VI Voordracht

Terwijl op- en uitvoeringsrecht van muziek- en tooneelwerken bijna

overal erkend wordt, wordt het recht om letterkundige werken in

het openbaar voor te dragen, nog slechts door enkele wetten aan de

auteurs verleend [461]. De reden zal men waarschijnlijk grootendeels

hierin moeten zoeken, dat men het gebruik, dat op deze wijze van de

letterkundige producten wordt gemaakt, van te weinig belang achtte

voor de auteurs, om het te verbieden.

Ik meen echter, dat er wel reden zou bestaan om dit recht te

erkennen. De voordracht moge een niet zoo gewone en veelvuldig

voorkomende vorm van exploitatie zijn als b.v. de uitvoering van

muziekstukken; evengoed als deze kan zij toch het karakter hebben van

eene exploitatie. Naar hetgeen trouwens in de laatste jaren--in het

bijzonder hier te lande--kan worden waargenomen, behooren openbare

voordracht-avonden geenszins tot de groote zeldzaamheden. De kunst van

declameeren en verzen-"zeggen" is--naar het mij voorkomt--tegenwoordig

weer meer in eere dan eenigen tijd geleden het geval was. (Ik denk

hier b.v. aan de voordracht-avonden van Willem Royaards, Albert

Vogel e. a.) Ook dramatische werken worden wel--hetzij geheel, hetzij

gedeeltelijk--door één persoon voorgedragen. Het is m. i. eene groote

onbillijkheid dat een declamator, die dikwijls even volle zalen trekt,

elk tooneelstuk zonder toestemming des schrijvers mag gebruiken,

terwijl een tooneelgezelschap verplicht is het opvoeringsrecht te

eerbiedigen.

Practische bezwaren tegen de invoering van een uitsluitend recht van

voordracht zijn m. i. niet in te brengen. Natuurlijk dient alleen de

openbare voordracht verboden te zijn; de kenmerken der openbaarheid

kunnen hier dezelfde zijn als bij de op- en uitvoering.

Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht · 第 44 / 215 题