Dat vertalingen als zelfstandige voorwerpen van auteursrecht zijn te
beschouwen, dat m. a. w. de vertaler auteursrecht geniet voor zijne
vertaling, is een regel die vrijwel nergens tegenspraak ontmoet. In
bijna alle landen wordt het recht van den vertaler uitdrukkelijk
in de wet genoemd. Ook onze wet houdt de bepaling in (art. 2c), dat
"met auteurs worden gelijkgesteld: vertalers ten opzichte van hunne
vertaling".
De "gelijkstelling" met oorspronkelijke auteurs beteekent natuurlijk
niet, dat de vertaler dezelfde rechten heeft, die hij zou kunnen doen
gelden, indien het door hem geleverde een eigen, oorspronkelijk werk
was. De vertaler is alleen auteur van den uiterlijken vorm [355];
het object van zijn recht is--zooals trouwens ook onze wet heel goed
doet uitkomen--niet het vertaalde geschrift, maar de vertaling. Op
den innerlijken vorm en den inhoud kan hij niet het minste recht doen
gelden. Het uitgeven van eene andere vertaling van hetzelfde geschrift
is derhalve geen inbreuk op het recht van den eersten vertaler. Evenmin
kan deze zich er tegen verzetten, dat van zijne vertaling weer eene
andere vertaling of bewerking in het licht wordt gegeven. Wat dit
laatste betreft schijnt Mr. Veegens tot de tegenovergestelde meening
over te hellen. De gelijkstelling van vertalers ten opzichte van hunne
vertaling met auteurs pleit er volgens dezen schrijver voor, dat de
vertaler zich volgens onze wet ook, overeenkomstig artikel 5b, het
uitsluitend recht tot het uitgeven van vertalingen van zijne vertaling
in andere talen kan voorbehouden [356]. Dit zou echter beteekenen,
dat de vertaler recht kreeg op een werk, aan welks voortbrenging hij
part noch deel heeft gehad. Gesteld een Russische roman is in het
Hollandsch vertaald en deze Hollandsche vertaling wordt door een derde
weer in het Duitsch overgebracht. Zelfs als wij aannemen, dat deze
laatste geen Russisch kende en dat hij dus de Hollandsche vertaling
bepaald noodig had om zijne Duitsche bewerking te kunnen maken, dan
nog kan in de uitgave van deze Duitsche bewerking niet gezien worden
een exploiteeren van het werk van den Hollandschen vertaler. Immers
wat de bewerker van de Duitsche vertaling aan de Hollandsche heeft
ontleend beperkt zich tot den innerlijken vorm en den inhoud van den
roman, tot die bestanddeelen dus van het werk, welke de bewerker der
Hollandsche vertaling op zijne beurt weer van den oorspronkelijken
Russischen schrijver had overgenomen. Dit kan dus nooit als een inbreuk
worden beschouwd op het recht van den Hollandschen vertaler. Twijfel
hieromtrent is naar mijne meening--ook wanneer alleen rekening wordt
gehouden met wat onze wet bepaalt--volkomen uitgesloten. Alleen "de
vertaling" is voorwerp van des vertalers recht; dit is voldoende om
de vraag in den bovengemelden zin te beantwoorden.
Niet altijd is in ons land het recht van den vertaler binnen deze
juiste grenzen gehouden, getuige het "regt van praeferentie,"
dat door de Publicatie van het Provinciaal Bestuur van Holland
van 1796, door de wet van 1803 en door de Souvereine Besluiten van
1814 en 1815 werd verleend aan den vertaler van een buitenlandsch
werk, waardoor deze elke andere vertaling van hetzelfde geschrift
kon tegenhouden. Weliswaar maakte reeds de wet van 1817 aan deze
gepatenteerde rooverij een einde [357]; doch de feitelijke toestand
komt nu nog vrijwel overeen met dien van een eeuw geleden. Er
bestaat nl. eene bepaling in het reglement van de Vereeniging ter
bevordering van de belangen des boekhandels, volgens welke elk
lid dezer vereeniging, die aan eene speciaal daarvoor aangewezen
commissie zijn voornemen te kennen geeft, van een in het buitenland
uitgekomen werk hier eene Nederlandsche vertaling uit te geven,
door de overige leden als uitsluitend daartoe gerechtigde wordt
aangemerkt. Binnen den kring der Vereeniging, waarvan trouwens bijna
alle Nederlandsche uitgevers lid zijn, geniet dus, buiten de wet om, de
eerste vertaler het uitsluitend vertalingsrecht op het oorspronkelijk
werk. Hetzelfde beginsel dus als het in de regelingen van 1796,
1803, en 1814 en 1815 gehuldigde: wie er het eerste bij is geldt
als rechtmatig bezitter. Dit is voorzeker een bedenkelijke toestand,
waarvoor men echter de Vereeniging ter bevordering van de belangen
des boekhandels niet te hard mag vallen, vooral niet, nu sinds 1878
dezelfde bescherming ook wordt verleend aan hem, die eene verklaring
van den schrijver van het werk kan overleggen, waarin deze tot de
uitgave der vertaling machtiging verleent. Zoo wordt althans het
recht van den buitenlandschen auteur niet geheel voorbijgegaan. Doch
alleen het feit dat eene dergelijke op onderlinge afspraak berustende
regeling mogelijk en noodig is, geeft weer een treurig staaltje van
de achterlijkheid van ons land op het gebied der auteursbescherming.
Het enkele feit, dat iemand een boek vertaalt geeft hem--het is reeds
herhaaldelijk gezegd--niet het minste recht op dat boek zelf. De
rechten van den oorspronkelijken schrijver, en in het bijzonder
diens uitsluitend vertalingsrecht, worden daardoor in geenen deele
verkort. Dit heeft tot gevolg, dat de vertaler niet altijd volkomen
vrij is in de uitoefening van zijn recht op de vertaling. Eene
exploitatie van de vertaling is tevens eene exploitatie van het
oorspronkelijke werk d. w. z. van den innerlijken vorm en den inhoud
daarvan. Zoolang dus het uitsluitend vertalingsrecht van den schrijver
bestaat, mag de vertaler niet zonder diens toestemming zijne vertaling
in druk uitgeven of, zoo het een tooneelstuk is, doen opvoeren,
en daarom heeft de vertaler niet veel aan zijn recht, indien deze
toestemming niet is verkregen. Doch voor het ontstaan van het recht
des vertalers is dit geen beletsel. In sommige wetten (o. a. in de
vroegere Duitsche wet § 50 en in de Berner Conventie van 1886 art. 6)
werd het recht van den vertaler alleen verleend voor "rechtmatige
vertalingen", waaronder men dan had te verstaan vertalingen, die niet
in strijd met het uitsluitend vertalingsrecht op het oorspronkelijke
werk waren uitgekomen. Men heeft dit verdedigd door erop te wijzen,
dat het niet aangaat den dief te beschermen [358]. Dit argument gaat
hier echter niet op. Dat de vertaler een wederrechtelijk gebruik maakt
van het werk van een ander is nog geen reden om hem het recht op zijn
eigen werk te ontnemen. Dit laatste heeft hij niet gestolen en het is
dus geen "bescherming van den dief" hem dit te laten behouden. Men wil
toch niet, dat iemand, die b.v. in een hem toebehoorende kruik wijn
van zijn buurman steelt, daardoor het recht op zijne kruik verbeurt?
Het heeft bovendien geen zin te spreken van "rechtmatige"
vertalingen. De vertaling zelf is niet "rechtmatig" of "onrechtmatig";
wél kan er een rechtmatig of onrechtmatig gebruik van worden
gemaakt. Of dit laatste zal geschieden kan van te voren natuurlijk
nooit met zekerheid worden gezegd. Het is b.v. mogelijk dat iemand eene
vertaling maakt met het voornemen haar eerst uit te geven, wanneer
het uitsluitend vertalingsrecht van den auteur zal zijn verstreken,
of wanneer diens toestemming tot de uitgave zal zijn verkregen [359].
Beide rechten--het recht van den vertaler op zijne vertaling en het
uitsluitend vertalingsrecht van den schrijver op het oorspronkelijk
werk--dienen dus scherp uit elkander te worden gehouden. De vertaler
en de oorspronkelijke schrijver hebben, ieder op hun terrein en
onafhankelijk van elkander, evenveel aanspraak op bescherming, en er
bestaat geen reden om aan den eerste zijn recht te onthouden omdat hij
bij de uitoefening daarvan met het recht van den laatste in botsing
zou kunnen komen.