I De werken, waarbij als materiaal eene taal dienst doet, en wel:

a) de woordtaal (geschriften van allerlei aard);

b) de taal van lijnen en figuren in: kaarten en platen van

technischen of wetenschappelijken aard;

c) de taal der muziek (werken der toonkunst);

d) de taal van gebaren en mimiek (choregraphische werken);

II De werken der beeldende kunsten, waarbij te onderscheiden

vallen:

a) de eigenlijke beeldende kunsten, zoowel graphische (in

twee afmetingen) als plastische (in drie afmetingen);

b) de kunstnijverheid;

c) de photographie;

d) de bouwkunst.

Alle werken, waarop auteursrecht kan worden gevestigd, zijn onder een

van de hier genoemde rubrieken in te deelen; doch niet overal is de

bescherming zóó volledig, dat zij al deze groepen omvat. In sommige

landen bestaat b.v. geen auteursrecht op choregraphische werken,

terwijl ook de werken der bouwkunst, de photographieën en de producten

der kunstnijverheid niet overal tot de beschermde auteursproducten

worden gerekend. Ons land, waar de geheele hoofdgroep "werken van

beeldende kunst" onbeschermd is, staat echter in dit opzicht onder

de beschaafde staten alleen.

In verband met de boven gegeven indeeling der verschillende

auteursproducten in groepen kan nog worden opgemerkt, dat er ook werken

zijn, die aan de samenwerking van twee kunsten hun ontstaan te danken

hebben. Deze samenwerking kan plaats hebben tusschen de kunst van het

woord en die van het beeld (geïllustreerde geschriften, teekeningen,

inzonderheid caricaturen met onderschriften); tusschen dans en muziek

(bij bijna alle pantomimes en balletten behoort muziek); maar vooral

is zij van belang tusschen de woorden de toonkunst. Tekst en muziek

kunnen op verschillende wijzen met elkander in verbinding worden

gebracht tot de vorming van een geheel. Het meest los van elkander

blijven zij daar, waar het geschrift (vers of prozastuk) slechts

de aanleiding is geweest voor het ontstaan van eene zelfstandige

muzikale compositie; waar de componist er dus naar heeft gestreefd

eene verklanking in tonen te geven van hetgeen door een ander (of

door hemzelf) in woorden was uitgedrukt. Men spreekt in die gevallen

van programma-muziek in tegenstelling van de dusgenoemde absolute

muziek. De band is reeds nauwer, waar de muziek als begeleiding van

het gesproken woord optreedt. Dit voert tot het zoogenoemde melodrama,

een kunstvorm die in de laatste jaren weer meer in zwang schijnt te

komen. De innigste samensmelting van woord en toon vindt men echter in

de vocale muziek, composities voor de menschelijke stem, al of niet met

instrumentale begeleiding. Hoewel het altijd mogelijk blijft, de twee

elementen, waaruit deze werken bestaan, muziek en tekst, van elkander

te scheiden, zijn zij toch meestal te beschouwen als één geheel,

zoowel uit aesthetisch oogpunt (men denke b.v. aan de muziekdrama's

van Richard Wagner) als met het oog op de exploitatie. Ten aanzien van

het auteursrecht is dit in verschillende opzichten van belang [274];

in dit verband is het voldoende erop te wijzen, dat naast het recht

op de muziek en dat op den tekst bij deze werken ook kan bestaan een

recht op het geheel, zoodat dit laatste in het auteursrecht als een

afzonderlijk rechtsobject is te beschouwen.

Iets dergelijks is het geval met de "verzamelwerken",

d. w. z. werken, die bestaan uit bijdragen van meerdere personen,

zooals b.v. bloemlezingen, encyclopaedieën enz. Aan dengeen, die deze

samenstellende deelen tot een geheel heeft vereenigd, kennen de meeste

wetten (ook onze wet: art. 2 lid 1a, en 2) het auteursrecht toe op dit

geheel. Hierin hebben wij dus ook te zien een afzonderlijk voorwerp

van auteursrecht.

Er bestaan buiten de genoemde kunsten nog wel andere, waarin

aesthetische scheppingen kunnen worden voortgebracht, die

zich in abstracto zouden leenen om voorwerp van een uitsluitend

exploitatierecht te zijn, analoog met het auteursrecht. Ook aan de

praestaties van de uitvoerende kunstenaars (tooneelspelers, zangers,

instrumentbespelers en orkestleiders) kan het karakter van artistieke

schepping niet worden ontzegd; men spreekt immers wel van de "creatie"

van een tooneelspeler in een bepaalde rol. Dat zich ten aanzien van

deze kunsten de behoefte aan een uitsluitend recht van exploitatie

in het verkeer nog niet algemeen heeft doen gevoelen, kan misschien

voor een deel worden verklaard uit het feit, dat het tot nu toe

slechts in beperkte mate en op gebrekkige wijze mogelijk is, deze

kunstpraestaties buiten toedoen van den "auteur" te exploiteeren. Doch

evenals de uitvinding van de boekdrukkunst de behoefte aan kopierecht

heeft doen ontstaan en de verschillende reproductie-methodes van

prenten en schilderijen tot het verleenen van auteursrecht op werken

van beeldende kunst hebben geleid, is het niet geheel onmogelijk,

dat nieuwe uitvindingen in de toekomst gevolgen van soortgelijken aard

zullen meebrengen. Er zijn zelfs reeds twee uitvindingen van de laatste

jaren, die in dit opzicht niet geheel zonder gevolg zijn gebleven,

n.l. de phonograaf of grammophoon en de kinematograaf. De eerste dient,

zooals bekend, tot het reproduceeren van klanken, die door middel van

een naald, die op bepaalde wijze op de geluidstrillingen reageert,

in een cylinder of plaat zijn gefixeerd. Vocale en instrumentale

muziek en ook de sprekende menschelijke stem worden door middel van

de daarvan gemaakte phonogrammen nauwkeurig hoorbaar weergegeven [275].

Dit heeft reeds aanleiding gegeven tot eene merkwaardige beslissing

van het Hof van Berlijn, waarbij erkend werd het "auteursrecht"

van den zanger op zijne stem. Een zanger had liederen gezongen in

een phonograaf en de door hem "bezongen" rollen waren in den handel

gebracht. Hiervan werden nu zonder zijne toestemming door een derde

nieuwe reproducties gemaakt. Het Hof nam aan, dat het ten gehoore

brengen van gezang voorbereidenden intellectueelen arbeid vereischt

en dat het product van dezen arbeid, evengoed als een geschrift of

eene muzikale compositie, als object van auteursrecht is te beschouwen

volgens de (toen nog van kracht zijnde) wet van 11 Juni 1870 [276].

Ook voor tooneelspelers kan de phonograaf van beteekenis zijn, vooral

indien de hoorbare reproductie van hunne dictie gepaard gaat met

eene afbeelding door middel van den kinematograaf van gebarenspel

en mimiek. Deze samenwerking van phonograaf en kinematograaf maakt

het mogelijk, de geheele uitbeelding van een rol tegelijk hoorbaar

en zichtbaar weer te geven.

Een Congrès de l'art théatral, gehouden te Parijs in 1900, heeft reeds

den wensch uitgesproken, dat de tooneelspeler tegen de reproductie

zijner interpretatie zou worden beschermd [277]. Ook de Association

heeft zich met dit vraagstuk bezig gehouden, en daarbij kwam ook ter

sprake, of niet eveneens mise-en-scène, decoratief en costumeering,

i. e. w. de "aankleeding" van een stuk, voorwerp van een uitsluitend

recht behoort te zijn [278]. Wat dit laatste betreft bestaat er een

arrest van 30 Dec. 1898 van het Cour d'appel van Parijs, waarbij wordt

beslist, dat aan het théatre de la Porte-Saint-Martin het auteursrecht

toekomt op de mise-en-scène van het door die schouwburg-onderneming

vertoonde stuk Cyrano de Bergerac. Na de overweging, dat de decors als

kunstwerken zijn te beschouwen, die de bescherming der wet genieten,

wordt in het arrest verder gezegd: "... qu'il en est de même de la mise

en scène, comprenant les costumes et le groupement des personnages,

dont le plan général et la conception, le plus souvent réglés par un

livret manuscrit ou inprimé, sont une oeuvre de l'esprit susceptible

d'être protégée par la loi. Qu'il suit de là que la reproduction

[279], soit des décors, soit de la mise en scène, ne peut être faite

sans le consentement du propriétaire" [280].

Deze beslissing komt mij, evenzeer als die van het Hof van Berlijn,

welke hierboven werd genoemd, onjuist voor. In hoeverre de betreffende

bepalingen van de Duitsche wet van 11 Juni 1870 en van de Fransche wet

van 24 Juli 1793 ruimte lieten om in deze gevallen aldus te beslissen,

kan hier buiten beschouwing blijven. Ik wensch slechts de vraag onder

de oogen te zien, of het in het algemeen aanbeveling verdient het

begrip "kunstwerk" in het auteursrecht zoo ver uit te breiden, dat

daaronder ook de praestaties van zangers, tooneelspelers, regisseurs

enz. gerekend zouden moeten worden. Vooralsnog bestaat er m. i. alle

reden, deze vraag in ontkennenden zin te beantwoorden.

Wat de ensceneering en costumeering van een tooneelstuk betreft,

hieraan ontbreken de kenmerken van eene artistieke schepping, van

een kunstwerk, ten eenenmale. Kohler merkt hierover zeer juist op:

"Allerdings besteht die Theaterausstattung nicht blosz aus den Aufzügen

und Gewändern, sondern auch aus dem Arrangement der Zimmer, aus der

Gruppirung der Naturobjecte--diese ist aber ebenso wenig ein Kunstwerk,

als ähnliche Arrangements im Leben es sind" [281]. Hij maakt dan nog

verder de opmerking, dat een enkel stuk van het decor, een schilderij,

dat in de kamer, welke het tooneel verbeeldt, is opgehangen, een

gobelin enz. wel als werken van beeldende kunst object van auteursrecht

kunnen zijn, doch dat het feit, dat zij tot de aankleeding van het

stuk behooren, daarbij niet in aanmerking is te nemen. Dit komt mij

voor, de juiste opvatting te zijn. Wat wij, in de schouwburg-zaal

zittend, binnen het raam der tooneel-opening aanschouwen, is niet

de in beeld gebrachte voorstelling van een kunstenaar, maar een

stukje werkelijkheid; de lijnen en kleuren, die wij in het tafereel

bewonderen, zijn die van de voorwerpen en van de personen zelf,

welke zich op het tooneel bevinden. Het schikken en groepeeren kan

dus niet als het scheppen van een kunstwerk worden beschouwd, ondanks

de artistieke talenten, die eraan ten koste kunnen zijn gelegd. Om

dezelfde reden vallen ook buiten den kring der kunstwerken in den

hier bedoelden zin: tableaux-vivants, gecostumeerde optochten [282],

uitstallingen voor winkelruiten of op tentoonstellingen enz. enz.

Het werk der uitvoerende kunstenaars kan daarentegen wel, zooals reeds

werd opgemerkt, de kenmerken van eene artistieke schepping in zich

hebben. Tooneelspelers, zangers, viool- of piano-virtuozen zijn--het

behoeft nauwelijks te worden gezegd--niet maar te beschouwen als

instrumenten in de hand van den schrijver of componist. Het ten

gehoore brengen is een kunst op zichzelf. De auteur moge tot in

de fijnste schakeeringen geweten en gevoeld hebben, hoe de ideale

hoorbare reproductie van zijn werk behoort te zijn en dit ook min

of meer nauwkeurig hebben kunnen aanwijzen (dit geldt vooral voor

muziekwerken); de verwerkelijking hiervan moet hij aan anderen,

de uitvoerende kunstenaars, overlaten. Dit neemt natuurlijk niet

weg, dat een componist ook uitvoerend kunstenaar kan zijn en een

drama-schrijver tegelijkertijd tooneelspeler; beide kunsten zijn

in dat geval in een persoon vereenigd, maar blijven niettemin van

elkander te onderscheiden.

In denzelfden geest laat Kohler zich over de uitvoerende of

reproduceerende kunsten uit; hij wijst er tevens op, dat eene

uitvoering of voordracht wel te beschouwen is als "... eine

Augenblicksäuszerung mit allen Zufälligkeiten des Augenblicks in

Bezug auf Stimme Betonung, Ausdrucksweise;" doch dat dit nog geen

reden is om het als object van auteursrecht te verwerpen, daar ook

van sommige "Autorwerke" (als voorbeeld noemt hij de improvisatie)

hetzelfde kan worden gezegd [283]. Deze verwijzing naar de improvisatie

was m. i. niet eens noodzakelijk; ik zou zelfs meenen, dat in het

algemeen het werk van uitvoerende kunstenaars niet meer dan dat van

de "scheppende" in engeren zin onder toevalligheden als b. v. de

stemming van het oogenblik te lijden heeft. Evenals de schrijver en

de componist komen ook de tooneelspeler, zanger, pianist enz. niet

met hun werk onvoorbereid voor het publiek. Door herhaalde oefeningen

en overdenkingen zijn zij niet alleen gewapend tegen de technische

moeilijkheden, die op het oogenblik der uitvoering te overwinnen zijn,

maar zij hebben daardoor ook de gelegenheid gehad, hunne vertolking

te ontdoen van alles wat er aanvankelijk nog vluchtig en onbezonken

in mocht zijn geweest. Met een improvisator zou m.m. te vergelijken

zijn de pianist, die een hem onbekend stuk à vue in de concertzaal

zou willen voordragen. Van een ernstig kunstenaar is zoo iets echter

niet licht te verwachten.

Het schijnt mij echter onnoodig hierop nog verder in te gaan. Van

meer belang is het, een oogenblik stil te staan bij hetgeen Kohler

opmerkt om te betoogen, dat het werk der uitvoerende kunstenaars

niet als auteursproduct is te beschouwen. Hij schrijft: "Wohl aber

kann an allem diesen (d. i. aan elke voordracht en uitvoering, ook

b. v. die van den orkest-leider) ein Persönlichkeitsrecht bestehen,

denn es ist ein Eingriff in das Recht der Person, eine mechanische

Nachäffung ihrer Augenblickstätigkeit zu bewirken und ihr hierdurch

dasjenige zu nehmen, worauf sie ein Recht hat, nämlich die "Gunst"

des Augenblicks."

In het algemeen kan ik mij met deze opvatting wel vereenigen, hoewel

ik meen, dat hier wel wat al te absoluut is gesteld, dat het recht

der uitvoerende kunstenaars, voor zoover hiervoor grond bestaat, geen

auteursrecht is maar persoonlijkheidsrecht. Het is zeker waar, dat

een zanger en tooneelspeler niet eene buiten hen bestaande schepping

vertoonen aan het publiek; hunne kunst-praestatie is niet los te maken

van hun persoon; wat zij te bewonderen geven is niet iets dat zij

hebben gemaakt, maar hetgeen zij doen. Met het oog hierop is Kohler's

karakteriseering van de reproductie hunner kunst als "Nachäffung

ihrer Augenblickstätigkeit" zeer goed te aanvaarden. Ik meen echter,

dat dit niet steeds zoo behoeft te blijven. De reproductie-middelen,

welke hier ten dienste staan (speciaal grammophoon, phonograaf en de

"Mignon"-piano), zijn nog betrekkelijk gebrekkig; behalve de stem

of de muziek die zij weergeven hoort men nog storende bijgeluiden,

en de rollen en platen die worden gebruikt zijn te klein, om werken

van eenigszins langeren adem zonder af te breken ten gehoore te

brengen. Indien men echter nagaat, welke vorderingen de techniek reeds

heeft gemaakt, is de verwachting niet zonder grond, dat men ook deze

gebreken in den loop der jaren zal weten te verhelpen.

Naarmate nu de phonographische reproductie meer volkomen wordt, zal

ook het persoonlijk karakter, dat nu nog aan de kunstpraestatie der

uitvoerende kunstenaars eigen is, langzamerhand verdwijnen. Wat het

woordschrift is voor de kunstenaars van de taal en het muziekschrift

voor de componisten, zal het klankschrift worden voor de kunstenaars

van het geluid: een middel om hunne kunstschepping buiten hun persoon

te belichamen en haar zoodoende voor anderen waarneembaar en genietbaar

te maken, zonder dat deze in persoonlijk contact met den kunstenaar

behoeven te komen. Indien men er eenmaal in slaagt, door middel van het

phonogram eene aesthetische genieting te verschaffen, die gelijk komt

aan die welke door het aanhooren van den kunstenaar zelf wordt gegeven,

dan zal men niet meer kunnen spreken van "mechanische Nachäffung ihrer

Augenblickstätigkeit." Het zal dan niet meer zijn eene nabootsing

van hetgeen de kunstenaar op een bepaald oogenblik deed, maar zijn

werk zelf, in getrouwe reproductie weergegeven. En daarmede zal het

principieele verschil tusschen werken van dezen aard en die van de

scheppende kunstenaars in engeren zin grootendeels zijn vervallen. Ik

zie althans geen reden, waarom men voordracht, zang en spel dan

niet even goed tot de immaterieele goederen zou moeten rekenen,

als geschriften, muzikale composities en werken van beeldende kunst.

Het bovenstaande heeft echter betrekking op toestanden en verhoudingen,

waarvan het niet eens volkomen zeker is of zij ooit zullen intreden

en die in elk geval op dit oogenblik nog niet bestaan. Het zou

dus op zijn minst voorbarig moeten heeten, om in verband hiermede

reeds nu van een auteursrecht, toekomende aan zangers, voordragers,

tooneelspelers enz. te spreken. Het doel mijner opmerkingen was

slechts, te doen uitkomen, dat de kring der objecten van auteursrecht

nog voor uitbreiding vatbaar is, en dat de grenzen, zooals wij die

nú hebben te stellen, waarschijnlijk binnen niet al te langen tijd

reeds te eng zullen blijken.

§ 2 Geschriften

a Kenmerkende eigenschappen

De eerste, en verreweg de belangrijkste rubriek van auteursproducten,

waarmede wij ons hebben bezig te houden, is die van de geschriften,

juister gezegd: van de werken der woordkunst. Want ook daar, waar

niets op schrift is gebracht, kan eene schepping in taal voorhanden

zijn. Het schrift is niet meer dan een zichtbare afbeelding van hetgeen

in de taal is gewrocht en geen essentieel bestanddeel daarvan. Er

bestaat daarom geen reden om onderscheid te maken tusschen de werken,

welke de auteur in schriftvorm waarneembaar heeft gemaakt, en die

welke op andere wijze tot uiting zijn gekomen. De auteur kan zijn

werk hebben voorgedragen voor een grooter of kleiner publiek; indien

het een tooneelstuk is, kan hij aan elken tooneelspeler diens rol

mondeling hebben ingeprent; en ook is het geval denkbaar (al zal het

in werkelijkheid wel tot de groote zeldzaamheden behooren), dat hij

zijn geestesproduct--een gedicht b.v.--alleen aan den phonograaf heeft

toevertrouwd. In al deze gevallen is er aan een werk in woordtaal het

aanzijn gegeven, zonder dat er ook maar één letter behoeft te zijn

geschreven. Doch men zal inzien dat deze omstandigheid niets afdoet

aan de vraag, of deze werken al dan niet object van auteursrecht kunnen

zijn. Waar het alleen op aankomt is, dat het werk op eenigerlei wijze

tot uiting is gekomen en dus niet alleen in den geest van den auteur

bestaat, maar door anderen hetzij waargenomen is, hetzij buiten den

auteur om waargenomen kan worden.

Niet elke uiting in woordtaal kan echter als een auteursproduct

worden beschouwd. Ik heb er al op gewezen, dat er slechts daar van

auteursrecht sprake kan zijn, waar eene aesthetische schepping tot

stand is gekomen. Er moet iets in de taal geformeerd zijn; er moet

zijn, wat Kohler met eene, moeilijk te vertalen uitdrukking noemt:

"ein künstlerisches Gebilde der Sprache" [284]. Hiermede wordt

niet bedoeld, dat het auteursrecht beperkt zou blijven tot de

zoogenaamde "schoone letteren" (belletrie, "literatuur" in engeren

zin). Ook in geschriften, welke niet uitsluitend ten doel hebben

aesthetische aandoeningen te verwekken (b.v. in wetenschappelijke

verhandelingen), valt eene zekere "woordkunst" niet te miskennen. "Zu

den Kunstwerken,"--schrijft Kohler,--"mindestens zu den Kunstwerken in

thesi, zu den bestimmungsgemäszen Kunstwerken gehören auch diejenigen

literarischen Darstellungen, welche belehrenden Inhaltes sind, auch

diejenigen, welche vorherrschend wissenschaftliche Zwecke verfolgen:

denn die belehrende Darstellung bedient sich des Mittels der Sprache,

die Handhabung der Sprache aber ist eine künstlerische: sie ist eine

Verbindung der Nothwendigkeit (der Sprachgesetze) mit der Freiheit des

Individuums; vorausgesetzt nur, dasz die Sprache nicht dem bloszen

Lebenstriebe dient, sondern sich höhere Zwecke setzt, sei es auch

nur die Zwecke der Belehrung oder der Massenwirkung. Allerdings: die

Belehrung und die Massenwirkung als Zweckwirkung ist nicht ästhetisch,

denn die Kunst ist nothwendig zwecklos, sie darf wenigstens direkt

keinen anderen Zweck verfolgen, als die Zwecke des Schönen; wohl aber

ist hierbei die Benützung der Sprache eine künstlerische, weil die

Sprache über ihre ursprünglichen Zwecke, die Zwecke des Lebenstriebes,

sich erhebt, weil sie dadurch ihre eigentlichen Zwecke abwirft und

relativ zwecklos wird" [285].

Waar dus alleen een practisch gebruik van de taal wordt gemaakt,

b.v. bij het doen van mededeelingen of het uiten van gevoelens in

gesprekken of in brieven, worden geen voorwerpen van auteursrecht

geschapen. Voor dit laatste is noodig, dat de taal als kunstmateriaal

zij gebruikt; er moet iets onder woorden zijn gebracht, dat om zoo te

zeggen buiten het dagelijksch verkeer staat: "eine dem ordentlichen

Kreis des Lebensverkehrs entzogene abgerundete Darstellung"--zooals

Kohler het elders uitdrukt [286].

Met zijne onderscheiding tusschen het tweeërlei gebruik,

dat van de taal kan worden gemaakt, het "künstlerische" en het

"nicht-künstlerische", heeft Kohler een juist en doeltreffend criterium

aan de hand gedaan om te beoordeelen, of een geschrift al dan niet tot

de auteursproducten is te rekenen [287]. Vele schrijvers hebben zich

met deze vraag beziggehouden; want dat niet alles wat gesproken of

geschreven kan worden een door auteursrecht beschermd "geschrift" is,

daarover zijn allen het wel eens. De moeilijkheid was echter, om de

kenmerkende eigenschappen juist en duidelijk te omschrijven. Gierke

stelt b.v. als eisch: "Um aber ein Schriftwerk (n.l. volgens de

Duitsche wet) zu sein, muss das sprachliche Erzeugniss die Merkmale

eines Geisteswerkes tragen, sich also als ein durch Formgebung

individualisirter Gedanken-inhalt darstellen," en eenige regels verder:

"Es muss sich als originale geistige Schöpfung offenbaren, die so

nur aus der Arbeit eines bestimmten Geistes hervorgehen konnte"

[288]. Dat Gierke het kenmerk vooral in het persoonlijke karakter

van de gedachtenuiting zoekt, hangt natuurlijk met zijne theorie der

"Persönlichkeitsrechte", waartoe ook het auteursrecht volgens hem

behoort, samen. Overigens is hetgeen hij als vereischte stelt voor

een geschrift om voorwerp van auteursrecht te zijn, niet onjuist,

al laat m. i. Kohler beter het licht vallen op datgene, waar het

voornamelijk op aankomt.

Bij andere, vooral oudere, schrijvers vindt men dikwijls minder

goedgekozen en niet ter zake doende kenteekenen opgegeven ter

beslissing van de vraag welke ons hier bezighoudt. Zoo wenschen

sommigen alleen die geschriften als auteursproducten te beschouwen,

welke zich leenen om te worden uitgegeven of die door den schrijver

daarvoor zijn bestemd [289]. Doch de eigenschap, welke hier als kenmerk

moet dienstdoen, vindt niet zoozeer haar oorsprong in de gesteldheid

van het werk zelf, dan wel in daarbuiten liggende omstandigheden, als

b.v. de smaak en de ontwikkeling van het publiek, de uitgebreidheid

van het gebied der taal, waarin het werk is geschreven, enz. Deze

omstandigheden zijn bovendien aan verandering onderhevig: een

geschrift, dat op het tijdstip zijner voltooiing niet "verlagsfähig"

is, kan dit later worden en omgekeerd. Dit criterium mist dus allen

vasten grond.

Hetzelfde kan gezegd worden van hetgeen mr. de Ridder stelt

als "vereischten, welke aanwezig moeten zijn, om tot voorwerp

van kopierecht te maken." Behalve dat het werk een "individueel

letterkundig geestesproduct" moet zijn (eene omschrijving, die niet

onjuist, maar te weinig nauwkeurig is), vordert deze schrijver nog:

"dat (het) mechanisch kan worden gereproduceerd" (iets dat voor een

geschrift vanzelf spreekt) en bovendien, dat "deze verveelvoudiging

een vermogensvoordeel kan opleveren" [290]. Door dit laatste wordt

wederom niet eene blijvende, innerlijke eigenschap van het werk, maar

eene veranderlijke, van andere factoren afhankelijke omstandigheid

tot criterium genomen. Het is mij bovendien uit de toelichting, die

hierbij wordt gegeven [291], niet volkomen duidelijk geworden, hoe

moet worden uitgemaakt, of de mogelijkheid om een vermogensvoordeel

te behalen al dan niet bestaat.

Even weinig doeltreffend is de definitie, die een ander Nederlandsch

schrijver, mr. J. G. Robbers, geeft van de--door onze wet

beschermde--geschriften. Een geschrift moet volgens dezen schrijver

zijn "een letterkundig geestesproduct" en dit laatste wordt omschreven

als: "product des geestes, in schriftelijken vorm, dat, als geheel,

van individueelen geestelijken arbeid getuigt en waaraan men, wegens

vorm of inhoud, waarde hechten kan" [292]. Op deze definitie zijn

verschillende aanmerkingen te maken. De "schriftelijke vorm" is,

zooals boven reeds is uiteengezet, geen essentieel bestanddeel van

een "geschrift" en had dus in de definitie niet behooren opgenomen

te worden. Dat een werk, om beschermd te zijn, van "individueelen

geestelijken arbeid" moet getuigen, kan worden toegegeven, doch de

uitdrukking is, behalve vaag (wat beteekent eigenlijk "individueel"

in dit verband?) te veel omvattend, daar elke individueele geestelijke

arbeid nog geen auteursarbeid is; men denke bv. aan het moeitevol

ontcijferen van een handschrift of aan het werk van den stenograaf,

die eene snel-uitgesproken redevoering in schrift heeft te brengen. Ten

slotte moet aan het geschrift, volgens mr. Robbers, "wegens vorm of

inhoud" waarde kunnen worden gehecht. Dat eene onbestemde uitdrukking

als deze niet bevorderlijk is tot het verkrijgen van een scherp

omlijnd begrip behoeft nauwelijks te worden gezegd. M. i. ware dan

ook deze laatste zinsnede beter geheel weggelaten. De beteekenis

kan niet anders zijn dan deze, dat de geestelijke arbeid, die aan

het werk is besteed, althans eenig resultaat moet hebben gehad, dat

er iets, al is het nog zoo weinig, door tot stand moet zijn gekomen,

dat door een redelijk wezen gewaardeerd kan worden. Waar dit niet het

geval is--b.v. bij de uiting van een krankzinnige--kan men moeilijk

spreken van een "product des geestes". De geest heeft zich misschien

wel afgetobd, maar zonder resultaat, zonder daarmede iets te hebben

voortgebracht. [293] Het behoeft geen betoog, dat eene opeenvolging

van woorden en "zinnen" zonder organisch verband geen "geschrift" is,

in den zin waarin dit woord hier wordt gebruikt, evenmin als een losse

hoop steenen een gebouw vormt. Indien mr. Robbers de bedoeling had,

dit met de laatste zinsnede zijner definitie uit te drukken, had deze

(scil. die laatste zinsnede) dus achterwege kunnen blijven. Men zou

echter de uitdrukking ook enger kunnen opvatten en er uit kunnen lezen,

dat alleen die geschriften als objecten van auteursrecht in aanmerking

komen, die aan zekere eischen van wetenschappelijken of aesthetischen

aard voldoen. Indien dit de bedoeling is geweest, zijn de bezwaren

ertegen van ernstiger aard. Er bestaat geen grond om gebrekkige of

weinig belangrijke geschriften van de bescherming uit te sluiten;

het zou trouwens ondoenlijk zijn, een vasten maatstaf te vinden,

waarnaar de beoordeeling zou moeten geschieden. Het letterkundig of

wetenschappelijk gehalte van het werk dient dus buiten beschouwing

te worden gelaten [294]; de eenige eisch, die mag worden gesteld, is,

dat er iets verstaanbaars tot uiting is gekomen in daartoe opzettelijk

kunstmatig bewerkte taal.

Hiermede ben ik weer teruggekomen op de door Kohler gegeven

begripsbepaling, die ook dáárom boven anderen te verkiezen is,

omdat zij een zuiver uitvloeisel is van het beginsel, dat aan de

auteursbescherming ten grondslag ligt. Dit beginsel is niet: belooning

van den aangewenden arbeid, maar: bescherming van het recht op het

voortgebrachte goed. Alleen daar is dus grond voor auteursrecht, waar

iets is voortgebracht, waar eene schepping--of zoo men liever wil:

een maaksel--van den geest voorhanden is. De meerdere of mindere

volkomenheid en belangrijkheid doet daarbij niet ter zake; evenmin

komt het er op aan, of er veel of weinig geestesinspanning toe noodig

is geweest. Uitsluitend met het resultaat van den arbeid hebben wij te

maken en dit resultaat moet, om voorwerp van auteursrecht te zijn, eene

kunstschepping wezen (niet dus b.v. eene uitvinding of ontdekking);

en daar wij hier alleen met werken in woordvorm te doen hebben:

eene kunstschepping in taal, "ein künstlerisches Gebilde der Sprache".

Dit is het dus, wat op zijn minst aanwezig moet zijn, wil men eene

uiting in woordtaal tot de auteursproducten rekenen. Doch hiermede

is nog geene karakteriseering gegeven van het immaterieele goed,

dat object van het auteursrecht is. Een geschrift is nog iets meer

dan enkel een stuk taal. Ook aan datgene, wat door de taal wordt

uitgedrukt hebben wij onze aandacht te wijden, want ook dit kan

eene aesthetische schepping zijn, die, zij het dan ook slechts bij

benadering, ook met andere woorden of in eene andere taal zou kunnen

worden uitgedrukt. Dit stelt ons voor eene andere vraag, niet minder

belangrijk dan de voorgaande, n.l. hoever reikt in elk geval de

schepping van den auteur; wat is in een geschrift, behalve de taal,

als het maaksel van den schrijver te beschouwen? Eerst wanneer deze

vraag naar behooren is beantwoord, kan men zich een zuiver denkbeeld

vormen van den omvang van het door den auteur voortgebrachte goed en

dus tevens reeds eenigermate van den omvang van zijn recht. Want steeds

is vast te houden aan het beginsel, dat de auteur alleen datgene het

zijne kan noemen, wat zijn scheppend talent heeft voortgebracht.

b Vorm en inhoud

Over de roekelooze wijze, waarop sommige schrijvers over auteursrecht

met de woorden "vorm" en "inhoud" omspringen en over de geringe

waarde die daarom aan hunne redeneeringen is te hechten, heb ik reeds

met een enkel woord gesproken. Het ergst van allen maakt het zeker

wel mr. J. A. Levy, die in een kort opstel--voor zoover mij bekend

het eenige geschrift van zijne hand dat over auteursrecht handelt

[295]--zich aan zóóvele onnauwkeurigheden en onjuiste redeneeringen

schuldig maakt, dat het mij niet overbodig voorkomt, er de aandacht op

te vestigen; vooral daar wij hier te doen hebben met een jurist van

groot gezag, wiens uitspraken gretig worden aangehaald door degenen,

die zich--om welke reden ook--op hetzelfde standpunt plaatsen, in casu

de tegenstanders van onze aansluiting bij de Berner Conventie [296].

Mr. Levy begint zijn betoog met te stellen, dat eigendom van de

uitgesproken, neergeschreven, of door den druk gemeen gemaakte gedachte

tot de onmogelijkheden behoort. Hij gaat dan voort:

"Waar men echter wel van spreekt, is de eigendom van den vorm der

gedachte. Welnu, dit is in goed Hollandsch: huichelarij. Er bestaat

bij de linguisten verschil van gevoelen over de vraag: of gedachte en

taal identiek ("spreken is overluid denken, denken is stil spreken"),

dan wel voor splitsing vatbaar zijn... Dat echter gedachte en woord

een innig samenhangend, onverbreekbaar bijeenbehoorend samenstel

zijn, daaraan twijfelt ter wereld niemand. Wat dus te denken van

een rechtsstelsel, dat den frontaanval: de gedachte tot eigendom te

verklaren, niet durft te wagen, en nu geniepig zijn doel bereikt,

door te scheiden, wat de wetenschap één verklaart?"

Hieruit valt m. i. niets anders te lezen dan dit: taal en gedachte

(vorm en inhoud) zijn zóó onverbreekbaar aan elkander verbonden,

dat het niet mogelijk is het een te beschermen en het ander niet;

bescherming van het een beteekent ook noodwendig bescherming van

het ander. Eene onderscheiding te maken tusschen die twee leidt dus

tot niets.

Doch nauwelijks is deze stelling opgeworpen, of zij wordt weder

verlaten. Tenminste de redeneering, die nu volgt, is met de gestelde

onsplitsbaarheid van vorm en inhoud moeilijk te rijmen: "Door den vorm

tot object van eigendom te verklaren, maakt men den inhoud aan den vorm

ondergeschikt. Dat dit eene onwaarheid en als zoodanig reeds juridisch

verwerpelijk is, ligt voor de hand. Indien gij tusschen inhoud en vorm

onderscheiden wilt, moet de eerste, niet de laatste den toon aangeven."

Nu wordt dus de mogelijkheid eener onderscheiding weer toegegeven. De

vorm kan dus wel, afgescheiden van den inhoud, voorwerp van

auteursrecht zijn; doch volgens Mr. Levy moest dit juist andersom

wezen, omdat... de inhoud hoofdzaak en de vorm bijzaak is. Op dit thema

gaat de schrijver nog eenigen tijd door: "... het op den voorgrond

sleepen van den vorm verlaagt de letterkunde, omdat zij daardoor wordt

ontzield".... "Ongeraden blijft het steeds van rechtswege de meening

te doen postvatten, dat het bij de letterkunde slechts om den vorm,

het golvende kleed der zwierige phrase, en minder om den inhoud te doen

is. Wie weet, in hoeverre onze bestaande auteurswet verantwoordelijk

is voor den klinkkank en den zingzang, onvoldragen vruchten eener

aanstormende bent, die Neerlands drukpersen doet zwoegen, terwijl

Apollo het aangezicht zich omsluiert?"

Doch, zoo redeneert Mr. Levy verder, deze bedenkingen tegen het

auteursrecht hebben geene practische waarde, daar wij slechts te doen

hebben met hetgeen onze wet zegt. De wet erkent het auteursrecht als

een absoluut vermogensrecht, en dit hebben wij dus te eerbiedigen,

zelfs als wij met buitenlandsche werken hebben te doen; want het

privaatrecht moet voor vreemdelingen en Nederlanders hetzelfde zijn. Op

dit punt gaat de heer Levy dus uit eerbied voor de wet nog verder

dan de wet zelf, die de meeste buitenlandsche werken onbeschermd

laat (artt. 27 en 28). Deze eerbied strekt zich echter niet tot

het uitsluitend vertalingsrecht uit, dat toch ook--zij het dan in

beperkte mate--door onze wet wordt erkend (art. 5). Op de vraag, of

het auteursrecht ook het vertalingsrecht omvat, wordt ten antwoord

gegeven: "Neen en beslist neen. Zoo min als ik mijne persoonlijke

overtuiging nopens de ijdelheid van alle auteursrecht--tegen de wet

in, die ik naleven moet--prijs geef, zoo min wijk ik, nopens het

beweerd vertalingsrecht, voor de tegengestelde meening, hoe rumoerig

zij ook optrede. Men omgeve het zoogenaamd vertalingsrecht met een

staketsel van spitsvondigheden; men plaatse daarvoor eene lijfwacht

van uitvallen: ware koddebeiers, die den knuppel der lompheid beter

hanteeren dan den degen der bewijsvoering,--het vertalingsrecht is

eene aanmatiging, een hersenschim."

Tot staving van deze krachtige bewering moet eene aanhaling dienst

doen uit het Lehrbuch der Psychologie van F. Jodl (Stuttgart 1898

pp. 589, 590), die echter m. i. weinig ter zake afdoet. Ook geeft

Mr. Levy de strekking van het aangehaalde betoog niet geheel juist

weer met hetgeen hij erop laat volgen: "Wat hij (scil. Jodl) leert,

is: de vertaler arbeidt met zijn eigen gedachtensfeer, met zijn

eigen voorstellingswereld. Binnen deze, treedt niet hij, de vertaler,

op als gebieder. Omgekeerd juist ondergaat hij daarvan den invloed,

den weerslag, den dwang. Eene vrije vertaling, eene bewerking is een

logen. Steeds is de vertaling onvrij en nooit wordt zij anders dan

bewerkt. Ook niet al heet zij letterlijk te zijn. Met welken zweem,

met welken schijn, met welke schaduw van recht ontzegt gij aan dien

arbeid des geestes de eigenschap van eigen te zijn? enz."

Volkomen duidelijk is het mij niet geworden, wat met deze zinnen

bedoeld wordt. Zoo wordt eerst van "vrije vertaling" en "bewerking"

gesproken als van synoniemen en worden beide voor "een logen"

uitgemaakt, terwijl in de volgende zin deze uitspraak ten aanzien der

"vrije vertaling" wordt bevestigd, doch ten aanzien der "bewerking"

wederom weersproken door de bewering: "nooit wordt zij anders dan

bewerkt", m. a. w. elke vertaling is eene "bewerking".

Doch vooral in verband met de beschouwingen over "vorm en inhoud",

die vooraf zijn gegaan, is deze veroordeeling van het vertalingsrecht

opmerkelijk. Immers het uitsluitend vertalingsrecht is eene bescherming

van den inhoud en niet van den vorm, en zou dus door Mr. Levy,

indien deze zich consequent betoond had, als het minst verwerpelijke

bestanddeel van het auteursrecht beschouwd hebben moeten worden. Wij

zien hier echter juist het tegenovergestelde geschieden. De groote

nadeelen, die uit het "op den voorgrond sleepen van den vorm" ten

koste van den, veel meer belangrijken, inhoud, voortspruiten, schijnt

Mr. Levy weer te zijn vergeten, waar hij schrijft: "Voor "auteursrecht"

klampt men zich vast aan den vorm. Hier ontzinkt u ook deze, want des

vertalers vorm is de vorm van den vertaler. Wat blijft er over?" En

in een naschrift, naar aanleiding van eene repliek van den heer Plemp

van Duiveland aan het opstel toegevoegd, wordt dit nog eens, met

een beroep op het feit, dat ook onze wet alleen den vorm beschermt,

herhaald: "Wij waren het er immers over eens, niet waar, dat onze

wet den vorm alleen beschermt? Valt dit object van bescherming weg,

naardien immers een blinde ziet, dat des vertalers vorm zijn eigendom

is, wat blijft er dan, in 's hemels naam, te beschermen over?"

Het antwoord op deze laatste vraag ligt, dunkt mij, voor de hand. Wat

er te beschermen overblijft, dat is wat Mr. Levy in het begin van

zijn opstel den "inhoud" genoemd heeft, dus datgene wat overblijft,

als men het geschrift "het golvende kleed der zwierige phrase" heeft

uitgetrokken, de naakte kern, ontdaan van "klinkklank en zingzang".

Uit bovenstaande aanhalingen zal reeds gebleken zijn, dat de logica in

Mr. Levy's betoog van eene eigenaardige soort is. Eerst wordt beweerd,

dat taal en gedachte (vorm en inhoud) een onverbreekbaar geheel vormen

en het heet huichelarij die twee te willen scheiden. Terstond daarop

wordt de bescherming van den vorm-alleen (hetgeen iets onbestaanbaars

zou zijn, indien de eerste stelling waarheid bevatte) afgekeurd,

op grond dat daardoor de letterkunde wordt "ontzield" enz. En dit

betoog loopt tenslotte uit op eene veroordeeling van het uitsluitend

vertalingsrecht, waarvoor als voornaamste argument moet dienen, dat

het auteursrecht (en speciaal het auteursrecht van onze wet)... alleen

den vorm beschermt! Wat eerst als iets onmogelijks wordt voorgesteld

en daarna ten scherpste wordt afgekeurd, datzelfde is nu plotseling

een vanzelf sprekend feit geworden: "immers een blinde ziet, dat des

vertalers vorm zijn eigendom is..."!

Een logisch verband tusschen datgene, wat de schrijver wilde bewijzen

en de verschillende stellingen, die achtereenvolgens op apodictischen

toon worden verkondigd, is inderdaad niet te vinden. En indien het

waar is, wat mr. Levy beweert: dat slechts aan zijne zijde met den

"degen der bewijsvoering" wordt gestreden, terwijl zijne tegenstanders

geen ander wapen hebben dan "den knuppel der lompheid", dan kunnen

deze laatsten zich tenminste troosten met de gedachte, dat het edele

wapen, waarmede zij worden aangevallen doch dat zij zelve missen,

weinig kwaad kan, zoolang er--zooals hier--slechts gaten mee in de

lucht worden geprikt.

Doch laat ons thans het vraagstuk van "vorm en inhoud" wat meer van

nabij beschouwen. Hoe staat het, om te beginnen, met de verhouding

tusschen taal en gedachte, die volgens mr. Levy door de wetenschap

één worden verklaard?

De stelling: "spreken is overluid denken, denken is stil spreken" is

inderdaad door sommige geleerden verdedigd [297], doch door een zeker

niet minder groot aantal met groote beslistheid tegengesproken. Dat

denken en spreken één zijn, dat er dus geen denken zonder spreken

mogelijk zou zijn, staat allerminst wetenschappelijk vast. Mannen

van grooten wetenschappelijken naam hebben het tegendeel betoogd niet

alleen, maar argumenten daarvoor aangevoerd, die m. i. moeilijk voor

weerlegging vatbaar zijn.

Steinthal [298] b.v. noemt een groot aantal gevallen op, waarin

gedacht wordt zonder woorden. Hij wijst op het bestaan van denkende

wezens die geen taal tot hunne beschikking hebben, nl. de dieren,

en wat een nog treffender voorbeeld is: doofstommen. Doch ook

normale menschen kunnen denken zonder woorden; in droomtoestand

wordt gephantaseerd--hetgeen ook een intellectueel handelen kan

worden genoemd--zonder spreken; waarnemingen van kunstwerken of van

ingewikkelde samenstellen als machines, bouwwerken, enz., waarbij

wij een groot aantal aesthetische of technische bijzonderheden in ons

opnemen en met elkander in verbinding brengen om van het voorwerp onzer

beschouwing een goed begrip te krijgen, geschieden eveneens zonder

hulp der taal. Nog wijst hij op de cijfers en algebraïsche teekens,

die in de wiskundige redeneeringen de taal kunnen vervangen en op het

Chineesche schrift, waarbij het meer aankomt op het zichtbare teeken

dan op het klankbeeld, welk laatste de Chineezen soms zelfs niet

eens schijnen te kennen. Het denken--schrijft Steinthal--moge ons

met behulp van woorden gemakkelijker vallen, dit komt dan hierdoor;

"weil wir an diese Krücke gewöhnt sind" [299].

Tot dezelfde conclusie kwam ten onzent o. a. Prof. Dr. J. P. N. Land

[300]. Taal en gedachte dekken elkander nooit volkomen volgens dezen

schrijver; veel blijft er altijd overgelaten aan de opgewekte eigen

werkzaamheid van den hoorder of lezer. "Reeds dat schetsachtige van

alle spreken en schrijven, en de behoefte aan tegemoetkoming van

den anderen kant, maakt de vereenzelviging van denken en spreken,

als ééne zaak met een binnen- en een buitenzijde, onaannemelijk". Ook

deze schrijver geeft toe, dat het denken, uit kracht der gewoonte, wel

meestal met spreken of althans met voor zichzelf in woorden brengen,

gepaard gaat. Doch hij wijst erop, dat dit nog geen "denken in"

de eene of andere taal beteekent. Want hoe dikwijls zou men niet

wenschen verschillende talen door elkander te mogen gebruiken, om

elk deel van hetgeen men denkt goed tot zijn recht te laten komen,

en hoe dikwijls moet men niet iets van de schakeering zijner gedachten

opofferen om de taal zuiver te houden [301].

En om nu nog de getuigenis van een Nederlandsch taalkundige aan

te halen: Prof. Woltjer sprak zich in eene onlangs gehouden rede

[302] over de vraag: "Is denken zonder woorden mogelijk?" aldus uit:

"Ik meen echter, dat het antwoord zeer beslist moet luiden: denken

zonder woorden is mogelijk, geschiedt zelfs door ieder mensch iederen

dag." Men moet daarbij onderscheid maken tusschen bewust en onbewust

denken; alleen van het eerste kan gezegd worden dat het meestal--dus

niet eens nog altijd--met woorden geschiedt. "Dat er echter"--gaat

dr. Woltjer voort--"een denken zonder woorden is en in en door

ons geschiedt, bewijst m. i. het zoo dikwijls voorkomende geval,

dat wij naar een woord of naar het juiste woord voor een gedachte

of eene voorstelling moeten zoeken. Uit het zoeken zelf blijkt, dat

wij de voorstelling of wat het ook zij, wel hebben; wij beoordeelen

daarnaar verschillende woorden, die ons door associatie of op eenige

andere wijze voor het bewustzijn komen; wij beoordeelen ze naar den

maatstaf, of ze passen om uit te drukken wat wij uitdrukken willen;

passen ze niet, dan zoeken wij een ander woord, totdat wij het juiste

gevonden hebben en zeggen: dát is het. We hebben dus de gedachte,

maar het symbool voor de gedachte, het woord hebben we niet" [303].

Ik meen dat deze argumenten, die van gezaghebbende zijde afkomstig

zijn, en die toch geen psychologen of taalkundigen vereischen om

op hunne juiste waarde te worden geschat, mijn standpunt voldoende

rechtvaardigen. Taal en gedachte houd ik dus niet voor één en

hetzelfde; met Steinthal [304] meen ik te moeten onderscheiden

tusschen den "darzustellenden Gegenstand" en de taal, die "den

Gegenstand darstellt"; dus tusschen datgene wat de schrijver heeft

te zeggen en de reeks van woorden en zinnen, waarmede hij het gezegd

heeft. Noemt men nu het eerste den inhoud en het tweede den vorm van

het geschrift, dan kan derhalve in het algemeen worden gezegd, dat

de inhoud niet onherroepelijk aan dien éénen vorm gebonden is, maar

dat hij een eigen bestaan heeft; al moet worden toegegeven, dat het

niet bij alle geschriften volkomen zal gelukken, een anderen vorm te

vinden, waarin men den gegeven inhoud in wezen onveranderd terugvindt.

Het "geven van een anderen vorm aan den inhoud" geschiedt voornamelijk

bij het vertalen. Indien het nu waar was, dat de taal één is met

hetgeen ermede wordt uitgedrukt, dan zou de vertaler, die immers andere

woorden en andere zinnen gebruikt, ook noodzakelijkerwijze andere

gedachten en andere gevoelens uitdrukken dan de oorspronkelijke

schrijver en de vertaling zou eigenlijk een geheel nieuw werk

zijn, dat hoogstens eenige verwantschap met het oorspronkelijke

vertoont. Dit schijnt ook werkelijk de opvatting van Mr. Levy te zijn

blijkens zijne boven aangehaalde woorden. Doch m. i. kan dit niet in

ernst worden volgehouden. Er bestaan ontegenzeggelijk geschriften,

waarvan de taal zoozeer een essentieel bestanddeel uitmaakt, dat zij

bezwaarlijk in eene andere taal kunnen worden weergegeven zóó dat

hun wezen behouden blijft; doch zij vormen verreweg de minderheid; en

reeds uit het feit, dat men deze geschriften "onvertaalbaar" pleegt

te noemen, valt af te leiden dat men onder vertalen verstaat het

getrouw en volkomen weergeven van hetzelfde werk in eene andere taal;

indien vertalen het scheppen van een nieuw werk was, zou immers elk

geschrift "vertaald" kunnen worden. Zonderen wij deze onvertaalbare of

moeilijk te vertalen geschriften voor een oogenblik uit, dan kan als

algemeene regel worden gesteld, dat eene goede vertaling de gedachten

en gevoelens, die den inhoud van het oorspronkelijke werk uitmaken,

nauwkeurig weergeeft. En al moge hier en daar een enkele gevoels-

of gedachteschakeering verloren zijn gegaan, daar staat tegenover,

dat de vertaler misschien op andere plaatsen uitdrukkingen heeft

weten te vinden, welke die van den oorspronkelijken schrijver, die

aan de middelen van zijn eigen taal gebonden was, nog in juistheid

en duidelijkheid overtreffen. Wat het boek door de vertaling lijdt,

is doorgaans zoo gering, dat het niet in aanmerking behoeft te worden

genomen: men bedenke dat ook de oorspronkelijke tekst geen volmaakt

beeld is van de diepste en fijnste bedoelingen van den schrijver. Dat

de vertaling geen nieuwe gedachten brengt maar dezelfde als het

origineel schijnt Steinthal zoozeer als iets vanzelf sprekends te

beschouwen, dat hij de mogelijkheid van vertaling als een argument

gebruikt voor de splitsbaarheid van taal en gedachte: "Die Fähigkeit

der Uebersetzung aus einer Sprache in die andere zeigt doch wohl

klahr, wie der Gedanke nur über den Sprachen webt, aber nicht in ihnen

lebt als in seinem Leibe" [305]. Eigenaardig is het, hiernaast eene

opmerking van Schopenhauer te leggen, waarin juist met behulp der

door Steinthal gewraakte vergelijking (nl. dat de gedachte staat tot

de taal als de geest tot het lichaam) de verhouding tusschen taal en

gedachte en de beteekenis van het vertalen in denzelfden zin wordt

afgeschilderd: "Daher" (nl. wegens het verschil van zinsbouw in het

Latijn en in de moderne talen) "kann man sehr selten eine bedeutende

Phrase aus einer neuern Sprache wörtlich ins Lateinische übersetzen:

sondern man musz den Gedanken von allen Worten, die ihn jetzt tragen,

gänzlich entblöszen, dasz er nackt dasteht im Bewusztseyn, ohne alle

Worte, wie ein Geist ohne Leib, dann aber musz man ihn wieder mit einem

neuen ganz andern Leibe bekleiden, in den Lateinischen Worten, die ihn

in ganz andrer Formen wiedergeben; so dasz z. B. was im Original durch

Substantive, jetzt durch Verba ausgedrückt wird u. s. w." [306]. Wat

hier duidelijk als Schopenhauer's opvatting uitkomt, is dat--ondanks

het groote verschil in constructie--toch de nieuwe, latijnsche zin

denzelfden inhoud heeft als de oorspronkelijke; de geest is volgens

zijne voorstelling dezelfde gebleven al huist hij nu in een ander

lichaam. En wat hier van één enkele zin wordt gezegd, geldt natuurlijk

nog in verhoogde mate van een geschrift in zijn geheel; sommige kleine

onderdeelen kunnen in de vertaling minder zuiver zijn weergegeven,

doch in de groote lijnen blijft het werk ongerept.

Er zijn echter--zooals ik reeds opmerkte--geschriften, waarop

het bovenstaande niet of slechts gedeeltelijk toepasselijk is,

n.l. diegenen, wier aesthetische waarde men niet zoozeer heeft te

zoeken in wat door de taal wordt uitgedrukt, dan wel in de taal zelf:

de rhythmische beweging en den klank der volzinnen. Dat, vooral in

poëzie, klank en rhythmus van groote beteekenis zijn, zal wel niemand

willen ontkennen. Er bestaat zelfs een leer, in ons land vooral door de

letterkundige beweging van '80 op den voorgrond gebracht, volgens welke

bij de beoordeeling van een vers uitsluitend met deze twee factoren

rekening moet worden gehouden. In poëzie zou dus geen inhoud bestaan,

die van den vorm kan worden afgescheiden, of zoo dit al mogelijk is,

dan zou toch de inhoud, ontdaan van den vorm, zonder eenige waarde

zijn. Ik veroorloof mij, ter nadere kenschetsing van deze, ook voor

het auteursrecht belangrijke, kunstleer enkele aanhalingen van hare

meest bekende voorstanders.

"Een gedicht is een brok gevoelsleven der ziel, weêrgegeven in

geluid... Dat toch de poëzie niet alleen ligt in de beteekenis der

woorden, kan ieder dadelijk weten, als hij, b.v. in een vers van

Goethe, Heine, Shelley, de woorden eenigszins anders rangschikt, als de

dichter heeft gedaan. De naakte gedachte, het zuiver logisch oordeel,

is dan precies hetzelfde gebleven, maar de indruk ging verloren. Wel

een bewijs dat de poëzie niet kan bestaan zonder de klankexpressie,

't gezongene van 't vers, in verband natuurlijk met de woordbeteekenis"

[307].

"De groote, de roemrijke verdienste der Nieuwe-Gids kritiek van Kloos

en Verwey is geweest het vestigen van het begrip der "klankexpressie",

door hen het eerst aldus genoemd, en gevestigd op de stelling dat

als poëzy de gedachte zonder den vorm of klank volkomen zonder waarde

is. Immers had de gedachte op zich zelve waarde, dan zou er niet een

essentiëel onderscheid zijn tusschen een slechte vertaling en een goed

origineel, tusschen een schooljongens-inhoudsverslag der Comedia en

het werk van Dante zelf, tusschen een leelijk fotografiesch portret

en den levenden mensch" [308].

"Muziek is de zuiverste, meest onmiddellijke kunst. Muziek is het minst

symbolisch, het meest reëel. Een melodie is de allernauwkeurigste

expressie van iets in ons, men kan bijna zeggen dat melodie en

zielstoestand éénzelfde ding is.

Zoo zuiver als muziek kan woordexpressie niet zijn. Want woorden

zijn symbolen, teekens van geluid met een abstracten zin. Ze staan

verder van hetgeen zij verbeelden. Maar woorden zijn geluiden--zoo

goed als melodieën--en enkel door hun geluid en hun rhythme kunnen

zij ook weergeven wat in ons is. Ja heel zeker zal een woordenreeks

expressiever zijn naarmate zij minder zinnebeeld en meer muziek is.

Het geluid van menschenwoorden kán zóó vol en innig zijn, dat deze

schijnen als melodieën, geen symboliek, maar zielstoestanden zelf"

[309].

"Wat gij doen moet" (nl. bij het voordragen van verzen) "is alleen

op den vorm van de verzen letten en den vorm alleen moet gij laten

hooren. De verdeeling van de klanken, of wat men den rhythmus noemt,

en het geluid van de klanken... Ik spreek nu gemakshalve van den vorm,

om u duidelijk te maken wat ik bedoel. In rhythmus en geluid zit de

geheele inhoud, zoodat men eigenlijk niet van een afzonderlijken vorm

kan spreken. Vorm en inhoud van een gedicht zijn geen twee werkelijk

bestaande en van elkander afgescheiden dingen; alleen kan men van

inhoud en van vorm spreken in het abstracte" [310].

Om niet al te uitvoerig te worden, zal ik het bij deze aanhalingen

laten. Wat deze beschouwingen vooral belangrijk maakt, is dat

zij grootendeels afkomstig zijn niet van theoretici, maar van de

dichters zelf, die hun leer ook in toepassing brachten. De Nieuwe

Gids-school bracht niet alleen nieuwe--of althans in ons land te

dien tijde ongewone [311]--begrippenover de poëzie, maar zij gaf ook

verzen, waarin het "nieuwe geluid" was te hooren, voor wie er ooren

voor hadden. Tot deze laatsten behoorde blijkbaar niet mr. Levy,

die het had over "... den klinkkank en den zingzang, onvoldragen

vruchten eener aanstormende bent," enz., woorden, die moeilijk op iets

anders dan op de Nieuwe Gids-beweging betrekking kunnen hebben. Over

dit gebrek aan waardeering valt niet te strijden, en allerminst

hier. Subjectieve opvattingen over kunst of literatuur zijn in eene

verhandeling over auteursrecht van geen belang. Doch behoeft men zich

over de kunstwaarde, die men zelf aan een werk of aan een bepaald

soort van werken hecht, niet uit te laten; wél noodzakelijk is het,

dat men zich de bewondering of waardeering van anderen althans kunne

verklaren. Indien men als een volslagen vreemde tegenover het werk

staat, zal het moeilijk vallen, er de ontleding op toe te passen,

die noodzakelijk is, om de bestanddeelen te kunnen aanwijzen, welke

tezamen het object van des auteurs recht uitmaken. Geen kritisch

oordeel wordt dus vereischt, maar wel eenig inzicht in de kunstwaarde

en het kunstbegrip dat aan de werken ten grondslag ligt. Dit objectieve

standpunt hoop ik bij de enkele opmerkingen, welke ik over de leer

in kwestie nog laat volgen, niet uit het oog te verliezen.

Vorm en inhoud--dit kan terstond worden toegegeven--verhouden zich

in de poëzie anders tot elkaar dan b.v. in een wetenschappelijk

geschrift. Het verschil in de beteekenis en de functie der taal in het

eene en in het andere geval kan zelfs zóó groot zijn, dat men geneigd

is het niet meer als een verschil in graad, maar als een in soort te

beschouwen. De taal van den lyrischen dichter schijnt soms in wezen

iets anders te zijn dan de taal, die gebruikt wordt om te verhalen,

te betoogen, enz.; geen woorden en zinnen waaruit de beteekenis moet

worden geabstraheerd, maar geluiden die onmiddellijk hunne werking op

ons uitoefenen. Het is dus, alsof de taal haar symbolisch karakter

volkomen heeft afgelegd en daardoor eigenlijk geen taal meer is,

maar muziek is geworden. Toch blijft er nog altijd een essentieel

verschil tusschen poëzie en muziek, en het is niet juist, wat uit

enkele der hierboven van Frederik van Eeden aangehaalde zinnen zou

kunnen worden afgeleid, dat de woorden hun uitdrukkingsvermogen

uitsluitend aan hun klank en rhythmus zouden ontleenen. Indien dit

waar was, zou men immers de taal, waarin de verzen geschreven zijn,

niet behoeven te kennen om ze te kunnen genieten; de poëzie zou,

evenals de muziek, aan geen taalgebied zijn gebonden.

Waar woorden uitsluitend ter wille van den klank aan elkaar worden

geregen, verkrijgt men iets dat met poëzie weinig of niets heeft te

maken. Dit is b.v. het geval met de, door Gerber [312] aldus genoemde

"naiven Lautspiele", dat zijn: "... die jenigen Lautspiele... welche

entweder nur Laute verwenden oder sich doch der Worte nur als Laute

bedienen." Als voorbeeld noemt hij het volgende liedje, dat door de

Berlijnsche kinderen bij het zoogenaamde "aftikken" wordt gebruikt:

Ene mene men

Ti tukken tukken ten

Karabutte, karabutte

Witsch Watsch

Ab, dran!

Een ander voorbeeld, ook door Gerber meegedeeld [313], waarin meer

bestaande woorden voorkomen, zonder echter eenigen zin te vormen,

is nog het volgende:

Thaler

Maler

Kühchen

Kälbchen

Schwänzchen

Dideldideldänzchen.

Niemand zal er aan denken, dergelijke onnoozele liedjes tot de

poëzie te rekenen; doch iets anders is met dit procédé ook niet te

bereiken. De taal--indien dit woord hier nog kan worden gebruikt--is

aangewend voor iets dat buiten haar gebied ligt en het kan nooit ter

wereld iemand gelukken, er op deze wijze iets waardevols mede tot

uitdrukking te brengen.

Dit alles doet echter niets af aan de beteekenis der klank-expressie,

die door de bovengenoemde schrijvers voor een van de kenmerken der

poëzie wordt gehouden. Klank-expressie moet men niet voor hetzelfde

houden als welluidendheid; zij berust niet op rijm, alliteratie enz.,

die als uiterlijke klankmiddelen alleen het lichamelijk gehoor aandoen

[314]. Het is iets veel hoogers en "geestelijkers"; in dien zin, dat er

niet slechts zinnelijke behagelijkheid, maar geestelijke ontroering

door wordt gewekt. Wij hebben hier te doen met een verschijnsel,

dat ieder die oor heeft voor poëzie kan waarnemen, doch waarvoor

eene verklaring niet is te vinden. Dit wordt door van Deyssel met

een voorbeeld gedemonstreerd:

"Neem dezen regel eens, waarin een van Kloos zijn sonnetverheffingen

ten einde vloeit:

"Als alles wat héél vèr is en héél schoon"

Men weet, dat als er stond:

"Als alles wat zeer ver is en zeer schoon"

de regel heel zijn leven had verloren.

Nu kan men dit van buiten af wel eenigszins verklaren door zijn

indruk na te gaan en te zeggen: 't woordje "heel" is zacht van

klank en "zeer" is hard, "heel" is bekoorlijk door natuurlijkheid,

"zeer" is wijsneuzig deftig en in deez' regel waar een liefdeklacht

ten einde droomt zoo als eens verren wandlaars avondlied versterft,

klinkt 't woordje "heel" alleen.

Maar dit is niet met indringend bewijs verklaren hoe 't wézen zelf

der dichtkunst van dit verschil afhankelijk is" [315].

Het wonderlijke en onverklaarbare van de kracht der poëtische

uitdrukking komt door dit voorbeeld duidelijk in het licht; de

verwisseling van de woordjes "heel" en "zeer", die in wetenschappelijk

proza waarschijnlijk overal, zonder eenige schade aan het geheel aan

te brengen, zou kunnen geschieden, heeft hier, in een sonnet, tot

gevolg, dat de versregel totaal wordt bedorven. Maar hieruit volgt

nu nog niet, dat het woord "héél" in dit vers uitsluitend terwille

van den klank is gekozen en dat het zijne meedoende werking in het

verkrijgen van het aesthetisch effect niet aan datgene waarvan het

het symbool is (de beteekenis), maar aan zichzelf (dus zijn geluid)

zou ontleenen. De woorden "heel" en "zeer" gelden wel voor synoniemen,

maar in dit verband hebben zij zeer zeker niet dezelfde beteekenis,

daar immers de uitdrukkingskracht van den regel van de keuze die men

tusschen beide woorden doet afhankelijk is. De vervanging van "héél"

door "zeer" zou dan ook in dit geval eene wijziging brengen niet alleen

in den vorm maar ook in den inhoud van het gedicht (scil. volgens de

beteekenis waarin ik die woorden tot nu toe heb gebruikt, nl.: vorm =

taal; inhoud = datgene wat door de taal wordt uitgedrukt). "De naakte

gedachte, het zuiver logisch oordeel", is weliswaar precies hetzelfde

gebleven [316], maar daaruit bestaat de inhoud van het gedicht niet;

de dichter heeft wel wat anders uit te drukken dan naakte gedachten en

zuiver logische oordeelen. Inhoud en vorm houd ik dus, ook in poëzie,

niet voor één; ik meen, dat er ook hier een inhoud is, die van den

vorm kan worden afgescheiden, maar ik meen tevens, dat dit met de leer

der Nieuwe Gids-school niet in strijd is, daar ik onder "inhoud" iets

anders versta: den inhoud dien ik bedoel, zal men b.v. in eene "slechte

vertaling" of in een "schooljongens-inhoudsverslag" van een werk als

Dante's Comedia [317] niet--of slechts deerlijk gehavend--terugvinden.

Wel is het natuurlijk bij poëzie veel moeilijker dan bij andere

geschriften om zich van den inhoud, ontdaan van den vorm, eene

voorstelling te maken, want vooreerst is de grens tusschen beide

moeilijker te trekken en bovendien is het dikwijls ondoenlijk den

inhoud in een anderen vorm zuiver weer te geven. Maar dit mag geen

reden zijn om aan het bestaan van dien inhoud, onafhankelijk van den

vorm, te twijfelen. Hier geldt, wat Kohler ergens opmerkt: "... Die

darstellungslose Idee" (hieronder heeft men in dit verband in het

algemeen te verstaan: den inhoud van een kunstwerk geabstraheerd van

den vorm) "ist nicht eingebildet, sie ist vorhanden, wenn es uns

auch nicht gelingt, sie rein und darstellungslos "darzustellen";

ebenso wie ein chemischer Stoff existirt und sich als einheitlich

wirkende Macht kundgibt, wenn es auch nicht möglich ist, denselben

für sich allein zur Darstellung zu bringen und aus den Verbindungen zu

lösen"... "Die Existenz eines solchen nicht real lösbaren, nicht rein

darzustellenden ideellen Agens aber gibt sich darin aufs Deutlichste

kund, dasz dasselbe Agens durch die verschiedensten Mittel hindurch

wirkt, dasz es trotz der verschiedenen Darstellungsmittel immer

dasselbe ist, immer mit den gleichen Merkmalen zur Geltung kommt"

[318].

Nu moge het--zooals reeds werd opgemerkt--niet gemakkelijk zijn den

inhoud van poëzie in een anderen vorm weer te geven, onmogelijk is

het niet. Dat vertalingen in den regel lang niet denzelfden indruk

maken als de eigen woorden van den dichter, is nog geen bewijs van

het tegendeel. Dikwijls voldoet de vertaler niet aan de vele zware

en zeer bijzondere eischen, welke dit werk stelt. Maar vooral moet

men hierbij ook in het oog houden, dat de aesthetische werking van

een dichtstuk toch altijd voor een deel, al is het dan geen alles

overwegend deel, berust op de taal, d.i. dus den vorm. De uiterlijke

welluidendheid, teweeggebracht door het zintuigelijk waarneembare

geluid van de woorden, is uit den aard der zaak in de vertaling

eene andere geworden en als de vertaling in dit opzicht bij het

oorspronkelijke ten achterstaat, is dit dus niet te wijten aan het

niet getrouw weergeven van den inhoud maar aan de minderwaardigheid

van den nieuwen vorm in vergelijking met den oorspronkelijken.

Wat men echter wél in eene vertaling kan terugvinden, dat is de

"klank-expressie", waarvan hierboven sprake was. Dit mag, oppervlakkig

bezien, vreemd schijnen; doch indien men het onderscheid, dat

ik zooeven heb trachten aan te toonen, tusschen de uiterlijke,

onmiddellijk waarneembare welluidendheid en den innerlijken,

"geestelijken" klank, waarop de klank-expressie berust, goed in het

oog houdt, is het wel verklaarbaar. Want waarom zou men in eene andere

taal wél aequivalenten vinden voor de uitdrukking van zuiver logische

gedachten en niet voor woorden, die poëtische stemmingen en gevoelens

vertolken? Ik kan mij hier weer beroepen op L. van Deyssel, die in

een belangwekkend opstel, geschreven naar aanleiding van eene door

hemzelf gemaakte vertaling, waartegen door Prof. A. G. van Hamel eenige

bedenkingen waren ingebracht, zich niet dubbelzinnig over deze kwestie

heeft uitgelaten [319]. In dit opstel tracht van Deyssel aan te toonen,

dat de kritiek van Prof. van Hamel op zijne vertaling voorkomt uit

het verschil in taalwaardeering dat tusschen hen beiden bestaat. Die

van Prof. van Hamel noemt hij de "linguistiesch-aesthetische", die

van hemzelf de "alleen-aesthetische". Het verschil, dat trouwens

volgens van Deyssel zelf moeilijk onder woorden is te brengen, komt

vooral hierin uit, dat de "kunstige geleerde", zooals van Hamel, die

den "linguistiesch-aesthetischen" maatstaf aanlegt, bij het spreken

over "klankgehalte van den volzin", "beweging van rhythme" enz. iets

anders bedoelt dan de kunstenaar. Terwijl de waardeering van den eerste

uiterlijk is, is die van den laatste geheel innerlijk. "De kunstenaar

zal in zoogenaamd slecht gesteld werk wel eens beter rhythme kunnen

vinden dan in de fraaist samengevoegde en geächeveerde vol-zin-geheelen

en het klank-gehalte van den volzin wordt voor hem niet bepaald door

de harmonieuse wijze waarop in een volzin de tusschen-zinnen zich tot

het geheel van den volzin en tot elkander, of de zachte klanken zich

tot de harde verhouden; maar alleen door het psychiesch geluid van

den steller, dat hij hoort in, of áchter, de moevementen van de taal"

[320].

Die innerlijke klank, "het psychiesch geluid van den steller",

kan en moet ook in eene goede vertaling gehoord worden. Om dit in

zijne eigen vertaling van Villiers de L'Isle Adam's Akëdysséril te

bereiken, heeft van Deyssel op sommige plaatsen den Franschen tekst

niet letterlijk gevolgd, en hier en daar woorden en zinswendingen

gebruikt, wier abstracte beteekenis niet overeenkomt met die der

oorspronkelijke Fransche woorden. Dit geschiedde dan "zeker niet om

het proza van Villiers de l'Isle Adam te verbeteren, maar om dat

een niet letterlijke vertaling aan de bedoelingen van dat proza

zuiverder te gemoet komt dan een geheel letterlijke zou vermogen"

[321]. En de opmerking van den heer van Hamel, dat de vertaler zich

"in de beteekenis der woorden" wel eens "vergist" zou hebben, wordt

als volgt beantwoord:

"Zeker mag men zich in de beteekenis der woorden niet vergissen;

maar er is beteekenis en beteekenis, en een woord of zinswending

heeft, als deel van een kunstgeheel, wel eens een andere en hoogere

beteekenis dan die, welke Woordenboek en grammatica er voor aangeven."

Die "andere en hoogere beteekenis", welke alleen uit den klank van

de zin moet worden opgevangen en die door het koele logische verstand

niet kan worden gewaardeerd, behoeft dus, volgens de meening van van

Deyssel, zooals die ontwijfelbaar uit zijn geheele opstel blijkt,

niet met de vertaling verloren te gaan [322]. Wat in een geschrift

alleen absoluut onvertaalbaar is, behoort in aesthetischen zin tot

een lagere orde: nl. de uiterlijke klank en rhythmus van de taal.

Over de verhouding tusschen taal en inhoud is hiermede, naar ik meen,

genoeg gezegd. Dat ik mij zoolang bezighield met de poëtische taal

en de "klankexpressie", had niet tot oorzaak het groote practische

belang der poëtische werken als objecten van auteursrecht. Want in

dit opzicht is hunne beteekenis, vergeleken bij de geschriften van

anderen aard, waarvan het auteursrecht meestal veel grootere waarden

vertegenwoordigt en daarom ook meer gevaar loopt niet geëerbiedigd

te worden, betrekkelijk gering. Doch ik meende goed te doen juist

aan deze werken de meeste aandacht te wijden, omdat te hunnen

aanzien het vraagstuk van vorm en inhoud de grootste moeilijkheden

meebrengt en den meesten grond oplevert voor bedenkingen tegen mijne

zienswijze. Het is daarom misschien niet geheel overbodig er nog eens

aan te herinneren, dat de uitzonderingen, welke op den algemeenen

regel van de splitsbaarheid van vorm en inhoud zijn te maken, zich

slechts tot zeer enkele werken beperken. Voor de groote meerderheid

van geschriften, waartoe b.v. behooren alle wetenschappelijke en

populair-wetenschappelijke werken, reis- en plaatsbeschrijvingen en

verreweg de meeste romans, novellen en tooneelstukken, geldt, dat de

inhoud niet onverbrekelijk aan den oorspronkelijken vorm is gebonden,

maar dat hij ook in een anderen vorm (d. i. dus eene andere taal)

zuiver en ongeschonden tot uitdrukking kan worden gebracht.

Om hieruit de gevolgtrekkingen te kunnen maken, die voor het

auteursrecht van belang zijn, is het noodig, datgene wat wij als den

"inhoud" van een geschrift hebben leeren kennen, nog aan eene nadere

beschouwing te onderwerpen. Er zal onderzocht moeten worden, of die

inhoud, afgescheiden van den vorm, als eene schepping van den schrijver

kan worden beschouwd en dus op zichzelf voorwerp van auteursrecht kan

zijn; want hiervan hangt het af, of het exploiteeren van den inhoud

in een nieuwen vorm (b.v. het uitgeven van eene vertaling) een inbreuk

op des schrijvers auteursrecht uitmaakt. Maar met het beantwoorden van

deze vraag zijn alle moeilijkheden nog niet opgelost. De onderscheiding

tusschen vorm en inhoud, die ik tot nu toe gemaakt heb, geeft nog

geene voldoende ontleding van een geschrift. Ook de inhoud is niet één

onverbreekbaar geheel; ook daarin zijn verschillende bestanddeelen te

onderscheiden, die niet alleen alle tezamen, maar ook afzonderlijk in

andere werken kunnen worden overgenomen. Naast de vertalingen, die den

inhoud van het oorspronkelijke werk zoo getrouw mogelijk weergeven,

bestaan ook bewerkingen in eene andere of in dezelfde taal, waarin

het origineel niet op den voet is gevolgd, b. v. de omwerking van een

roman tot een tooneelstuk of die van een tooneelstuk in vijf bedrijven

tot een in drie enz. Hier is niet alleen de vorm een andere geworden,

maar ook de inhoud is gewijzigd; slechts enkele bestanddeelen van den

inhoud zijn uit het oorspronkelijke werk overgenomen. Hoeveel mogen nu

dergelijke bewerkingen aan het oorspronkelijke geschrift ontleenen,

zonder het karakter aan te nemen van exploitatie van het werk van

den auteur; zonder dus een inbreuk op het auteursrecht te zijn?

Eene theorie, die voor alle gevallen, waarin deze vraag gesteld kan

worden, het antwoord klaar zou hebben, is niet te geven. De analyse,

die voor dit doel van de letterkundige producten zou moeten worden

gemaakt, zou zóó fijn moeten zijn en zoozeer in bijzonderheden moeten

afdalen, dat zij niet in het algemeen kan worden vastgesteld, om

voor alle werken, of ook maar voor alle werken van eenzelfde soort,

gelijkelijk te gelden. Immers van alle geschriften, die reeds bestaan

of nog geschreven moeten worden, zou men moeten vaststellen, welke

bestanddeelen wél en welke niet als schepping van den schrijver zijn

aan te merken; dat dit bij de velerlei soorten van letterkundige

producten, die elk toch een meer of minder individueel karakter

vertoonen, een onbegonnen werk zou wezen, valt gemakkelijk in te zien.

Dit mag echter geen reden zijn om aan de mogelijkheid van eene

stelselmatige beantwoording der vraag te wanhopen. Al is het niet

mogelijk een regel te formuleeren, die zonder meer maar zou behoeven

te worden toegepast, om in elk geval de juiste beslissing gereed

te hebben, wél kan eene vaste methode worden aangenomen, die bij het

zoeken naar de beslissing moet worden gevolgd. Het is een van de groote

verdiensten van Kohler, den weg in deze richting te hebben aangewezen

en het voorbeeld te hebben gegeven van eene werkelijk systematische

behandeling van dit vraagstuk. Zijn systeem is eenvoudig, al moge de

toepassing misschien niet altijd even gemakkelijk zijn.

Hij onderscheidt aan alle werken:

1o Den uiterlijken vorm, d.i. wat ik hierboven kortweg den "vorm"

heb genoemd, dus de taal.

2o Den innerlijken vorm, waaronder men in het algemeen te verstaan

heeft de wijze, waarop de schrijver zijn stof heeft gerangschikt;

de structuur van het werk, zoowel in de groote lijnen (systematische

indeeling, periodenbouw), als ook in de onderdeelen (de wijze waarop de

gedachten of gevoelens zijn ontvouwd, waarbij naar gelang van den aard

van het werk en de eigenaardigheden van den schrijver verschillende

middelen kunnen worden gebruikt als b.v.: beeldspraak, vergelijkingen,

dialoog-vorm, of wel streng-logische redeneertrant enz. enz.).

3o Den inhoud van het geschrift, de kern, die onder den uiterlijken

en innerlijken vorm verborgen zit, d. w. z. datgene wat de auteur

had te zeggen, los van alle uitdrukkingsmiddelen, waarvan hij zich

bediend heeft.

Deze onderscheiding geeft in hoofdtrekken de methode aan, die men heeft

te volgen om bij elk geschrift te onderzoeken, hoever de schepping van

den auteur reikt. Er zal dus telkens moeten worden uitgemaakt, welk van

de drie genoemde bestanddeelen (nl. uiterlijke vorm, innerlijke vorm

en inhoud) als auteurs-schepping en dus als object van auteursrecht

is aan te merken.

Wat den uiterlijken vorm betreft, is het antwoord, na hetgeen hierover

reeds is opgemerkt, gemakkelijk te geven. De behandeling der taal,

wanneer deze niet in den dienst van het dagelijksch verkeer wordt

aangewend, is zooals wij gezien hebben, als eene kunstmatige te

beschouwen. Het onder woorden brengen, ook van andermans gedachten

en gevoelens, is eene kunst, waarbij het niet alleen aankomt op

eenvoudige toepassing van aangeleerde spel- en stijlregels, maar

waartoe eenig scheppend talent in het opbouwen der zinnen, het

vinden van de gewenschte uitdrukkingen en zinswendingen, het geven

van klank en rhythmus aan de taal, beslist onontbeerlijk is. In het

algemeen kan dus worden aangenomen, dat de uiterlijke vorm van alle

geschriften eene schepping van den auteur is en mitsdien hem alleen

toebehoort. Reproductie van een geschrift in denzelfden uiterlijken

vorm is derhalve altijd inbreuk op het auteursrecht. Ook zelfs

daar, waar niets anders dan de uiterlijke vorm van den auteur is,

moet dezen een uitsluitend recht daarop worden toegekend. Hierop

berust de bescherming van den vertaler, die natuurlijk noch op den

innerlijken vorm, noch op den inhoud eenig recht kan doen gelden,

daar zijne schepping zich beperkt tot de inkleeding van het werk van

een ander in zijne eigen taal.

Bij oorspronkelijke werken is echter ook de innerlijke vorm het werk

van den auteur. Om een goed denkbeeld te krijgen van hetgeen Kohler

met dien "innerlijken vorm" bedoelt, is het noodig enkele soorten

van geschriften afzonderlijk te beschouwen.

Nemen wij b.v. in de eerste plaats een wetenschappelijk werk. Wat de

schrijver daarin tot uitdrukking wil brengen is de door hem gevonden

waarheid omtrent eenig punt van wetenschap. Die waarheid en de

gronden waarop de schrijver haar doet rusten, vormen den inhoud van

het geschrift. In een historisch werk zal deze dus b.v. bestaan uit

de feiten en gebeurtenissen, zooals de schrijver meent dat zij zich

hebben voorgedaan en de omstandigheden, waaruit hij dit afleidt; in

een rechtsgeleerd werk kan de inhoud zijn eene juridische constructie

of de uitlegging van wetsbepalingen met de gronden waarop zij berust

enz. enz. Wanneer nu de schrijver zijne voorstudiën zoover heeft

volbracht, dat de wetenschappelijke inhoud van zijn werk hem helder

voor den geest staat, zoodat hij weet wat hij heeft mee te deelen,

dan begint eerst voor hem de eigenlijke scheppende arbeid. Die arbeid

bestaat niet alleen in het stellen van de reeks van volzinnen waaruit

zijn werk zal bestaan; voordat hij met schrijven aanvangt (voor een

deel zal het ook onder het schrijven, geleidelijk, soms zelfs min of

meer onbewust, geschieden) moet de stof, die de vrucht is van zijn

studie en overdenking, nog eene andere bewerking ondergaan. Er moet

gerangschikt en geordend worden; uit den overvloed van gedachten en

feitenkennis, waarmede de schrijver over zijn onderwerp vervuld is,

moet eene keus worden gedaan, en uit wat na deze schifting voor

opneming geschikt schijnt, moet nu het werk tot een zoo harmonisch

mogelijk geheel worden opgebouwd. Daarbij komt het niet alleen aan

op eene doelmatige systematische indeeling en groepeering van de

onderdeelen, maar ook op eene juiste en treffende bewerking van die

onderdeelen zelf. De verschillende argumenten en tegen-argumenten en

de conclusies, die daaruit telkens worden getrokken, moeten zoodanig

tegenover elkander worden gesteld, dat op alles het juiste licht valt;

de hoofdpunten moeten den lezer dadelijk in het oog vallen, terwijl

de bijzaken meer in de schaduw moeten worden gehouden. Híer zal een

voorbeeld of vergelijking dienst moeten doen, dáár eene aanhaling

van een anderen schrijver; op een andere plaats is weer een korte

historische terugblik noodig of eene herinnering aan de wijsgeerige

beginselen, waarvan de schrijver is uitgegaan.

Dit alles is nu de innerlijke vorm van het werk. Het is de gedaante,

die de schrijver heeft gegeven aan de wetenschappelijke waarheden,

welke hij had te verkondigen; eene gedaante, welke weliswaar eerst

met behulp der taal gefixeerd wordt, maar die toch onafhankelijk van

de taal tot stand komt en die daarom ook in eene vertaling van het

werk dezelfde blijft. Vandaar dat het uitgeven van eene vertaling van

een wetenschappelijk werk zonder toestemming van den auteur inbreuk op

het auteursrecht is; het is eene exploitatie van des auteurs schepping

(innerlijke vorm) onder een nieuwen uiterlijken vorm.

De inhoud van wetenschappelijke werken is echter niet beschermd. De

waarheid en de wegen, die er heen voeren, worden niet geschapen maar

ontdekt, en ontdekkingen kunnen niet onder het uitsluitend recht

van één persoon staan. Indien het tegendeel het geval was, indien

dus hij die eene nieuwe theorie over een of ander wetenschappelijk

vraagstuk heeft uitgedacht of daarover het eerst bepaalde opvattingen

heeft verkondigd, ieder ander kon verhinderen diezelfde denkbeelden,

ook in een anderen vorm, te publiceeren, dan zou aan het auteursrecht

terecht kunnen worden verweten, dat het aan de vrije ontwikkeling

der wetenschap in den weg stond. Het zou dan b.v. ongeoorloofd

zijn om in een economisch leerboek eene uiteenzetting te geven van

de leer van Ricardo, van het stelsel van Marx, van de theorie van

Malthus enz. enz., gesteld, dat op de werken van deze schrijvers

nog auteursrecht bestond; in een boek over geschiedenis zou men geen

gebruik mogen maken van de navorschingen en archiefstudiën van anderen;

bij het maken van geographische kaarten van weinig bekende landen zou

de eerbiediging van het "auteursrecht" van den ontdekkingsreiziger

op de door dezen gemaakte opmetingen en plaatsbepalingen zelfs tot

gevolg hebben, dat men gedwongen zou zijn, voor die streken nog witte

plekken op de kaart te laten of er, tegen beter weten in, volgens de

oude gegevens eene verkeerde teekening van te maken! [323]

Deze enkele voorbeelden kunnen doen zien, hoe noodzakelijk het is het

object van auteursrecht binnen vaste grenzen te houden en er alleen

datgene toe te rekenen, wat vrije schepping van den auteur is, in

dit geval dus de uiterlijke en de innerlijke vorm, niet de inhoud.

In dit verband wil ik er terloops nog op wijzen, dat bescherming

van den (innerlijken en uiterlijken) vorm en niet van den inhoud

nog niet beteekent, dat men den vorm belangrijker acht dan den

inhoud. De hierboven aangehaalde opmerking van Mr. Levy, dat dit een

"op den voorgrond sleepen" van den vorm zou zijn en dat men hierdoor

"van rechtswege" de meening zou doen postvatten, dat het slechts "om

den vorm te doen is", heeft niet den minsten zin. Het is hier niet de

vraag, wat men het belangrijkst acht of waaraan men de voorkeur geeft,

doch slechts: wat is geschikt om object van auteursrecht te zijn? Ook

Louis Blanc haalt deze twee vragen dooreen. Als argument tegen een

recht op den vorm, terwijl de inhoud onbeschermd blijft, geeft hij het

volgende voorbeeld: "Charles Fourier a cru devoir formuler en termes

bizarres et peu intelligibles les idées qui composent le fond de son

système. Vient un badigeonneur littéraire qui s'empare du système

de Fourier, l'expose dans un style clair, élégant si l'on veut, et

met le tout en vente. Vous voyez bien que, à côté de Fourier qui va

mourir de faim, le badigeonneur s'enrichira. Entendue de la sorte,

qu'est-ce que la propriété? C'est le vol" [324].

Dit aandoenlijke geval zou echter niet op rekening mogen worden

geschreven van het auteursrecht. Dat het auteursrecht van den

"badigeonneur" meer opbrengt dan dat van Fourier (al zal de een nog

wel geen millionair worden evenmin als de ander van honger behoeft

om te komen!) komt eenvoudig hierdoor, dat de eerste als auteur

iets waard is en de tweede niet. Het systeem van Fourier was niet

een auteursproduct, maar eene uitvinding, en indien men uitvindingen

van dit slag wenschte te beschermen, zou dit moeten geschieden door

patent- en niet door auteursrecht. Het is, zooals ik reeds meermalen

gelegenheid had op te merken, niet het doel van het auteursrecht,

aan alle intellectueele werkers een loon voor hun arbeid te verzekeren.

Als algemeene regel kan dus worden gesteld, dat van wetenschappelijke

werken alleen de innerlijke en de uiterlijke vorm beschermd zijn, en

niet de inhoud. Men behoeft hierbij de uitdrukking "wetenschappelijke

werken" niet te eng op te vatten; hetzelfde geldt ook voor geschriften

van populairen aard, waarvan het hoofddoel is kennis te verspreiden

of het oordeel van den schrijver mede te deelen over het een

of ander onderwerp. Artikelen en redevoeringen over de politiek,

plaatsbeschrijvingen, verslagen van gebeurtenissen van allerlei aard,

in sommige gevallen ook kritieken en beoordeelingen op het gebied

van kunst en letterkunde, behooren ook hiertoe te worden gerekend.

Anders is het echter gesteld met de letterkundige kunstwerken,

waaronder hier te verstaan zijn alle geschriften, die tot

de "belletrie" of "schoone letteren" behooren, dus: poëzie,

tooneelstukken, romans, novellen enz. Bij deze werken is niet alleen

de uiterlijke en de innerlijke vorm, maar ook de inhoud, de eigenlijke

kern, eene aesthetische schepping, en daarom reikt het auteursrecht

hier verder dan bij de geschriften van wetenschappelijken aard. Dien

inhoud, ontdaan van alle niet-aesthetische elementen, noemt Kohler "das

imaginäre Bild". Men zou het ook kunnen noemen de kunstgedachte, welke

de schrijver, meer of minder bewust, in zijn werk heeft neergelegd;

datgene, wat het tot een organisch geheel maakt en er het eigen,

persoonlijk karakter aan verleent, waardoor het zich van andere

werken onderscheidt. Doch juist het feit, dat elk kunstwerk--althans

elk kunstwerk in den hoogen zin van het woord--zulk een streng

persoonlijk karakter vertoont en zich als iets bijzonders voordoet,

maakt het zoo moeilijk om van die kunstgedachte, van dat "Imaginäre

Bild"--tenzij men één bepaald werk op het oog heeft--iets meer te

geven dan eene vage aanduiding. Het moet hier--nog meer dan ten

aanzien der wetenschappelijke geschriften--blijven bij het aangeven

van de methode, die in elk concreet geval is te volgen, om te weten

te komen, wat wél en wat niet tot de schepping van den auteur behoort.

Wat hiertoe niet gerekend moet worden is, evenals bij alle andere

werken, datgene wat alleen de vrucht is van zuiver-verstandelijke,

ontdekkende arbeid. Dit zijn in een roman of tooneelstuk de feiten en

gebeurtenissen, die tezamen de intrigue vormen. Voornamelijk is dit

het geval, wanneer deze ontleend zijn aan de geschiedenis (men denke

b.v. aan de historische romans van van Lennep en Bosboom Toussaint)

of aan de mythologie; het spreekt vanzelf, dat het verhaal, hetwelk

de schrijver uit een geschiedenisboek, of uit den Bijbel (zooals

Vondel voor zijne treurspelen meermalen deed) heeft geput, of wel aan

eene algemeen bekende sage heeft ontleend, niet als zijne schepping

is aan te merken. Vele van deze gegevens zijn dan ook door meerdere

schrijvers tot een drama of roman verwerkt, zonder dat zij daardoor in

elkanders rechten traden. Doch ook indien de schrijver zijn verhaal

zelf heeft verzonnen, kan dit geen voorwerp van zijn uitsluitend

recht uitmaken. Het verzinnen van een aantal gebeurtenissen, die den

uiterlijken loop van een roman of drama bepalen, is geen scheppende

arbeid; het is slechts het vaststellen van een schema, dat op zichzelf

geene aesthetische waarde heeft. "Wer nichts thäte"--schrijft Kohler

dienaangaande--"als die Fabel der Wahlverwandtschaften erzählen, von

zwei Paaren, die sich kreuzweise anziehen, wobei das eine Paar sich

so, das andere sich so benimmt und schlieszlich ein Kind ins Wasser

fällt und eine Dame, welche im Uebrigen auch ein Tagebuch schreibt,

sich durch Hunger den Tod gibt: der würde nicht in das Autorrecht

Göthes eingreifen, auch wenn dieses heute noch bestünde" [325].

Wáárin de eigenlijke schepping, afgezien van den uiterlijken en

innerlijken vorm, het "Imaginäre Bild" dus, in een roman of tooneelspel

bestaat, is natuurlijk niet met enkele woorden te zeggen. In het

algemeen kan men m. i. wel met Kohler [326] aannemen, dat het de

karakter-uitbeelding is der personen die in het boek voorkomen en de

schildering hunner psychologische ontwikkeling in de gegeven fabel,

hetgeen in verband met de gebeurtenissen en gedachten-stroomingen

die daarop van invloed zijn, tevens kan zijn een karakterbeeld van

het tijdperk en van de maatschappij waarin het verhaal speelt. Doch

zoodra men dit meer in bijzonderheden wil gaan uitwerken dient men erop

te wijzen--wat Kohler trouwens niet heeft verzuimd te doen--dat niet

alleen iedere school (realisme, naturalisme, romantiek enz.) maar, men

kan bijna zeggen, iedere schrijver, een eigen kunstideaal koestert en

een eigen weg kiest om dit te bereiken. Al moge dus de boven gegeven

karakteriseering van de schepping des auteurs op alle epische en

dramatische werken [327] min of meer toepasselijk zijn, meer dan

eene oppervlakkige aanduiding is zij niet en kan zij ook niet zijn,

daar kunstenaars nu eenmaal niet naar vaste modellen plegen te werken.

Ik meen echter niet dieper hierop in te moeten gaan en wensch liever

de aandacht te vestigen op eene vraag van practisch belang, voor

de oplossing waarvan het bovenstaande reeds eenig licht kan geven;

de vraag nl. of het zoogenaamde "dramatiseeren" van een roman,

d. w. z. de omwerking daarvan tot een tooneelstuk, en omgekeerd

de bewerking van een tooneelstuk in romanvorm, een inbreuk op het

auteursrecht uitmaakt. Eene dergelijke bewerking kán zijn een bijna

woordelijk overnemen van het origineel, indien nl. de bewerker er

zich toe bepaald heeft de zinnen, die de romanschrijver zijn helden

in den mond legt, eenvoudig over te schrijven. De aanhalingsteekens

behoeven dan slechts te worden weggelaten en in de plaats daarvan de

namen der personen te worden gezet boven hetgeen zij te zeggen hebben,

terwijl misschien hier en daar nog eene verschikking of samenvoeging

van enkele tooneelen noodig is, en de "bewerking voor het tooneel"

is gereed. Dat men door de uitgave van eene dergelijke bewerking in

strijd komt met het auteursrecht, behoeft wel geen betoog, daar hier

behalve de inhoud en de innerlijke vorm ook de uiterlijke vorm geheel

of althans voor een groot gedeelte is gestolen.

Bij eene werkelijke dramatiseering wordt echter zoowel de uiterlijke

als de innerlijke vorm een andere. Deze laatste moet uit den aard

der zaak in een tooneelstuk aan andere eischen voldoen dan in een

roman. De romanschrijver kan de gesprekken en dialogen afwisselen

door lyrische gedeelten, natuurbeschrijvingen, algemeene historische

beschouwingen of zelfs door bespiegelingen op wijsgeerig, godsdienstig

en ethisch gebied. Hij is niet--althans niet zoo absoluut als de

drama-schrijver--aan tijd en plaats gebonden; hij kan desverkiezend bij

sommige onderdeelen wat langer stilstaan, zonder vrees den dramatischen

loop daardoor te verstoren.

De schrijver van een tooneelstuk daarentegen moet zijn geheele

werk in een beperkt aantal tooneelen laten afspelen. Voor lange

uitweidingen en beschouwingen is geene plaats; alles moet door

de woorden en gedragingen van de in het stuk optredende personen

worden uitgebeeld. Daarmede heeft natuurlijk de bewerker, die den

inhoud van een roman in dramatischen vorm wil weergeven, rekening te

houden. Alle beschrijvingen en beschouwingen, al die gedeelten waarin

niet de personen aan het woord zijn maar de schrijver zelf, moeten

noodzakelijk vervallen. Voorvallen uit het vroeger leven der optredende

personen, die tot typeering van hun karakter of ter verklaring

hunner latere gedragingen door den romanschrijver ter geschikter

plaats zijn medegedeeld, moeten in het tooneelstuk op eene andere

wijze te pas worden gebracht. Evenzoo zullen de tijdsomstandigheden

en de historische gebeurtenissen, die op het stuk van invloed zijn,

door andere middelen moeten worden afgeschilderd. Verschillende fijne

schakeeringen, die de oorspronkelijke schrijver in den roman had weten

te doen uitkomen, zullen daardoor in de tooneelbewerking moeten worden

gemist; doch daar staat tegenover, dat met eene plastische uitbeelding

op het tooneel effecten zijn te verkrijgen die eene beschrijving niet

kan geven.

De roman moet dus vele vervormingen ondergaan (waarvan er hier

slechts enkele zijn aangestipt), wil er een speelbaar tooneelstuk

uit groeien, dat niet "rammelt" zooals de technische uitdrukking

luidt. Doch daarmede is niet gezegd, dat de inhoud ook een andere is

geworden. De bewerking gaat niet dieper--behoeft tenminste niet dieper

te gaan--dan den innerlijken vorm, d.w.z. de structuur, die uiteraard

in roman en drama verschillend is. Doch de inhoud, de karakters en

hunne ontwikkeling, zal in de meeste gevallen dezelfde zijn gebleven,

daar de bewerker er natuurlijk naar gestreefd zal hebben, dezen zoo

gaaf mogelijk weder te geven.

En hiermede is ook het antwoord op de voorgelegde vraag

gevonden. Indien werkelijk datgene, wat ik hierboven als "inhoud" heb

gekarakteriseerd, in de bewerking kan worden teruggevonden, indien

dus niet alleen de uiterlijke loop van het verhaal, de intrigue,

aan den roman is ontleend, maar ook de psychologische ontwikkeling

en de atmosfeer, waarin deze plaats grijpt, dan moet ook het uitgeven

of opvoeren van eene dergelijke bewerking zonder toestemming van den

oorspronkelijken auteur voor ongeoorloofd worden gehouden. Het is dan

immers de exploitatie van des auteurs schepping, al heeft de bewerker

daaraan een nieuwen uiterlijken en innerlijken vorm gegeven.

c Practische toepassingen van het voorgaande

In verband met de theoretische beschouwingen, die voorafgaan, wensch ik

thans enkele vragen, die de geschriften als objecten van auteursrecht

betreffen, meer uit het oogpunt van de practische toepassing door

wetgever en rechter te bezien. Achtereenvolgens zullen hierbij ter

sprake komen:

I De vereischten, waaraan een geschrift moet voldoen om object

van auteursrecht te zijn;

II Het recht van den vertaler;

III Het uitsluitend vertalingsrecht;

IV Het recht van den bewerker en het uitsluitend bewerkingsrecht.

I Vereischten waaraan een geschrift moet voldoen om object van

auteursrecht te zijn

In de wetten vindt men over de vraag, waarmede ik mij nu ga

bezighouden, nergens eene bijzondere bepaling; de beantwoording wordt

overal overgelaten aan den rechter.

Het beginsel dat hierbij is te volgen, heb ik reeds genoemd en

besproken [328]; het is in het kort dit, dat slechts dáár van

auteursrecht sprake kan zijn, waar eene schepping van den auteur valt

aan te wijzen; terwijl de letterkundige of wetenschappelijke waarde

of belangrijkheid dier schepping buiten beschouwing moeten blijven.

In bijna alle landen heeft zich de jurisprudentie in dezen zin

gevestigd.

Zoo werd in Duitschland uitgemaakt, dat op brieven, die niets

anders bevatten dan eenvoudige mededeelingen en regeling van zaken,

geen auteursrecht bestaat, daar zij niet zijn te beschouwen als

"geestelijke scheppingen." Dat zij zich tot eene winstgevende

exploitatie leenen (het waren in dit geval brieven van Richard Wagner)

doet aan hun karakter niets af, doch is eene buitenstaande, toevallige

omstandigheid [329]. Ook werd bescherming geweigerd, als zijnde geen

"Schriftwerke" volgens de Duitsche wet, aan schouwburg-programma's,

die eenvoudig de mededeeling inhouden van de stukken, die zullen worden

gespeeld, de rolverdeeling, het aanvangsuur, de prijzen der plaatsen,

enz. [330]. Evenzoo werd beslist ten aanzien van formulieren voor

het houden van kantoorboeken [331] en van prijscouranten, die niets

anders bevatten dan een lijst van artikelen met den prijs, waarvoor

zij te koop zijn [332].

In België werd o.a. beslist, dat niet vielen onder de "écrits" welke

de wet op het auteursrecht beschermt: eene lijst van de vreemdelingen,

die in de badplaats Oostende waren aangekomen (Tribunal de Commerce

van Brussel 20 April 1894); nieuwsberichten (Hof van Brussel 1

Dec. 1853); programma's van wedrennen (Hof van Brussel 20 Nov. 1866)

en eene handels-advertentie, bestaande uit zinnen, die dagelijks voor

soortgelijke doeleinden worden gebruikt, en waaraan de opsteller niets

had toegevoegd, waardoor het een oorspronkelijk werk zou zijn geworden

(Tribunal de Paix van Luik 29 Mei 1896) [333].

Fransche rechterlijke beslissingen in denzelfden zin zijn o.m. gewezen

ten aanzien van: een prospectus, waaruit waren overgenomen scheikundige

analyses en gegevens betreffende de aardrijkskundige ligging en

berekening van prijzen met het oog op eene te vestigen industrieele

onderneming [334]; mededeelingen omtrent rechtspraak en administratie

(Hof v. Parijs 2 Mei 1857); telegraphische nieuwsberichten

(Seine-Rechtbank 12 Juni 1851 [335]; Hof van Cassatie 18 Maart 1908)

[336]; eene lijst van de vermoedelijke winnaars van wedrennen, door een

sportblad gepubliceerd [337]. Ten aanzien van een postzegelcatalogus

nam de Seine-Rechtbank aan, dat op werken van dien aard alleen dán

auteursrecht kan bestaan, wanneer zij als "créations de l'esprit" zijn

te beschouwen, "à raison de la conception esthétique ou scientifique

qui ressort de leur plan général, de l'érudition qui se dégage des

appréciations ou observations, même sommaires qu'ils contiennent,

ou tout au moins de l'originalité qui imprime un caractère personnel

à l'ensemble de la publication" [338].

Minder juist lijkt mij de volgende overweging, waarmede het erkennen

van auteursrecht op een catalogus eener kunst-tentoonstelling werd

gemotiveerd: "Attendu que le catalogue des oeuvres d'art exposées

chaque année au Palais de l'industrie constitue, à raison de son

importance et des recherches qu'il nécessite, une oeuvre littéraire

susceptible d'une propriété privée et représentant une valeur vénale

relativement importante, enz." [339]. Nóch de belangrijkheid van

dezen catalogus, nóch de arbeid, die er aan ten koste was gelegd,

nóch het feit, dat hij eene geldelijke waarde vertegenwoordigde,

maakten m.i. dit werk tot eene schepping in den boven aangegeven

zin. Over het algemeen echter volgt de Fransche jurisprudentie het

juiste beginsel, dat alleen dient te worden nagegaan, of er al dan

niet eene "création de l'esprit" aanwezig is.

Ook van de rechterlijke beslissingen, die mij uit andere landen

bekend zijn, kan voor het meerendeel hetzelfde worden gezegd. In

Oostenrijk werd b.v. uitgemaakt, dat op een adresboek alleen vanwege

de historische en ethnographische opmerkingen, die er in voorkwamen,

auteursrecht bestond [340]; en dat niet als object van auteursrecht

waren te beschouwen zakelijke gegevens, met behulp waarvan een

dagbladartikel was samengesteld [341]. In Engeland werd ten aanzien

van dagblad-berichten beslist, dat daarvan niet de inhoud, maar

alleen de bijzondere vorm, waarin zij zijn gepubliceerd, voorwerp

van auteursrecht is [342]; ook ten aanzien van een prijscourant eener

machinefabriek werd in soortgelijken zin beslist [343]. De Zwitsersche

Bondsrechtbank weigerde o. a. als beschermde geschriften te erkennen:

een spoorwegboekje, dat alleen feitelijke gegevens omtrent de uren van

aankomst en vertrek der treinen en de prijzen bevatte [344] en eene

alphabetische lijst van de aangeslagenen in de belasting te Zürich

[345]. In Italië eindelijk maakte het Hof van Appel van Milaan uit,

dat een eenvoudige prijscourant niet behoort tot de geestesproducten

(opere dell ingegno) in den zin der wet op het auteursrecht, daar

hiertoe alleen wezenlijke scheppingen gerekend kunnen worden [346].

Naast deze buitenlandsche beslissingen, waarvan er nog veel meer zouden

zijn te noemen, die zich alle vrijwel in dezelfde lijn bewegen [347],

valt het op, dat de Nederlandsche rechtspraak tot nu toe eene gansch

andere richting heeft gevolgd.

Zoo werd achtereenvolgens door de Arrondissements-Rechtbank van

den Haag, door het Hof in dezelfde stad en door den Hoogen Raad het

auteursrecht erkend op een feestwijzer voor de 3 October-feesten te

Leiden in 1891 [348]; door de Rechtbank te Amsterdam dat op eene

lijst van predikbeurten [349]; door het Hof van den Haag en den

Hoogen Raad op officieele berichten van de godsdienstoefeningen der

Nederduitsch-Hervormde gemeente te Rotterdam [350]. In geen dezer

gevallen had men te doen met eene geestelijke schepping in den boven

bedoelden zin: de Leidsche feestwijzer bevatte, zooals ook door

den beklaagde werd aangevoerd, uitsluitend "stadsnieuws", nl. de

vermelding van den aard der feestelijkheden en van uur en plaats,

waarop zij zouden worden gehouden; in de beide laatste zaken bestond

het "auteursproduct" uit eene opgave van de namen der predikanten, met

de kerken waarin en de dagen en uren waarop door hen Godsdienstoefening

zou worden gehouden.

Tot motiveering dezer uitspraken werd o. a. aangevoerd, dat de wet geen

onderscheid maakt tusschen verschillende soorten van geschriften,

en dat derhalve ook die geschriften beschermd zijn, welke geene

"letterkundige gedachte behelzen", (arrest H. R. 21 Nov. 1892 W. 624)

óf, zooals het in het arrest van den Hoogen Raad van 29 April 1895

(W. 6647) werd uitgedrukt: die welke "blijvende wetenschappelijke of

letterkundige waarde" missen. Wat met de eerste uitdrukking wordt

bedoeld, is mij niet recht duidelijk, zoodat ik over de juistheid

of onjuistheid van dat argument geen oordeel durf uitspreken. Met

de laatstgenoemde woorden wordt echter een zeer juist beginsel

uitgesproken: de wetenschappelijke of letterkundige waarde van een

geschrift moet bij de vraag, of het al dan niet een auteursproduct is,

niet in rekening worden gebracht. Doch hiermede is nog niet gezegd,

dat een lijst van predikbeurten tot de beschermde geschriften

behoort. Wie zich eenigszins rekenschap geeft van de beteekenis

van het woord "auteursrecht" zal moeten inzien, dat hier nóch een

auteur nóch een auteursproduct was aan te wijzen. De H. R. nam in

zijn laatstgenoemd arrest aan, dat de firma D. v. S. te Rotterdam

(die het blaadje "de Kerkbode" uitgaf) als rechtverkrijgende van het

ministerie van predikanten bij de Nederduitsch-Hervormde gemeente

aldaar zich het auteursrecht op de bedoelde lijst van predikbeurten

kon voorbehouden. Volgens deze constructie zou dus het ministerie

van predikanten de auteur zijn van ... de regeling der preekbeurten,

welke die predikanten onder elkander hadden vastgesteld! Waarin hier

de auteurs-arbeid van deze vergadering van predikanten bestond, is

moeilijk te zien. Zij beslisten eenvoudig, op welke uren en in welke

kerken zij den volgenden Zondag zouden optreden. Eene geestesschepping,

ook al vraagt men niet naar blijvende wetenschappelijke of

letterkundige waarde, was hier ver te zoeken.

Er is beweerd, dat onze wet geen ruimte laat voor eene andere

uitlegging dan die, welke in de genoemde rechterlijke uitspraken werd

gegeven. M. i. volkomen ten onrechte.

In de wet van 1817 en ook in het Ontw. Boekh. werd gesproken van

"letterwerken"; het woord "geschriften", dat in de tegenwoordige wet

daarvoor in de plaats is gekomen, zou naar veler oordeel van ruimer

strekking zijn en ook "geschriften" als de boven bedoelde omvatten

[351]. Dit verschil van beteekenis kan ik echter niet inzien en in

geen geval heeft men de bedoeling gehad den kring der beschermde

producten uit te breiden door het woord "geschrift" te gebruiken in

plaats van "letterwerk". Dit blijkt m. i. ten duidelijkste uit de

volgende zinsnede uit de memorie van toelichting [352]:

"De soorten van werken, waarop deze wetsvoordracht betrekking heeft,

stemmen overeen met die welke in het ontwerp van den boekhandel

voorkomen; echter is het min gebruikelijke "letterwerk" door het woord

"geschrift" vervangen."

Ik meen daarom, dat er geen reden bestaat, om aan ons woord "geschrift"

eene andere beteekenis te geven dan b.v. in Oostenrijk en Duitschland

het woord "Schriftwerk" en in België en Frankrijk "écrit" hebben. In

het gewone spraakgebruik moge men misschien een lijst van predikbeurten

en een programma van feestelijkheden "geschriften" noemen, dit is

nog geen reden om dit ook hier te doen. Wat hier vóór alles in het

oog moet worden gehouden, is, dat het woord gebruikt wordt in eene

wet tot regeling van het auteursrecht, en dat alleen die geschriften

bedoeld worden, welke eenen auteur hebben.

Men heeft zich ook beroepen op eene andere uitdrukking van onze wet,

die voorkomt in artikel 7 lid 2, waar het auteursrecht op den inhoud

van dag- en weekbladen nader is geregeld. Daar wordt gesproken van

"berichten of opstellen"; van welke werken het auteursrecht wordt

erkend, mits het uitdrukkelijk worde voorbehouden. De vraag is dus,

of dit woord "berichten" ook, zooals beweerd wordt, eenvoudige

mededeelingen van feiten omvat, die in geen enkel opzicht als

scheppingen zijn te beschouwen. M. i. kan hier hetzelfde antwoord

worden gegeven als boven ten aanzien van het woord "geschriften". Niet

in zijne algemeene beteekenis moet het woord worden opgevat, maar in

de bijzondere beteekenis, die het verband waarin het gebruikt wordt,

aangeeft. Zoo blijft men ook het dichtst bij de bedoeling van den

wetgever, voorzoover die uit hetgeen bij de voorbereiding der bepaling

is gezegd en geschreven kan worden opgemaakt. In het eerste ontwerp

kwam de bepaling niet voor; zij is er later door minister Modderman

bijgevoegd. In de memorie van antwoord (p. 4) wordt ervan gezegd,

dat als beginsel is aangenomen, dat de inhoud van dag- en weekbladen

wordt beschouwd als gemeengoed, en dan komt deze verklaring: "Er

zijn echter uitzonderingen. Niet zelden bevatten de nieuwsbladen

stukken van meer blijvende wetenschappelijke of letterkundige waarde,

bijvoorbeeld als feuilletons, waarvan men zich het auteursrecht niet

wil laten ontrooven. Hiervoor laat het ontwerp ruimte door te bepalen,

dat men zich het auteursrecht van een in een nieuwsblad gepubliceerd

stuk kan voorbehouden, mits men slechts aan het hoofd van dat stuk

zoodanig voorbehoud uitdrukkelijk kenbaar make." Hierbij werd dus

blijkbaar aan losse berichten, die niets anders dan mededeelingen

van feiten bevatten, in 't geheel niet gedacht. Zonder tot verdere

gedachtenwisseling aanleiding te geven, is de bepaling daarna

overanderd in de wet opgenomen. Slechts één enkele opmerking, die bij

de behandeling der wet in de Tweede Kamer werd gemaakt, zou kunnen

doen vermoeden, dat aan het woord "berichten" een ruimere strekking

werd toegekend. Het kamerlid van de Werk liet zich n.l. als volgt

uit: "Of het niet beter geweest ware om voor de gewone korte losse

couranten-berigten geen bescherming tegen nadruk te geven, daarop zal

ik niet terugkomen" [353]. Deze opmerking werd echter gemaakt toen

artikel 7 reeds zonder beraadslaging was goedgekeurd; uit het feit

dat zij niet werd weersproken, mag men dus niet opmaken, dat zij,

wat de uitlegging der bepaling betreft, de algemeene opinie weergaf.

Ik blijf het er dus voor houden, dat onze wet niet de schuld draagt

van de minder juiste beslissingen, die zijn besproken, en dat er geene

wetswijziging voor noodig is om hier, evenals in alle andere landen,

het juiste beginsel te kunnen toepassen. Wél kan worden toegegeven,

dat het woord "berichten" in artikel 7 lid 2 niet gelukkig is gekozen,

doch de rechter behoeft zich daardoor niet gedwongen te gevoelen

tot het erkennen van een "auteursrecht", dat in geen enkel opzicht

dezen naam verdient. Zoo is b.v. naar mijne meening de mededeeling:

"auteursrecht voorbehouden", die in de meeste groote dagbladen boven

de dagelijksche beursnoteering voorkomt, misplaatst en zonder eenige

beteekenis. Reeds Jolly merkte terecht op: "An den durch Telegraph

berichteten Worten: "Paris ist ruhig" oder "5% Rente = 99 1/4" kan

aber kein vernünftiger Mensch eine Autorschaft und in Folge derselben

Autorrechte beanspruchen" [354].

Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht · 第 34 / 215 题