Een ander reproductiemiddel, dat eerst in den jongsten tijd in
toepassing is gebracht, is de kinematograaf. Er is reeds gesproken
over de pantomimes of dramaatjes, die aan de kinematograaf hun
ontstaan te danken hebben. Hier hebben wij uitsluitend te maken
met den kinematograaf als reproductie-middel. De vraag is dus, of
de vervaardiging van kinematographische afbeeldingen van balletten,
pantomimes of tooneelstukken als exploitatie van die werken en dus,
indien het zonder toestemming van den auteur geschiedt, als inbreuk
op diens recht is te beschouwen. M. i. bestaat er geen reden, deze
vraag in ontkennenden zin te beantwoorden. In de meeste gevallen
zal de kinematographische reproductie worden gemaakt met het doel
de films te gebruiken voor openbare vertooningen in zoogenaamde
bioscope-theaters. Hierin is ongetwijfeld eene exploitatie van de
gereproduceerde werken te zien en wel eene die hoe langer hoe meer
algemeen begint te worden. Doch ook afgezien van openbare vertooningen
(waarop ik hieronder bij de bespreking van op- en uitvoeringsrecht
nog terugkom) meen ik, dat in het vervaardigen en verspreiden van
de films reeds alle kenmerken eener exploitatie zijn gelegen. De
ondernemers van bioscope-voorstellingen behoeven volstrekt niet de
eenige koopers der kinematographische films te zijn. Met betrekkelijk
weinig kosten kan men zich tegenwoordig toestelletjes aanschaffen,
die de kinematographische beelden op de vereischte wijze projecteeren;
waardoor men dus in staat wordt gesteld alle mogelijke pantomimes,
balletten enz. in den huiselijken kring te vertoonen. Deze toepassing
van den kinematograaf is--het moet worden toegegeven--tot nu toe nog
weinig algemeen, doch de voorspelling is m. i. niet te gewaagd, dat
zij dit in de eerstkomende jaren meer en meer zal worden. Men bedenke,
binnen hoe korten tijd de phonograaf zich eene plaats in bijna ieder
huis heeft veroverd!
Hoewel het uitsluitend reproductie-recht van tooneelstukken en
pantomimes door middel van den kinematograaf nog in geen enkele
wet uitdrukkelijk den auteurs wordt toegekend (wél in de herziene
Berner Conventie art. 14), heeft het toch reeds in enkele gevallen
voor den rechter erkenning gevonden. Zoo o.a. in een vonnis van de
Seine-rechtbank van 7 Juli 1908, waarvan een der overwegingen luidt:
"Attendu que la bande cinématographique, ou film, sur laquelle sont
reproduites à l'aide d'une succession de photographies les diverses
péripéties, soit d'une oeuvre dramatique, soit d'une féeerie, d'une
pantomime ou d'un opéra, et qui est par elle-même, en dehors de
l'adaption à un mécanisme quelconque, lisible et compréhensible pour
tous, doit être considérée comme une édition tombant sous l'application
de la loi des 19-24 juillet 1793;... etc." [448]
In ons land bestaat weinig kans dat, onder vigueur van de tegenwoordige
wet, ooit eene beslissing in dezen zin zal worden gewezen. Ik kan
hier verwijzen naar wat boven over de beteekenis van de uitdrukking
"door den druk gemeen maken" is gezegd in verband met de mechanische
muziekinstrumenten. Weliswaar werd bij de voorbereiding der wet ook
de photographie genoemd onder de reproductie-middelen waarmede inbreuk
op het auteursrecht zou kunnen worden gepleegd, doch men had hiermede
klaarblijkelijk alleen op het oog de photographische reproductie van
plaat- en kaartwerken of van bladzijden muziek- of letterschrift. Het
behoeft niet te worden gezegd, dat de kinematographische reproductie
van tafereelen van een ballet of drama geheel iets anders is. Ik meen
daarom, dat ook hier slechts eene herziening der wet uitkomst kan
brengen; doch ook hier zal men daarbij slechts het beginsel hebben te
volgen, dat reeds in de memorie van toelichting der tegenwoordige
wet duidelijk is uitgesproken, dat nl. elk reproductie-middel,
waartoe een werk zich leent, en dat van genoegzame beteekenis is,
den auteur uitsluitend moet zijn voorbehouden.