van een
goed, dat niet van den persoon kan worden losgemaakt.
Eerst in de laatste jaren wordt de onderscheiding tusschen auteursrecht
en persoonlijkheidsrecht algemeen gemaakt. De Fransche schrijvers
spreken daarbij meestal van "le droit moral", dat dan gesteld
wordt tegenover "le droit pécuniaire" [478]. Deze termen komen mij
echter minder juist voor, omdat zij de gedachte wekken, dat het
verschil uitsluitend ligt in het al of niet op geld waardeerbaar
zijn. Wel zullen dikwijls bij de persoonlijkheidsrechten alleen
moreele of ideëele belangen betrokken zijn, doch een vaste regel
is dit niet. Het gebruikmaken van een bepaalden auteursnaam zou
b.v. in sommige gevallen heel goed eene geldelijke waarde kunnen
vertegenwoordigen. Evenmin is het waar, dat een vermogensrecht (in dit
geval dus het auteursrecht) uitsluitend ter bescherming van geldelijke
belangen dient [479]. Overigens hebben de bedoelde Fransche schrijvers
met hunne "droits moraux" in hoofdzaak dezelfde rechten op het oog, die
de Duitsche rechtsgeleerden Individualrechte of Persönlichkeitsrechte
noemen en die hier onder den naam van persoonlijkheidsrechten worden
behandeld.
Naar eene opzettelijke regeling van deze rechten zal men in de meeste
wetgevingen vergeefs zoeken. Hiermede is echter niet gezegd, dat zij
geene erkenning vinden. Onder den naam van auteursrecht verleent de
wet soms bevoegdheden, die feitelijk niet tot het auteursrecht, maar
tot het persoonlijkheidsrecht behooren. Dit is natuurlijk allerminst
een reden, om de onderscheiding te laten vallen; voor juridische
constructies behoeft men niet bij den wetgever te rade te gaan. Ook
worden enkele der hier bedoelde rechten in verschillende landen,
hoewel de wet ze niet uitdrukkelijk verleent, toch door den rechter
op grond van algemeene rechtsbeginselen erkend.
In het algemeen kan trouwens worden opgemerkt dat niet alleen in
theorie maar ook in de practijk de leer der persoonlijkheidsrechten
in verband met het auteursrecht meer en meer erkenning vindt. Waar het
positieve recht op dit punt nog tekort schiet, kan men uit de eischen
en verlangens der belanghebbenden opmaken, dat dit als een gemis
wordt gevoeld. Zoo zijn b.v. op meer dan een congres der Association
over het "droit moral" rapporten uitgebracht; de volgende stellingen
werden o. a. op het Congres van Heidelberg van 1899 aangenomen:
"De auteur van elk geestesproduct heeft het recht zijne hoedanigheid
van auteur te doen erkennen en kan in rechten optreden tegen ieder,
die zich deze hoedanigheid zou willen aanmatigen.
"Ook als de auteur zijn werk heeft vervreemd, behoudt hij de
bevoegdheid zijne hoedanigheid van auteur door derden te doen
eerbiedigen. Overigens kan hij er zich tegen verzetten, dat hij aan
wien het is overgedragen, het werk in gewijzigden vorm verveelvoudigt
of tentoonstelt, of er een gebruik van maakt dat het contract niet
voorziet" [480].
In overeenstemming hiermede zijn ook enkele bepalingen der loi-type
(artt. 10, 11, 12 en 14).
Wenschen als de bovengenoemde, die ook op congressen en vergaderingen
van andere vereenigingen van uitgevers en auteurs werden geuit [481],
bewijzen dat de persoonlijkheidsrechten, voor zoover zij nog niet
in het positieve recht zijn opgenomen, niet alleen bestaan als de
vruchten van wetenschappelijke theorieën, maar dat de belanghebbenden
er evenzeer aanspraak op maken, als op de vermogensrechtelijke
bescherming.
Op verschillende wijzen kunnen de bedoelde rechten met het
auteursrecht in verband staan. Het recht b.v. om zich te verzetten
tegen openbaarmaking van niet daarvoor bestemde stukken zal
meestal samengaan, d. w. z. in één hand vereenigd zijn, met het
auteursrecht. Slechts in enkele gevallen zal het een zelfstandig
bestaan toonen, b.v. indien het geschriften betreft, die niet tot de
auteurs-scheppingen zijn te rekenen (zooals b.v. brieven) of wanneer
het auteursrecht aan eene gedwongen vervreemding zou blootstaan
(b.v. bij faillissement van den auteur). In het laatste geval is het
't persoonlijkheidsrecht van den auteur, dat het in beslagnemen van
het auteursrecht tegenhoudt; dit laatste wordt, zooals Kohler het
uitdrukt, krachtens het persoonlijkheidsrecht "verklammert" [482].
Het persoonlijkheidsrecht brengt echter ook bevoegdheden mee, die
het auteursrecht niet geeft, zooals b.v. het recht, zich ertegen
te verzetten dat de auteursnaam van het werk wordt weggelaten
of door een anderen vervangen, en het zoogenaamde recht op de
integriteit van het werk, d. w. z. het recht te verlangen, dat het
werk ongeschonden, zonder wijzigingen, toevoegsels of afkortingen,
publiek wordt gemaakt. Zoolang het met het auteursrecht in ééne hand
vereenigd blijft, kunnen beide rechten elkander dus aanvullen; heeft
de auteur het auteursrecht vervreemd, dan blijven hem krachtens zijn
persoonlijkheidsrecht nog enkele bevoegdheden over, zoodat dán de
twee rechten tegenover elkander staan.
Ook kan het auteursrecht in betrekking staan met
persoonlijkheidsrechten van anderen dan de auteurs; dit is bijvoorbeeld
het geval ten aanzien van portretten: het den auteur toekomend
uitsluitend reproductierecht kan op sommige punten in botsing komen
met het recht van den geportretteerde, om zich tegen openbaarmaking
zijner beeltenis onder bepaalde omstandigheden te verzetten. Iets
dergelijks kan zich voordoen, indien in een roman of tooneelstuk
hetzij door den naam, hetzij door de karakterteekening, bestaande
personen worden aangeduid, in het bijzonder wanneer zij daardoor in
een minder gunstig daglicht komen te staan.
In de afzonderlijke bespreking, die ik van de verschillende hierboven
genoemde rechten laat volgen, zal het een en ander, voorzoover het
in verband met het auteursrecht van belang is te achten, meer in
bijzonderheden worden nagegaan.