II Het maken van afschriften

In het voorgaande was alleen sprake van reproductie door den

druk. Hieronder is niet alleen te verstaan de gewone boekdruk

met losse lettertypen, maar ook elk ander procédé, waardoor langs

mechanischen weg letter- of notenschrift gereproduceerd kan worden,

b.v. lithographie, hectographie, photographie enz. Dit werd ten aanzien

van onze wet nog uitdrukkelijk in de memorie van antwoord opgemerkt;

de bijvoeging, die in art. 1 van de wet van 1817 voorkwam: "met of

zonder hulp der graveerkunst, of eenige andere tusschenkomende kunst",

werd overbodig geacht.

Het maken van afschriften is echter volgens onze wet geoorloofd. Men

achtte het onnoodig dit te verbieden: "slechts die ongeoorloofde

vermenigvuldiging van het werk, welke door mechanisch afdrukken, in

hoedanigen vorm dan ook, verkregen wordt, is in staat, den auteur een

vermogensnadeel toe te brengen van genoegzame beteekenis om door de

wet te worden gekeerd" [441]. Zoo oordeelde onze wetgever. Men zou

hiertegen in de eerste plaats kunnen opmerken, dat het meerdere of

mindere vermogensnadeel, dat door de handeling wordt toegebracht,

niet het eenige is wat hier in aanmerking moet worden genomen. Al

is het auteursrecht een vermogensrecht, daarom behoeft het nog niet

alleen op die handelingen betrekking te hebben, waarmede uitsluitend

geldelijke belangen zijn gemoeid. Doch bovendien is het niet waar,

dat door het afschrijven zonder toestemming van den auteur, aan dezen

geen noemenswaardige schade kan worden toegebracht. Het maken van

afschriften behoort volstrekt niet tot de groote zeldzaamheden. Volgens

Rosmini [442] is het voor tooneel- en muziekstukken zelfs de meest

gebruikelijke reproductiewijze; hierbij wordt dan meestal van elke

rol of elke partij een afzonderlijk afschrift gemaakt ten dienste der

tooneelspelers of orkestleden. Dit levert boven het laten drukken

het voordeel op, dat de auteur nog in de gelegenheid blijft na de

repetities wijzigingen in het werk aan te brengen. Over het zonder

toestemming van den auteur maken en verspreiden van afschriften,

laat Rosmini zich dan als volgt uit: "Mais si un tiers reproduit en

manuscrit l'oeuvre musicale ou des morceaux détachés, ou des réductions

pour divers instruments, pour louer ou débiter ces copies, celles-ci

non seulement présentent tous les caractères de la contrefaçon,

frappée par les expressions générales de la loi dans toute son étendue,

mais elles constituent, de tous les procédés de reproduction le plus

grave, le plus préjudiciable à l'auteur." Om deze meening te staven,

wijst Rosmini er op, dat het afschrijven (voornamelijk van muziek)

goedkooper is dan de reproductie door lithographie of een ander procédé

van dien aard, terwijl het bovendien meer in stilte kan geschieden

en dus moeilijker is te ontdekken. En verder: "... le vendeur de

copies exerce une concurrence plus étendue et plus fatale, parce qu'il

s'adresse, avec ses longs catalogues, aux entrepeneurs, aux directeurs

de spectacles, aux sociétés philharmoniques, etc., en présentant

sa marchandise sous une forme plus commode; de cette façon, il s'

approprie, en l'écartant de l'auteur et de ses ayants cause, toute la

clientèle des acheteurs." Ook in andere landen dan Italië (waarop de

aangehaalde mededeelingen van Rosmini voornamelijk betrekking hebben)

wordt door de onbevoegde exploitatie door middel van afschriften

dikwijls belangrijke schade aan de auteurs toegebracht. In Frankrijk

b.v. is het herhaaldelijk voorgekomen, dat van orkest-partituren

zonder toestemming van den auteur afschriften werden gemaakt, die dan

door schouwburg-ondernemingen aan elkander in huur werden afgestaan

[443]. Hetzelfde geschiedde ook dikwijls met tooneelstukken [444]. In

Zwitserland, waar het maken van afschriften door de wet is verboden,

kwam het toch een aantal jaren geleden zóó veelvuldig voor--hier

waren het vooral vereenigingen van koorzang die er zich aan schuldig

maakten--dat door de auteurs daartegen eene waarschuwing moest worden

gepubliceerd, waarin gedreigd werd met rechterlijke vervolging [445].

Uit dit alles blijkt m. i. wel, dat de afschrijvers niet zoo

onschadelijk zijn voor de auteurs als onze wetgever indertijd meende

en dat er alle reden voor bestaat ook deze wijze van verveelvoudiging

naast die door middel van den druk den auteur uitsluitend voor te

behouden. De meeste wetten zijn op dit punt minder onvolledig dan de

onze; sommige verbieden uitdrukkelijk het maken van afschriften zonder

toestemming van den auteur (zoo Italië wet v. 19 Sept. 1882 art. 32,

Noorwegen wet v. 4 Juli 1893 art. 1); andere spreken eenvoudig van

reproductie onverschillig op welke wijze deze geschiedt, zoodat

daaronder ook het afschrijven begrepen is (b.v. Duitsche wet van 19

Juni 1901 § 15, waar ook nog bepaald staat, dat het geen onderscheid

maakt of er één dan wel meerdere exemplaren vervaardigd worden;

verder: o. a. Frankrijk, België, Zwitserland en Spanje).

III Vervaardiging en verspreiding van mechanische muziek-instrumenten

en phonografen

Voor muziekwerken bestaat een exploitatiemiddel, dat sinds enkele

jaren eene groote beteekenis heeft gekregen, nl. de vervaardiging

van instrumenten, die muziekstukken automatisch weergeven. Nog

betrekkelijk kort geleden waren als zoodanig alleen bekend de

Zwitsersche speeldoozen en straatorgels d. w. z. instrumenten, die door

hun bouw en inrichting slechts berekend waren op het weergeven van een

of meer bepaalde muziekstukjes van kleinen omvang. Het vervaardigen

en verspreiden van deze instrumenten was daarom niet te noemen eene

exploitatie van de werken der componisten; in elk geval was het

niet eene exploitatie van groote beteekenis. De speeldoozen werden

meer als curiositeiten gekocht dan wel terwille van het muzikale

genot, dat zij verschaften; en wat de draaiorgels betreft, deze deden

misschien concurrentie aan straatmuzikanten, doch niet aan componisten

of muziek-uitgevers.

Het is verklaarbaar, dat men in het vervaardigen en verspreiden van

deze instrumenten geen inbreuk op het auteursrecht der componisten

zag. In de oudere wetten op het auteursrecht wordt òf hierover in het

geheel niet gesproken, òf men vindt er de bepaling, dat het gebruik

van muziekstukken voor dit doel vrij wordt gelaten (Frankrijk wet

van 16 Mei 1866; Zwitserland wet van 23 April 1883 art. 11; Berner

Conventie van 1886, Slotprotocol no. 3). Het was vooral in Zwitserland,

het land waar de meeste speeldoozen vervaardigd werden, dat voor

de bestendiging van het vrij gebruik van muziekstukken ten bate van

deze industrie werd geijverd. De bovengenoemde Fransche wet van 1866

was uitsluitend op aandrang van Zwitserland tot stand gekomen, omdat

laatstgenoemd land slechts dan van een tractaat tot bescherming van

het auteursrecht met Frankrijk wilde weten, indien het de zekerheid

verkreeg, dat de Zwitsersche speeldoozen aldaar vrij zouden kunnen

worden ingevoerd. Ook het opnemen der bepaling in de Berner Conventie

was te danken geweest aan de bemoeiingen van Zwitserland.

Door toepassing van verschillende uitvindingen is nu in de laatste

jaren de verhouding der fabrikanten van mechanische muziekinstrumenten

tot de auteurs van muziekstukken eene geheel andere geworden. Men

vond middelen om de van uitstekende puntjes voorziene rollen, die

bij de oude muziekdoozen een geheel uitmaakten met het instrument, te

vervangen door afneembare cylinders, die over een gladde rol geschoven

konden worden. Hierdoor werd het dus mogelijk meerdere stukken door

hetzelfde instrument ten gehoore te doen brengen. Van nog meer gewicht

was de uitvinding, die het mogelijk maakte, in plaats van cylinders,

metalen of kartonnen platen te gebruiken, die niet van uitstekende

puntjes, maar van insnijdingen zijn voorzien, waardoor zij in vele

exemplaren tegelijk vervaardigd kunnen worden. Ook aan de instrumenten

zelf werden allerlei verbeteringen aangebracht, zoodat zij meer en meer

ook aan eischen van muzikalen aard zijn gaan beantwoorden. Behalve de

eigenlijke muziekinstrumenten, die in de laatste twintig of dertig

jaar in den handel zijn gebracht, zooals aristons, symphonions,

orchestrions, phonola's, pianista's, pianola's enz. enz., heeft men

ook nog gekregen de phonografen en grammophonen, die niet alleen

instrumentale muziek, maar ook zangstukken, voordrachten, fragmenten

van tooneelstukken enz. ten gehoore brengen.

Dat de verspreiding van al deze instrumenten, of liever van de rollen

of platen met behulp waarvan zij bepaalde stukken weergeven, eene

exploitatie is van het werk der auteurs, die zonder de toestemming

van deze laatsten volgens de algemeene beginselen van het auteursrecht

verboden moest zijn, kan moeilijk worden ontkend. Men behoeft slechts

een catalogus in te zien van een grammophoon- of pianola-fabriek

b.v. om tot de overtuiging te komen, dat bijna geen muziekstuk van

eenige bekendheid ongebruikt wordt gelaten. Zonder overdrijving kan

worden gezegd, dat in sommige landen de verkoop van deze rollen en

platen reeds van meer belang is dan die van gedrukte muziek. In de

Vereenigde Staten b.v. heeft zich eenige jaren geleden een syndicaat

gevormd van de bij deze industrie betrokken fabrikanten, welke tezamen

over een kapitaal van meer dan honderd millioen dollars hadden te

beschikken [446].

Doch juist het feit, dat bij deze exploitatie zulke aanzienlijke

geldelijke belangen zijn gemoeid, heeft in sommige landen de

toepassing van de juiste beginselen van het auteursrecht op dit punt

eenigermate tegengehouden. Want terwijl aan den eenen kant componisten

en muziek-uitgevers zich beklaagden over het groote nadeel dat hun

werd aangedaan door het vrije gebruik dat van hunne muziekstukken

wordt gemaakt, werd aan den anderen kant door de fabrikanten van

muziekinstrumenten en phonografen aangevoerd, dat zij de concurrentie

met andere landen niet zouden kunnen volhouden, indien zij het

auteursrecht der componisten zouden hebben te eerbiedigen. Ter

bescherming der nationale industrie wilden daarom enkele staten

aan de in beginsel rechtmatig geachte klachten der componisten en

muziek-uitgevers niet voldoen, zoolang de zekerheid niet bestond,

dat in andere landen hetzelfde zou worden gedaan. In Duitschland

b.v. is bij de laatste herziening van de wet op het auteursrecht van

geschriften en muziekwerken eene bepaling opgenomen, die slechts in

beperkte mate het auteursrecht der componisten met betrekking tot de

mechanische muziekinstrumenten erkent (§ 22); doch tegelijk met deze

bepaling nam de Rijksdag eene motie aan, waarin aan de Regeering werd

verzocht in overleg te treden met de andere mogendheden, die deel

uitmaken van het internationaal Verbond, ten einde tot een volledige

bescherming der auteurs op dit punt te komen. In Oostenrijk ging

men nog verder: daar werd in 1895 eene nieuwe bepaling in de wet op

het auteursrecht opgenomen, die het gebruik van muziekstukken voor

mechanische instrumenten volkomen vrijlaat; in de uiteenzetting

der motieven werd deze bepaling aangeprezen als een middel om de

Oostenrijksche industrie van muziekinstrumenten te steunen in de

concurrentie met de buitenlandsche.

Ik heb gemeend, de vermelding van deze feiten niet achterwege te moeten

laten, omdat daarin m. i. voor een groot deel de verklaring is te

vinden van de gebrekkige bescherming, die den auteurs over het algemeen

nog tegen deze nieuwe exploitatie hunner werken wordt verleend. Dat

in beginsel het uitsluitend exploitatierecht der auteurs ook in dit

opzicht volledige erkenning verdient, schijnt vrij algemeen te worden

toegegeven; dit blijkt ook wel uit de jurisprudentie in verschillende

landen, die in de meeste gevallen de bestaande wetsbepalingen zooveel

mogelijk ten gunste der auteurs uitlegt [447]. Doch wat de eenige

afdoende maatregel zou zijn om aan de bestaande misbruiken een

einde te maken nl. eene stellige bepaling in de wet, die het recht

der auteurs buiten twijfel stelt; daartoe heeft tot nu toe nog geen

enkele staat willen overgaan. Nu echter op de Conferentie van Berlijn

van 1908 eene bepaling in de internationale Conventie is opgenomen,

die de bescherming der auteurs in dit opzicht, althans binnen zekere

grenzen, verplichtend stelt, is het te verwachten, dat aan dezen

toestand spoedig een einde zal komen.

De vraag, of volgens onze wet op het auteursrecht het gebruik van

muziekstukken en geschriften voor de vervaardiging van rollen of

platen van muziekinstrumenten en phonografen zonder toestemming van

den auteur verboden is, zal men ontkennend moeten beantwoorden. Het

vervaardigen en verspreiden van deze rollen of platen kan men moeilijk

noemen een "door den druk gemeen maken", al worden misschien bij de

verveelvoudiging ervan procédé's gevolgd, die groote verwantschap

met den druk vertoonen.

Volgens de algemeene beginselen echter, die bij de voorbereiding der

wet werden gevolgd, moesten de auteurs ongetwijfeld tegen dit gebruik

hunner werken beschermd zijn. "Wat is het wezen van het regt dat

men aan de auteurs toekent?" wordt in de M. v. T. onzer wet (p. 2)

gevraagd. En als antwoord wordt gegeven: "Het is de uitsluitende

bevoegdheid tot reproductie van hun werk voor het publiek. Indien nu

een werk zich tot verschillende soorten van reproductie leent, moet

op alle, voor zoover zij inderdaad van beteekenis zijn, worden acht

geslagen. Al die soorten van reproductie geven toch eerst te zamen

de materiele waarde aan van het werk." Men kan aannemen, dat voor

de reproductie, waarover ik hier spreek, geene uitzondering zou zijn

gemaakt, indien zij toen reeds--wat nu ongetwijfeld het geval is--had

behoord tot diegene, welke "inderdaad van beteekenis zijn". Had men

het in het voorloopig verslag (p. 5) geopperde voorstel gevolgd, om

in plaats van: "door den druk gemeen te maken" in de wet te lezen:

"langs mechanischen weg te vermenigvuldigen en in den handel te

brengen" of: "door den druk of op andere wijze gemeen te maken",

dan zou de bedoelde bescherming nu reeds in ons land bestaan. Men

achtte echter--met het oog op de reproductiemiddelen van dien tijd--de

oorspronkelijk gekozen uitdrukking voldoende, en het gevolg hiervan

is, dat thans slechts door eene wetswijziging de toepassing van het

juiste beginsel op dit punt zal kunnen worden verzekerd.

Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht · 第 41 / 215 题