DE OBJECTEN

§ 1 Algemeen overzicht en groepeering

In het algemeen kunnen de producten, die voor bescherming door

auteursrecht in aanmerking komen, worden aangeduid met de, ook in

verschillende wetgevingen gebruikte, uitdrukking: werken van kunst

en letterkunde. Met deze uitdrukking, hoe ruim ook opgevat, wordt

het terrein toch reeds eenigermate afgebakend. Een belangrijke groep

van intellectueele voortbrengselen, die eveneens als "Immaterialgüter"

zijn te beschouwen, vallen er buiten, nl.: uitvindingen en modellen van

nijverheidsproducten, de voorwerpen van het zoogenaamde "industrieele

eigendomsrecht."

Laatstgenoemd recht heeft met het auteursrecht vele punten

van overeenkomst; de grondslag van beide rechten is dezelfde,

nl. bescherming van arbeiders en scheppers op intellectueel gebied

tegen onbevoegde exploitatie hunner voortbrengselen, en ook in aard en

strekking toonen zij veel verwantschap. In de wetgevingen vindt men

echter deze twee categorieën van rechten, waar zij beide wettelijk

zijn erkend, afzonderlijk geregeld en wat de internationale regeling

betreft bestaat naast de Conventie van Bern voor het auteursrecht de

Conventie van Parijs van 20 Maart 1883 voor den industrieelen eigendom

[270]. Dit zou weliswaar opzichzelf nog geen reden behoeven te zijn,

om ook bij eene wetenschappelijke beschouwing deze twee rechten zoo

scherp uit elkander te houden; doch naast de practische redenen, die

verschillende voorzieningen eischen, bestaat er ook een verschil in

karakter van de rechtsobjecten, dat bij het bepalen van het begrip

van elk dezer rechten het trekken van een grenslijn tusschen beide

rechtvaardigt. Hiermede is echter niet gezegd, dat de juiste plaats

van deze grenslijn overal even gemakkelijk is aan te wijzen.

Het kenmerkende van de objecten van auteursrecht zal men hierin hebben

te zoeken, dat zij in tegenstelling met de voorwerpen van industrieelen

eigendom steeds naast hetgeen product is van zuiver intellectueelen

arbeid ook elementen van aesthetisch karakter in zich hebben. Bij de

meeste zal dit aesthetisch karakter zelfs verreweg overwegend zijn

(zooals b.v. bij werken van beeldende kunst, muziek, verzen, romans

en tooneelstukken) terwijl de werken, waarmede dit niet het geval is

(b.v. wetenschappelijke geschriften, werken der bouwkunst), slechts

in zooverre onder de beschermde auteursproducten zijn te rekenen,

als zij eene, meer of minder belangrijke, aesthetische schepping

vertegenwoordigen. Geen voorwerp van auteursrecht kan dus zijn wat

alleen de vrucht is van het koel-overleggend en berekenend verstand,

ook al is daarbij nog zooveel arbeid of vindingrijkheid te pas

gekomen. Daarmede is tevens gezegd, dat uitvindingen buiten het

auteursrecht vallen; niet alleen de uitvindingen op het gebied der

nijverheid, waaronder men de objecten voor den industrieelen eigendom

heeft te zoeken, maar ook die op elk ander gebied.

Levert dus op dit punt het trekken van de grenslijn tusschen

auteursrecht en industrieelen eigendom geene moeilijkheden op,

minder gemakkelijk valt met juistheid vast te stellen, waar de

grens ligt tusschen industrieele modellen en kunstwerken. Het

woord kunstnijverheid wijst reeds op het bestaan van eene groep

voortbrengselen, die tusschen het een en het ander inliggen. Hiertoe

zijn onder meer te rekenen: gouden en zilveren gebruiks- en

luxevoorwerpen, weef- en borduurwerk, tapijten, porcelein, aardewerk,

meubelen, versierd drukwerk, ontwerpen voor boekbanden, enz. enz. In

de wetenschap is een streven merkbaar, dat ook reeds in sommige

landen door wetgever en rechter is gevolgd, om alle voorwerpen van

kunstnijverheid tot het gebied van het auteursrecht te rekenen. Mits

een voortbrengsel een kunstwerk kan worden genoemd (dit woord hier

op te vatten in zijne allerruimste beteekenis), moet het volgens

deze opvatting, indien het ook overigens daarvoor in de termen valt,

voor een object van auteursrecht worden gehouden, ook indien het

aan practische doeleinden dienstbaar is gemaakt. Dit beginsel vindt

men o. a. in de loi-type der Association, welke op dit punt reeds in

enkele wetten geheel of gedeeltelijk navolging heeft gevonden. Het

ontwerp is toepasselijk op alle werken van plastische of graphische

kunst "quels que soient leur mérite, leur emploi et leur destination"

(artikel 1 tweede lid). Er zal nog hieronder gelegenheid zijn, op deze

kwestie terug te komen; hier worde slechts aangestipt, dat men door

het terrein van het auteursrecht in deze richting uit te breiden,

de moeilijkheid, die het vinden van eene nauwkeurige grensscheiding

tusschen auteursrecht en industrieelen eigendom oplevert, niet opheft,

maar slechts verplaatst.

Zet men zich na deze voorloopige afbakening van het terrein tot

eene nadere beschouwing van hetgeen object van het auteursrecht

kan zijn, dan doet zich allereerst de noodzakelijkheid gevoelen,

eenige groepeering te brengen in de bonte menigte "werken van kunst

en letterkunde".

De verschillende kunstsoorten wijzen vanzelf de hoofdrubrieken aan,

waarin de auteursproducten zijn te verdeelen. In de eerste plaats is

de onderscheiding te maken tusschen de werken der beeldende kunsten,

die met lijnen, vormen en kleuren aesthetische indrukken pogen te

wekken door middel van het gezicht en die, welke men met Schuster

[271] zou kunnen noemen werken der "sprekende" kunsten, omdat zij

onmiddellijk door geluid, en slechts middellijk door schrift-teekens

waarneembaar worden gemaakt, nl. de voortbrengselen der woord- [272] en

der toonkunst. Tot deze laatste groep zal men echter ook moeten rekenen

de werken, waarin niet door middel van letterteekens en noten, maar met

lijnen, kleuren en figuren iets wordt beschreven of uiteengezet. In

deze werken, waartoe b.v. gerekend moeten worden: landkaarten,

platte gronden, graphische voorstellingen, doorsnede-teekeningen

van gebouwen en machines enz., vervullen de lijnen en kleuren een

soortgelijke rol als letters en woorden in een geschrift. "Auch

hier"--schrijft Kohler over deze soort werken--"handelt es sich

um eine Sprachkunst, da auch hier nicht nur die technisch richtige

Anwendung der sinnbildlichen Mittel, sondern die weise Auswahl des

Wichtigen aus der Ueberfülle des Vorhandenen für die Brauchbarkeit

und Uebersichtlichkeit entscheidend ist" [273]. Wij hebben hier dus

te doen met eene taal, die niet hoorbaar kan worden weergegeven.

Hetzelfde kan worden gezegd van werken van geheel anderen aard;

nl. pantomimes, waarin ook gedachten en gevoelens tot uiting worden

gebracht door middel van natuurlijke of symbolische, zichtbare teekens:

gebaren en mimiek. Pantomimes en balletten kunnen ook in schrift

worden gebracht door middel der choregraphie, een woord dat het

eerst schijnt te zijn gebruikt door zekeren Feuillet, dansmeester te

Parijs, die in 1701 in het licht gaf een werkje, dat tot titel voert:

Chorégraphie, ou l'art d'écrire la danse par caractères, figures et

signes démonstratifs. Ook ten aanzien van deze werken bestaat er dus

reden te spreken van eene taal, die gedanst kan worden en geschreven,

maar niet gesproken.

Tot de groep der beeldende kunsten zijn ook te rekenen, hoewel zij

daarmede niet op ééne lijn kunnen worden gesteld: de bouwkunst, de

verschillende soorten van kunstnijverheid of technische kunsten en

de photographie.

Wij komen dus tot de volgende groepeering der auteursproducten:

Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht · 第 33 / 215 题