Over het recht van den beeldenden kunstenaar behoeft na het
voorgaande niet lang gesproken te worden. De exploitatie van een
werk van beeldende kunst kan slechts plaats hebben door nieuwe
"verwerkelijkingen". In het vorige hoofdstuk is betoogd, dat daaronder
te verstaan zijn alle reproducties, ook die in een anderen kunstvorm,
mits daarin de persoonlijke innerlijke voorstelling, welke aan
het oorspronkelijke werk ten grondslag heeft gelegen, kan worden
teruggevonden.
Het uitsluitend recht van den auteur bestaat nu hierin, dat hij alleen
dergelijke reproducties mag vervaardigen en verspreiden. Hiervoor
gelden dezelfde regels, die hierboven ten aanzien van de vervaardiging
en verspreiding van gedrukte exemplaren van geschriften en muziekwerken
zijn genoemd, zoodat daarover niet meer gesproken behoeft te worden.
In het Ontw. B. K. wordt het auteursrecht van den beeldenden kunstenaar
omschreven als "het recht om ... te copieeren, na te bootsen, af te
beelden en te verveelvoudigen, of dit door anderen te laten doen"
(art. 1). Dit ziet dus oogenschijnlijk op elke vervaardiging; ook
die, waarbij geene verspreiding of "gemeen making" het doel is. Het
Ontwerp laat echter in een ander artikel het maken van eene kopie voor
eigen studie, mits dit zonder eenig rechtstreeksch of zijdelingsch
winstbejag geschiedt, geheel vrij (art. 3, b) en door deze bepaling
wordt aan het beginsel, dat door de vervaardiging eener reproductie
op zichzelf geen inbreuk op het auteursrecht wordt gepleegd, weer
voldoende eer bewezen. Immers bij de mechanische verveelvoudiging
kan de bedoeling om te verspreiden steeds gepraesumeerd worden [462].
Onder reproductie (ook volgens het Ontw. B. K.) zal men ook moeten
rekenen die door middel van lichtbeelden. Eene uitdrukkelijke bepaling
hierover zooals de nieuwe Duitsche wet bevat (wet van 9 Jan. 1907
art. 15) zou m. i. in het Ontw. B. K. onnoodig zijn, nu dit o.a. het
"afbeelden langs mechanischen weg" zonder toestemming van den auteur
verbiedt.
Daarentegen is niet als een inbreuk op het auteursrecht te beschouwen
het tentoonstellen van een kunstwerk, voor zoover daarvoor geen
ongeoorloofde reproductie heeft plaats gehad. In sommige gevallen
zou men weliswaar in de tentoonstelling eene exploitatie kunnen zien;
het zou echter te ver gaan den auteur hiervoor een uitsluitend recht
te verleenen, daar hierdoor te zeer zou worden ingegrepen in het
recht van den eigenaar van het voorwerp, waarin het kunstwerk is
belichaamd (origineel of reproductie). Ook hier kan dus als regel
worden gesteld, dat wanneer eenmaal een door of met toestemming
van den auteur vervaardigd exemplaar (en hier is onder "exemplaar"
ook te verstaan het origineel) een kooper heeft gevonden, de verdere
verspreiding of vertooning daarvan geoorloofd is.
Het kan vrijwel overbodig worden geacht er nog op te wijzen, dat de
waardevermeerdering van een kunstwerk (d. w. z. van de materieele
verwerkelijking ervan), nadat het in andere handen is overgegaan,
nooit eenigen grond kan opleveren voor eene actie van den auteur,
om daarvan zijn deel te krijgen. Het moge onbillijk zijn, dat
speculanten in schilderijen soms groote winsten kunnen maken als
gevolg van prijsverhoogingen, die meestal wel uitsluitend zullen
zijn te danken aan den lateren arbeid van den schilder, waardoor
zijn naam meer in aanzien is gekomen; een recht van den schilder op
een deel van die winst bestaat niet en in geen geval als uitvloeisel
van het auteursrecht, dat niet het lichamelijke voorwerp, maar de
onlichamelijke kunstschepping tot object heeft [463].
Wat van de reproductie van werken van beeldende kunst is gezegd, geldt
m. m. ook voor photographieën, voortbrengselen der kunstnijverheid en
werken der bouwkunst. Photographieën zijn in dit opzicht volkomen met
de werken van beeldende kunst gelijk te stellen. De voortbrengselen
der kunstnijverheid worden weliswaar in den regel op eenigszins
andere wijze gereproduceerd, dit maakt met betrekking tot het
uitsluitend reproductierecht toch geen overwegend verschil uit. Ten
aanzien van eene nagemaakte vaas b.v. gelden dezelfde regels als ten
aanzien van een gekopieerd schilderij. Wat eindelijk de werken der
bouwkunst betreft, de verschillende reproductiemiddelen, welke den
auteur dienen te zijn voorbehouden, werden bij de bespreking dezer
werken reeds genoemd. Daaraan kan hier nog worden toegevoegd, dat
het bouwen steeds als eene exploitatie is te beschouwen, ook indien
het geschiedt voor eigen gebruik; hierdoor toch wordt de schepping
van den kunstenaar altijd min of meer openbaar gemaakt.
§ 2 Duur
Eene eigenaardigheid van het auteursrecht is, dat het in tijdsduur
beperkt is. Na verloop van een aantal jaren neemt het een einde. Een
eeuwigdurend auteursrecht, zooals o. a. volgens de eerste regelingen
in ons land bestond (Publicatie van het provinciaal bestuur van
Holland van 1796 en Publicatie van het Staatsbewind der Bataafsche
Republiek van 3 Juli 1803), vindt men nu nog slechts in vier landen,
te weten: Guatemala, Mexico, Nicaragua en Venezuela. Overal elders
is het auteursrecht aan een bepaalden termijn gebonden.
Men heeft deze tijdelijkheid van het recht wel als argument aangevoerd
om de rechtmatigheid van de auteursbescherming te betwisten. Een
recht--zoo wordt soms geredeneerd--dat de wetgever op een gegeven
oogenblik laat vervallen zonder daarvoor eene schadeloosstelling in
de plaats te stellen, verdient eigenlijk den naam van "recht" niet
te dragen [464].
Deze redeneering gaat op tegen degenen, die het auteursrecht volkomen
met den eigendom op lichamelijke zaken willen gelijkstellen. Eigendom
is naar zijn aard altijddurend, d. w. z. hij gaat niet teniet
zoolang de zaak, welke er het voorwerp van is, blijft bestaan;
een eigendomsrecht, dat de wet slechts voor een beperkten tijd zou
verleenen, zou inderdaad een van de essentieele kenmerken van den
eigendom missen.
Wij hebben echter gezien, dat het auteursrecht geen eigendom is,
maar dat het als recht op een onlichamelijk goed een van de rechten
op lichamelijke zaken ver afwijkend karakter vertoont. Tot die
eigenaardigheden, waardoor het auteursrecht zich van laatstgenoemde
rechten onderscheidt en die voortkomen uit den verschillenden aard
van lichamelijke en onlichamelijke goederen, behoort nu ook de
tijdelijkheid van het recht. De aard der onlichamelijke goederen
(geschriften en kunstwerken) brengt mede, dat zij na verloop van een
aantal jaren gemeengoed worden. In den eersten tijd na hun ontstaan
bestaat er geen bezwaar tegen, dat de vraag òf en zoo ja hòe zij
geëxploiteerd zullen worden aan een persoon staat te beantwoorden, en
dat dus hun lot min of meer van dien éénen persoon afhankelijk is. Men
kan zelfs zeggen, dat het in de natuur der dingen ligt, dat de auteur
of zijne rechtverkrijgenden alleen over het werk te zeggen hebben.
Na verloop van tijd wordt dit echter anders. Of het werk is vergeten,
zoodat er van eene exploitatie geen sprake meer is; òf het blijkt
een werk van blijvende waarde te zijn, en in dat geval is het,
zooals Kohler het uitdrukt, zóózeer "zum Eigengut des ganzen Volkes,
ja zum Kulturgut der ganzen Menschheit" [465] geworden, dat men het
aan deze bestemming niet mag onttrekken door de beschikking erover
aan één persoon te laten.
Door de eerstgenoemde werken, die nl. welke b.v. een eeuw na hun
ontstaan totaal vergeten zijn, nog voorwerp van een privaatrecht te
doen zijn, zou men onnoodige verwikkelingen teweegbrengen; een recht
waar niemand iets om geeft en dat niet kan worden uitgeoefend heeft
trouwens geen reden van bestaan.
Doch voor de tweede categorie, de meesterstukken, waarop de tijd
geen invloed heeft gehad, zouden de gevolgen van een voortdurend
auteursrecht veel bedenkelijker zijn. Het is niet alleen wenschelijk,
maar tevens bepaald noodzakelijk, dat werken van b.v. Shakespeare,
Goethe, Vondel enz. door iedereen vrij kunnen benut worden. Men
behoeft, om dit in te zien, zich slechts even in te denken, dat
b.v. op den Faust of op Hamlet nu nog auteursrecht bestond, zoodat
dus geen enkele uitgave, vertaling, bewerking of opvoering zou mogen
worden ondernomen zonder toestemming van den rechthebbende. Wat men
van--op zichzelf misschien even waardevolle--werken van tijdgenooten
niet kan zeggen, geldt voor deze werken: geen beschaafd mensch kan er
meer buiten. Een erop gevestigd auteursrecht zou--wat het anders niet
heeft--hier het karakter krijgen van een monopolie van de ergste soort.
Men stelt nu echter de zaak verkeerd voor door te zeggen, dat het
recht der auteurs moet wijken voor rechten en belangen van anderen;
dat het--wat bij een ander recht niet dan met toekenning van
schadeloosstelling geschiedt--na verloop van zekeren tijd eenvoudig
"in het algemeen belang" wordt opgeheven. De tijdelijkheid van het
recht berust wel, zoo men wil, op overwegingen van "algemeen belang",
doch zij is niet het resultaat van een compromis tusschen een van
nature eeuwigdurend recht aan den eenen kant en het algemeen belang,
dat zich tegen de voortdurendheid van het recht verzet, aan den
anderen kant. Die zoo redeneeren, zien voorbij, dat "das öffentliche
Interesse die Natur des Rechtsgutes und damit den Charakter des Rechts
mitbestimmt" [466].
Het is--eenmaal het beginsel van de tijdelijkheid van het auteursrecht
aangenomen--terwille der rechtszekerheid noodzakelijk, dat de duur
door de wet eens voor al wordt vastgesteld. Daarbij kan natuurlijk
geen rekening worden gehouden met afzonderlijke werken, ten aanzien
waarvan zich het hierboven beschreven proces langzamer of wel sneller
voltrekt dan gewoonlijk. Er zijn werken, die niet langer duren dan een
maand of zelfs dan één enkelen dag (b.v. dagblad-artikelen), andere
die het veertig, vijftig jaar uithouden zonder tot de meesterwerken te
behooren die de eeuwen trotseeren en verder bestaan er meesterwerken
die terstond, andere die eerst na honderden jaren als zoodanig
erkend worden.
Het is daarom onmogelijk, dat de wettelijke termijn in alle gevallen
volkomen aan den eisch voldoet; nu eens zal men hem te kort, dan weer
te lang achten. Het is zaak, een gemiddelde te vinden, dat niet al
te willekeurig gekozen schijnt.
Gaat men de verschillende wetgevingen op dit punt na, dan vindt
men--behalve dan het altijddurend auteursrecht, dat in de vier
hierboven reeds genoemde staten geldt--dat er twee hoofdsystemen
hierbij voornamelijk worden gevolgd. Volgens het eerste systeem
duurt het auteursrecht een aantal jaren na den dood des auteurs,
volgens het tweede een aantal jaren na de eerste uitgave van het
werk. Het eerste systeem wordt verreweg het meest gevolgd; men vindt
het in: België, Bolivia, Chili, Columbia, Costa-Rica, Denemarken,
Duitschland, Ecuador, Frankrijk, Haïti, Hongarije, Japan, Luxemburg,
Monaco, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal, Roemenië, Rusland, Salvador,
Spanje, Tunis, Zweden en Zwitserland. Daarentegen hebben slechts
enkele landen het tweede systeem nl.: Griekenland, Brazilië, Turkije
en ons land. Engeland, Italië en de Vereenigde Staten volgen een
gemengd stelsel.
De voor- en nadeelen van elk dezer twee stelsels zijn reeds
dikwijls--ook in ons land--uitvoerig besproken [467]; ik meen daarom
daarover kort te kunnen zijn.
Het tijdstip der eerste uitgave als aanvangspunt heeft op dat
van den dood des auteurs dit voor, dat het terstond bekend is,
terwijl natuurlijk niet van tevoren kan gezegd worden, wanneer
de auteur zal sterven. Verder is een voordeel van dit stelsel dat
alle werken evenlang beschermd zijn, en niet--zooals volgens het
andere stelsel--de jeugdwerken, die meestal van minder beteekenis
zijn, langer dan degene die enkele jaren vóór den dood des auteurs
zijn ontstaan. Andere voordeelen zijn nog: De auteur met groote
sterfte-kans heeft een even duurzaam recht als zijn jonger of physiek
krachtiger kunstgenoot. Voor anonieme en pseudonieme werken behoeft
geen afzonderlijke regeling te worden gemaakt; evenmin voor werken
waarvan een rechtspersoon als auteur wordt aangemerkt. Het feit, dat
een werk meerdere auteurs heeft, oefent geen invloed uit op den duur
der bescherming. Ook behoeft men niet bang te zijn voor de kunstgreep,
waarmede volgens het andere stelsel een bejaard auteur den duur van
zijn recht zou kunnen verlengen, door nl. een jeugdig persoon als
zijn mede-auteur te laten optreden.
Deze overwegingen waren het voornamelijk, die in ons land bij de keus
tusschen de twee stelsels den doorslag hebben gegeven ten gunste van
het nu gevolgde. Tegenover deze voordeelen--waarvan ik de beteekenis
niet wil ontkennen--zijn echter ook enkele nadeelen te stellen,
die het andere stelsel niet heeft.
Als men den duur van het auteursrecht laat afhangen van het tijdstip
der eerste publicatie, is het gewenscht dat dit tijdstip voor
elk werk--liefst volgens officieele gegevens--vaststa. Onze wet
(art. 13) neemt daarvoor aan de dagteekening van het bewijs van
ontvangst door het Departement van Justitie afgegeven aan hem,
die de voor de vestiging van het auteursrecht voorgeschreven
formaliteiten heeft vervuld (artt. 10 en 11); eene soortgelijke
regeling geeft het Ontw. B. K. (artt. 8 en 9). Het gevolgde stelsel
van tijdsduurberekening is op deze wijze samengekoppeld met dat van
verplichte inzending van exemplaren, verklaringen, beschrijvingen
en dergelijke. Dit schijnt mij een niet onbelangrijk bezwaar van
het stelsel, daar--zooals ik in een volgend hoofdstuk hoop aan te
toonen--voor deze verplichte (d. w. z. op straffe van tenietgaan
van het auteursrecht) inzendingen geen grond bestaat en afschaffing
daarvan zeer gewenscht is.
Een tweede nadeel van het stelsel is, dat van elk werk het auteursrecht
op een ander tijdstip een einde neemt. Duurt het recht echter een
bepaald aantal jaren na den dood van den auteur, dan is het voor
ieder, die er belang bij heeft, zeer gemakkelijk na te gaan, tot hoe
lang voor elk werk de bescherming duurt. Men heeft dan niet meer te
maken met de verschillende tijdstippen van de uitgave van elk werk
maar met slechts één: het sterfjaar van den auteur.
Ten slotte is er nog een argument, dat hier m. i. den doorslag moet
geven, al betreft het niet de waarde van het stelsel, maar alleen
het feit, dat het in de meeste landen wordt gevolgd. Met het oog op
de internationale regeling van het auteursrecht is uniformiteit der
verschillende wetgevingen, waar dit maar eenigszins mogelijk is, van
het grootste belang. Daar in alle tot de Berner Conventie toegetreden
landen behalve Engeland de duur van het auteursrecht wordt berekend
naar het tijdstip van overlijden des auteurs, zou het bij toetreding
van Nederland zeer gewenscht zijn, dat het zich op dit punt bij de
groote meerderheid aansloot. Hiervoor bestaat des te meer reden,
nu het hier geen vraagstuk betreft, waar belangrijke beginselen bij
zijn betrokken; maar waar het eenvoudig op het maken van eene zoo
practisch en doeltreffend mogelijke regeling aankomt.
In meerdere bijzonderheden omtrent den duur van het auteursrecht zal
ik niet treden; ik laat dus de afzonderlijke regelingen, die gemaakt
kunnen worden ten aanzien van pseudonieme of anonieme werken of van
die werken, waarvan een rechtspersoon als auteur wordt aangemerkt,
onbesproken [468]. Evenmin zal ik mij ophouden met de afzonderlijke
termijnen, die in sommige wetten nog ten aanzien van enkele
bevoegdheden als: vertalingsrecht, op- en uitvoeringsrecht enz. worden
gesteld. Hier kan slechts worden herhaald, wat bij de bespreking van
elk dezer rechten is gezegd, dat nl. voor bijzondere beperkingen,
hetzij in tijdsduur, hetzij in ander opzicht, geen grond bestaat.
Ten slotte nog eene opmerking van algemeenen aard over den tijdsduur
van het auteursrecht. Er valt hier en daar een streven op te merken
om dien duur steeds weer te verlengen. In de allerlaatste jaren
is dit eenigszins tot stilstand gekomen. Men kan zeggen, dat de
normale termijn tegenwoordig is die van vijftig jaar na den dood
des auteurs; in de nieuwere wetten op het auteursrecht wordt deze
het meest aangetroffen en ook in de herziene Berner Conventie is
hij opgenomen (art. 7). Volgens sommigen is dit echter nog niet lang
genoeg; naar hunne meening is elke verlenging als eene verbetering te
beschouwen. Dit schijnt b.v. in de Association de heerschende opvatting
te zijn; in de model-wet van deze vereeniging is als termijn gekozen:
tachtig jaren na den dood des auteurs (art. 3), waarbij dan nog in het
oog moet worden gehouden, dat bij het vaststellen hiervan rekening
is gehouden met hetgeen voorloopig bereikbaar scheen. In beginsel
zou men wellicht nog verder willen gaan.
Naar mijne meening is echter een termijn van vijftig jaar na den
dood des auteurs ruimschoots voldoende. Indien hierin in de toekomst
verandering moet worden gebracht, dan zou ik zelfs eerder eene
verkorting dan eene verlenging raadzaam achten. Men heeft hierbij
m. i. rekening te houden met het niet te loochenen feit, dat het
verkeer, ook op letterkundig- en kunstgebied, tusschen alle volken
der aarde zich steeds meer ontwikkelt en steeds sneller wordt. Het
gevolg is, dat geschriften en kunstwerken hoe langer hoe minder tijd
noodig hebben om over de geheele wereld bekend te worden. Men kan
er zeker van zijn, dat een boek dat in Europa eenigen opgang maakt,
binnen enkele maanden of zelfs weken ook in Amerika door ieder zal
worden gelezen. Het leven van geschriften en kunstwerken wordt daardoor
steeds korter, d. w. z. zij zijn veel eerder algemeen bekend maar ook
weer veel eerder vergeten dan vroeger. Waar nu in verband hiermede de
exploitatie steeds intensiever wordt en tegelijkertijd binnen veel
korter tijd moet geschieden, daar is het m. i. redelijk en billijk,
dat het uitsluitend recht van exploitatie, dus het auteursrecht,
hiermede gelijken tred houde. Men streve ernaar den auteur een zoo
volledig mogelijke bescherming te verleenen tegen alle exploitanten,
eene bescherming, die hij ook in de meest afgelegen landen moge
genieten; in dit opzicht is elke versterking der bescherming als eene
verbetering te beschouwen. Doch wat het auteursrecht zoo in omvang
en uitgebreidheid wint, kan het desnoods in tijdsduur verliezen. Een
vol auteursrecht, dat b.v. zou duren twintig jaar na den dood des
auteurs, maar dan ook in de geheele wereld geëerbiedigd zou worden,
schijnt mij redelijker en beter dan een recht, dat tot tachtig of
honderd jaar na den dood des auteurs duurt, doch dat slechts in een
enkelen staat erkenning vindt.