Over het uitsluitend vertalingsrecht is--vooral ook in ons land--veel
geschreven. De strijd loopt voornamelijk over de rechtmatigheid en
de wenschelijkheid van dit recht, welke hier nog door velen worden
ontkend. Na het voorgaande meen ik mij van eene breedvoerige bespreking
van de argumenten, die tegen het vertalingsrecht zijn ingebracht,
ontslagen te rekenen; dat ik ze hier niet geheel voorbijga, is vooral
terwille van het groote practische belang van de vraag, die--zooals
algemeen bekend is--den geheelen strijd over de al of niet aansluiting
van ons land bij de Berner Conventie beheerscht.
Eene bewering, die men bij bijna alle bestrijders van het
vertalingsrecht terugvindt, is deze: de vertaler heeft door
zelfstandigen intellectueelen arbeid een nieuwen vorm gegeven aan
de gedachten van den oorspronkelijken auteur. Deze laatste kan
op die "gedachten" geen recht meer laten gelden, daar zij door de
publicatie gemeengoed zijn geworden [360]. Wat dit argument heeft te
beteekenen, meen ik reeds voldoende in het licht te hebben gesteld
bij mijne beschouwingen over vorm en inhoud der geschriften. De
vertaler neemt niet maar "gedachten" over van den oorspronkelijken
schrijver; wat hij overneemt is de inhoud en de innerlijke vorm, welke
laatste--zooals uitvoerig is aangetoond--steeds--ook bij geschriften
van wetenschappelijken aard--als eene aesthetische schepping van den
auteur is aan te merken. Dat de vrije verspreiding van "gedachten"
door het auteursrecht zou worden belemmerd, is hierboven m. i. ook
reeds voldoende weerlegd.
En wat de zelfstandigheid betreft van den arbeid des vertalers,
waar steeds met zooveel nadruk op wordt gewezen, deze is al zeer
betrekkelijk. Zelfstandig werkt de vertaler zeer zeker in het
vormen van zijne zinnen en wendingen, in het kiezen van de juiste
uitdrukkingen, i. e. w. in het bewerken van den nieuwen uiterlijken
vorm. Deze zelfstandigheid wordt door niemand ontkend; dit blijkt wel
uit het bovenbesproken recht op de vertaling, dat den vertaler overal
wordt toegekend. Doch--en dit is het eenige wat hier in aanmerking
mag komen--met betrekking tot de schepping van den oorspronkelijken
schrijver houdt alle zelfstandigheid van den vertaler op. Het is zijne
taak, die zoo getrouw mogelijk in zijne taal weer te geven, zonder
er iets van eigen vinding aan toe te voegen. Hoe men kan volhouden,
dat het werk van den vertaler ook in dit opzicht "zelfstandig" is,
is mij een raadsel [361].
Een ander argument, dat meestal met het vorige in één adem wordt
genoemd, is dat de oorspronkelijke auteur geen deel heeft gehad aan
de bewerking der vertaling, ja dat hij zelfs in de meeste gevallen
zelf de vertaling niet had kunnen maken. Allereerst kan hiertegen
worden opgemerkt, dat het niet de vraag is, waartoe de auteur of de
vertaler in staat zou zijn geweest, maar alleen: wat elk van die twee
heeft voortgebracht. Houdt men dit maar in het oog, dan kán--dunkt
mij--de oplossing der vraag niet twijfelachtig zijn. Het uitsluitend
vertalingsrecht is geen recht op de vertaling maar een recht op die
bestanddeelen van het oorspronkelijke werk, welke de vertaler heeft
overgenomen. Evenmin als de vertaler zonder toestemming van den
oorspronkelijken auteur het vertaalde geschrift mag exploiteeren,
mag deze laatste dit doen zonder toestemming van den vertaler. Het
zijn--voor velen schijnt het moeilijkheden op te leveren dit in te
zien--twee scherp van elkander te onderscheiden rechten, waarmede wij
hier te doen hebben, die nóch object, nóch subject met elkander gemeen
hebben. Uitsluitend wat de uitoefening van hun recht betreft zijn de
auteur en de vertaler van elkaar afhankelijk, omdat het vertaalde
geschrift, dat als voorwerp van exploitatie één geheel uitmaakt,
de objecten van beider rechten in zich bevat.
Van nog minder gewicht is het eveneens herhaaldelijk aangevoerde
argument, dat de auteur niet benadeeld wordt door de uitgave eener
vertaling, ook al is hij daarin niet gekend. De ondervinding zou eerder
hebben geleerd, dat het tegendeel het geval is, dat nl. de uitgave
van vertalingen in andere landen het debiet van de oorspronkelijke
uitgave doet toenemen. Als de auteur dus geen schade lijdt, maar
zelfs indirect voordeel ervan heeft, dat zijn werk door anderen
vertaald wordt, waarom hem dan het recht toe te kennen vertalingen
te verbieden? Hierbij doet dan geregeld dienst eene indertijd aan
Mr. J. N. van Hall gedane verklaring door den Franschen uitgever van
François Coppée's werken, dat sinds Coppée in onze taal was vertaald,
het debiet van zijne gedichten in de oorspronkelijke taal belangrijk
was toegenomen [362].
De redeneering is eigenlijk eene ernstige bestrijding niet waard. Wat
men ermede schijnt te willen betoogen, is, dat het voor een auteur
voordeeliger zou zijn het uitsluitend vertalingsrecht niet, dan het wel
te hebben! Twee zaken worden hierbij klaarblijkelijk over het hoofd
gezien: ten eerste, dat het "indirecte voordeel" (nl. het grooter
debiet van de oorspronkelijke uitgave) niet minder wordt door het
feit, dat voor de uitgave der vertaling eerst de toestemming van
den schrijver moet worden gevraagd en ten tweede dat er naast dat
indirecte voordeel in het laatste geval nog het directe voordeel
bijkomt, dat voor het verkrijgen dier toestemming iets in rekening
kan worden gebracht.
Wat men nu verder nog ter bestrijding van het vertalingsrecht
vindt aangevoerd staat, zooals trouwens ook reeds met dit laatste
argument het geval is, geheel buiten het terrein van het recht. In
overeenstemming met de "algemeen belang-theorie", die--zooals wij
gezien hebben--ook onder de juristen in ons land vele aanhangers
heeft gevonden, wordt door velen de vraag: hoever gaat het recht der
auteurs? geheel terzijde gesteld en wordt uitsluitend gerekend met
de verschillende belangen, die bij deze kwestie zijn betrokken. Zoo
wordt beweerd, dat ons betrekkelijk kleine land met zijn beperkt
taalgebied het zonder vertalingen van buitenlandsche boeken niet
kan stellen en dat het daarom van het grootste belang is, dat het
uitgeven van vertalingen aan ieder vrij wordt gelaten. Men vreest,
dat de buitenlandsche schrijvers, indien hun hier een uitsluitend
vertalingsrecht wordt toegekend, hooge prijzen zullen vragen, waarvan
het gevolg zou zijn, dat de vertalingen, die zouden verschijnen, minder
in aantal en duurder zouden worden. Dit zou dan beteekenen groote
schade, niet alleen voor de uitgevers, drukkers en boekhandelaren,
maar ook voor het geheele boeken-koopende publiek. In het bijzonder
de kleine uitgevers zouden daarvan het slachtoffer worden, daar voor
hen het betalen van een eenigszins beteekenend honorarium aan den
oorspronkelijken auteur, met een onzekeren kans op winst, vrijwel
uitgesloten is.
Het eerste en eigenlijk alles afdoende antwoord op dit alles moet
zijn: het gaat hier niet alleen om belangen, maar er zijn rechten in
het spel. Het vertalingsrecht, ook dat van buitenlandsche auteurs,
moet geëerbiedigd worden, zelfs al zou dit minder voordeelig zijn,
hetzij voor enkele kringen, hetzij--zooals beweerd wordt--voor het
volk in zijn geheel.
Doch ook indien men voor een oogenblik dit standpunt verlaat en
zich uitsluitend bepaalt tot de utilistische motieven, die in
deze strijdvraag bij velen den doorslag geven, zal men bij eene
onbevooroordeelde beschouwing daarvan tot de conclusie moeten komen,
dat aan de bezwaren, die tegen het uitsluitend vertalingsrecht worden
ingebracht niet veel beteekenis kan worden gehecht. De groote nadeelen,
die de bestrijders van het vertalingsrecht van de invoering daarvan
vreezen, zijn deels denkbeeldig, deels schromelijk overdreven. In het
bijzonder is de bewering ongegrond, dat de volksontwikkeling door de
erkenning van dit recht zou worden geschaad. Wél kan worden toegegeven,
dat enkele categorieën van personen (vooral de kleinere uitgevers),
die tot nu toe van de vrijheid van vertalen en de daarop gebaseerde
onderhandsche bescherming, die de Vereeniging ter bevordering van
de belangen des Boekhandels in het leven heeft geroepen, gebruik
hebben gemaakt, het in hunne financiën zullen gevoelen, wanneer
die vrijheid aan banden zal zijn gelegd. Men kan zelfs medelijden
hebben met het lot, dat deze personen wacht, waarvan er vele wegens
een weinig ontwikkeld of door het jarenlang bestaande gebruik
afgestompt rechtsgevoel het onrechtmatige van hun tegenwoordig
bedrijf niet inzien. Het is echter billijk daartegenover te stellen,
dat in andere kringen zeker niet minder belangrijke nadeelen worden
geleden tengevolge van de oppositie, die tegen het vertalingsrecht
is gemaakt. Want de zaken staan nu eenmaal zoo, dat men door de
erkenning van het vertalingsrecht van buitenlandsche schrijvers tegen
te houden tevens--misschien zonder het te willen--heeft tegengehouden
de aansluiting van ons land bij de Berner Conventie. Indien men
alleen met "belangen" te rade gaat, dient men toch ook te letten op
de belangen van onze schrijvers, componisten en kunstenaars op het
gebied der beeldende kunsten, die nog maar steeds van bescherming in
het buitenland verstoken blijven.
Ik meen echter deze zijde van het vraagstuk hier verder te kunnen laten
rusten; bij de bespreking der Berner Conventie zal nog gelegenheid
zijn erop terug te komen.
Gaat men den toestand met betrekking tot het vertalingsrecht in de
verschillende landen na, dan ziet men allerwege, dat de beperkingen
en voorwaarden, welke vroeger nog aan dit recht werden gesteld,
geleidelijk aan het verdwijnen zijn.
In Frankrijk heeft de jurisprudentie, zonder dat de wet hierover
eene bepaling inhield, steeds het vertalingsrecht erkend als een
bestanddeel van het auteursrecht; in België (art. 12) en Duitschland
(§ 12 wet van 19 Juni 1901) is het door de wet volkomen met alle
andere auteursrecht gelijkgesteld. Hetzelfde wordt meestal aangenomen
het geval te zijn in Engeland (ten aanzien der Engelsche auteurs)
en Spanje [363]. In vele landen duurt het vertalingsrecht even lang
als het overige auteursrecht, mits echter van dit recht binnen een
zeker aantal jaren door den auteur gebruik is gemaakt door de uitgave
eener vertaling. Dit is b.v. het geval in Denemarken (sinds de wet van
29 Maart 1904), Engeland (voor vreemde auteurs), Japan en Luxemburg;
in al deze landen moet de geautoriseerde vertaling verschijnen binnen
tien jaar na de uitgave van het oorspronkelijke geschrift. Andere
landen hebben dezelfde bepaling doch met een korteren termijn, zoo
Zwitserland (5 jaar) en Noorwegen (1 jaar).
Er zijn echter ook landen waar het vertalingsrecht aan een
afzonderlijken, korten termijn is gebonden. In Italië en Zweden
duurt het tien jaar te rekenen van het tijdstip der uitgave van
het oorspronkelijk werk; in Oostenrijk vijf jaar na de uitgave der
vertaling, mits deze binnen drie jaar na het oorspronkelijk werk
verschijnt.
In verschillende der hier genoemde landen, waar het vertalingsrecht
nog niet op gelijken voet staat met het overige auteursrecht, kan
worden verwacht, dat de volkomen gelijkstelling binnen niet te langen
tijd zal worden ingevoerd. In Zwitserland zijn al plannen gemaakt
voor eene wetswijziging in dezen zin [364]; evenzoo in Italië, waar
in het ontwerp dat ter vervanging van de tegenwoordige wet op het
auteursrecht is ingediend, het vertalingsrecht uitdrukkelijk met
het overige auteursrecht wordt gelijkgesteld (art. 18). Ook in de
Scandinavische landen schijnen, blijkens de houding, die zij op de
Conferentie van Berlijn hebben aangenomen, de bezwaren die tegen een
onbeperkt en onvoorwaardelijk vertalingsrecht bestonden, uit den weg
te zijn geruimd.
Het vertalingsrecht--dit blijkt reeds uit bovenstaand overzicht--is
overal aan het veldwinnen. Een goed denkbeeld van dezen vooruitgang
kan men krijgen, door de wijzigingen na te gaan, die de Berner
Conventie op dit punt in den loop der jaren heeft ondergaan. In 1886
werd--niet zonder moeite--een vertalingsrecht vastgesteld van tien
jaar te rekenen van de uitgave van het oorspronkelijk werk; op de
Conferentie van Parijs van 1896 werd de duur gelijkgesteld met dien
van het auteursrecht in het algemeen, doch onder voorwaarde, dat de
auteur binnen tien jaar eene vertaling liet verschijnen; terwijl
eindelijk in 1908 te Berlijn ook deze voorwaarde werd afgeschaft,
zoodat nu de volkomen gelijkstelling is verkregen.
Het is eigenaardig, dat in ons land juist de omgekeerde weg is
gevolgd. Terwijl in de wet van 1817 het vertalingsrecht in alle
opzichten met het overige auteursrecht gelijkstond, heeft de
tegenwoordige wet van 1881 daarin verandering gebracht en het
aanmerkelijk besnoeid.
Wil de auteur dit recht genieten, dan moet hij het zich bij de uitgave
van zijn werk uitdrukkelijk voor een of meer bepaald genoemde talen
voorbehouden, en daarenboven zijne vertaling binnen drie jaren na
de oorspronkelijke uitgave laten verschijnen (art. 5b). Is aan deze
voorwaarden voldaan, dan duurt het vertalingsrecht nog slechts vijf
jaren na het tijdstip der uitgave van het oorspronkelijk werk (art. 16
2o). Alleen ten aanzien der niet door den druk gemeen gemaakte werken
staat het vertalingsrecht met het auteursrecht gelijk.
Het zijn dus wel zeer enge grenzen, die onze wet aan dit recht
heeft gesteld. Doch daar de wet alleen toepasselijk is op de werken,
die binnen het land zijn uitgekomen, hebben de genoemde bepalingen
niet de minste practische beteekenis. Van de bevoegdheid om zich
het vertalingsrecht bij de uitgave voor te behouden, wordt zoo goed
als geen gebruik gemaakt. Dit is niet, zooals een ál te ijverig
bestrijder van het vertalingsrecht heeft beweerd: "een bewijs, dat
het beginsel van het vertalingsmonopolie nog niet tot ons volksbesef
is doorgedrongen" [365], maar eenvoudig een gevolg van het feit,
dat niemand iets heeft aan het vertalingsrecht van onze wet. "Welke
schrijver van een in Nederland verschijnend boek denkt erover, eene
vertaling daarvan in het land zelf te laten uitkomen? En zoo dit al
een enkele maal mocht geschieden, dan behoeft hij toch zeker niet te
vreezen, dat daaraan in ons land concurrentie zal worden gedaan door
eene andere vertaling in dezelfde taal, en dat nog wel binnen vijf
jaar na de uitgave van het oorspronkelijke boek.
De practische beteekenis van het vertalingsrecht ligt dus, en in het
bijzonder voor een land met ééne taal als het onze, op het gebied der
internationale betrekkingen. Terwille van de erkenning van het juiste
beginsel ware het echter te wenschen, dat ook onze wet de bijzondere
voorwaarden en beperkingen voor dit recht liet vallen en het volkomen
gelijkstelde met elk ander auteursrecht.