III Het uitsluitend vertalingsrecht

Over het uitsluitend vertalingsrecht is--vooral ook in ons land--veel

geschreven. De strijd loopt voornamelijk over de rechtmatigheid en

de wenschelijkheid van dit recht, welke hier nog door velen worden

ontkend. Na het voorgaande meen ik mij van eene breedvoerige bespreking

van de argumenten, die tegen het vertalingsrecht zijn ingebracht,

ontslagen te rekenen; dat ik ze hier niet geheel voorbijga, is vooral

terwille van het groote practische belang van de vraag, die--zooals

algemeen bekend is--den geheelen strijd over de al of niet aansluiting

van ons land bij de Berner Conventie beheerscht.

Eene bewering, die men bij bijna alle bestrijders van het

vertalingsrecht terugvindt, is deze: de vertaler heeft door

zelfstandigen intellectueelen arbeid een nieuwen vorm gegeven aan

de gedachten van den oorspronkelijken auteur. Deze laatste kan

op die "gedachten" geen recht meer laten gelden, daar zij door de

publicatie gemeengoed zijn geworden [360]. Wat dit argument heeft te

beteekenen, meen ik reeds voldoende in het licht te hebben gesteld

bij mijne beschouwingen over vorm en inhoud der geschriften. De

vertaler neemt niet maar "gedachten" over van den oorspronkelijken

schrijver; wat hij overneemt is de inhoud en de innerlijke vorm, welke

laatste--zooals uitvoerig is aangetoond--steeds--ook bij geschriften

van wetenschappelijken aard--als eene aesthetische schepping van den

auteur is aan te merken. Dat de vrije verspreiding van "gedachten"

door het auteursrecht zou worden belemmerd, is hierboven m. i. ook

reeds voldoende weerlegd.

En wat de zelfstandigheid betreft van den arbeid des vertalers,

waar steeds met zooveel nadruk op wordt gewezen, deze is al zeer

betrekkelijk. Zelfstandig werkt de vertaler zeer zeker in het

vormen van zijne zinnen en wendingen, in het kiezen van de juiste

uitdrukkingen, i. e. w. in het bewerken van den nieuwen uiterlijken

vorm. Deze zelfstandigheid wordt door niemand ontkend; dit blijkt wel

uit het bovenbesproken recht op de vertaling, dat den vertaler overal

wordt toegekend. Doch--en dit is het eenige wat hier in aanmerking

mag komen--met betrekking tot de schepping van den oorspronkelijken

schrijver houdt alle zelfstandigheid van den vertaler op. Het is zijne

taak, die zoo getrouw mogelijk in zijne taal weer te geven, zonder

er iets van eigen vinding aan toe te voegen. Hoe men kan volhouden,

dat het werk van den vertaler ook in dit opzicht "zelfstandig" is,

is mij een raadsel [361].

Een ander argument, dat meestal met het vorige in één adem wordt

genoemd, is dat de oorspronkelijke auteur geen deel heeft gehad aan

de bewerking der vertaling, ja dat hij zelfs in de meeste gevallen

zelf de vertaling niet had kunnen maken. Allereerst kan hiertegen

worden opgemerkt, dat het niet de vraag is, waartoe de auteur of de

vertaler in staat zou zijn geweest, maar alleen: wat elk van die twee

heeft voortgebracht. Houdt men dit maar in het oog, dan kán--dunkt

mij--de oplossing der vraag niet twijfelachtig zijn. Het uitsluitend

vertalingsrecht is geen recht op de vertaling maar een recht op die

bestanddeelen van het oorspronkelijke werk, welke de vertaler heeft

overgenomen. Evenmin als de vertaler zonder toestemming van den

oorspronkelijken auteur het vertaalde geschrift mag exploiteeren,

mag deze laatste dit doen zonder toestemming van den vertaler. Het

zijn--voor velen schijnt het moeilijkheden op te leveren dit in te

zien--twee scherp van elkander te onderscheiden rechten, waarmede wij

hier te doen hebben, die nóch object, nóch subject met elkander gemeen

hebben. Uitsluitend wat de uitoefening van hun recht betreft zijn de

auteur en de vertaler van elkaar afhankelijk, omdat het vertaalde

geschrift, dat als voorwerp van exploitatie één geheel uitmaakt,

de objecten van beider rechten in zich bevat.

Van nog minder gewicht is het eveneens herhaaldelijk aangevoerde

argument, dat de auteur niet benadeeld wordt door de uitgave eener

vertaling, ook al is hij daarin niet gekend. De ondervinding zou eerder

hebben geleerd, dat het tegendeel het geval is, dat nl. de uitgave

van vertalingen in andere landen het debiet van de oorspronkelijke

uitgave doet toenemen. Als de auteur dus geen schade lijdt, maar

zelfs indirect voordeel ervan heeft, dat zijn werk door anderen

vertaald wordt, waarom hem dan het recht toe te kennen vertalingen

te verbieden? Hierbij doet dan geregeld dienst eene indertijd aan

Mr. J. N. van Hall gedane verklaring door den Franschen uitgever van

François Coppée's werken, dat sinds Coppée in onze taal was vertaald,

het debiet van zijne gedichten in de oorspronkelijke taal belangrijk

was toegenomen [362].

De redeneering is eigenlijk eene ernstige bestrijding niet waard. Wat

men ermede schijnt te willen betoogen, is, dat het voor een auteur

voordeeliger zou zijn het uitsluitend vertalingsrecht niet, dan het wel

te hebben! Twee zaken worden hierbij klaarblijkelijk over het hoofd

gezien: ten eerste, dat het "indirecte voordeel" (nl. het grooter

debiet van de oorspronkelijke uitgave) niet minder wordt door het

feit, dat voor de uitgave der vertaling eerst de toestemming van

den schrijver moet worden gevraagd en ten tweede dat er naast dat

indirecte voordeel in het laatste geval nog het directe voordeel

bijkomt, dat voor het verkrijgen dier toestemming iets in rekening

kan worden gebracht.

Wat men nu verder nog ter bestrijding van het vertalingsrecht

vindt aangevoerd staat, zooals trouwens ook reeds met dit laatste

argument het geval is, geheel buiten het terrein van het recht. In

overeenstemming met de "algemeen belang-theorie", die--zooals wij

gezien hebben--ook onder de juristen in ons land vele aanhangers

heeft gevonden, wordt door velen de vraag: hoever gaat het recht der

auteurs? geheel terzijde gesteld en wordt uitsluitend gerekend met

de verschillende belangen, die bij deze kwestie zijn betrokken. Zoo

wordt beweerd, dat ons betrekkelijk kleine land met zijn beperkt

taalgebied het zonder vertalingen van buitenlandsche boeken niet

kan stellen en dat het daarom van het grootste belang is, dat het

uitgeven van vertalingen aan ieder vrij wordt gelaten. Men vreest,

dat de buitenlandsche schrijvers, indien hun hier een uitsluitend

vertalingsrecht wordt toegekend, hooge prijzen zullen vragen, waarvan

het gevolg zou zijn, dat de vertalingen, die zouden verschijnen, minder

in aantal en duurder zouden worden. Dit zou dan beteekenen groote

schade, niet alleen voor de uitgevers, drukkers en boekhandelaren,

maar ook voor het geheele boeken-koopende publiek. In het bijzonder

de kleine uitgevers zouden daarvan het slachtoffer worden, daar voor

hen het betalen van een eenigszins beteekenend honorarium aan den

oorspronkelijken auteur, met een onzekeren kans op winst, vrijwel

uitgesloten is.

Het eerste en eigenlijk alles afdoende antwoord op dit alles moet

zijn: het gaat hier niet alleen om belangen, maar er zijn rechten in

het spel. Het vertalingsrecht, ook dat van buitenlandsche auteurs,

moet geëerbiedigd worden, zelfs al zou dit minder voordeelig zijn,

hetzij voor enkele kringen, hetzij--zooals beweerd wordt--voor het

volk in zijn geheel.

Doch ook indien men voor een oogenblik dit standpunt verlaat en

zich uitsluitend bepaalt tot de utilistische motieven, die in

deze strijdvraag bij velen den doorslag geven, zal men bij eene

onbevooroordeelde beschouwing daarvan tot de conclusie moeten komen,

dat aan de bezwaren, die tegen het uitsluitend vertalingsrecht worden

ingebracht niet veel beteekenis kan worden gehecht. De groote nadeelen,

die de bestrijders van het vertalingsrecht van de invoering daarvan

vreezen, zijn deels denkbeeldig, deels schromelijk overdreven. In het

bijzonder is de bewering ongegrond, dat de volksontwikkeling door de

erkenning van dit recht zou worden geschaad. Wél kan worden toegegeven,

dat enkele categorieën van personen (vooral de kleinere uitgevers),

die tot nu toe van de vrijheid van vertalen en de daarop gebaseerde

onderhandsche bescherming, die de Vereeniging ter bevordering van

de belangen des Boekhandels in het leven heeft geroepen, gebruik

hebben gemaakt, het in hunne financiën zullen gevoelen, wanneer

die vrijheid aan banden zal zijn gelegd. Men kan zelfs medelijden

hebben met het lot, dat deze personen wacht, waarvan er vele wegens

een weinig ontwikkeld of door het jarenlang bestaande gebruik

afgestompt rechtsgevoel het onrechtmatige van hun tegenwoordig

bedrijf niet inzien. Het is echter billijk daartegenover te stellen,

dat in andere kringen zeker niet minder belangrijke nadeelen worden

geleden tengevolge van de oppositie, die tegen het vertalingsrecht

is gemaakt. Want de zaken staan nu eenmaal zoo, dat men door de

erkenning van het vertalingsrecht van buitenlandsche schrijvers tegen

te houden tevens--misschien zonder het te willen--heeft tegengehouden

de aansluiting van ons land bij de Berner Conventie. Indien men

alleen met "belangen" te rade gaat, dient men toch ook te letten op

de belangen van onze schrijvers, componisten en kunstenaars op het

gebied der beeldende kunsten, die nog maar steeds van bescherming in

het buitenland verstoken blijven.

Ik meen echter deze zijde van het vraagstuk hier verder te kunnen laten

rusten; bij de bespreking der Berner Conventie zal nog gelegenheid

zijn erop terug te komen.

Gaat men den toestand met betrekking tot het vertalingsrecht in de

verschillende landen na, dan ziet men allerwege, dat de beperkingen

en voorwaarden, welke vroeger nog aan dit recht werden gesteld,

geleidelijk aan het verdwijnen zijn.

In Frankrijk heeft de jurisprudentie, zonder dat de wet hierover

eene bepaling inhield, steeds het vertalingsrecht erkend als een

bestanddeel van het auteursrecht; in België (art. 12) en Duitschland

(§ 12 wet van 19 Juni 1901) is het door de wet volkomen met alle

andere auteursrecht gelijkgesteld. Hetzelfde wordt meestal aangenomen

het geval te zijn in Engeland (ten aanzien der Engelsche auteurs)

en Spanje [363]. In vele landen duurt het vertalingsrecht even lang

als het overige auteursrecht, mits echter van dit recht binnen een

zeker aantal jaren door den auteur gebruik is gemaakt door de uitgave

eener vertaling. Dit is b.v. het geval in Denemarken (sinds de wet van

29 Maart 1904), Engeland (voor vreemde auteurs), Japan en Luxemburg;

in al deze landen moet de geautoriseerde vertaling verschijnen binnen

tien jaar na de uitgave van het oorspronkelijke geschrift. Andere

landen hebben dezelfde bepaling doch met een korteren termijn, zoo

Zwitserland (5 jaar) en Noorwegen (1 jaar).

Er zijn echter ook landen waar het vertalingsrecht aan een

afzonderlijken, korten termijn is gebonden. In Italië en Zweden

duurt het tien jaar te rekenen van het tijdstip der uitgave van

het oorspronkelijk werk; in Oostenrijk vijf jaar na de uitgave der

vertaling, mits deze binnen drie jaar na het oorspronkelijk werk

verschijnt.

In verschillende der hier genoemde landen, waar het vertalingsrecht

nog niet op gelijken voet staat met het overige auteursrecht, kan

worden verwacht, dat de volkomen gelijkstelling binnen niet te langen

tijd zal worden ingevoerd. In Zwitserland zijn al plannen gemaakt

voor eene wetswijziging in dezen zin [364]; evenzoo in Italië, waar

in het ontwerp dat ter vervanging van de tegenwoordige wet op het

auteursrecht is ingediend, het vertalingsrecht uitdrukkelijk met

het overige auteursrecht wordt gelijkgesteld (art. 18). Ook in de

Scandinavische landen schijnen, blijkens de houding, die zij op de

Conferentie van Berlijn hebben aangenomen, de bezwaren die tegen een

onbeperkt en onvoorwaardelijk vertalingsrecht bestonden, uit den weg

te zijn geruimd.

Het vertalingsrecht--dit blijkt reeds uit bovenstaand overzicht--is

overal aan het veldwinnen. Een goed denkbeeld van dezen vooruitgang

kan men krijgen, door de wijzigingen na te gaan, die de Berner

Conventie op dit punt in den loop der jaren heeft ondergaan. In 1886

werd--niet zonder moeite--een vertalingsrecht vastgesteld van tien

jaar te rekenen van de uitgave van het oorspronkelijk werk; op de

Conferentie van Parijs van 1896 werd de duur gelijkgesteld met dien

van het auteursrecht in het algemeen, doch onder voorwaarde, dat de

auteur binnen tien jaar eene vertaling liet verschijnen; terwijl

eindelijk in 1908 te Berlijn ook deze voorwaarde werd afgeschaft,

zoodat nu de volkomen gelijkstelling is verkregen.

Het is eigenaardig, dat in ons land juist de omgekeerde weg is

gevolgd. Terwijl in de wet van 1817 het vertalingsrecht in alle

opzichten met het overige auteursrecht gelijkstond, heeft de

tegenwoordige wet van 1881 daarin verandering gebracht en het

aanmerkelijk besnoeid.

Wil de auteur dit recht genieten, dan moet hij het zich bij de uitgave

van zijn werk uitdrukkelijk voor een of meer bepaald genoemde talen

voorbehouden, en daarenboven zijne vertaling binnen drie jaren na

de oorspronkelijke uitgave laten verschijnen (art. 5b). Is aan deze

voorwaarden voldaan, dan duurt het vertalingsrecht nog slechts vijf

jaren na het tijdstip der uitgave van het oorspronkelijk werk (art. 16

2o). Alleen ten aanzien der niet door den druk gemeen gemaakte werken

staat het vertalingsrecht met het auteursrecht gelijk.

Het zijn dus wel zeer enge grenzen, die onze wet aan dit recht

heeft gesteld. Doch daar de wet alleen toepasselijk is op de werken,

die binnen het land zijn uitgekomen, hebben de genoemde bepalingen

niet de minste practische beteekenis. Van de bevoegdheid om zich

het vertalingsrecht bij de uitgave voor te behouden, wordt zoo goed

als geen gebruik gemaakt. Dit is niet, zooals een ál te ijverig

bestrijder van het vertalingsrecht heeft beweerd: "een bewijs, dat

het beginsel van het vertalingsmonopolie nog niet tot ons volksbesef

is doorgedrongen" [365], maar eenvoudig een gevolg van het feit,

dat niemand iets heeft aan het vertalingsrecht van onze wet. "Welke

schrijver van een in Nederland verschijnend boek denkt erover, eene

vertaling daarvan in het land zelf te laten uitkomen? En zoo dit al

een enkele maal mocht geschieden, dan behoeft hij toch zeker niet te

vreezen, dat daaraan in ons land concurrentie zal worden gedaan door

eene andere vertaling in dezelfde taal, en dat nog wel binnen vijf

jaar na de uitgave van het oorspronkelijke boek.

De practische beteekenis van het vertalingsrecht ligt dus, en in het

bijzonder voor een land met ééne taal als het onze, op het gebied der

internationale betrekkingen. Terwille van de erkenning van het juiste

beginsel ware het echter te wenschen, dat ook onze wet de bijzondere

voorwaarden en beperkingen voor dit recht liet vallen en het volkomen

gelijkstelde met elk ander auteursrecht.

Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht · 第 36 / 215 题