De beteekenis van op- of uitvoering van tooneelwerken en muziekstukken
behoeft wel niet afzonderlijk in het licht te worden gesteld. Evenmin
zal het eenig betoog behoeven, dat de op- of uitvoering, voor zoover
zij in het openbaar geschiedt, eene exploitatie uitmaakt van het
tooneel- of muziekstuk. Men kan zeggen, dat zij in de meeste gevallen
het eenige middel is, waardoor het publiek in staat wordt gesteld
het werk volkomen te genieten.
Met evenveel grond als het door den druk gemeen maken behoort dus
het in het openbaar uit- of opvoeren uitsluitend den auteur te zijn
voorbehouden. In verreweg de meeste landen is dit ook het geval;
slechts in enkele wetten treft men nog bepalingen aan, die het uit-
of opvoeringsrecht aan bijzondere voorwaarden verbinden of het in
tijdsduur bij het kopierecht achterstellen.
Onze wet is op dit punt nog zeer achterlijk: een uitvoeringsrecht voor
muziekstukken bestaat in het geheel niet, terwijl het opvoeringsrecht
van dramatisch-muzikale werken en tooneelwerken vervalt bij de uitgave,
tenzij het uitdrukkelijk wordt voorbehouden. Wordt aan deze voorwaarde
voldaan, dan duurt het nog slechts tien jaar (art. 15).
De argumenten, die voor eene dergelijke besnoeiing van het auteursrecht
worden aangevoerd, berusten grootendeels op de verkeerde voorstelling,
alsof het auteursrecht in wezen eigenlijk niets anders zou zijn
dan kopierecht (recht om uitsluitend door den druk gemeen te
maken). Hierover is reeds, naar ik meen, genoeg gezegd; de bewering
b.v. dat schrijvers van tooneelstukken en componisten, indien hun uit-
en opvoeringsrecht erkend wordt, een dubbel recht zouden genieten,
hetgeen dan eene onbillijkheid zou zijn tegenover schrijvers van
stukken, die niet voor opvoering vatbaar zijn [449], vindt in het
voorgaande reeds voldoende weerlegging. Op dezen grond zou men ook
kunnen beweren, dat de eigenaar van een paard, hetwelk én als rij-
én als koetspaard gebruikt kan worden, een dubbel recht geniet, en
dat hij op onbillijke wijze is bevoorrecht boven andere eigenaren,
wier paarden alleen kunnen trekken!
Men heeft ook beweerd--en dit betreft in het bijzonder het uit- en
opvoeringsrecht van stukken die in druk zijn uitgekomen--dat juist
datgene wat de kooper van gedrukte muziek ermee voor heeft is: ze
te spelen, uit te voeren. Het zou dus geen zin hebben, dat voor elke
uitvoering nog eens de toestemming van den auteur moet worden gevraagd,
daar deze verondersteld kan worden met het feit der uitgave gegeven
te zijn. Doch zij die zoo redeneeren zien blijkbaar over het hoofd,
dat het uitvoeringsrecht alleen betrekking heeft op de uitvoering in
het openbaar. Wie b.v. een wals koopt voor piano mag deze zooveel
hij wil voor zich en zijne huisgenooten spelen; niemand zal hierin
een inbreuk op het auteursrecht zien. Doch het is wat anders, wanneer
men het stuk op een openbaar concert gaat voordragen. Dan wordt het
eene exploitatie, waarvoor de auteur niet geacht kan worden bij de
uitgave zijne toestemming te hebben gegeven.
Dat de auteur alleen openbare uit- en opvoeringen kan verbieden,
geldt in alle landen. Niet overal worden daarvoor echter dezelfde
kenmerken aangenomen. Het beste schijnt mij het door Kohler gestelde,
die eene op- of uitvoering openbaar noemt, "wenn sie über das Häusliche
hinausgeht." Dit kan dus b.v. ook in een particulier huis het geval
zijn, indien nl. zooveel gasten zijn gevraagd "dasz die Gesellschaft
die häusliche Wesenheit einbüszt" [450].
Geen vereischte voor eene openbare uit- of opvoering is, dat de toegang
voor ieder, al of niet tegen betaling, vrijstaat. Dit wordt vrijwel
algemeen, in wetenschap en practijk aangenomen [451]. Op een feest,
dat toegankelijk is voor leden en genoodigden van eene sociëteit of
andere vereeniging, zal dus de uitvoering eene openbare kunnen zijn
[452].
Onze wet stelt met uit- of opvoering in het openbaar gelijk: "elke
uit- of opvoering, die tegen betaling, voor eens of voor meermalen,
toegankelijk is, zelfs dan wanneer bovendien eene ballotage gevorderd
wordt" (art. 1 tweede lid). Men zal m. i. ook dan kunnen aannemen,
dat eene uitvoering toegankelijk is tegen betaling in den zin van deze
bepaling, indien de betaling geschiedt in den vorm eener jaarlijksche
contributie van de leden der vereeniging; terwijl dan het lidmaatschap
recht geeft op een of meer plaatsen bij de voorstelling.
Of de op- of uitvoering geschiedt door musici of tooneelspelers
van beroep dan wel door dilettanten maakt geen verschil; evenmin
mag het doel, waarvoor de opbrengst is bestemd, in aanmerking
worden genomen. Zoo bestaat er b. v. geen reden, om het vrij
gebruik van stukken zonder toestemming des auteurs toe te laten voor
weldadigheidsvoorstellingen, zooals eenigen tijd geleden in Frankrijk
is voorgesteld. Terecht is hiertegen opgemerkt, dat niemand tegen
wil en dank gedwongen moet kunnen worden, aan een weldadig doel mede
te werken. Men zou dan evengoed kunnen verlangen, dat de eigenaars
van zalen gedwongen werden deze gratis voor zulke voorstellingen af
te staan [453]. Hetzelfde geldt voor voorstellingen of concerten,
waarvan de toegang vrij is, en waarbij ook overigens elk winstbejag
is uitgesloten. Het moge een loffelijke daad zijn, dat iemand zijnen
medeburgers een avond van genoegen of kunstgenot wil verschaffen
en daarvoor eene gratis-voorstelling organiseert, dit geeft hem
nog geen recht, om voor dit doel ongevraagd over andermans goed te
beschikken. De bepaling van de Zwitsersche wet (art. 11 no. 10) die
het gebruik van stukken vrijlaat voor op- en uitvoeringen, waarvan
het doel niet is winst te behalen, verdient daarom afkeuring [454].
De op- of uitvoering behoeft niet, om een inbreuk op het auteursrecht
uit te maken, aan zekere artistieke eischen te voldoen. Ook gebrekkige
opvoeringen moet de auteur kunnen verbieden [455]. Daarom zal men
ook als op- of uitvoering hebben aan te merken vertooningen van den
kinematograaf en "concerten", waar zich phonograaf, grammophoon,
pianola en dergelijken laten hooren. Dat door middel van deze
instrumenten inbreuk op het reproductie-recht kan worden gepleegd
(nl. door de vervaardiging en verspreiding van kinematograaf-films en
van rollen en platen, die bij de mechanische muziekinstrumenten en
phonografen behooren) is hierboven reeds betoogd. Er bestaat zeker
niet minder reden, om ook de op- en uitvoeringen door middel van
deze instrumenten, voorzoover zij in het openbaar plaats hebben in
den bovenaangegeven zin, als inbreuk op het op- of uitvoeringsrecht
aan te merken. Wat de kinematographische voorstelling betreft,
heeft een Engelsch rechter onlangs uitgemaakt, dat zij wel degelijk
eene "voorstelling" is in den zin der wet, omdat de figuren, die
de kinematograaf laat zien, volkomen den indruk maken van levende
personen [456]. M. i. zal men ook volgens onze wet hetzelfde mogen
aannemen. Dat men bij het tot standkomen der wet aan kinematographische
voorstellingen niet heeft gedacht, kan geen grond zijn voor het
tegendeel. Wij hebben hier te doen met eene "opvoering", die in die
jaren nog niet bekend was, doch die thans evengoed dezen naam verdient
als die, waarbij tooneelspelers of dansers in levenden lijve optreden.
Het in het openbaar ten gehoore brengen van muziekstukken door
muziekinstrumenten en phonografen wordt in de meeste landen, voorzoover
de bijzondere wetsbepalingen niet uitdrukkelijk het tegendeel inhouden
(zooals b. v. in Oostenrijk), door de jurisprudentie met eene openbare
uitvoering gelijk gesteld [457]. In België werd ook als inbreuk op
het uitvoeringsrecht aangemerkt het gebruik maken van theatrophonen,
eene soort van telephoon-toestellen, die verbonden met schouwburgen of
concertzalen, de muziek die aldaar gespeeld wordt op andere plaatsen
doen hooren. De vrede-rechter te Brussel besliste (2 October 1899),
dat het niet geoorloofd was eene grootere publiciteit aan het werk te
geven dan door den auteur was voorzien en goedgekeurd. Al was dus van
den auteur toestemming verkregen om zijne muziek in den schouwburg
ten gehoore te brengen, dit gaf nog niet de bevoegdheid om die met
behulp der genoemde instrumenten ook elders te doen weerklinken [458].
In het algemeen kan nog over het ten gehoore brengen van muziek
in het openbaar worden gezegd, dat niet alleen formeele concerten,
waar men uitsluitend komt (althans geacht wordt te komen) om naar de
muziek te luisteren, als openbare uitvoeringen zijn te beschouwen,
waardoor inbreuk kan worden gemaakt op het auteursrecht; maar dat ook
hiertoe te rekenen zijn de zoogenaamde "strijkjes" in koffiehuizen
en hotels, op publieke bals en op tentoonstellingen, sportfeesten
en dergelijke. Hierbij doet zich dan nog de vraag voor, of de
muzikanten dan wel degeen die ze laat spelen de overtreders zijn
van het uitvoeringsrecht, ingeval er stukken zijn gespeeld zonder
toestemming van den auteur. Meestal wordt door de jurisprudentie het
laatste aangenomen; de eigenaar van het hotel of koffiehuis en de
verhuurder der concertzaal worden dus als de eigenlijke ondernemers
der verboden uitvoering aangemerkt [459]. Dit schijnt mij ook juist,
al kan niet worden ontkend, dat eene strenge toepassing van dezen
regel in sommige gevallen tot onbillijkheden kan leiden. Voor hotel-
of koffiehuis-houders is het b.v. hoogst moeilijk ervoor te zorgen,
dat geen verboden stukken worden gespeeld in hunne zalen en het
is daarom wel te verklaren, dat van de zijde van deze personen,
die zich vroeger nooit om eenig auteursrecht hadden te bekommeren,
hier en daar protesten zijn gehoord. Ik meen echter dat conflicten,
zooals die zich b.v. in Duitschland hebben voorgedaan [460], in de
meeste gevallen wel zullen kunnen worden vermeden door een bezadigd
en tactvol optreden van de vereenigingen van componisten, die zich
met het innen der tantièmes voor hunne leden belasten.