IV Het recht van den bewerker en het uitsluitend bewerkingsrecht

Het "bewerken" van geschriften kan met betrekking tot het auteursrecht

tot soortgelijke verhoudingen aanleiding geven als het vertalen. Indien

de nieuwe (uiterlijke of innerlijke) vorm, die de bewerker aan het

geschrift heeft gegeven, eene schepping is, dan komt hem ook, evenals

den vertaler op zijne vertaling, een recht daarop toe. Doch aan den

anderen kant heeft hij, evenals deze, het recht van den auteur van

het oorspronkelijke werk te ontzien.

Ook hier hebben wij dus twee rechten van elkander te onderscheiden:

het recht van den bewerker op zijne bewerking en het recht van den

auteur van een oorspronkelijk werk, om zich tegen de exploitatie van

bewerkingen van zijn geschrift te verzetten.

Niet alle bewerkingen echter zijn als scheppingen te beschouwen van

den bewerker en evenmin kan altijd gezegd worden, dat het uitgeven

eener bewerking inbreuk maakt op het recht van den oorspronkelijken

auteur. Een vaste, door de wet te stellen regel, zooals ten aanzien

van het recht van den vertaler en het uitsluitend vertalingsrecht,

geeft hier daarom niet genoeg; ook daar waar zulk een regel bestaat,

dient de rechter in elk geval te onderzoeken, welke de aard is der

bewerking, waarmede hij te doen heeft.

Slechts in enkele landen houdt de wet bijzondere bepalingen hieromtrent

in.

De Duitsche wet (van 19 Juni 1901) verleent den auteurs bescherming

tegen "Bearbeitungen" en noemt uitdrukkelijk als zoodanig:

het weergeven van eene vertelling in dramatischen vorm of van een

tooneelstuk in den vorm eener vertelling (§ 12). Onverminderd dit recht

staat het vrij, het werk van een ander te gebruiken, indien daardoor

"eine eigenthümliche Schöpfung" tot stand komt (§ 13). Deze laatste

bepaling komt mij minder gegrond voor. De vraag, of de bewerker al

dan niet eene nieuwe schepping heeft geleverd, moest hier m. i. geheel

buiten beschouwing blijven. Wat hier alleen van belang is, is of hij

de schepping van den oorspronkelijken auteur in zijne bewerking heeft

overgenomen. Het een sluit het ander volstrekt niet uit. Overigens

wordt het recht van den oorspronkelijken auteur in de Duitsche wet

goed onderscheiden van dat van den bewerker op zijne bewerking. Dit

laatste recht wordt geregeld in § 2, hetwelk bepaalt, dat bij eene

"Bearbeitung" de "Bearbeiter" als auteur wordt aangemerkt, evenzoo

dus als de vertaler ten opzichte zijner vertaling.

Eene uitvoerige wettelijke regeling van het uitsluitend bewerkingsrecht

bestaat in Spanje (Reglement van 3 Sept. 1880 tot uitvoering van de

wet van 10 Jan. 1879 betreffende het auteursrecht). Dit bepaalt, dat

plan, onderwerp en titel van dramatische werken den auteur toebehooren

en dat dus het overnemen daarvan in een ander werk inbreuk op het

auteursrecht is (art. 64). Voorts is verboden, van een tooneelstuk eene

bewerking te maken voor eene muzikale compositie, ook als de titel en

de namen der personen gewijzigd zijn (art. 67). Evenmin is geoorloofd,

het onderwerp van een roman of ander geschrift te gebruiken voor het

maken van een tooneelstuk (art. 68).

Deze bepalingen strekken de bescherming wel wat te ver uit. Het

"onderwerp", d. i. dus hier de uiterlijke intrigue, kan zooals wij

gezien hebben, niet als schepping van den auteur worden beschouwd;

evenmin de titel. Daarmede wil ik echter niet zeggen, dat het

overnemen van den titel van een werk altijd geoorloofd moet zijn. In

sommige gevallen kan dit als eene soort deloyale concurrentie worden

beschouwd, indien er nl. kans is dat het oorspronkelijke werk met

de bewerking wordt verwisseld. Doch voorzoover hierbij een recht

van den auteur in het spel is, is dit niet het auteursrecht, maar

het persoonlijkheidsrecht.

De besproken wettelijke bepalingen van Duitschland en Spanje staan

vrijwel alleen; in de meeste andere landen (bv. Frankrijk, Italië,

België, Luxemburg, Zwitserland) zwijgt de wet over dit vraagstuk. De

rechtspraak komt in deze materie dikwijls voor moeilijke gevallen

te staan, doch juist hier kan de leer van Kohler goede diensten

bewijzen. Zijne methode, om zich in elk geval de vraag te stellen:

wat is als de schepping van den auteur te beschouwen?--om langs dezen

weg tot beantwoording te komen van de vraag, of met de bewerking al

dan niet inbreuk op het auteursrecht is gemaakt, wordt reeds hier en

daar min of meer getrouw toegepast.

In eene beslissing van het Hof van Parijs van 17 Juni 1897 [366] werden

bewerkingen van opera-tekstboekjes, waarop auteursrecht bestond, voor

ongeoorloofd verklaard, o. a. op dezen grond, dat die bewerkingen

inhielden: "... le résumé fidèle et l'analyse exacte des livrets

et pièces..." en dat daarin waren weergegeven: "la substance de ces

oeuvres, leur plan général, le développement de leurs épisodes, les

situations, les personnages... etc." Hier valt--zooals men ziet--een

streven waar te nemen om de bestanddeelen der auteurs-schepping aan te

wijzen, die--ook zonder dat de tekst woordelijk was nagedrukt--in de

bewerking waren overgenomen. Eene soortgelijke overweging vindt men in

een vonnis van de Seine-rechtbank van 23 Juni 1897 [367]. De bewerking

in kwestie was hier een roman, getrokken uit het tooneelstuk La Tour de

Nesle van Alexandre Dumas en Gaillardet. In het vonnis wordt verklaard:

"... Que le sujet, le plan, son agencement et ses développements,

la marche de l'action, le groupement des personnages et les mobiles

qui les font agir, les passions qu'ils ressentent, les sentiments

qu'ils expriment, apparaissent également dans l'original et dans

la copie servile qu'ils en ont faite," en even verder: "... Que si,

dans leur insipide délayage en plus de 2000 pages ... les défendeurs

ont ajouté d'innombrables incidents..., ils ont, du moins, pris toute

la substance du drame... etc." Dit vonnis werd bevestigd door het Hof

van Appel van Parijs (25 Jan. 1900), dat zijne beslissing met bijna

dezelfde bewoordingen motiveerde [368]. Wat de Fransche rechter hier

"la substance du drame" noemde, komt vrijwel overeen met Kohler's

"Imaginäre Bild" [369].

In het algemeen wordt, ook in de meeste andere landen, het trekken

van een tooneelstuk uit een roman en omgekeerd als een inbreuk op

het auteursrecht aangemerkt [370]. In Engeland is alleen het laatste,

("novelisation") verboden [371] en om die reden verzette dit land zich

in 1896 op de Conferentie van Parijs tegen het opnemen eener bepaling

in de Berner Conventie, volgens welke het recht van dramatiseeren

den auteurs zou worden voorbehouden [372]. In 1908 op de Conferentie

van Berlijn werd echter noch door Engeland, noch door eenigen anderen

staat tegen het opnemen der bepaling bezwaar gemaakt [373]; wel een

bewijs, dat de juistheid van het beginsel algemeen erkend wordt.

Van eene erkenning van een uitsluitend bewerkingsrecht in ons land

is tot nu toe weinig gebleken. Er is zelfs beweerd, dat volgens onze

wet alleen het woordelijk overnemen van een geschrift inbreuk op het

auteursrecht is. Deze meening, die o. a. door Mr. Ph. W. Scholten

in een Themis-artikel werd uitgesproken [374], berust hierop,

dat de woorden "geheel of gedeeltelijk, verkort of verkleind zonder

onderscheid van vorm of inkleeding", die in de wet van 1817 voorkwamen,

zijn weggelaten uit art. 1 van de nieuwe wet van 1881. Laatstgenoemde

wet zou dus alleen verbieden het "in denzelfden vorm" weergeven, wat

ook de bedoeling zou zijn geweest van minister Modderman, blijkens de

volgende opmerking door hem bij de behandeling der wet in de Tweede

Kamer gemaakt: "Het geldt hier niet het regt van denken, maar het

regt om in denzelfden vorm te reproduceeren en te verspreiden." Er is

echter van andere zijde reeds terecht op gewezen, dat de aangehaalde

woorden van den minister bij de verdediging der wet in een gansch ander

verband werden uitgesproken nl. bij de bespreking van het auteursrecht

op mondelinge voordrachten [375]. Doch ook al was dit niet het geval,

dan zouden toch deze woorden op zichzelf nog niet eene ontkenning

van het uitsluitend bewerkingsrecht op b.v. romans of tooneelstukken

uitdrukken. Dit zou alleen dán het geval zijn, indien deze werken

inderdaad niets meer waren dan "gedachten gehuld in een vorm", zooals

het wel eens is voorgesteld, en er dus slechts twee mogelijkheden

waren: óf alleen "gedachten" uit het werk overnemen (wat volgens

algemeen gevoelen ieder vrij moet staan) óf het werk reproduceeren

in denzelfden "vorm", d.w.z. letterlijk, zonder eenige wijziging.

Er blijkt verder uit niets, dat de weglating van de bovengenoemde

uitdrukkingen, die in de wet van 1817 voorkwamen, geschied is met

de bedoeling, die mr. Scholten onderstelt. Wat in de memorie van

toelichting daaromtrent wordt opgemerkt, geeft niet den minsten grond

voor deze meening. Men leest daar [376]: "De in de tegenwoordige

wet (d.i. dus de wet van 1817) gebezigde bewoordingen "geheel of

gedeeltelijk, verkort of verkleind, zonder onderscheid van vorm of

inkleeding" zijn weggelaten, deels omdat zij niet van onduidelijkheid

zijn vrij te pleiten, deels omdat de erkenning van het regt van den

auteur op het geheele werk voldoende is, om ook zijn regt op een

gedeelte daarvan boven twijfel te stellen."

Bovendien zou nog kunnen gewezen worden op hetgeen in de memorie van

toelichting omtrent de muziekwerken wordt opgemerkt. Het voorschrift

van de (toenmalige) Duitsche wet, dat elke niet zelfstandig bewerkte

compositie van eens anders muziekwerk als nadruk te beschouwen is,

werd in beginsel als juist erkend, doch alleen daarom niet in de wet

opgenomen, omdat men geene formule ervoor wist te vinden, die niet

in de practijk tot moeilijkheden aanleiding zou geven. Uitdrukkelijk

wordt dan verder gezegd, dat het aan den rechter wordt overgelaten,

in elk geval te beslissen "of er werkelijk inbreuk op het regt van

den componist gemaakt, of zijn werk geheel of ten deele door den druk

is gemeen gemaakt of uitgevoerd" [377].

Wat hier met zooveel woorden ten aanzien der muziekwerken wordt erkend,

dat nl. ook de uitgave van bewerkingen inbreuk op het auteursrecht kan

zijn, zal men toch ten aanzien van geschriften, die op soortgelijke

wijze als muziekwerken "bewerkt" kunnen worden, wel niet voor geheel

en al uitgesloten hebben gehouden.

Er zijn mij een tweetal gevallen bekend, waarin de rechter over het

uitsluitend bewerkingsrecht volgens onze wet te oordeelen kreeg. In

het eerste geval betrof het het tooneelstuk "Zwarte Griet", waarvan

zonder toestemming van den rechthebbende op het opvoeringsrecht eene

bewerking werd vertoond, die volgens de verklaring van den schrijver

van het oorspronkelijke stuk met dit laatste "wat betreft handeling,

verdeeling, kleeding en typeering der personen, alsook het daarin

voorkomende decoratief en verder tooneeltoestel veel overeenkomst

had." De tekst week echter geheel van het oorspronkelijke stuk af;

alleen een paar zinsneden aan het slot van het eerste bedrijf waren

woordelijk overgenomen. Op grond hiervan nam de Rechtbank van den

Haag aan [378], dat wel was gebleken, dat de beklaagde een tooneelspel

had vertoond, overeenkomst hebbende met het stuk "Zwarte Griet" doch

niet wat hem ten laste was gelegd, dat hij nl. dit laatste stuk zou

hebben doen opvoeren. De vertooning der bewerking werd dus niet als

inbreuk op het auteursrecht beschouwd.

Welken maatstaf de rechtbank hierbij heeft aangelegd blijkt uit het

vonnis niet; een stelselmatig onderzoek naar den aard der bewerking

is blijkbaar niet ingesteld. Overigens komt het mij voor--voorzoover

dit uit de in het vonnis vermelde getuigen-verklaringen kan worden

afgeleid--dat in dit geval inderdaad door de bewerking geen inbreuk

kon worden gemaakt op het auteursrecht. De bewerker had nl. het

oorspronkelijke stuk nóch gelezen nóch zien opvoeren, doch zijne

bewerking gemaakt naar de verslagen, die van het stuk in de dagbladen

waren verschenen. Langs dezen weg kan--dunkt mij--niet veel meer

uit het stuk zijn overgenomen dan de uiterlijke intrigue, op zijn

hoogst enkele fragmentarische gegevens voor de karakter-teekening

der personen. De Haagsche Rechtbank is echter, jammer genoeg, niet

ingegaan op de principieele vraag, waar het mij hier om te doen is,

nl. of volgens ons recht een uitsluitend bewerkingsrecht bestaat en

hoever dit recht zich uitstrekt.

Een weinig meer licht hierover wordt verspreid door de beslissingen

over het tweede der door mij bedoelde gevallen, n.l. een vonnis van

de Rechtbank van Amsterdam van 1 October 1889 [379] en een arrest

van het Hof in dezelfde stad van 10 April 1891 [380].

Ditmaal was het een civiele procedure; doch de strijd liep weer

hierover, of door de vertooning van eene bewerking van een tooneelstuk

inbreuk op het uitsluitend opvoeringsrecht kon worden gemaakt. De

schrijver van een tooneelstuk "Krates", getrokken uit den roman van

dien naam van Justus van Maurik, had het uitsluitend opvoeringsrecht

daarvan overgedragen aan een tooneelgezelschap, dat hem aansprak wegens

het zonder zijne toestemming vertoonen van eene nieuwe bewerking

van hetzelfde stuk. Voor de rechtbank werd van den kant van de

eischers aangeboden door getuigen te bewijzen: "dat de inhoud van het

tooneelstuk Krates, hetwelk de ged. in den aanvang der maand Dec. 1888

heeft doen opvoeren, dezelfde is, behoudens eenige wijzigingen,

als die van het door den ged. aan de eischers gecedeerde tooneelstuk

"Krates". De rechtbank wees dit aangeboden bewijs van de hand als te

weinig gepreciseerd en tegelijkertijd te weinig omvattend; verklaarde

de vordering ontvankelijk doch ontzegde haar als onbewezen. Uit de

motiveering van dit vonnis blijkt, dat de rechtbank in beginsel het

inbreuk maken op het auteursrecht door middel eener bewerking niet

uitgesloten achtte. Naar aanleiding van eene namens ged. gemaakte

opmerking, dat de eischers met hunne hierboven aangehaalde woorden:

"behoudens eenige wijzigingen" zelven zouden erkend hebben, dat het

door ged. opgevoerd tooneelstuk "Krates" niet hetzelfde was, als het

in de dagvaarding bedoelde, overwoog de rechtbank o. a.:

"dat 't toch van den aard der wijzigingen afhangt, of men te denken

heeft aan hetzelfde tooneelwerk of aan een ander;

dat toch niet elke wijziging, hoe gering ook, een stuk stempelt tot

een nieuw, daar werd deze stelling aangenomen, het aan den auteur

en zijnen rechtverkrijgenden toekomende opvoeringsrecht zoo goed als

geheel waardeloos zou zijn."

Aan den anderen kant meende de rechtbank dat de identiteit van den

inhoud van beide stukken, waarvan de eischers hadden aangeboden

het bewijs te leveren, de vraag niet volkomen oploste, want: "dat

vooral bij tooneelwerken, niet minder dan op den inhoud, nl. op

gedachtengang, karakterteekening, intrigue en ontknooping, 't aankomt

op vorm, inkleeding, taal en stijl, zoodat al ware ook bewezen, dat de

inhoud van beide tooneelstukken dezelfde was, daarmede nog niet zou

zijn beslist dat de ged. te kort had gedaan aan het eigendomsrecht

der eischers."

Uit deze laatste aanhaling blijkt wel, dat de rechtbank niet

geheel blind was voor de taak, die zij hier had te vervullen, nl. te

onderzoeken, of de bestanddeelen van het oorspronkelijke stuk, die in

de bewerking waren overgenomen, van dien aard waren, dat de schepping

van den auteur (dus het object van zijn recht) geheel of gedeeltelijk

in de bewerking kon worden teruggevonden. Doch de stelselmatigheid,

die deze taak eischt, wordt in het vonnis gemist.

De rechtbank had zich moeten afvragen, niet waar het in een tooneelstuk

vooral "op aankomt", maar wat daarin als de schepping van den auteur

is aan te merken. Het is niet meer dan bloot toeval, dat de laatste

zinsnede, die ik uit het vonnis heb aangehaald, nl. dat "al ware

ook bewezen, dat de inhoud van beide tooneelstukken dezelfde was,

daarmede nog niet zou zijn beslist dat de ged. te kort had gedaan aan

het eigendomsrecht der eischers" in het gegeven geval eene juiste

uitspraak bevat. Want in het algemeen behoort hetgeen de rechtbank

onder den "inhoud" van een tooneelstuk verstond wél tot de schepping

van den auteur; alleen in dit bijzondere geval was dit niet zoo,

omdat die inhoud weer aan een ander was ontleend, nl. aan Justus van

Maurik, den schrijver van den roman "Krates". Het blijkt echter niet,

dat de rechtbank, die wist, dat het tooneelstuk uit den roman van

Justus van Maurik getrokken was, dit in overweging heeft genomen.

Het Hof vernietigde het bovenbesproken vonnis en veroordeelde

den geint. om aan de appellanten te betalen de som van f 100

als schadevergoeding. In dit arrest werd in de eerste plaats

overwogen, dat ook zonder getuigenverhoor omtrent den aard der

bewerking genoegzaam bleek, dat de geint. de overeenkomst, waarbij

het opvoeringsrecht aan de appellanten was overgedragen, niet te

goeder trouw was nagekomen. Dit argument schijnt mij zeer juist

toe; het laat echter de vraag over het al of niet bestaan van een

uitsluitend bewerkingsrecht onaangeroerd, daar het de verplichting

tot schadevergoeding uit de tusschen partijen bestaande verbintenis

afleidt. Het is intusschen uit het arrest moeilijk op te maken,

of dit argument bij het Hof den doorslag heeft gegeven, en of dus de

beslissing in denzelfden zin zou zijn uitgevallen, indien de bewerking

door een derde ware vertoond, die geenerlei overeenkomst betreffende

het opvoeringsrecht van het tooneelstuk in kwestie met de appellanten

had gesloten. Wel werd aan het slot van het arrest overwogen, dat

"al moge de nieuwe bewerking in eenige bijzonderheden van de vroegere

verschillen, door de opvoering van de eerste op het uitsluitend

opvoeringsrecht van de laatste inbreuk is gemaakt", waarmede dus

duidelijk werd te kennen gegeven, dat er volgens de meening van het

Hof inbreuk op het auteursrecht had plaats gehad; doch de argumenten,

die hiervoor werden aangevoerd, zijn van weinig waarde. Het feit, dat

beide bewerkingen "in hoofdzaak overeenkomen" werd hieruit afgeleid:

"dat beide bewerkingen zijn getrokken uit denzelfden roman, en dat

daarin dezelfde handelende personen met dezelfde namen voorkomen". De

onjuistheid van deze redeneering springt in het oog. Het auteursrecht,

dat hier zou geschonden zijn, was het auteursrecht van den schrijver

der tooneelbewerking, niet dat van den romanschrijver. Er moest

dus onderzocht worden, of de tweede tooneelbewerking bestanddeelen

bevatte van de eerste, die niet aan den roman ontleend waren. Want

wat in beide bewerkingen uit den roman was overgenomen, daarop kon

de bewerker geen uitsluitend recht laten gelden, tenzij hem dit door

den romanschrijver was overgedragen. Van een dergelijk recht (een

uitsluitend recht dus om van den roman "Krates" van Justus van Maurik

eene tooneelbewerking te maken) was echter in dit geding geen sprake.

De besproken rechterlijke beslissingen doen weer zien, hoe licht de

rechter op een dwaalspoor kan worden gebracht, indien hem een vast

systeem ontbreekt, en ik waag de opmerking te maken, dat de theorie

over "vorm en inhoud", die ik hierboven heb ontwikkeld, in deze

gevallen goede diensten zou hebben kunnen bewijzen.

Overigens blijkt uit de uitspraken over de laatstgenoemde zaak,

dat nóch de Rechtbank, nóch het Hof van Amsterdam het bestaan van

een uitsluitend bewerkingsrecht volgens ons recht in beginsel geheel

uitgesloten achten.

Bovendien hebben deze beide colleges stilzwijgend erkend het recht

van den bewerker op zijne bewerking; daar immers in beide gedingen er

herhaaldelijk op gewezen werd, dat het tooneelstuk "Krates" getrokken

was uit den roman van Justus van Maurik, zonder dat hierin een reden

werd gezien, om het bestaan van het auteursrecht van den schrijver

van het tooneelstuk (van den "bewerker" dus) in twijfel te trekken.

§ 3 Wetenschappelijke en technische platen en kaarten

In het algemeen overzicht van de auteursrechts-objecten is er reeds

op gewezen, dat er zekere soorten van platen en kaarten bestaan,

die niet tot de werken van beeldende kunst kunnen worden gerekend,

omdat zij niet, zooals deze laatsten, van zuiver aesthetischen aard

zijn. De lijnen en kleuren van de werken, die hier bedoeld worden,

hebben een andere beteekenis; zij dienen niet om door hunne schoonheid

kunstindrukken te wekken, maar om wetenschappelijke of technische

aangelegenheden uiteen te zetten of duidelijk te maken. Vandaar dat de

rol, die zij vervullen, zooals reeds werd opgemerkt, vergeleken kan

worden met die van de woorden en letters in een geschrift. Evenals

deze zijn zij van symbolischen aard; zij ontleenen hunne beteekenis

uitsluitend aan hetgeen zij "voorstellen". Men denke b.v. aan eene

aardrijkskundige kaart, waar het eene land rood, het andere groen is

geverfd, waar spoorwegen door twee evenwijdige lijntjes en grenzen door

kruisjes of stippellijnen worden aangeduid; of aan eene afbeelding

van het menschelijk hart in een anatomische atlas, waar het aderlijk

bloed blauw, het slagaderlijk bloed rood gekleurd is, enz. enz.

Dat aan de werken van deze soort, die men in het algemeen kan aanduiden

met den naam "technische en wetenschappelijke platen en kaarten",

en waartoe onder meer gerekend moeten worden: land- en zeekaarten,

anatomische, botanische en mineralogische afbeeldingen, bouwkundige en

technische teekeningen, schematische voorstellingen van allerlei aard

enz. enz., eene afzonderlijke plaats onder de objecten van auteursrecht

toekomt, wordt algemeen erkend, en ook dat deze plaats dichter bij die

der geschriften, dan bij die der werken van beeldende kunst is gelegen.

In de meeste wetten op het auteursrecht worden zij afzonderlijk

genoemd. De Duitsche wet van 19 Juni 1901 (§ 1, 3) spreekt van:

"solchen Abbildungen wissenschaftlicher oder technischer Art, welche

nicht ihrem Hauptzwecke nach als Kunstwerke zu betrachten sind";

de Zwitsersche wet van 1883 (art. 3) van: "dessins géographiques,

topographiques, d'histoire naturelle, architecturaux, techniques et

autres analogues"; in art. 2 van de wetten van Denemarken en Noorwegen

vindt men ongeveer dezelfde termen; de Zweedsche wet (art. 1) noemt:

"natuurkundige teekeningen, land- en zeekaarten, bouwkundige plannen

en andere teekeningen en afbeeldingen van dien aard" [381].

Ook bij de voorbereiding van onze wet is men er op bedacht geweest,

dat er werken bestaan, die hoewel geen "geschriften" zijnde, toch zeer

nauw daarmede zijn verwant, en die in elk geval niet behooren tot de

werken van beeldende kunst, waarvan men het auteursrecht later in eene

afzonderlijke wet hoopte te regelen. Men volgde daarbij het voorbeeld

van Duitschland, waar ook twee wetten op het auteursrecht bestonden:

die van 1 Juni 1870, "betreffend das Urheberrecht an Schriftwerken,

Abbildungen, musikalischen Kompositionen und dramatischen Werken"

en die van 9 Jan. 1876 "betreffend das Urheberrecht an Werken der

bildenden Künste". De "Abbildungen" van de Duitsche wet van 1870 werden

in onze wet (art. 1): "plaat- en kaartwerken". Doch zoowel uit de keuze

van deze termen als uit hetgeen in verband hiermede in de memorie van

toelichting onzer wet werd opgemerkt, blijkt ten duidelijkste, dat

het Duitsche voorbeeld hier slechts eene gebrekkige navolging heeft

gevonden. De Duitsche wetgever was zich zeer goed bewust geweest van

hetgeen hij deed, toen hij de "Abbildungen" niet bij de werken van

beeldende kunst, maar bij de geschriften indeelde. Ten opzichte der

bedoelde werken werd overwogen, of de grond der bescherming, die men

ervoor wilde verleenen, moest gezocht worden naar analogie van dien

der geschriften of van dien der kunstwerken [382]. Men kwam tot het

eerste op grond van dezelfde overwegingen, die hierboven reeds zijn

weergegeven, nl. dat deze producten meer een wetenschappelijk dan een

artistiek doel hebben, immers ertoe bestemd zijn "zu belehren". In §

43 der wet van 1870 werden zij nader aangeduid als: "geographische,

topographische, naturwissenschaftliche, architektonische, technische

und ähnliche Zeichnungen und Abbildungen, welche nach ihrem Hauptzwecke

nicht als Kunstwerke zu betrachten sind". Hieruit blijkt wel, dat men

op het eigenaardig karakter van de genoemde werken een juist oog had en

dat men de grens tusschen de werken van beeldende kunst eenerzijds,

de geschriften en muziekwerken anderzijds, hiernaar stelselmatig

heeft getrokken.

Het schijnt echter, dat de in Duitschland gemaakte onderscheiding

hier te lande niet gewild, of zelfs maar begrepen werd.

In de memorie van toelichting wordt gezegd, dat het wetsontwerp

het auteursrecht regelt van: "schrijvers van letterkundige werken,

benevens van die werken welke, aan eerstgenoemden zeer nauw verwant,

insgelijks een voorwerp van den boekhandel uitmaken". Met deze

laatste werden dus blijkbaar bedoeld de muziekwerken en de "plaat-

en kaartwerken". Verder werd nog opgemerkt: "Uitgesloten zijn de

voortbrengselen van schilder- en beeldhouwkunst. Voor zoover toch aan

de vervaardigers van die voortbrengselen een uitsluitend regt toekomt

... behoort (dit) het onderwerp uit te maken van eene afzonderlijke

wet" [383]. Van eene onderscheiding naar de innerlijke eigenschappen

der werken--zooals die in Duitschland was gemaakt--dus geen spoor. Het

eenige wat men in aanmerking scheen te nemen was, of een werk al dan

niet "voorwerp van den boekhandel" uitmaakte. Daaruit laat zich ook

verklaren, dat men niet eene bepaling als de boven aangehaalde van §

43 der Duitsche wet overnam (dat nl. de bedoelde werken niet wat hun

hoofddoel betreft als kunstwerken moeten zijn te beschouwen); men koos,

misschien zonder veel over de zaak na te denken, de woorden "plaat-

en kaartwerken", die ook reeds in het Ontw. Boekh. (art. 1) voorkwamen.

Wat is nu de beteekenis, die aan deze uitdrukking van onze wet moet

gegeven worden? De vraag is moeilijk op te lossen en heeft ook reeds

tot verschil van opvatting aanleiding gegeven.

In de eerste plaats dient in aanmerking te worden genomen, dat

de wet niet spreekt van "kaarten en platen," maar van "kaart- en

plaat-werken". Daarom geloof ik niet, dat, zooals Mr. Veegens [384]

en Mr. van de Kasteele [385] aannemen, daaronder gerekend kunnen

worden losse etsen, lithographieën en gravures. Juister schijnt mij,

wat Mr. Robbers in zijn proefschrift dienaangaande opmerkt:

"Ik voor mij ben er thans ten volle van overtuigd, dat de wetgever

ermede bedoeld heeft (wat ook trouwens volgens grammatica

en spraakgebruik juist is): een boek met platen, evenwel met

deze restrictie, dat de platen hoofdzaak en de tekst bijzaak zij"

[386]. Met uitzondering van de laatste toevoeging, waarvoor ik niet den

minsten grond zie, ben ik het hiermede volkomen eens. Deze uitlegging

strookt ook met de boven aangehaalde opmerkingen uit de memorie

van toelichting. Van geïllustreerde boeken laat zich met meer recht

dan van losse etsen of gravures zeggen, dat zij "aan letterkundige

werken zeer nauw verwant zijn" en tevens, dat zij evenals dezen "een

voorwerp van den boekhandel uitmaken." De overweging is blijkbaar

deze geweest, dat tekst en illustratie bij elkaar hooren en daarom

ook in dezelfde wet bescherming moeten vinden. Toch komt men met deze

uitlegging tot zonderlinge gevolgtrekkingen. Mr. Robbers verhaalt, hoe

een boekverkooper, die een oorspronkelijke ets van H. M. de Koningin

in den handel had gebracht, moest toezien, dat deze straffeloos werd

nagedrukt. Doch indien diezelfde boekverkooper "niet één ets had laten

maken naar Hare Majesteit, maar een zeker aantal, in verschillende

kleederdrachten, wanneer hij dan die etsen met een paar mooie lintjes

aan elkaar had doen rijgen, een kort bijschrift had gevoegd bij elke

plaat en ten slotte het stelletje gelegd had in een portefeuille,

voorzien van een titel, dan zou hij naar alle waarschijnlijkheid als

door de wet beschermd worden beschouwd, omdat hij een plaatwerk had

tot stand gebracht."

Hieruit blijkt reeds, tot welke onredelijke gevolgen de willekeurige

onderscheiding van onzen wetgever voert. Nog duidelijker komt dit in

het licht, indien men zich de vraag stelt, wie eigenlijk als auteur

moet worden aangemerkt van een "plaat- of kaartwerk". De werken van

beeldende kunst als schilderijen, teekeningen enz. vallen buiten de

bescherming onzer wet; evenzoo photographieën, zooals nog uitdrukkelijk

in de memorie van antwoord wordt verklaard. Het auteursrecht van deze

werken is geregeld in het Ontw. B. K., dat echter nooit tot wet is

verheven. Schilders, teekenaars, etsers en photografen zijn dus geen

"auteurs" volgens ons recht. Wordt echter een aantal hunner producten

tot een "plaatwerk" vereenigd, dan is dit laatste wél voorwerp van

auteursrecht. Er blijft dus niets anders over dan als auteur van

het plaatwerk te beschouwen hem, die de cliché's--al of niet door

hemzelf vervaardigd--verzamelt en als een geheel afdrukt. Dus den

drukker of uitgever. Want, behoudens enkele uitzonderingen [387], is

er geen sprake van een plaatwerk, vóórdat een exemplaar is afgedrukt,

en zonder plaatwerk geen auteursrecht. Dit schijnt ook de meening

van Mr. Veegens te zijn, die als object van het auteursrecht noemt:

"het door den druk gemeen gemaakte plaatwerk" [388]. Juister ware

echter geweest "gedrukt" in plaats van "door den druk gemeen gemaakt";

want de vraag, of het werk al dan niet gemeen is gemaakt doet hier

niets ter zake.

In vele gevallen zal dus de auteur van het "plaatwerk" een ander zijn

dan de auteur(s) van de platen, waaruit het werk bestaat. Daar deze

laatsten echter geen auteursrecht hebben volgens onze wet behoeft hunne

toestemming door den samensteller van het plaatwerk niet gevraagd te

worden. Niet alleen dus dat het ieder vrijstaat van schilderijen,

teekeningen, etsen, photographieën enz. zonder toestemming van

den auteur reproducties te laten maken, om daarmede een boek te

illustreeren, maar bovendien is zoo iemand nog als samensteller van

een "plaatwerk" door onze wet tegen verdere reproductie beschermd!

Ik meen, dat hiermede genoeg is gezegd om de conclusie te

rechtvaardigen, dat de uitdrukking "plaat- en kaart-werken" in onze wet

niet deugt en hoe eer hoe liever dient te verdwijnen. Dit is vooral

noodzakelijk, zoo lang eene wettelijke regeling van het auteursrecht

op werken van beeldende kunst ontbreekt. Want de omstandigheid, dat

deze laatste werken onbeschermd zijn, maakt het dubbel noodig dat de

grens tusschen deze en de wel beschermde producten duidelijk en naar

redelijke beginselen in de wet zij getrokken. Doch ook indien het

Ontw. B. K. reeds wet was, zou de uitdrukking "plaat- en kaartwerken"

in de W. A. R. in de practijk tot moeilijkheden aanleiding geven. Het

Ontw. B. K. verleent b. v. een auteursrecht van slechts tien jaar

aan hem, die een werk van beeldende kunst van een ander door eene

mechanische bewerking namaakt (artt. 4 en 11); indien echter op deze

wijze een "plaatwerk" tot stand komt, zou diezelfde persoon volgens

de W. A. R. eene bescherming van vijftig jaar genieten [389]. Ook

de verschillende regelingen der voorwaarden en formaliteiten in de

W. A. R. en het Ontw. B. K. zouden in verband hiermede tot verwarringen

aanleiding kunnen geven.

Welke de werken zijn, die in plaats van de "plaat- en kaartwerken" in

de wet op het auteursrecht genoemd hadden moeten worden, is hierboven

reeds meermalen gezegd. Ook hebben wij gezien, met welke termen deze

werken in sommige buitenlandsche wetten worden aangeduid. Vooral

de Duitsche wet schijnt mij op dit punt navolgingswaard, omdat

zij uitdrukkelijk de producten, die als kunstwerken zijn bedoeld,

uitsluit. Ook de--hierboven niet door mij aangehaalde--bepaling van

§ 1 der Duitsche wet van 19 Juni 1901, dat tot de "Abbildungen" ook

behooren plastische werken, verdient m. i. hier te worden nagevolgd. Er

bestaat immers niet de minste reden om deze laatsten, voorzoover zij

overigens dezelfde kenmerken vertoonen als de graphische afbeeldingen,

hiermede niet op ééne lijn te stellen.

Evenals bij de geschriften moet ook bij de kaarten en platen (ik

spreek nu niet meer over de "kaart- en plaatwerken" van onze wet, maar

alleen over de "technische en wetenschappelijke kaarten en platen",

waarvan ik het begrip hierboven heb trachten vast te stellen) aan

den regel worden vastgehouden, dat de wetenschappelijke inhoud geen

object van auteursrecht is. De kennis, die men uit een kaart of plaat

kan putten--b.v. over de samenstelling van eene machine of van eenig

menschelijk of dierlijk orgaan--is gemeengoed en moet door ieder vrij

benut kunnen worden. Vandaar dat ook, zooals reeds werd opgemerkt,

het gebruikmaken van gegevens eener aardrijkskundige kaart, ook al

waren zij de vrucht van zelfstandige onderzoekingen en opmetingen van

den auteur, geen inbreuk op diens recht uitmaakt. Het beschermde

goed bestaat hier, evenals bij wetenschappelijke geschriften,

uitsluitend uit den vorm, d. w. z. de bijzondere uitdrukkingswijze

van den auteur. Dit moet niet zóó worden verstaan, dat die vorm op

zich zelf, los van den inhoud, object van auteursrecht zou zijn,

zoodat b.v. een uitsluitend recht zou bestaan op eene bepaalde

methode om iets graphisch voor te stellen of om een landschap in

kaart te brengen. Waar van den vorm als object van auteursrecht wordt

gesproken, wordt daarmede steeds bedoeld de vorm, dien de auteur aan

een concreten inhoud heeft gegeven. De auteurs-schepping bestaat niet

in het vergaderen van kennis, nóch in het uitdenken van eene methode

om die kennis mede te deelen of aanschouwelijk voor te stellen. Auteur

is slechts hij, die deze denkbeelden en plannen verwezenlijkt, die

dus op een bepaalden inhoud eene bepaalde methode in toepassing brengt.

De inhoud van een plaat of kaart, dus datgene wat er mede

aanschouwelijk wordt gemaakt, kan ook zijn eene--al of niet door den

auteur gedane--technische uitvinding. In dat geval kan natuurlijk

die inhoud beschermd zijn, doch het behoeft geen betoog dat dit dan

geen uitvloeisel is van het hier besproken auteursrecht op de kaart

of plaat.

Evenzoo is het geval mogelijk, inzonderheid bij plastische

afbeeldingen, dat deze de verwezenlijking zijn eener uitvinding,

dat m. a. w. een nieuwe uitvinding is toegepast om ze tot stand te

brengen. Kohler noemt als voorbeeld een planetarium, dat voorzoover het

eene bepaalde wijze van afbeelding der hemellichamen en van hun loop

bevat object van auteursrecht, daarentegen wat de bijzondere middelen

betreft waardoor het mechanisch in beweging wordt gesteld object van

uitvinders-recht kan zijn [390]. Ook hier valt dus de onderscheiding

tusschen auteursrecht en uitvindersrecht niet moeilijk te maken,

indien men maar de objecten van ieder recht goed uit elkander houdt.

§ 4 Werken der toonkunst

Toonkunst en woordkunst hebben dit met elkander gemeen, dat zij

beiden middelen zijn om gedachten of gevoelens hoorbaar tot uiting

te brengen. Woord en toon richten zich beide tot het oor, en zijn

slechts middellijk door zichtbare teekens (letters en noten) weer

te geven. Zij onderscheiden zich in dit opzicht van de werken van

beeldende kunst, wier schoonheid alleen kan worden gezien.

Bestaat er dus eene nauwe verwantschap tusschen muziekwerken en

geschriften, aan den anderen kant vallen kenmerkende verschilpunten

aan te wijzen. Wat de muziek vooral van de woordtaal onderscheidt,

is dat zij het symbolisch karakter van deze laatste mist. De tonen,

waaruit een muziekstuk bestaat, hebben niet zooals de woorden in een

geschrift, eene abstracte beteekenis, maar zij oefenen onmiddellijk

hunne werking uit op den hoorder.

Met het oog op het auteursrecht is dit verschil tusschen muziekstukken

en geschriften in verschillende opzichten van belang.

Daar de muziek niet in dien zin eene taal is, dat zij ook voor

mededeelingen in het dagelijksch verkeer gebezigd wordt, is elke

oorspronkelijke uiting in muziek eene aesthetische schepping en heeft

als zoodanig aanspraak op auteursbescherming.

De muziek staat altijd buiten het gewone leven in tegenstelling met

de taal, die als "voertuig der gedachten" ook practische diensten

bewijst. Vandaar dat men onder de muziekstukken geen uitingen zal

vinden zooals: nieuwsberichten, gesprekken, brieven, enz., die uit

hunnen aard de eigenschappen missen, om object van auteursrecht

te zijn.

Weliswaar kan van muzikale composities ook een practisch gebruik worden

gemaakt. Dit is b.v. het geval met hoorn-signalen en vingeroefeningen

en ook in zekeren zin met dans- en marschmuziek. Daardoor verliezen

deze werken echter niet hun karakter van kunstschepping. Het komt

mij daarom onjuist voor, om zooals Kohler doet, signalen niet tot

de beschermde auteursproducten te rekenen. Hij voert hiervoor aan,

dat zij buiten den kring der kunst staan [391]. Dit betreft echter

m. i. niet hun innerlijken aard, maar het gebruik, dat er van wordt

gemaakt, een gebruik, dat misschien de componist niet voorzien noch

gewild heeft. De kwestie is echter van te weinig practisch belang om

er langer bij stil te staan [392].

In het algemeen kan dus worden aangenomen, dat elk muziekstuk voorwerp

van auteursrecht kan zijn. Er bestaat echter ook nog een belangrijk

verschil in karakter tusschen het voorwerp van het recht van den

componist en dat van den schrijver. Ook bij muziekstukken zijn

vorm en inhoud te onderscheiden; doch niet in denzelfden zin als

bij geschriften. Bij geschriften kan men "vorm" noemen de taal, en

"inhoud" datgene, wat door de taal wordt uitgedrukt [393]. Doch omdat

de muziek het symbolisch karakter der taal mist, is eene onderscheiding

tusschen de muziek zelve en datgene wat erdoor wordt uitgedrukt,

niet te maken. De tonen worden niet, zooals de woorden, gebruikt

als teekens van begrippen, maar zij zelf zijn het, die de muzikale

aandoening bij den hoorder wekken. Daarom is het ook onmogelijk een

stuk muziek "in andere tonen" weer te geven.

Wat echter wél mogelijk is, is het ontleenen van bestanddeelen aan

een muziekstuk om daaraan eene andere muzikale bewerking te geven. Om

te kunnen uitmaken, in hoever hierdoor inbreuk op het auteursrecht

wordt gemaakt, is het noodig te onderzoeken, uit welke bestanddeelen

een muziekstuk bestaat. Er moet dus eene ontleding van worden gemaakt

op soortgelijke wijze als ten aanzien der geschriften is geschied.

In een muzikale compositie zijn te onderscheiden: melodie, harmonie,

instrumentatie, rhythmus en dynamiek.

Melodie is de opeenvolging van enkele tonen. Naar deze, ruime,

beteekenis van het woord staat melodie tegenover harmonie, d. i. de

combinatie van tegelijk klinkende tonen.

Men gebruikt ook het woord melodie in engeren zin, om er mede aan

te duiden eene reeks van tonen, die een afgerond geheel vormen en

eene karakteristieke, ook zonder begeleiding verstaanbare, muzikale

gedachte uitdrukken [394]. De onderscheiding is, zooals zal blijken,

ook voor het auteursrecht van belang.

Onder instrumentatie is te verstaan de wijze waarop het ten

gehoore brengen van het muziekstuk door een of meer instrumenten

is geregeld. Ten aanzien van vocale muziek spreekt men ook van

vocaliseering.

De rhythmus in een muziekstuk wordt verkregen door het verschil in

tijdswaarde van de elkander opvolgende noten en accoorden.

Dynamiek eindelijk is de klanksterkte.

Eene muzikale compositie in den meest primitieven vorm is de enkele

melodie (in den engen zin van het woord) zonder harmoniseering. Gaat

men de melodie nog verder ontleden dan vindt men, dat zij is opgebouwd

uit een of meer motieven of thema's. Deze kunnen echter niet als eene

schepping van den componist worden beschouwd. Zij bestaan uit slechts

enkele noten in niet meer dan een of twee maten die geen zelfstandig

geheel vormen, maar slechts als uitgangspunt dienen voor eene verdere

muzikale bewerking. Een motief in dezen zin bevatten b.v. de twee

eerste maten van de vijfde symphonie van Beethoven, terwijl men b.v. de

bewerking die de componist daaraan gegeven heeft in de acht eerste

maten van het Scherzo in deze symphonie, een melodie kan noemen [395].

Hierbij dient in het oog te worden gehouden, dat het woord "motief"

niet altijd gebruikt wordt in den boven aangegeven zin, waarin het

eene tegenstelling vormt met de uitgewerkte melodie. De "Leitmotive"

b. v. in de muziek-drama's van Richard Wagner zijn bijna alle tevens

melodieën, en niet maar eenvoudige thema's zonder zelfstandigen

muzikalen zin.

Eene melodie is dus voorwerp van auteursrecht; niet alleen in

het--zelden voorkomende--geval dat de geheele compositie uit niets

anders bestaat dan die ééne melodie zonder harmoniseering, maar ook

wanneer zij slechts een bestanddeel uitmaakt van eene meer uitgewerkte

muzikale compositie. Hieruit valt reeds de algemeene regel af te

leiden, dat als inbreuk op het auteursrecht is te beschouwen het

overnemen eener melodie uit het werk van een ander, ook al zouden

daarbij de oorspronkelijke harmonie en instrumentatie zijn gewijzigd.

Meestal bestaat--zooals gezegd--eene muzikale compositie niet uit

ééne enkele melodie zonder meer, maar is zij ontstaan uit de bewerking

van een of meer melodieën. Ook dit bewerken is een scheppende arbeid;

dikwijls zelfs zijn juist hieraan de meest waardevolle elementen van

een muziekstuk te danken.

Met het "bewerken" heb ik voornamelijk op het oog het harmoniseeren,

d. i. het doen samenklinken van andere tonen met de enkele

tonen der melodie. Men kan twee hoofdsoorten van harmonische

bewerkingen onderscheiden, nl. de polyphonie waarin twee of meer

op zichzelf verstaanbare melodieën zijn te hooren, die als het ware

dooreengestrengeld zijn tot een harmonisch geheel en de homophonie,

bestaande uit ééne melodie met eene die melodie steunende en daaraan

ondergeschikt blijvende begeleiding.

Het behoeft geen betoog, dat eenzelfde melodie op verschillende wijzen

geharmoniseerd kan worden. Wie aan een, hetzij polyphonisch, hetzij

homophonisch bewerkt toonstuk een of meer melodieën ontleent en daaraan

een nieuwe harmonische bewerking geeft, doet iets dergelijks als de

bewerker van een letterkundig werk. Ook van hem kan gezegd worden--al

is het in eenigszins anderen zin--dat hij aan een bestaanden inhoud een

nieuwen vorm geeft. Er treden hier ook ten aanzien van het auteursrecht

soortgelijke gevolgen in. De bewerker heeft aan den eenen kant het

recht van den oorspronkelijken auteur te eerbiedigen en mag dus zonder

vergunning van dezen laatste zijne bewerking niet exploiteeren; aan den

anderen kant vestigt de bewerker op zijne beurt een nieuw recht, dat

ook door den auteur van het oorspronkelijke werk moet worden ontzien.

Ook hier moet in het oog worden gehouden, dat niet de vorm op zichzelf

object van auteursrecht is, maar de schepping in haar geheel:

de vorm dus in verbinding met een concreten inhoud. Waar derhalve

onderscheiden wordt tusschen het recht op de melodie en het recht

op de harmonie, beteekent dit niet, dat deze laatste een zelfstandig

voorwerp van auteursrecht zou uitmaken. Zeer juist is, wat Schuster

hieromtrent opmerkt: "... an den Harmoniefolgen, der Modulation als

solcher, kann es kein Urheberrecht geben, ja noch weniger fast als

an den einzelnen Accorden, denn dieselben Harmoniefolgen können bei

ganz verschiedenen melodischen und rhythmischen Folgen eintreten,

sie sind etwas, das an sich nicht sinnlich wahrgenommen wird daher

keine Wirkung macht, und nicht für sich allein die Individualität

des Werkes bestimmt, vielmehr in derselben Art in den verschiedensten

Werken vorkommen kann" [396]. Voorwerp van auteursrecht kan dus alleen

zijn de harmonische bewerking van een of meer bepaalde melodieën;

harmonie zonder betrekking tot eene bepaalde melodie is iets als de

kleur van een schilderij zonder de teekening; geen concreet kunstwerk

maar eene abstractie.

Mr. Viotta geeft in zijn proefschrift er een merkwaardig staaltje van,

hoe men door de melodie van een stuk muziek (hij nam hiervoor de eerste

maten van het Meistersinger-voorspel) te vervangen door eene andere,

doch met behoud van de oorspronkelijke harmonie, een inderdaad nieuw

muziekstuk doet ontstaan [397]. Minder juist is echter de beschouwing,

die deze zelfde schrijver daarna laat volgen, waarmede hij tracht

aan te toonen, dat het bovengenoemde beginsel in sommige gevallen

uitzondering zou kunnen lijden, dat dus een recht op de harmonie op

zichzelf niet geheel zou zijn uitgesloten. Dit zou nl. dán het geval

zijn, wanneer eene eigenaardige harmonische bewerking is gegeven aan

eene melodie, die zonder deze bewerking geen voorwerp van auteursrecht

kon uitmaken. Het woord melodie moet hier natuurlijk worden opgevat in

den ruimen zin van: opeenvolging van enkele tonen; want eene melodie

in den engeren zin is--zooals hierboven betoogd is--altijd als een

muzikale schepping en bijgevolg als object van des componisten

auteursrecht te beschouwen. Doch er zijn opvolgingen van tonen,

die op zichzelf niets uitdrukken en die dus niet aan dezen of genen

componist zouden kunnen toebehooren. Mr. Viotta noemt als voorbeeld

een neerdalende chromatische toonladder, welke de "melodie" uitmaakt

van een stuk muziek van Richard Wagner, een gedeelte nl. van het derde

bedrijf van "die Walküre" [398]. Daar hier de melodie geen voorwerp van

auteursrecht uitmaakt, maar wél de eigenaardige harmonische bewerking,

die Wagner er aan gegeven heeft, kan men volgens mr. Viotta in dit

geval spreken van een auteursrecht ten aanzien der harmonie. Dit

is in zooverre juist, dat eerst door de harmonische bewerking een

auteursproduct is ontstaan; onjuist is echter, wat mr. Viotta schijnt

te bedoelen, dat de harmonie op zichzelf hier voorwerp van auteursrecht

zou zijn. Het tegendeel zou kunnen gedemonstreerd worden op dezelfde

wijze als mr. Viotta dit met het Meistersinger-voorspel deed, door

n.l. dezelfde volgorde van accoorden als begeleiding voor eene andere

melodie te laten dienen. Zoodoende zou men ook in dit geval een geheel

nieuwe compositie verkrijgen, waarvan de exploitatie geen inbreuk op

Wagner's auteursrecht zou uitmaken.

Wat van de harmonie is gezegd geldt m.m. ook voor de

instrumentatie. Het instrumenteeren en in het bijzonder het

orkestreeren is geen machinaal werk, maar eene kunst op zichzelf, die

zich, dank zij scheppenden genieën als Beethoven, Berlioz, Wagner en

in den laatsten tijd Richard Strauss, en dank zij ook de gestadige

ontwikkeling van het moderne orkest, tot eene groote hoogte heeft

weten op te heffen. Evenals de harmonie is ook de instrumentatie

een organisch deel van de muzikale compositie; een componist, die

werkelijk kunstenaar is, zal niet eerst de noten opschrijven en die

daarna onder de verschillende instrumenten verdeelen; doch reeds bij

de eerste conceptie van het werk zullen hem waarschijnlijk ook de

middelen, waarmede het ten gehoore moet worden gebracht, grootendeels

voor den geest staan. Een goed orkestwerk is daarom ook in dien zin

een organisch geheel, dat men niet de oorspronkelijke instrumentatie

van den componist door eene andere kan vervangen, zonder daardoor

aan de aesthetische waarde van het werk afbreuk te doen.

Daar echter de middelen om een werk in zijne oorspronkelijke

instrumentatie ten gehoore te brengen, dikwijls ontbreken (dit geldt

natuurlijk in het bijzonder voor werken voor groot orkest), komt

het maken van "transcripties" of "arrangementen", d. z. bewerkingen

voor andere stemmen of instrumenten, veelvuldig voor. Men kan deze

bewerkingen vergelijken met vertalingen van geschriften; Kohler noemt

ook de instrumentatie naar analogie met de taal in een letterkundig

werk den uiterlijken vorm [399].

Hoe de rechten van den oorspronkelijken auteur en die van den bewerker

van den nieuwen uiterlijken vorm zich verhouden, behoeft na het

voorgaande geene uiteenzetting meer. Het arrangement is aan den eenen

kant zelf een auteursproduct, aan den anderen kant zou de exploitatie

ervan zonder toestemming van den oorspronkelijken componist inbreuk

op diens auteursrecht zijn. Ik behoef er ook verder niet op te wijzen,

dat de instrumentatie, evenmin als de harmonie of welke andere "vorm"

ook, op zichzelf geen voorwerp van auteursrecht kan zijn. Het moet dus

vrijstaan, eenen componist, die combinaties heeft uitgedacht, waardoor

nieuwe instrumentale effecten zijn te bereiken, daarin na te volgen,

mits natuurlijk niet met de instrumentatie ook het oorspronkelijke

muziekstuk geheel of gedeeltelijk wordt overgenomen.

Uit bovenstaande beschouwingen, waarin ik slechts in het ruwe de

verschillende bestanddeelen eener muzikale compositie heb trachten

aan te wijzen, laten zich toch de hoofdbeginselen van het auteursrecht

der componisten reeds genoegzaam afleiden.

Wij hebben gezien, dat de melodie, die een eigen, ook zonder

begeleiding verstaanbare, muzikale gedachte uitdrukt, de

melodie dus in den engen zin van het woord, als eene muzikale

compositie is te beschouwen, doch niet het thema, waaruit zij is

opgebouwd. Daaruit volgt, dat elke bewerking, waarin de melodie van

een ander is overgenomen, zonder diens toestemming niet mag worden

geëxploiteerd; wel geoorloofd is echter de bewerking, waarin alleen

het oorspronkelijke thema is te herkennen. Dit is vooral van belang

met het oog op de variaties, die dikwijls gemaakt worden op thema's

of melodieën van andere componisten [400]. Wij hebben verder gezien,

dat ook het harmoniseeren en instrumenteeren elementen zijn van den

scheppenden arbeid van den componist. Vandaar dat ook auteursrecht

toekomt aan hem, die aan eene melodie, waarop hij geen recht kan doen

gelden, eene oorspronkelijke harmonische bewerking heeft gegeven

en zelfs aan hem, die niets anders gedaan heeft dan een bestaand

muziekstuk opnieuw te instrumenteeren. Dit is, zooals reeds betoogd

werd, geen recht op de harmonie of de instrumentatie op zichzelf, doch

een recht op het concrete toonwerk, dat door de nieuwe harmoniseering

of instrumenteering tot stand is gekomen. Natuurlijk geldt ook hier,

dat de bewerker geen recht heeft op de bestanddeelen, die hij uit het

werk van een ander heeft overgenomen. Hij die b.v. een piano-uittreksel

heeft gemaakt van een orkeststuk kan alleen verhinderen, dat dit

piano-uittreksel wordt nagedrukt of uitgevoerd, niet dat anderen

van hetzelfde stuk eene nieuwe bewerking voor piano of voor andere

instrumenten uitgeven en nog veel minder dat eene melodie uit het

stuk wordt overgenomen.

In de practijk zullen de verhoudingen wel meestal minder eenvoudig

zijn, dan zij hierboven werden voorgesteld. Het zal b.v. bijna

nooit voorkomen, dat eene melodie in haar geheel ongewijzigd wordt

overgenomen, terwijl de harmonie met de oorspronkelijke niets gemeen

heeft; of dat bij de nieuwe instrumentatie, die aan een muziekstuk

wordt gegeven, niet ook wijzigingen, aanvullingen, versterkingen

of vereenvoudigingen in de harmonie worden aangebracht. Bovendien

worden dikwijls enkele gedeelten uit een muziekstuk overgenomen, die

dan in de "bewerking" worden afgewisseld door meer oorspronkelijke

stukken; dit kan weer op verschillende wijzen en in verschillende

vormen plaats hebben; men denke b.v. aan variaties, phantasieën,

potpourris, parodieën enz.

Al deze gevallen afzonderlijk te bespreken zou mij te ver voeren;

daarbij zouden trouwens vragen van speciaal muzikalen aard te pas

moeten worden gebracht, waarover ik mij allerminst bevoegd acht een

oordeel uit te spreken.

Ik wensch hier nog slechts ééne opmerking van algemeenen aard aan

het bovenstaande toe te voegen, deze nl. dat bij de beoordeeling,

of in een bepaald geval door het overnemen van bestanddeelen uit eens

anders muzikale compositie inbreuk op het auteursrecht is gepleegd,

de meerdere of mindere artistieke waarde van het daardoor ontstane

nieuwe muziekstuk m. i. niet in aanmerking mag worden genomen. Er

zijn zeer zeker, ook onder de niet geheel oorspronkelijke muzikale

composities, ware meesterwerken aan te wijzen. Door verschillende

schrijvers worden b.v. als zoodanig genoemd de variaties die Bach,

Mozart en Beethoven op vreemde melodieën hebben geschreven. Dit is

echter geen voldoende reden om dergelijke bewerkingen voor geoorloofd

te houden, indien zij werkelijk bestanddeelen van een nog beschermd

werk van een ander bevatten. Volgde men deze opvatting [401], dan

zou elk gebruik van eens anders werk geoorloofd zijn, mits er slechts

eene kunstvolle muzikale compositie door tot stand werd gebracht.

Ik meen dus--om eens een enkel voorbeeld te nemen uit eene nadere

omgeving dan de bovengenoemde--dat een werk als de bekende

Piet Hein-Rhapsodie van van Anrooy, waarin de melodie van het

oorspronkelijke Piet Hein-lied telkens is te herkennen, te beschouwen

is als eene "bewerking" van dat lied en dat de exploitatie ervan

zonder toestemming van den auteur van dit laatste (gesteld dat diens

auteursrecht nog bestaat) niet geoorloofd zou zijn, al moge ook de

groote muzikale waarde der rhapsodie meer gelegen zijn in de nieuwe

harmoniseering en instrumentatie dan in de ontleende melodie.

Er zijn landen, waar men beproefd heeft in wetsbepalingen enkele van de

hierboven genoemde beginselen vast te leggen. Zoo kent b.v. de Duitsche

wet van 19 Juni 1901 den componisten het uitsluitend recht toe,

uittreksels (Auszüge) uit hunne werken te maken alsmede bewerkingen

voor een of meer instrumenten of stemmen (§ 12, 4); voorts verbiedt de

wet elk gebruik van een muziekwerk, waardoor eene melodie aan het werk

wordt ontnomen om aan een nieuw werk ten grondslag te worden gelegd

(§ 13 lid 2). Ook in de wetten van Spanje en Italië komen dergelijke

bepalingen voor. De Italiaansche wet van 19 Sept. 1882 stelt met

reproductie gelijk: bewerkingen voor verschillende instrumenten,

uittreksels en geheele of gedeeltelijke omwerkingen (adattamenti),

behalve wanneer een motief uit een werk tot thema wordt genomen

voor eene nieuwe oorspronkelijke muzikale compositie (art. 3). De

Spaansche wet van 10 Jan. 1879 verbiedt het geheel of gedeeltelijk

overnemen van melodieën met of zonder begeleiding, hetzij bewerkt

voor andere instrumenten, hetzij voorzien van een anderen tekst

of in eenigen anderen vorm, dan die welke de auteur eraan heeft

gegeven (art. 7). Het Reglement van 3 Sept. 1880 tot uitvoering van

laatstgenoemde wet bepaalt nog, dat in eene parodie geen melodie van

het geparodieerde stuk mag worden opgenomen (art. 65).

In het algemeen schijnen mij wetsbepalingen als de bovengenoemde, die

zoozeer in bijzonderheden afdalen, niet aanbevelenswaardig. Slechts dán

kunnen zij noodig zijn, indien bij het ontbreken ervan gegronde vrees

bestaat, dat door den rechter de juiste beginselen niet zullen worden

toegepast, zoodat b.v. alleen het exploiteeren van een muziekstuk

in ongewijzigden vorm als inbreuk op het auteursrecht zou worden

aangemerkt. Of dit in ons land, waar de wet den rechter in deze

materie volkomen vrijheid laat, al of niet het geval is, is moeilijk

uit te maken, daar jurisprudentie hierover ontbreekt en ook van eene

wetenschappelijke communis opinio moeilijk kan gesproken worden. Er kan

hier echter gewezen worden op de boven reeds aangehaalde zinsnede uit

de memorie van toelichting onzer wet, waaruit ten duidelijkste blijkt,

dat onze wetgever geenszins de bedoeling heeft gehad, het maken van

bewerkingen van muziekstukken zonder toestemming des auteurs in alle

gevallen vrij te laten. Er is dus, nog minder dan ten aanzien der

geschriften, eenige reden om de erkenning van een bewerkingsrecht van

auteurs van muziekstukken in strijd met de wet te achten. Daarom meen

ik ook, dat de hierboven ontwikkelde theoretische beschouwingen volgens

ons bestaande recht in allen deele toepassing zouden kunnen vinden.

§ 5 Dramatisch-muzikale werken, balletten en pantomimes

In het algemeen zal men onder dramatisch-muzikale werken verstaan

tooneelstukken op muziek, werken dus, die bestaan uit een geheel of

gedeeltelijk op muziek gezetten, dramatisch bewerkten tekst. Het

eigenaardige van deze werken bestaat hierin, dat zij door eene

samenwerking van woord- en toonkunst ontstaan zijn; zij zijn geen

geschriften en evenmin muziekwerken, doch tekst en muziek behooren

bij elkander en vormen één geheel. Die organische samenhang van

woord en toon wordt ook in het auteursrecht erkend; een opera of

operette is, ook als voorwerp van auteursrecht, als één geheel te

beschouwen. Dit zou echter nog geen reden behoeven te zijn om deze

werken afzonderlijk te behandelen. Dat een opera of operette, als

één rechtsobject beschouwd, uit twee verschillende bestanddeelen

bestaat, in tegenstelling met b.v. een roman, die alleen woorden en

een symphonie, die alleen noten bevat, brengt ten aanzien van het

auteursrecht geene bijzondere moeilijkheden mee. De moeilijkheid bij

het bepalen, wat in elk geval object van het auteursrecht is, bestaat,

zooals na het bovenstaande wel duidelijk zal zijn, voornamelijk

in de ontleding, die van geschriften en kunstwerken moet worden

gemaakt. Deze ontleding valt bij dramatisch-muzikale werken al heel

gemakkelijk. Want tekst en muziek mogen tezamen een organisch geheel

vormen, evenals b.v. melodie en harmonie, eene onderscheiding te maken

tusschen de twee zal niemand eenige moeite kosten. Wat de tekst is

in een opera, en wat de muziek, daarover behoeft geen woord te worden

vuil gemaakt. En is eenmaal deze onderscheiding gemaakt, dan is voor

't overige op elk der twee bestanddeelen van het dramatisch-muzikale

werk slechts toe te passen, wat hierboven over de geschriften en

de muziekwerken is gezegd. Het libretto, het moge op zichzelf, dus

afgescheiden van de muziek, eenige zelfstandige waarde hebben of niet,

valt onder de regels die voor alle geschriften en in het bijzonder

voor de tooneelstukken gelden. Het zal dus b.v. niet vertaald mogen

worden zonder toestemming van den auteur; evenmin zal er een roman of

novelle uit getrokken mogen worden, tenzij het natuurlijk zelf eene

dramatiseering is van een bestaande roman. Eveneens zullen, wat het

muzikale gedeelte betreft, de beginselen toepassing kunnen vinden

die hierboven over het auteursrecht der componisten zijn ontwikkeld.

Naast het recht op het werk in zijn geheel, kan derhalve ook bestaan

een recht op elk der deelen (muziek en tekst) in het bijzonder. Dit

is vooral van belang voor die gevallen, waar de componist niet tevens

de auteur van het libretto is. Hij behoeft dan de toestemming van

den librettist, om zijn recht op het dramatisch-muzikale werk uit te

oefenen. Dit laatste wordt door sommige schrijvers ontkend. Schuster

b.v. betoogt, dat het een eisch van rechtvaardigheid is, dat een

componist, die door muziek bij een tekst te componeeren, dezen

bezielt en tot een nieuw leven opwekt, over dien tekst ook vrij moet

kunnen beschikken [402]. Ook in sommige wetten wordt deze vrijheid

uitdrukkelijk erkend, o. a. in Duitschland, waar zij echter beperkt

blijft tot kleinere gedichten en in het algemeen tot die werken,

die niet zijn geschreven met het doel, als tekst voor een componist

te dienen (wet van 19 Juni 1901 § 20). Dit artikel heeft dus meer

liederen dan dramatisch-muzikale werken op het oog. In geen geval

schijnt mij echter deze vrijheid tot het gebruiken van andermans

geschriften gerechtvaardigd.

Het moge een eer zijn voor een dichter of librettist, dat zijn

werk door een bekend componist als tekst voor eene compositie wordt

uitverkoren, het is mogelijk dat zijn naam er meer en beter door bekend

zal worden (men vergete echter niet dat ook het omgekeerde het geval

kan zijn!); dit alles is echter geen reden, om hier de gewone regelen

van het auteursrecht eenvoudig op zijde te zetten en de componisten

maar vrijelijk over het werk van anderen te laten beschikken. Dat men

door deze vrijheid aan banden te leggen het ontstaan van belangrijke

werken op het gebied der vocale muziek ernstig zou bemoeilijken--zooals

Schuster schijnt te vreezen [403]--meen ik te moeten betwijfelen. De

componist zal zijn werk niet mogen exploiteeren zonder toestemming

van den schrijver van den tekst, doch men kan gerust aannemen, dat

deze toestemming bijna nooit--en in 't bijzonder niet aan talentvolle

componisten--zal worden geweigerd [404].

Dat de meeste wetten naast de geschriften en muziekwerken de

dramatisch-muzikale werken nog afzonderlijk noemen, is waarschijnlijk

niet uit vrees, dat zij anders niet tot de beschermde auteursproducten

zouden worden gerekend. Indien dit het geval was, zou men ook

de niet-dramatische werken, die uit een verbinding van muziek en

tekst bestaan (alle vocale muziek dus) met name moeten noemen, wat

echter geen enkele wet doet. De reden van de speciale vermelding der

dramatisch-muzikale werken ligt meestal hierin, dat voor deze werken

niet dezelfde bepalingen gelden als voor de overige muziekstukken. Het

verschil bestaat of bestond (daar het in de nieuwere wetten niet meer

voorkomt) gewoonlijk hierin, dat het uitvoeringsrecht van muziekwerken

slechts voorwaardelijk (nl. als het uitdrukkelijk is voorbehouden)

wordt erkend, terwijl het opvoeringsrecht van dramatisch-muzikale

werken niet aan deze voorwaarde is gebonden [405]. Onze wet bevat

ook iets dergelijks, al meet zij de bescherming nog minder ruim toe;

uitvoeringsrecht van muziekwerken erkent zij in het geheel niet;

opvoeringsrecht van dramatisch-muzikale werken wél, al is het slechts

voorwaardelijk en in beperkte mate (artt. 1 en 15).

Of er voor deze verschillende behandeling van de dramatische en de

niet-dramatische muziekwerken een redelijke grond bestaat, laat ik

hier in het midden (in een volgend hoofdstuk hoop ik het tegendeel

aan te toonen); nu echter onze wet de onderscheiding maakt en er de

genoemde rechtsgevolgen aan verbindt, wil ik een oogenblik stilstaan

bij de vraag, wat in den zin der wet onder een "dramatisch-muzikaal

werk" te verstaan is.

Niet twijfelachtig is, dat daartoe behooren opera's en operettes,

werken dus die bestemd zijn om op het tooneel te worden opgevoerd;

men heeft echter gestreden over de vraag, of ook werken, die wel

dramatisch zijn bewerkt, maar niet uitsluitend voor den schouwburg

zijn bestemd, zooals oratoria en cantate's, tot de dramatisch-muzikale

werken gerekend kunnen worden. Schuster beweert van niet, op grond,

dat deze soort werken uiterlijke dramatiek missen; dit moet hier,

volgens hem, den doorslag geven: "da das Recht, und somit auch das

Urheberrecht als äussere Ordnung seiner Unterscheidung äussere Momente

zu Grunde legen muss" [406].

Ik moet bekennen, dat de waarde van dit argument mij ten eenenmale

ontgaat, doch ik wil er in één adem bijvoegen dat er voor de meening,

die men er tegenover zou kunnen stellen (volgens welke dus het

al of niet "dramatische" van een werk naar zijne meer innerlijke

eigenschappen, zijn opzet en bouw zou moeten worden beoordeeld) al

evenmin veel is te zeggen. Het beste schijnt mij, de vraag meer van

opportunistisch standpunt te beschouwen, zooals Kohler o. a. deed. Deze

redeneerde als volgt: het onderscheid, dat de wet maakt (zijn betoog

had betrekking op de oude Duitsche wet van 1876, nu vervangen door die

van 1901) tusschen dramatische en niet-dramatische muzikale werken

is in beginsel af te keuren daar de laatste evengoed bescherming

verdienen als de eerste; de bepaling is alleen te verdedigen als een

overgangsmaatregel, zoolang tegen een onvoorwaardelijk uitvoeringsrecht

van muziekstukken nog practische bezwaren worden gemaakt, die echter

bestemd is te verdwijnen (in dit opzicht heeft Kohler goed gezien);

en zijn slotsom is deze: "in Zweifel ist darum ein Musikstück als

dramatisch-musikalisch zu betrachten" [407].

Deze interpretatie kan m. i. ook aan de uitdrukking

"dramatisch-muzikale werken" van onze wet worden gegeven; temeer daar

in de memorie van antwoord de oratoria met name als daartoe behoorende

worden genoemd [408].

Eene andere vraag is, of ook die werken, welke eenen tekst ontberen

en waarin uitsluitend door gebarenspel de dramatische handeling

tot uitdrukking wordt gebracht, tot de dramatisch-muzikale werken

kunnen gerekend worden. M. i. is er geen reden om het tegendeel

aan te nemen. Dat balletten en pantomimes evengoed als geschreven

drama's tot de kunstscheppingen behooren te worden gerekend, die

door auteursrecht beschermd zijn, wordt in de laatste jaren bijna

door niemand meer ontkend. Reeds in 1885 op de Conferentie van Bern

tot voorbereiding van de internationale Conventie werd dit door den

Italiaanschen gedelegeerde Rosmini kort en duidelijk uitgesproken:

"... il ne s'agit pas seulement de protéger le libretto, qui n'est

qu'un canevas, ou la musique, qui n'est qu'un accessoire, mais

aussi l'action chorégraphique, qui est une création de l'auteur. Le

chorégraphe digne de ce nom est poète et artiste: il crée le sujet;

il ordonne les scènes, les décors, les costumes, les tableaux, les

couleurs; la suite, l'intrigue, le développement des pantomimes

et des danses, qui expriment le drame fantastique, mythologique

ou historique. Tout cela constitue une véritable oeuvre d'art,

et l'ensemble, une oeuvre dramatico-musicale. A ce double titre,

il y a donc lieu de protéger l'action chorégraphique" [409].

Ook indien men de balletten als kunstwerken minder hoog aanslaat

dan Rosmini blijkens zijne hier aangehaalde woorden scheen te doen,

zal men het feit, dat zij eene persoonlijke, aesthetische schepping

vertegenwoordigen, moeilijk kunnen loochenen. En dit is, zooals

wij gezien hebben, genoeg om de bescherming door auteursrecht te

rechtvaardigen. Natuurlijk moeten ook hier eenige eischen worden

gesteld. Niet elke vertooning die als ballet of pantomime wordt

aangekondigd, zal men een choregraphisch werk kunnen noemen,

waarvan den auteur bescherming toekomt. In geen geval behooren

hiertoe vertooningen, die tot eenig doel hebben de handigheid,

vlugheid of lichaamsschoonheid der uitvoerenden te doen bewonderen

of voorstellingen van clowns, acrobaten, dierentemmers en dergelijken

[410].

Balletten en pantomimes kunnen op verschillende wijzen door de

auteurs gefixeerd worden. In de eerste plaats door middel van het

choregraphische schrift, waarover reeds gesproken is (p. 129). In

de tweede plaats--en dit zal vooral voor pantomimes wel het meer

gebruikelijke middel zijn--door eene beschrijving van de standen,

gebaren, gelaatsuitdrukking enz. enz. van alle in de pantomime

optredende personen gedurende den geheelen loop van het stuk. Behalve

deze twee is er nog een derde middel, dat vooral in de laatste jaren

van groote beteekenis is geworden, nl. de kinematograaf. Met behulp

hiervan kan niet alleen de gang van het spel tot in de fijnste

bijzonderheden worden vastgelegd, maar men heeft er tevens een

middel in, om het ballet of de pantomime aanschouwelijk voor te

stellen. Daardoor kan de kinematographische vertooning in de plaats

treden van eene werkelijke opvoering door tooneelspelers, balletdansers

enz. Dikwijls zelfs worden pantomimes vervaardigd uitsluitend voor de

vertooning met den kinematograaf. Naast gebeurtenissen, die werkelijk

hebben plaats gehad, zooals optochten, militaire schouwspelen, de

aankomst van een trein enz. enz. ziet men in den laatsten tijd meer

en meer deze speciaal voor dat doel in elkander gezette "drama's"

en kluchten door den kinematograaf vertoonen. Indien pantomimes

in het algemeen tot de beschermde auteursproducten kunnen worden

gerekend, dan bestaat er niet de minste reden om aan deze bijzondere

soort bescherming te ontzeggen. Al zal men den naam "drama" voor deze

werken misschien niet geheel passend achten; het kan toch niet ontkend

worden, dat zij door de snelle opeenvolging en groote verscheidenheid

der tafereelen, die zich achtereenvolgens op de meest verschillende

plaatsen kunnen afspelen, nog meer dan de eigenlijke pantomimes zich

leenen, om dramatische conflicten tot uitdrukking te brengen.

De kinematographische afbeeldingen kunnen ook als photographieën

beschermd zijn, doch dit is een recht van geheel anderen aard,

dat niet verward moet worden met dat op het door den kinematograaf

vertoonde stuk, waarover hier gesproken wordt. Dit laatste recht is

van veel wijder strekking: niet alleen het maken van afdrukken der

oorspronkelijke films zou een inbreuk erop zijn, maar ook b.v. het

opnieuw laten vertoonen van hetzelfde stuk, hetzij door andere, hetzij

door dezelfde personen, om daarvan weer eene nieuwe kinematographische

afbeelding te maken. Het behoeft geen betoog, dat er alleen dán voor

dit recht grond bestaat, indien de voorgestelde tafereelen kunstmatig

in elkander zijn gezet en tezamen een geheel vormen, waarin althans

eenigszins een dramatisch element te herkennen valt. Tafereelen,

die zich in de werkelijkheid hebben afgespeeld, kunnen geen voorwerp

van een uitsluitend recht zijn, ook al hebben de daaraan deelnemende

personen zich min of meer gedragen naar de aanwijzingen van dengeen

die ze in beeld bracht.

In verband hiermee kan melding worden gemaakt van een eigenaardig

proces, dat voor eenige jaren in Frankrijk is gevoerd. Een dokter had

in zijne kliniek kinematographische afbeeldingen doen vervaardigen

van door hem verrichte operaties; van deze films werden zonder

zijne toestemming afdrukken in den handel gebracht en in het publiek

vertoond. De door hem ingestelde actie werd door de Seine-rechtbank

toegewezen. Daarbij werd aangenomen, dat de kinematographische

afbeeldingen als werken van beeldende kunst beschermd waren en dat als

auteur daarvan de eischer (nl. dokter Doyen) moest worden aangemerkt,

daar deze het was geweest, "qui a disposé d'abord son sujet, ses aides,

ses instruments; qu'il s'est assuré de la mise en plaque, c'est à dire

si le point important de la scène à reproduire se trouvait bien dans

le centre du verre dépoli; qui a été en un mot le principal auteur

des films" etc. [411]). Doch "la scène à reproduire" zelf werd niet

als een voorwerp van zijn auteursrecht beschouwd en terecht. Eene

operatie is geen drama: geen spel maar werkelijkheid. Zij moge als

wetenschappelijk-technische praestatie hare waarde hebben, auteursrecht

kan daardoor niet worden gevestigd.

Een recht als het door mij bedoelde, een recht dus op het speciaal

voor den kinematograaf vervaardigde "stuk", wordt, voorzoover mij

bekend is, nog in geen enkel land uitdrukkelijk in de wet omschreven

of door de jurisprudentie erkend. De eenige stellige bepaling, die mij

hierover bekend is, is die van art. 14 lid 2 en 3 der herziene Berner

Conventie, welke hieronder nog besproken zal worden. In een geval,

waar voor de erkenning van dit recht wellicht eenige grond bestond

(het betrof hier kinematographische tafereelen die tot titel voerden:

"Apparitions de la très Sainte Vierge à Bernadette") werd het bestaan

ervan ontkend door het Appelhof van Pau. De overwegingen waren o.a.:

"Attendu qu'une oeuvre cinematographique, de quelque valeur artistique

qu' elle puisse être, ne peut, en aucune manière, être assimilée aux

oeuvres dramatiques ou musicales; que cette oeuvre, non susceptible

d'interprétation, purement mécanique, ne saurait être l'objet d'une

représentation dans le sens donné à ce mot par la loi des 13-19

Janvier 1791 et par les articles 428 et 429 du Code Pénal;

Que, s'il est exact de prétendre que l'agencement et la composition

des tableaux représentés peuvent offrir un caractère artistique, le

mouvement dont sont douées les projections cinematographiques n'est

pas dû soit à l'auteur, soit à des exécutants, mais bien à la machine

spéciale au moyen de laquelle ce mouvement est obtenu, etc." [412]

Wegens de eigenaardigheid van het geval wil ik hier ten slotte

nog eene beslissing vermelden van de Seine-rechtbank van 9 Juni

1903. Hier waren geen kinematographische afbeeldingen in het spel,

maar eenvoudig een serie van tien prentbriefkaarten, die echter,

in bepaalde volgorde gelegd, eene soort van "dramatische" handeling

lieten zien, op soortgelijke wijze, maar natuurlijk niet zoo volkomen,

als een kinematographische rol. De rechtbank overwoog hierbij

o.a.: "... qu'il existe entre les dix scènes de la composition un

enchaînement qui indique la pensée de l' auteur; qu'en outre, la

position des personnages, leurs gestes, le jeu de leur physionomie,

leur attitude précisent et réalisent cette conception; ... qu'on

n'a pas cherché à reproduire les traits de telle ou telle personne

déterminée, mais à figurer par une série de petits tableaux une idée

que la mimique des personnages fait comprendre; que sans rechercher

quel peut être le mérite ou la valeur artistique d'une telle oeuvre,

il est certain qu'elle bénéficie de la protection de la loi du 10

Juillet 1793" [413].

Hier werd dus wel degelijk het dramaatje, dat in die tien

prentbriefkaarten was neergelegd, als voorwerp van auteursrecht

erkend. De handeling, waardoor volgens het oordeel der Seine-rechtbank

inbreuk op dat recht was gemaakt, bestond niet in de reproductie

van de oorspronkelijke photographieën, maar in de reproductie van

de tien tafereelen; er waren geheel nieuwe opnamen gedaan waarvoor

andere personen geposeerd hadden.

Het komt mij voor, dat dit laatste vonnis wel wat al te ver ging in het

erkennen van auteursrecht. Wat hier als object van auteursrecht werd

beschouwd, was niet veel meer dan "une idée" in den zin, waarin ons

woord "idee" wel wordt gebruikt, nl. eene invallende gedachte, en niet

eene schepping, die aanspraak geeft op auteursbescherming. Het vonnis

geeft overigens een eigenaardig staaltje van de vrijheid, waarmede de

rechtspraak in Frankrijk zich beweegt bij het interpreteeren van de

wettelijke bepalingen op het auteursrecht. Met het oog hierop meen ik

ook te kunnen zeggen, dat er tenminste in dát land geen speciale wet

noodig zal zijn, om de bescherming, die in de voorgaande bladzijden

werd bepleit (voor de stukken nl. die aan den kinematograaf hun

aanzijn hebben te danken), daadwerkelijk in te voeren.

Ten aanzien van ons land zou ik echter hetzelfde niet met even

groote zekerheid durven te zeggen. Kunnen balletten en pantomimes,

waarbij muziek behoort, al gerekend worden tot de dramatisch-muzikale

werken, dit is ten aanzien van de hier bedoelde werken natuurlijk

uitgesloten. "Geschriften" zijn zij al evenmin; dus zou er niets

anders overblijven dan ze te rangschikken onder de "tooneelwerken",

waarvan onze wet spreekt. Met eene dergelijke interpretatie zou men

echter de grenzen, die de wetgever voor oogen heeft gehad, te ver

overschrijden. Naar ons bestaande recht meen ik dus, dat de bedoelde

werken onbeschermd zijn. Bij eene toekomstige herziening zou daarom

het opnemen eener bepaling als die van art. 14 tweede en derde lid

der Berner Conventie, ook in verband met eene aansluiting van ons

land bij het internationale Verbond, wel aanbeveling verdienen.

§ 6 Werken van beeldende kunst

De scheppingen op het gebied der beeldende kunst zijn, als alle

kunstwerken, in wezen geestelijk en niet stoffelijk, d. w. z. de

stof is slechts middel van uitdrukking en geen bestanddeel van

het kunstwerk. Toch staat uit den aard der zaak de beeldende

kunstenaar anders tot de stof dan de auteur van een geschrift

of muziekwerk. Het verschil ligt hierin, dat--wat men zou kunnen

noemen--: de verwerkelijking van het werk in de stoffelijke wereld,

door schrijvers en componisten aan anderen (zangers, orkestspelers,

tooneelspelers enz.) kan worden overgelaten, daar zij in het schrift

(letter- en notenschrift) een middel hebben, om hunne schepping

door symbolische teekens weer te geven. De beeldende kunstenaar

daarentegen moet het zonder deze tusschenpersonen stellen; hij moet,

zij het slechts eenmaal, zijne schepping zelf verwerkelijken. Daarom

kan van hem worden gezegd, dat hij tegelijk scheppend en uitvoerend

kunstenaar is.

Het stoffelijk voorwerp, dat uit de handen van den beeldenden

kunstenaar komt, laat ons b.v. zeggen een schilderij in olieverf,

heeft dus wel eene andere beteekenis dan het manuscript van een

schrijver of componist. Het eerste is de verwerkelijking van een

kunstwerk, het tweede is niet meer dan een middel, waardoor de

verwerkelijking, ook door anderen dan de auteur, mogelijk wordt

gemaakt. Doch men moet daarom niet bij een werk van beeldende kunst

de schepping van den kunstenaar vereenzelvigen met het stoffelijk

voorwerp, waarin de schepping verwerkelijkt is. Zijne schepping is

niet aan dat ééne voorwerp gebonden, evenmin als b.v. een muziekstuk

aan ééne uitvoering. Doek en verf spelen in het werk van den schilder

ongeveer een zelfde rol als de geluidstrillingen bij de uitvoering

van een muziekwerk: zij zijn de middelen, waardoor het kunstwerk

voor de zintuigen waarneembaar wordt gemaakt. Dat de eerste van

meer blijvenden aard zijn dan de laatste is een gevolg hiervan,

dat beeldende kunst en muziek zich tot verschillende zintuigen

richten. Muziek, als rhythmisch-melodische kunst, kan alleen door het

oor worden waargenomen en speelt zich daarom af in een bepaalden tijd;

de werken van beeldende kunst daarentegen, die moeten worden gezien,

hebben voor hunne verwerkelijking een voorwerp noodig, dat niet aan een

bepaalden tijd is gebonden, maar dat zijne grenzen vindt in de ruimte.

Object van het auteursrecht van den beeldenden kunstenaar is--het

zal wel nauwelijks behoeven te worden gezegd--niet het lichamelijke

voorwerp, dat de schepping verwerkelijkt, maar de onlichamelijke

schepping zelve. Om hiervan een goed denkbeeld te krijgen, moeten

wij ons het kunstwerk denken ontdaan van de materieele hulpmiddelen

die de kunstenaar heeft gebruikt om zijne conceptie aanschouwelijk te

maken. "Wir müssen,"--zooals Kohler het uitdrukt--"von der concreten

Darstellung abziehen einmal die äuszere Form (d. w. z. het procédé:

krijtteekening, olieverf, aquarel enz. enz.) müssen uns daher

vergegenwärtigen, was das gemeinsame ausmacht, wenn wir das Bild in

verschiedenen Kunstformen wiedergeben" [414].

Dat de schepping van den kunstenaar (dus het object van zijn

recht) onafhankelijk is van een bepaald materieel voorwerp is

het gemakkelijkst in te zien wanneer die schepping in denzelfden

kunstvorm meerdere malen verwerkelijkt is, en wel in het bijzonder

wanneer het aangewende procédé toelaat, dat meerdere exemplaren

worden vervaardigd, die niet van elkander zijn te onderscheiden. Dit

is b.v. het geval met etsen en houtsneden; elke afdruk die van het

door den kunstenaar vervaardigde cliché is gemaakt, is eene even

volmaakte verwerkelijking zijner schepping. In den laatsten tijd is

men er ook in geslaagd zonder gebruikmaking van het oorspronkelijke

cliché reproducties te maken van prenten van allerlei aard, die zóó

getrouw het origineel weergeven, dat slechts door deskundigen het

onderscheid kan worden gezien. Er zijn echter kunstwerken, waarvan

het zeer moeilijk is eene reproductie te maken, die volkomen met

het origineel overeenstemt. Van een schilderij b. v. kan men zich

wel eene kopie denken, die, zoover ons waarnemingsvermogen gaat,

in alle onderdeelen eene absolute gelijkenis met het gekopieerde

vertoont; in de werkelijkheid bestaan zulke kopieën niet [415]. Doch

dat de mogelijkheid in abstracto kan worden aangenomen, is ons hier

genoeg. In de practijk, d. w. z. in de practijk van het auteursrecht,

komt het er niet op aan, of men met eene gebrekkige kopie heeft te

maken dan wel met de meest volmaakte, die zich denken laat.

Behalve met reproducties in denzelfden of een soortgelijken kunstvorm

hebben wij nu ook te doen met die in een anderen kunstvorm. Naar eene

schilderij kan b.v. een ets, of eene houtsnede of eene krijtteekening

worden gemaakt; eene aquarel kan door middel der chromo-lithographie

worden gereproduceerd, enz. enz.; al deze reproducties of kopieën in

andere kunstvormen zijn min of meer volmaakte en min of meer getrouwe

verwerkelijkingen van de oorspronkelijke schepping.

Het is nu allereerst noodig de geestelijke schepping van den beeldende

kunstenaar, die het object uitmaakt van zijn auteursrecht, eenigszins

nader te karakteriseeren.

Het begrip "beeldende kunst" staat--er is reeds op gewezen--algemeen

vast. In het bijzonder bestaat verschil van meening hierover, of tot

de werken van beeldende kunst, die voorwerp zijn van auteursrecht,

ook gerekend moeten worden: photographieën, werken der bouwkunst en

de producten van kunstnijverheid of toegepaste kunst. Over deze drie

categorieën van werken zal ik hieronder afzonderlijk nog spreken;

ik laat ze daarom voorloopig buiten beschouwing en neem dus het woord

beeldende kunst in de meer enge beteekenis, die daaraan ook gewoonlijk

gegeven wordt.

Nadat de grenzen van het gebied der beeldende kunsten hiermede

eenigermate zijn uitgestippeld, kan van de kunstwerken, die hiertoe

behooren, in het algemeen worden gezegd, dat zij zijn aesthetische

scheppingen, welke door middel van lijnen, kleuren en vormen eene

innerlijke voorstelling van den kunstenaar veraanschouwelijken.

De grondslag--of zoo men wil: de inhoud--van elk werk van beeldende

kunst is de innerlijke voorstelling van den kunstenaar. Waar deze

ontbreekt, waar dus b.v. alleen kleuren en lijnen zijn te zien,

die het oog aangenaam aandoen, maar die niet gezegd kunnen worden

iets in beeld te brengen, daar heeft men ook niet met een werk van

beeldende kunst te doen [416]. Kohler bedoelt waarschijnlijk niets

anders, waar hij, met een wel wat groot woord, het werk van beeldende

kunst karakteriseert als: "Darstellung einer Weltschöpfungsidee"

[417]. Men zou ook, om eene meer eenvoudige uitdrukking te gebruiken,

kunnen zeggen, dat een vereischte voor een werk van beeldende kunst

is, dat het "iets voorstelt." De voorstelling, d. w. z. datgene

wat de kunstenaar min of meer bewust voor den geest heeft gestaan,

kan ontleend zijn aan wat hij in de werkelijkheid heeft gezien. Doch

waar de beeldende kunstenaar naar tracht, is niet de werkelijkheid

na te bootsen of eene nieuwe werkelijkheid te scheppen; zijn doel is

eene aesthetische aandoening te bewerken door de veraanschouwelijking

van zijne persoonlijke voorstelling van de werkelijkheid. Daarom is

b.v. de voorstelling van eene kamer of van een woud op het tooneel

geen werk van beeldende kunst [418]. Evenmin zijn als zoodanig te

beschouwen de wassen poppen in een panopticum; immers de bedoeling

hiervan is juist, dat zij zoo bedriegelijk mogelijk de werkelijkheid

nabootsen. De grootste triomf voor den vervaardiger is het, als de

poppen door den beschouwer voor echte menschen worden aangezien. Aan

den beeldenden kunstenaar is echter elk streven, om zijn werk voor

realiteit te laten doorgaan, vreemd.

Aan den anderen kant moet de voorstelling van den kunstenaar, wil

zijn werk aan het doel, nl. het wekken van aesthetische aandoeningen,

beantwoorden, niet te zeer afwijken van hetgeen in de werkelijkheid

is te zien. Hij kan natuurlijk wel zijne phantasie laten werken en

zelfs iets in beeld brengen, dat zich zoo in werkelijkheid nooit zou

kunnen voordoen; doch altijd moet het beeld bij den beschouwer de

herinnering aan werkelijk geziene dingen wekken. Een schilderij of

teekening, waarvan niemand kan zeggen "wat het voorstelt", is niet

als werk van beeldende kunst te beschouwen.

Geen vereischte is echter, dat het werk een zekeren graad van

volmaaktheid vertoone. De meerdere of mindere kunstwaarde mag uit het

oogpunt van het auteursrecht niet in aanmerking worden genomen. Dit

is een regel, die ook voor geschriften en andere kunstwerken geldt,

en die na hetgeen daarover reeds gezegd is wel geene nadere verklaring

zal behoeven [419].

Welke zijn nu de bestanddeelen, waaruit de schepping van den beeldenden

kunstenaar, die aan bovengenoemde eischen voldoet, bestaat?

Het motief of onderwerp kan hiertoe niet gerekend worden. Dit wordt

niet door den kunstenaar geschapen, maar gevonden; en dat het niet

aangaat, aan één persoon het monopolie op een bepaald onderwerp te

geven (wat--zooals wij gezien hebben--in den tijd der privilegiën wel

voorkwam) [420], zal nu wel nergens tegenspraak ontmoeten. Dit geldt

niet alleen voor portretten, landschappen, stillevens enz. maar ook

voor de zoogenaamde genre-stukken en afbeeldingen van geschiedkundige

tafereelen, waarbij het tafereel op zich zelf eene--zij het ook geheel

uiterlijke--beteekenis heeft [421].

Het staat dus ieder vrij, zijn onderwerp te kiezen waar hij wil, ook al

is het reeds door anderen vóór hem gebruikt. Het onderwerp is echter

iets anders dan wat ik hierboven noemde de "innerlijke voorstelling"

van den kunstenaar. Afgezien van de techniek en afgezien ook van

de compositie zal hetzelfde onderwerp door twee schilders niet op

dezelfde wijze behandeld worden.

In deze verschilpunten openbaart zich de persoonlijkheid van elken

kunstenaar. Hetzelfde landschap, hetzelfde menschen-gezicht zal bij

den een een geheel andere innerlijke voorstelling wekken dan bij

den ander en bijgevolg ook tot het scheppen van een ander kunstwerk

leiden. Kohler spreekt te dien aanzien van "die individuelle Weise,

in welcher der Künstler seinen Stoff idealisirt, in Idealweise

gebildet hat" [422]. Dit kan natuurlijk op verschillende wijzen en

door verschillende middelen worden bereikt; elke kunstenaar volgt

hierin min of meer zijn eigen weg, al zal zijn werk op enkele punten

verwantschap met dat van anderen toonen.

Deze innerlijke voorstelling van den kunstenaar kan men den inhoud

zijner schepping noemen. Zij is het "imaginäre Bild",--de "innerlijke

visie" zou men hier zeggen--die in verschillende vormen aanschouwelijk

kan worden gemaakt.

De "vorm" is hier weer te onderscheiden in een innerlijken en een

uiterlijken. Den innerlijken vorm zal men voornamelijk hebben te zoeken

in wat gewoonlijk genoemd wordt de compositie, d.w.z. de wijze waarop

de verschillende onderdeelen worden gerangschikt, op den voorgrond

of op den achtergrond, in licht of in schaduw worden gezet, zóó dat

zich daaruit één harmonisch geheel vormt. Hiertoe behoort ook in het

bijzonder de begrenzing van het stuk [423]; zoo kan bij landschappen

of zeegezichten de hoogte van de lucht in verhouding tot het geheel

een belangrijke factor zijn; terwijl b.v. de bewegelijkheid van een

menschengroep kan worden verhoogd, door de figuren, die zich aan de

uiteinden bevinden, slechts voor de helft te doen zien, zoodat zij

uit de lijst in het schilderij schijnen te stappen [424].

Dat deze innerlijke vorm niet gelijk met de visie gegeven behoeft

te zijn en dat deze laatste ook niet steeds aan één enkele wijze van

compositie gebonden is, blijkt wel hieruit, dat kunstenaars dikwijls

beginnen met schetsen of modellen, waarin nu eens deze, dan weer een

andere vorm beproefd wordt, totdat eindelijk gevonden is wat voor de

definitieve verwerkelijking passend wordt geacht.

Ten slotte wordt dan aan het werk zijn uiterlijke vorm gegeven,

d. w. z. het wordt in een bepaald procédé (olieverf, aquarel,

crayon-teekening enz. enz.) uitgevoerd. De uiterlijke vorm is dus

voornamelijk de techniek. Ook deze is een element van den scheppenden

arbeid des kunstenaars; er komt niet alleen technische vaardigheid

bij te pas, die ieder kan aanleeren. Dit geldt in het bijzonder voor

de schilderkunst: het is dikwijls vooral de "manier van schilderen"

waaraan de werken van een grooten meester zijn te herkennen. Doch

ook in de behandeling van andere kunstvormen kan de kunstenaar zijne

persoonlijkheid, zijn eigen stijl toonen. Men denke zich bij voorbeeld

twee etsen naar dezelfde schilderij. Slechts zelden zal het voorkomen,

dat men daartusschen niet belangrijke verschilpunten ontdekt, die

natuurlijk alleen zijn te verklaren uit het verschil in werkwijze

der twee kunstenaars.

Als de drie hoofdbestanddeelen in de schepping van den beeldenden

kunstenaar kunnen wij dus na het voorgaande beschouwen: de innerlijke

voorstelling, de compositie en de technische uitvoering, die zich, wat

hunne onderlinge verhouding aangaat, eenigszins laten vergelijken met:

melodie, harmonie en instrumentatie in de muziek. De gevolgtrekkingen

ten aanzien van het auteursrecht zijn geheel analoog aan die, welke ten

opzichte der geschriften en muziekwerken gemaakt zijn. Ik meen dus, dat

zonder verdere toelichting de volgende regels kunnen worden gesteld.

Object van auteursrecht is--zooals altijd--alleen datgene, wat de

schepping van den auteur uitmaakt. Bij volkomen oorspronkelijke

werken heeft dus de auteur recht, niet alleen op den uiterlijken

en innerlijken vorm, maar ook op den inhoud: de "innerlijke

voorstelling". Wanneer deze door een ander wordt overgenomen, is dit

een inbreuk op het auteursrecht; ook al verschijnt de voorstelling in

een anderen kunstvorm. Het is dus b.v. niet geoorloofd een ets naar een

schilderij te maken of eene staalgravure naar eene potloodteekening

enz. enz.; dit is ook dán niet het geval, indien in de compositie

wijzigingen zijn aangebracht.

Aan den anderen kant komt aan den bewerker van den nieuwen innerlijken

of uiterlijken vorm een eigen auteursrecht toe, onverschillig of

het oorspronkelijke werk al dan niet beschermd is. Hiervoor geldt,

wat boven over het recht van den vertaler en van den bewerker van

muziekwerken is gezegd. Hij die eene ets maakt naar een schilderij kan

dus verhinderen, dat die ets door anderen zonder zijne toestemming

gereproduceerd wordt; niet echter dat van dezelfde schilderij een

andere ets wordt gemaakt.

Ten slotte moet ook hier in het oog worden gehouden, dat niet de

abstracte vorm object van auteursrecht is, maar alleen de vorm in

verband met een concreten inhoud. Niet verboden is daarom het navolgen

van den stijl of de "manier" van een ander, voorzoover dit op nieuwe

onderwerpen wordt toegepast.

Het zou hier de plaats zijn om, evenals ik ten aanzien der hierboven

behandelde categorieën auteursproducten gedaan heb, na de theoretische

beschouwingen een blik te slaan op het bestaande recht in ons land,

en, voorzoover de vergelijking van nut kan zijn, ook op dat in

andere landen. Daar echter een auteursrecht op werken van beeldende

kunst in ons land in het geheel niet bestaat, is natuurlijk eene

bespreking van dezen aard hier uitgesloten. Wel zou als grondslag

daarvan kunnen worden genomen het Wetsontwerp tot regeling van het

auteursrecht op werken van beeldende kunst, dat indertijd door de

Regeering is ingediend, doch daar dit reeds meer dan een kwart eeuw

oud is, heeft het zijne beteekenis als toekomstige wet voor een

groot deel verloren. Ik zie daarom van eene eenigszins uitvoerige

bespreking ervan af [425], en bepaal mij tot eene enkele opmerking,

die met mijne hierboven gehouden beschouwingen verband houdt. Deze

opmerking geldt het vierde artikel van het Ontwerp, dat aldus luidt:

Hij, die een werk van beeldende kunst, door een ander vervaardigd,

op wettige wijze, maar door eene andere beeldende kunst of door

eene mechanische bewerking namaakt, heeft op dien namaak het recht,

bij art. 1 aan den oorspronkelijken vervaardiger van een kunstwerk

toegekend, hetzij van het oorspronkelijke kunstwerk een bij art. 1

bedoeld uitsluitend recht bestaat of niet.

Hier wordt dus erkend het recht van hem, die de schepping van een

ander in een nieuwen kunstvorm weergeeft. Het blijkt echter, dat de

voorstellers van het Ontwerp over dit recht in verschillende opzichten

zich onjuiste voorstellingen hadden gevormd. Hierop wenschte ik nu

in het volgende even te wijzen.

In de eerste plaats kan hier eene opmerking worden herhaald, die

reeds door Mr. Swart werd gemaakt, dat het nl. niet consequent is,

waar het niet-oorspronkelijke werken betreft, ook de "mechanische

bewerking" te beschermen, terwijl in art. 1 van het Ontwerp, waar

het auteursrecht in het algemeen is omschreven, alleen van "werken

van beeldende kunst" wordt gesproken. Het gevolg zou dus zijn,

dat b.v. eene photographie van een schilderij wél, doch die van een

natuurtafereel of van personen níet beschermd zou zijn. Een redelijke

grond hiervoor is niet aan te wijzen [426].

Een ander bezwaar is, dat de bescherming van art. 4 alleen wordt

verleend, indien de reproductie "op wettige wijze" is gemaakt. Dit

beteekent dus, dat door de vervaardiging geen inbreuk wordt gemaakt

op het recht van den auteur van het origineel, hetzij omdat dit

recht niet (meer) bestaat, hetzij omdat de rechthebbende toestemming

heeft verleend aan den reproductor of aan dezen zijn recht op het

oorspronkelijke werk heeft overgedragen. Er bestaat echter geen reden

voor, om alleen de "wettige" reproductie te beschermen. Ik kan hier

verwijzen naar hetgeen dienaangaande is opgemerkt bij de bespreking van

het recht van den vertaler op zijne vertaling. De vertaler--is daar

betoogd (p. 179)--heeft aanspraak op bescherming, onverschillig of

zijne vertaling al dan niet "rechtmatig", d. w. z. niet in strijd met

het uitsluitend vertalingsrecht van den oorspronkelijken schrijver,

is. Hier hebben wij nu met een volkomen analoog geval te doen. Het

recht op de reproductie moet onafhankelijk blijven van dat op het

oorspronkelijke werk.

Dat men deze beide rechten niet goed uit elkaar hield, blijkt ook uit

de bepaling van art. 11 van het Ontwerp. Daar vindt men de bepaling,

dat het recht van art. 4 (het recht dus van den reproductor op zijne

reproductie) duurt: "tien jaren of zooveel langer als het auteursrecht

op het oorspronkelijke kunstwerk nog van kracht blijft". Vooreerst

is de bijzondere termijn van korten duur (het auteursrecht op

oorspronkelijke werken duurt volgens het Ontwerp vijftig jaar) hier

misplaatst. In de memorie van toelichting werd dit verdedigd met een

beroep op eene analoge bepaling in de W. A. R. ten aanzien van het

recht van de vertalers op hunne vertaling: "de duur van dit recht is

echter hier op tien jaren en dus veel langer dan dat van den vertaler

op zijne vertaling gesteld ... enz." [427]. Duidelijk blijkt hieruit,

dat men het recht van den vertaler verwarde met het uitsluitend

vertalingsrecht; immers alleen dit laatste wordt door de W. A. R. aan

den korten termijn van vijf jaar gebonden. Doch eene verwarring van

dezelfde soort blijkt ook uit de laatste zinsnede van art. 11, volgens

welke het auteursrecht op de reproductie even lang duurt als dat op het

oorspronkelijke kunstwerk. De bepaling is klaarblijkelijk gemaakt ter

wille van den auteur van dit laatste, want er bestaat geen reden den

navolger van een wél beschermd kunstwerk een langer recht te geven dan

hem, die een niet-beschermd kunstwerk ter navolging heeft gekozen. De

oorspronkelijke auteur heeft echter aan zijn eigen recht genoeg,

daar dit hem ook tegen de reproductie van eene reproductie beschermt.

§ 7 Kunstnijverheid, photographie en bouwkunst

Reeds uit het feit, dat ik drie zulke heterogene zaken als met

de hierboven geplaatste woorden worden aangeduid in één paragraaf

tezamen behandel, zal voldoende blijken, dat ik mij niet voorstel

eene diepgaande studie van elk van deze drie te leveren. Over elk

dezer onderwerpen--en in het bijzonder over de kunstnijverheid--zou in

verband met het auteursrecht zeker veel zijn te zeggen; ik heb echter

om verschillende redenen hiervan afgezien. Men verwachte hier dus niet

meer dan enkele korte opmerkingen, die ik ter wille der volledigheid

niet achterwege meende te kunnen laten.

Wat in de eerste plaats de kunstnijverheid betreft, hieronder

meen ik in het algemeen te moeten verstaan: de vervaardiging van

kunstvoorwerpen, die tevens tot practisch gebruik dienen.

Men kan deze producten in twee hoofdgroepen verdeelen. Tot de eerste

groep behooren die gebruiksvoorwerpen, waarop graphische of plastische

afbeeldingen zijn aangebracht, zooals b.v. beschilderde paneelen,

plafonds, schermen, lampenkappen, waaiers, meubelen, wapenen of andere

voorwerpen die en relief voorstellingen dragen enz. enz. Voor deze

categorie van producten zal moeten worden aangenomen, dat de werken van

beeldende kunst, die er op zijn aangebracht, evengoed als alle andere

beschermd dienen te zijn. Het materieele voorwerp is natuurlijk geen

object van auteursrecht, evenmin als het doek of papier van schilderij

of teekening; er is geen enkele reden aan te wijzen waarom hier niet

van een "werk van beeldende kunst" zou kunnen worden gesproken, alleen

omdat het materieele voorwerp, dat drager is van het kunstwerk, een

ander karakter of andere eigenschappen heeft dan bij de zoogenaamde

"zuivere kunstwerken" [428].

De tweede groep wordt gevormd door die producten, die in hun geheel

beschouwd de verwerkelijking zijn eener artistieke schepping. Deze

werken kan men geen producten van beeldende kunst noemen, daar

zij niets in beeld brengen. Zij missen een "geestelijken inhoud";

hunne aesthetische waarde berust uitsluitend op de vormschoonheid,

die mede bepaald wordt door het practische gebruik, waartoe

zij bestemd zijn. Tot deze werken kunnen producten van overigens

geheel verschillenden aard behooren, zooals b.v. meubelen, tapijten,

handwerken, kant, vazen, lampen, gouden en zilveren luxe-voorwerpen,

boekbanden, lettertypen, borden en schotels van porcelein en aardewerk

enz. enz. Terwijl de producten van deze soort vroeger in de meeste

landen als nijverheidsproducten tegen namaak beschermd waren, zoodat

zij dus onder het gebied van den industrieelen eigendom vielen, is

in de laatste jaren meer en meer een streven waar te nemen, om ze

tot de kunstwerken en bijgevolg tot de voorwerpen van auteursrecht

te rekenen. In beginsel kan m. i. hiertegen geen bezwaar zijn;

ongetwijfeld kunnen ook deze werken de verwerkelijking zijn van

oorspronkelijke aesthetische scheppingen, al zijn zij overigens niet

met de eigenlijke kunstwerken op ééne lijn te stellen.

In verschillende landen is op deze wijze het gebied van het

auteursrecht ten koste van dat van den industrieelen eigendom in de

laatste jaren uitgebreid (zoo o. a. in Duitschland door de wet van

9 Jan. 1907; in Frankrijk door eene speciale wet van 11 Maart 1902;

in Denemarken door een speciale wet van 28 Febr. 1903); het is er

echter nog verre vandaan, dat de grens tusschen auteursrecht en

industrieelen eigendom overal volgens dezelfde kenteekenen scherp

getrokken kan worden [429].

Voor ons land, waar nóch het een nóch het ander bestaat, is dit

vraagstuk natuurlijk nog niet van practisch belang. Men kan echter

aannemen, dat wanneer eerlang tot de invoering van auteursrecht

op werken van beeldende kunst zal worden overgegaan, ook over

bescherming der nijverheids- en toegepaste kunst zal gedacht worden,

daar ook op dit gebied gemis van bescherming zich reeds sterk heeft

doen gevoelen [430]. Of volgens het Ontw. B. K. dat in het algemeen

spreekt van "werken van beeldende kunst" ook enkele producten van

kunstnijverheid zouden vallen, is eene vraag, waarover getwist

zou kunnen worden. M. i. zou men zich hierbij moeten houden aan de

begripsbepaling, die ik hierboven van de werken van beeldende kunst

heb trachten te geven. Doch in elk geval zal het gewenscht zijn,

dat eene toekomstige wet zich over deze vraag duidelijker uitspreke.

Ook ten aanzien der photographie heeft zich de vraag voorgedaan,

of deze tot de beeldende kunsten is te rekenen en of dus hare

producten onder de bescherming vallen, die de wet aan werken van

beeldende kunst verleent. Ik geloof niet dat het eenig nut heeft,

hier over deze vraag in beschouwingen te treden [431]. Iedereen zal

het er wel over eens zijn, dat de photographie niet op eene lijn

is te stellen met teeken-, schilder- en beeldhouwkunst; daarvoor

is zij te weinig persoonlijk, te veel mechanisch. Een gedeelte van

het werk wordt niet door den photograaf, maar door het toestel

gedaan. Aan den anderen kant kan niet worden ontkend, dat met

behulp der photographie afbeeldingen zijn te verkrijgen, die wat

het aesthetisch effect betreft, dat ermede is bereikt, niet behoeven

onder te doen voor menige teekening. Nu is het zeker waar, dat bij

het photographeeren veel van toevallige omstandigheden kan afhangen,

die geheel buiten den photograaf omgaan. Het is b.v. mogelijk, dat

iemand, die nooit een toestel in handen heeft gehad, geheel en al

"bij ongeluk", eene welgeslaagde opname doet. Zulke gevallen zijn

echter uitzonderingen. In het algemeen kan worden aangenomen, dat

de goede eigenschappen (uit aesthetisch oogpunt) eener photographie

het werk zijn van den photograaf; daarom kan ook hier m. i. met het

volste recht gesproken worden van eene aesthetische schepping. En

waar de photographie overigens met de beeldende kunsten gemeen heeft,

dat zij blootstaat aan ongeoorloofde exploitatie door anderen, daar

bestaat er alle reden om ook den photograaf evenals den beeldenden

kunstenaar het auteursrecht op zijne schepping te verleenen.

In de meeste landen wordt dit ook aldus opgevat. De photographieën

worden in de wet op het auteursrecht met name onder de beschermde

producten genoemd; zij worden echter met de kunstwerken in engeren zin

niet volkomen op ééne lijn gesteld, hetgeen dan voornamelijk hieruit

blijkt, dat het auteursrecht op photographieën veel korter duurt dan

dat op andere werken. Zoo hebben Duitschland, Oostenrijk en Japan

voor dit recht een termijn van tien jaar; Denemarken, Noorwegen,

Zweden en Zwitserland een van slechts vijf jaar na de vervaardiging

of het eerste verschijnen.

De bouwkunst wordt al van ouds tot de schoone kunsten gerekend. Zij

heeft echter dit met de kunstnijverheid gemeen, dat hare werken

niet een zuiver aesthetisch karakter hebben, maar ook, en dikwijls

wel voornamelijk, tot practisch gebruik moeten dienen. Dit is zeker

een van de voornaamste redenen, waarom de werken der bouwkunst nog

niet algemeen tot de beschermde auteursproducten worden gerekend. Een

afdoende reden is dit m. i. echter niet. Het moge waar zijn, dat men

bij vele bouwwerken vergeefs zoekt naar eene origineele aesthetische

schepping, waarvan zij de belichaming zouden zijn; men kan zelfs

toegeven, dat bij het bouwen van verreweg de meeste woningen vrijwel

uitsluitend met de practische eischen, waaraan het huis moet voldoen,

rekening wordt gehouden en de schoonheid van het geheel slechts in

de laatste plaats in aanmerking komt; dit is nog geen reden om nu

ook aan de, zeer zeker ook bestaande, werken der bouwkunst, welke wél

de verwerkelijking eener aesthetische schepping zijn, de bescherming

van het auteursrecht te onthouden.

Er is ook nog tegen een auteursrecht op werken der bouwkunst het

argument aangevoerd, dat eene dergelijke bescherming niet noodig was,

daar de bouwkundigen tegen reproductie hunner werken, voorzoover deze

mogelijk is, reeds voldoende bescherming vonden in het auteursrecht

op de bouwkundige teekeningen. Doch ook dit is niet juist. Het

auteursrecht op de bouwkundige teekeningen (die behooren tot de

"technische en wetenschappelijke kaarten en platen" waarover hierboven

in § 3 is gesproken) heeft alleen betrekking op de reproductie dier

teekeningen zelf. Alleen de vorm en niet de inhoud (d. i. dus hier:

de schepping van den bouwmeester) is object van het auteursrecht

[432]. De bouwkundige teekening is niet de verwerkelijking van het

bouwwerk; zij bevat slechts de aanwijzingen, die tot de verwerkelijking

in staat stellen. Het onderscheid tusschen auteursrecht op bouwkundige

teekeningen en dat op de bouwkundige werken zelf bestaat dus hierin,

dat het laatste de uitsluitende bevoegdheid geeft tot reproductie

of verwerkelijking in alle vormen; niet alleen het uitsluitend

reproductie-recht van de teekeningen, maar ook het recht, het gebouw

naar de teekeningen uit te voeren, en tevens het eenmaal uitgevoerde

gebouw weer op andere wijze, b.v. door photographie, te reproduceeren.

Zooals gezegd vindt dit recht nog geen algemeene erkenning, al kan

worden opgemerkt, dat de bedenkingen, die er vroeger tegen werden

gemaakt, minder beginnen te worden. Bouwkundige werken worden met

name onder de auteursproducten genoemd in de wetten van: Duitschland

(art. 2 wet v. 7 Jan. 1907, doch slechts voorzoover zij met een

artistiek doel zijn vervaardigd), Frankrijk (wet van 11 Maart 1902

[433] en Luxemburg (art. 1). Ook in Zwitserland vallen de bouwwerken,

voorzoover zij als kunstwerken zijn te beschouwen, onder de bescherming

der wet (wet v. 23 April 1883 artt. 1 en 11 no. 8). In België bestaat

het recht volgens eene vaste jurisprudentie [434]; in Spanje en Italië

is het twijfelachtig [435].

Wat ten slotte ons Ontw. B. K. betreft, daarin worden de werken der

bouwkunst uitdrukkelijk van de bescherming uitgesloten.

Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht · 第 37 / 215 题