Niet voor niets, werd Regan door zijn associés, De Wolf van Wall Street
genoemd! Terwijl hij gewoonlijk slechts een conservatief, op grooten
schaal handelend, speler was, bezondigde hij zich even dikwijls,
evenals een periodiek drinker, aan woeste, gewaagde beursspeculatie.
Minstens vijfmaal in zijn langdurigen loopbaan had hij de bodem uit de
markt of het dak er afgeslagen en dit telkens met een persoonlijke
winst van millioenen. Hij hield zich nooit op met een kleine
strooptocht en hij deed het ook niet te dikwijls.
Hij liet jaren rustig voorbijgaan, tot alle verdenking tegen hem in
slaap gesust was en zijn wereld dacht, dat de Wolf eindelijk oud en
vreedzaam geworden was. En dan, als een donderslag, trof hij de mannen
en de fondsen, die hij wilde vernietigen. Maar, hoewel de slag altijd
als een donderslag neerkwam, de voorbereiding was heel anders. Maanden
en zelfs jarenlang werden de verschillende plannen voor dien dag
gesmeed, de plannen en voorwaarden voor den strijd nauwkeurig gewikt en
gewogen.
Zoo was het ook geweest met de voorbereiding en uitwerking van het
dreigende Waterloo voor Francis Morgan. Er schuilde wraak achter, maar
het was wraak jegens een doode. Niet Francis, maar Francis’ vader was
de man, dien hij wilde treffen, ofschoon hij door den levende het graf
moest treffen, om zijn doel te bereiken. Acht jaren had hij gewacht en
naar zijn kans uitgekeken, voor de oude R. H. M.—Richard Henry
Morgan—gestorven was. Maar hij had zijn kans niet schoon gezien. Hij
was werkelijk de Wolf van Wall Street, maar nooit had hij, door het een
of ander gelukkig toeval de kans gehad tegenover de Leeuw—want tot aan
zijn dood stond R. H. M. bekend als de Leeuw van Wall Street.
Zoo had Regan, hoewel altijd onder den schijn van eerlijkheid, de veete
van vader op zoon overgebracht. Toch was Regan’s grondslag, waarop hij
zijn wraak opbouwde, laag en verkeerd op touw gezet. Zeker, acht jaren
voor R. H. M.s dood, had hij getracht hem een poets te spelen en dit
was mislukt, maar hij had nooit kunnen droomen, dat R. H. M. dit
geraden had. Toch had R. H. M. dit niet alleen geraden, maar was er,
zonder een schaduw van twijfel, van overtuigd, en had prompt en handig
zijn verraderlijke associé beetgenomen. Zoodoende zou Regan, wanneer
hij geweten had, dat R. H. M. van zijn trouweloosheid op de hoogte was,
zijn pil geslikt hebben zonder aan wraak te denken. Zooals de zaken nu
stonden, geloovend dat R. H. M. even slecht was als hij zelf,
geloovende dat R. H. M. uit laagheid, even laag als de zijne, zonder
aanleiding of verdenking, hem zoo gemeen behandeld had, zag hij geen
anderen weg om zijn rekening met hem te vereffenen dan door hem, of in
plaats van hem, zijn zoon te ruïneeren.
En Regan had zijn tijd afgewacht. Eerst had Francis zich niet druk
gemaakt met het finantiëele spel, tevreden met zijn geld veilig te
laten staan in de veilige fondsen, waarin zijn vader het belegd had.
Eerst toen Francis voor het eerst actief was opgetreden, door
millioenen te steken in Tampico-Petroleum, met de zekerheid, hier
millioenen mee te winnen, had Regan een schijn van kans gezien om hem
te vernietigen. Maar toen hij eenmaal de kans had, liet Regan geen tijd
verloren gaan, hoewel zijn langzame, grondige campagne maandenlange
ontwikkeling noodig had. Voor hij hiermee gereed was, wist hij ongeveer
ieder aandeel van ieder fonds, dat Francis bezat. De voorbereiding had
Regan, werkelijk twee jaren en nog meer gekost. Van enkele der
corporaties, waarin Francis sterk geïnteresseerd was, was Regan zelf
directeur of een der voornaamste aandeelhouders. Van Frisco
Consolidated was hij president. Van New-York, Vermont en Connecticut
was hij vice-president. Het toezicht hebbend over een directeur der
Northwestern Electric had hij het door keukenpolitiek zoover gebracht
dat hij een meerderheid van twee derde controleerde. En zoo ging het
met alles, hetzij direct of indirect, door corporaties en bank-relaties
had hij de hand in de geheime bronnen en drijfveeren van het
finantiëele, en zaken-organisme dat de steun uitmaakte van Francis’
fortuin.
Toch was geen enkele hiervan meer dan een bagatel, vergeleken bij dat
voornaamste van alles—Tampico-Petroleum. Hiervan bezat Regan, behalve
een onnoozele twintig duizend aandeelen, die hij op de beurs gekocht
had, niets, beheerschte niets, ofschoon de tijd naderde, waarin hij
deze in ongekende hoeveelheden zou moeten verkoopen, en er mee
handelen. Tampico-Petroleum was feitelijk Francis’ particulier terrein.
Verscheidene zijner vrienden waren, voor hun doen, hier sterk in
geïnteresseerd; mevrouw Carrothers zelfs heel sterk. Zij maakte het hem
lastig en liet hem zelfs per telefoon daarover niet met rust. Dan waren
er ook nog anderen, zooals Johnny Pathmore, die hem nooit lastig vielen
en die, wanneer ze elkander ontmoetten, zorgeloos en optimistisch over
den toestand der markt en over finantiëele aangelegenheden in het
algemeen praatten. En dit alles was nog moeilijker te dragen dan de
voortdurende zenuwachtigheid van mevrouw Carrothers.
Northwestern Electric was, dank zij Regan’s machinaties, werkelijk
dertig procent gedaald en daarop blijven staan. De buitenstaanders, die
meenden, dat ze op de hoogte waren, beschouwden dit fonds als absoluut
onbetrouwbaar. Dan was er de kleine, oude,
zoo-hecht-als-de-rots-van-Gibraltar Frisco Consolidated. De ernstigste
geruchten waren daaromtrent in omloop en op het praatje van een
failliet werd steeds meer den nadruk gelegd. Montana Lode leed reeds
onder Muthaney’s minder gunstig en ongemodificeerd rapport en Weston,
de groote expert, uitgezonden door de Engelsche aandeelhouders, had
niets geruststellends gerapporteerd. Zes maanden geleden had Imperial
Tungsten, dat nog niets opleverde, noodlottige groote onkosten moeten
maken door de groote werkstaking, die nog heel in haar begin scheen te
zijn. En niemand, behalve de talrijke arbeidersleiders, die het wisten,
vermoedde, dat Regan’s goud achter deze zaak zat. Het was juist het
geheime en het doodelijke van den aanval, wat Bascom ontmoedigde. Alle
fondsen, waarin Francis geïnteresseerd was, werden, als door een
langzaam voortschuivenden gletscher, naar beneden gedrukt. Er was niets
opzienbarends in deze beweging, het was enkel een geregeld, aanhoudend
dalen, waardoor Francis’ groot fortuin ontzettend inkromp. En behalve
hetgeen hij in vast bezit had, krompen ook zijn stukken op prolongatie
telkens meer in.
Toen kwamen er oorlogsgeruchten. Gezanten ontvingen rechts en links hun
paspoort en de halve wereld scheen te mobiliseeren. Dit was het
oogenblik, nu de beurs geschokt was en er een paniek heerschte, en nu
de wereldlijke machten talmden met het uitvaardigen van moratoriums,
dat Regan gekozen had om toe te slaan. De tijd was rijp voor een
berenaanval en met hem verbonden, waren een half dozijn andere groote
beren, die hem stilzwijgend als hun aanvoerder erkenden. Maar zelfs zij
kenden niet den vollen omvang van zijn plannen, of vermoedden hun
bepaalde richting. Zij namen deel aan den aanval, terwille van de winst
en dachten, dat hij dit om dezelfde reden deed, in de eenvoudige
oprechtheid hunner geldelijke visioenen geen spoor ontdekkend van
Francis Morgan of zijn overleden vader, voor wien de groote klap
bestemd was.
Regan’s bureau tot het verspreiden van geruchten kreeg het druk en de
eersten, die daalden en die het hardst daalden op de terugloopende
markt waren de fondsen van Francis, die reeds aanzienlijk gezakt waren,
voor de berenaanval begon. Toch was Regan te voorzichtig om dwang uit
te oefenen op Tampico-Petroleum. Trotsch hieven deze het hoofd op
temidden der algemeene plotselinge daling en gretig wachtte Regan op
het oogenblik van wanhoop, waarop Francis genoodzaakt zou zijn om deze
op de markt te werpen om zijn verminderde borgtocht in andere
richtingen te dekken.
„God! God!”
Bascom rustte met zijn wang op de palm van zijn eene hand en trok een
gezicht alsof hij vreeselijke kiespijn had.
„God! God!” herhaalde hij. „Er heerscht een paniek op de beurs en
Tampico-Pet is naar de maan. Kijk ze dalen! Wie had dat kunnen
droomen!”
Francis, die geregeld een trekje deed aan een cigaret en niet eens
merkte, dat hij haar niet aangestoken had, zat met Bascom in het
privé-kantoor van dezen laatste.
„Het lijkt wel een uitverkoop,” beweerde hij.
„Dat kan zoo niet langer doorgaan dan tot morgenvroeg—dan ben je
uitverkocht en ik met je,” sprak zijn makelaar eenvoudig, snel een blik
op de klok werpend.
Deze wees op twaalf, zooals Francis’ snelle, machinale blik vaststelde.
„Gooi de rest van Tampico-Pet er op,” zei hij droevig. „Dat is wel
voldoende tot morgen.”
„En wat morgen?” vroeg zijn makelaar, „met dit bodemloos vat en nu
iedereen, tot de loopjongens toe, al is uitverkocht.”
Francis trok zijn schouders op. „Je weet, dat ik het huis, Dreamwold en
Adirondack Camp al tot het uiterste belast heb.”
„Heb je geen vrienden?”
„Op zoo’n tijd!” zei Francis bitter.
„Wel, dit is juist de goede tijd,” antwoordde Bascom. „Kijk eens hier,
Morgan. Ik ken het stel, waarmee je college geloopen hebt. Daar heb je
Johnny Pathmore...”
„En hij zit er al tot over zijn ooren tusschen. Wanneer ik failliet ga,
gaat hij ook. En Dave Donaldson zal zich moeten bekrimpen tot een
bedrag van ongeveer honderd zestig dollar per maand. En wat Chris
Westhouse betreft, hij zal zijn kostwinning moeten zoeken in de
bioscoop. Hij was altijd goed op tooneeluitvoeringen, en ik weet zeker
dat hij het ideale „film-gezicht” heeft.”
„Dan heb je nog Charley Tippery,” opperde Bascom, ofschoon hij daar
blijkbaar niet veel van hoopte.
„Ja,” stemde Francis even hopeloos toe. „Maar er is alleen maar één
ding met hem het geval—zijn vader leeft nog.”
„Die oude kerel waagde nooit iets in zijn leven,” voltooide Bascom.
„Hij heeft altijd millioenen ter zijner beschikking. En hij leeft nog,
ongelukkig genoeg.”
„Charley zou hem er wel toe kunnen overhalen, en dit zeker doen ook,
maar er is maar één bezwaar.”
„Geen borgstellingen meer?” vroeg de makelaar.
Francis knikte.
„Alsof de oude man van een dollar zou scheiden, zonder de noodige
zekerheidsstelling.”
Toch liet Francis enkele minuten later, hopende Charley Tippery in de
middaguren op zijn kantoor te vinden, zijn kaartje afgeven. Van alle
juweliers en handelaars in edelgesteenten in New-York, was de zaak van
Tippery de grootste. En dat niet alleen. Ze werd als de grootste ter
wereld beschouwd. Van het geld van den ouden Tippery was een grooter
bedrag in de groote Diamond Corner gestoken, dan zelfs zij, die de
meeste dingen doorgrondden, hiervan afwisten.
Het onderhoud verliep, zooals Francis voorspeld had. De oude man hield
feitelijk de teugels van alles nog in handen, en de zoon had weinig
hoop zijn bijstand te winnen.
„Ik ken hem,” zei hij tegen Francis. „En ofschoon ik mijn best zal
doen, vertrouw geen oogenblik op een goeden uitslag. Ik zal zoover gaan
als ik kan, maar dat is ook alles. Het ergste is, dat hij het gereede
geld heeft liggen, om nog niets te zeggen van de noodige goede
hypotheken en Amerikaansche effecten. Maar zie je, Grootvader Tippery
leende eens, toen hij nog jong was en moest vechten en de zaak
stichten, een vriend duizend dollars. Hij kreeg ze nooit terug en kwam
hier nooit overheen. Evenmin kon Vader Tippery hier ooit overheen
komen. Deze gebeurtenis verhardde hen beiden. Wel, vader zou zelfs geen
stuiver leenen op de Noordpool, tenzij hij de Pool als onderpand kreeg
en deze eerst terdege had laten taxeeren. En jij hebt geen waarborgen,
zie je. Maar ik zal je wat zeggen. Ik zal er vanavond na het diner met
den ouden heer over beginnen. Dan is hij het beste gestemd, en ik zal
ondertusschen op mijn eigen houtje rondsnuffelen en zien, wat ik doen
kan. O, ik weet wel, een paar honderdduizend helpen geen zier, en ik
zal doen, wat ik kan, om een grootere som los te krijgen. Wat er ook
gebeurt, ik zal morgen vroeg om negen uur aan je huis zijn...”
„’t Zal morgen een drukke dag voor mij zijn,” lachte Francis flauwtjes,
toen zij elkander de hand drukten. „Ik ga om acht uur van huis.”
„En ik zal er tegen acht uur zijn,” antwoordde Charley Tippery, hem
hartelijk de hand drukkend. „En ondertusschen zal ik mijn best doen. Er
beginnen zich al plannen te vormen...”
Francis had dien middag nog een ander onderhoud. Teruggekomen op het
kantoor van zijn makelaar, vertelde Bascom hem, dat Regan opgebeld had
en Francis wilde spreken, zeggende dat hij een belangrijke mededeeling
voor hem had.
„Ik zal er dadelijk heengaan,” zei Francis naar zijn hoed grijpend,
terwijl de hoop zijn gelaat deed opklaren. „Hij was een oud vriend van
mijn vader en als iemand mij erdoor kan slepen, dan is hij het.”
„Wees daar niet al te zeker van.” Bascom schudde zijn hoofd en zweeg
een oogenblik, huiverig om te zeggen, wat hij te zeggen had. „Ik belde
hem op, juist voordat je terugkeerde uit Panama. Ik was zeer openhartig
tegen hem. Ik vertelde hem van je afwezigheid en je gevaarlijke positie
hier en vroeg hem—o ja, ronduit en op den man af—of ik in geval van
nood op hem mocht rekenen. En hij weigerde. Zeker, iemand kan weigeren,
wanneer hem een dienst gevraagd word. Dat is niets bijzonders. Maar mij
dunkt, ik merkte meer... neen, ik wil niet zeggen vijandschap; maar ik
wil zeggen, dat ik den indruk kreeg... hoe zal ik het noemen?—wel, dat
het mij opviel, dat hij zoo bijzonder en eigenaardig koelbloedig en
onverschillig was.”
„Onzin,” lachte Francis. „Hij was een veel te goed vriend van mijn
vader.”
„Wel eens gehoord van de Cosmopolitan Railways Merger?” vroeg Bascom
met veelbeteekenenden nadruk.
Francis knikte bevestigend, maar zei toen:
„Maar dat was voor mijn tijd. Ik heb er van gehoord en dat is ook
alles. Spreek. Wat was daarmee? Zeg me, wat je op het hart hebt.”
„Dat is een te lange geschiedenis, maar neem deze eene raadgeving van
mij aan. Als je Regan spreekt, leg dan je kaarten niet open op tafel.
Laat hem eerst zijn spel spelen en als hij iets aanbiedt, laat hij dit
dan doen, zonder dat je er om gevraagd hebt. Natuurlijk kan ik mij
vergissen, maar het zal je niet schaden, als je je hand omhoog houdt en
hem eerst laat spelen.”
Na verloop van nog een half uur, zat Francis bij Regan en zijn toestand
was zoo hachelijk, dat hij zijn natuurlijke opwellingen moest bedwingen
en zich, overeenkomstig Bascom’s instructies, heel onverschillig
voordeed over zijn staat van zaken. Hij deed zelfs groot.
„Je zit er aardig tusschen, hé?” begon Regan.
„O, nog niet zoo diep, dat het water over mijn lippen komt,” antwoordde
Francis luchtig. „Ik kan nog ademhalen en het zal nog lang duren, eer
ik begin te zinken.”
Regan gaf niet dadelijk antwoord. In plaats daarvan, keek hij snel naar
de laatste meters van het lint, dat de koersen aangaf.
„Maar je drukt Tampico-Pet toch aardig omlaag.”
„En ze hebben aftrek,” kaatste Francis terug en voor het eerst begreep
hij, uiterst verwonderd, dat Bascom’s voorgevoel wel eens waar kon
zijn. „Zeker, zij worden verzwolgen.”
„Maar toch zal je merken, dat Tampico-Pet zakt terwijl ze aftrek
hebben, dat is toch een zeer wonderlijk verschijnsel,” hield Regan vol.
„Wanneer de contramineurs bezig zijn, ziet men allerlei wonderlijke
verschijnselen,” blufte Francis met een air van groote wijsheid. „En
wanneer ze genoeg van mijn fondsen verzwolgen hebben, zullen ze rijp
zijn voor kruierswerk.
„De een of ander zal er wel wat voor over hebben om mijn fondsen uit
hun handen te krijgen. Ik denk, dat ze leelijk zullen bloeden, eer ik
met hen afgehandeld heb.”
„Maar je zit er heelemaal onder, jongen. Ik heb je strijd gevolgd, al
van voor je terugkomst af. Tampico-Pet is je laatste toevlucht.”
Francis schudde het hoofd.
„Dat zou ik niet graag zeggen,” loog hij. „Ik heb reserves ter
beschikking, waarvan mijn beursvijanden niets vermoeden. Ik leid ze om
den tuin, dat is de zaak, leid ze heelemaal om den tuin. Natuurlijk
vertel ik je dit in vertrouwen, Regan. Je waart een vriend van mijn
vader. Ik houd een groote schoonmaak en, als je mijn raad wilt
aannemen, dan begin je dadelijk met koopen. Je kunt er zeker van zijn,
dat je spoedig met de aanbieders kunt afrekenen.”
„Wat zijn dat voor reserves?”
Francis trok zijn schouders op.
„Dat zullen ze wel ondervinden, wanneer ze volgepropt zitten met mijn
stukken.”
„’t Is niets dan bluf!” barstte Regan bewonderend los. „Je hebt
dezelfde stalen zenuwen van den ouden heer. Maar je zult mij moeten
bewijzen, dat het geen bluf is.”
Regan wachtte en Francis werd plotseling geïnspireerd.
„Het is zoo,” mompelde hij. „Je hebt het gezegd. Het water loopt mij
over de lippen en ik sta op het punt om te zinken. Maar dit zal niet
gebeuren, als jij me wilt helpen. Je hebt je enkel maar mijn vader te
herinneren en je hand uit te steken om zijn zoon te redden. Als jij me
steunt, zullen we hen allen buikpijn doen krijgen...”
En nu toonde de Wolf van Wall Street zijn tanden. Hij wees op het
portret van Richard Henry Morgan.
„Waarom denk je, dat ik dit al die jaren daar aan den muur had hangen?”
vroeg hij.
Francis knikte, alsof de eenige denkbare verklaring hun beproefde en
oude vriendschap kon zijn.
„Raad nog eens,” spotte Regan grimmig.
Francis schudde verbaasd het hoofd.
„Opdat ik hem nooit zou vergeten,” vervolgde de Wolf. „En wanneer ik
wakker was, heb ik hem geen enkel oogenblik vergeten.—Herinner je je de
Cosmopolitan Railways Merger? Wel, de oude R. H. M. heeft me daarmee
een vlieg afgevangen. En het was een reuzenvlieg, dat kan je gelooven.
Maar hij was te slim, om mij het hem ooit betaald te laten zetten.
Daarom bleef dat portret daar hangen en ik heb hier zitten wachten. En
nu is de tijd gekomen!”
„Je bedoelt?” vroeg Francis kalm.
„Net wat ik zeg,” gromde Regan. „Ik heb gewacht en gewerkt voor dezen
dag en nu is hij aangebroken. Ik heb de welp gekregen, waar ik hem
wilde hebben.” Hij keek met een kwaadaardigen blik naar het portret.
„En als dat den ouden heer niet in zijn graf doet omdraaien...”
Francis stond op en keek zijn vijand nieuwsgierig aan.
„Neen,” zei hij, bij wijze van alleenspraak, „het is het niet waard.”
„Wat is het niet waard?” vroeg de andere argwanend.
„Om je een pak slaag te geven,” was het koelbloedige antwoord. „Ik zou
je met mijn handen in vijf minuten kunnen dooden. Je bent geen Wolf. Je
bent slechts een laffe hond, voor zoover je geen stinkdier bent. Ze
zeiden me, dat ik dit van je kon verwachten, maar ik geloofde het niet
en kwam hier, om te zien of het waar was. Ze hadden gelijk. Je bent
alles, wat ze van je zeiden. Wel, ik moet maken, dat ik hier wegkom.
Het ruikt naar een vossenhol. Het stinkt.”
Hij bleef staan met zijn hand op de deurknop en keek om. Het was hem
niet gelukt, om Regan driftig te maken.
„En wat ga je nu doen?” hoonde de laatste.
„Als je mij toestaat om mijn makelaar aan je telefoon te roepen, dan
zal je het misschien hooren,” antwoordde Francis.
„Ga je gang, jonge bok,” stemde Regan toe en liet er toen achterdochtig
op volgen: „... Ik zal hem zelf voor je opbellen.”
En, nadat hij zich overtuigd had, dat Bascom werkelijk aan de telefoon
stond, overhandigde hij Francis den hoorn.
„Je hadt gelijk,” verzekerde deze aan Bascom. „Regan is al, wat je
gezegd hebt en nog veel meer. Ga door met je plan de campagne. We
hebben hem, juist waar we hem wilden hebben, ofschoon de oude vos het
geen oogenblik wilde gelooven. Hij denkt, dat hij mij zal villen,
ruïneeren.” Francis dacht een oogenblik na, hoe hij het best zijn
grootspraak kon voortzetten en vervolgde toen: „Ik zal je iets
vertellen, wat je nog niet weet. Hij is de man, die van het begin af
den aanval leidde. Zoo, nu weet je, wie we gaan begraven.”
En na nog een poosje op deze wijze doorgesproken te hebben, hing hij
den hoorn op.
„Zie je,” verklaarde hij, weer bij de deur staande, „je waart zoo slim,
dat we er niet achter konden komen, wie het was. Wel, alle duivels,
Regan, we waren er op voorbereid om een onbekende, die heel wat sterker
was dan jij, af te rossen. En nu jij het maar bent, wordt de zaak al
heel gemakkelijk. Wij dachten, dat het inspanning zou kosten. Maar nu
is het een ding van niets. Morgen om dezen tijd, zal er hier in je
kantoor een begrafenis zijn, maar jij bent geen van de rouwdragers. Jij
zult het lijk zijn—en een allesbehalve aanlokkelijk finantiëel lijk zal
je wezen, wanneer we met je afgerekend hebben.”
„Het doodelijk venijn van R. H. M.,” grinnikte de Wolf. „Hemel, wat kon
hij opsnijden!”
„’t Is jammer, dat hij jou niet begraven heeft en mij die moeite
bespaard,” was Francis’ laatste pijl.
„En al de onkosten,” riep Regan hem achterna. „Het wordt wel een beetje
kostbaar voor je en op deze plaats zal geen begrafenis zijn.”
„Wel, morgen is het dus de dag,” zei Francis tegen Bascom, toen ze ’s
avonds afscheid namen. „Morgen om dezen tijd zal ik een netjes
geschoren, gevild, gedroogd en gerookt exemplaar zijn voor Regan’s
particuliere verzameling. Maar wie zou gedacht hebben, dat dit ouwe
stinkdier zooiets met mij voorhad! Ik heb hem nooit iets in den weg
gelegd. Integendeel, ik beschouwde hem altijd als den besten vriend van
mijn vader.—Als Charley Tippery maar wat van dat overtollige geld der
Tippery’s kon loskrijgen...”
„Of als de Vereenigde Staten maar een moratorium wilden uitvaardigen,”
verklaarde Bascom even hopeloos.
En Regan sprak op dit oogenblik tegen zijn bijeengeroepen agenten en
specialiteiten van zijn geruchten-bureau:
„Verkoopen! Verkoopen! Verkoop alles, wat je machtig hebt kunnen
worden. Ik zie geen heil in deze markt!”
En Francis kocht, op weg naar de stad, het laatste extra-blad, en las
de, met groote letters gedrukte hoofdregel:
Ik zie geen heil in deze markt... Thomas Regan.
Maar Francis was den volgenden morgen om acht uur niet thuis om Charley
Tippery te ontvangen. Het was een nacht geweest, waarin het officiëele
Washington niet had geslapen en de telegraafdraden hadden het nieuws
over het land gedragen, dat de Vereenigde Staten, hoewel niet in
oorlog, een moratorium uitgevaardigd hadden. ’s Morgens om zeven uur
door Bascom zelf, die deze tijding bracht, uit zijn bed gehaald, was
Francis met hem naar de stad gegaan. Het moratorium had hen nieuwe hoop
gegeven en er was veel te doen.
Maar Charley Tippery was niet de eerste, die in het paleis in Riverside
Drive arriveerde. Enkele minuten voor acht, was Parker zeer verrast en
verstoord toen hij Henry en Leoncia, vreeselijk bruingebrand en
vermoeid van de reis, den tweeden huisknecht, die de deur opengedaan
had, voorbij zag snellen.
„Het helpt niets, of u zoo naar binnen komt,” verzekerde Parker hen.
„Mijnheer Morgan is niet thuis.”
„Waar is hij heengegaan?” vroeg Henry, het valies, dat hij droeg, in de
andere hand nemend. „Wij moeten hem pronto hebben en ik zal je leeren,
dat pronto vlug beteekent. En wie, voor den duivel, ben jij?”
„Ik ben de vertrouwde knecht van mijnheer Morgan,” antwoordde Parker
deftig. „En wie is u?”
„Ik heet Morgan,” antwoordde Henry kortaf, rondkijkend alsof hij iets
zocht en liep met groote stappen naar de bibliotheek, keek naar binnen
en zag de telefonen. „Waar is Francis? Onder welk nummer kan ik hem
opbellen?”
„Mijnheer Morgan heeft last gegeven, dat niemand hem op mocht bellen,
behalve in dringende omstandigheden.”
„Wel, wat ik hem te zeggen heb, is dringend. Wat is het nummer?”
„Mijnheer Morgan heeft het vandaag zeer druk,” herhaalde Parker koppig.
„Hij staat er aardig slecht voor, is het niet?” raadde Henry.
Het gelaat van den knecht verried niets.
„’t Ziet er naar uit, of hij vandaag failliet zal gaan, niet?”
Parker’s gelaat verried geen enkele aandoening.
„Voor de tweedemaal zeg ik u, dat hij het zeer druk heeft...” begon
hij.
„Alle duivels!” viel Henry hem in de rede. „Het is geen geheim. De
speculanten hebben hem leelijk te pakken. Dat weet iedereen. De
ochtendbladen waren er vol van. Kom nu maar uit den hoek, mijnheer de
vertrouwde knecht. Ik wil zijn nummer weten. Ik heb zelf belangrijke
zaken met hem af te handelen.”
Maar Parker bleef weigerachtig.
„Hoe heet zijn advokaat? Of zijn agent? Of een van zijn
vertegenwoordigers?”
Parker schudde zijn hoofd.
„U moet me eerst zeggen, wat voor zaken u met hem hebt,” waagde de
knecht te zeggen.
Henry zette het valies neer en deed alsof hij op den ander aan wilde
vliegen om Francis’ telefoonnummer uit hem te schudden. Maar Leoncia
kwam tusschenbeide.
„Zeg het hem,” sprak ze.
„Het hem zeggen!” schreeuwde Henry, haar voorstel aanvaardend. „Ik zal
beter doen. Ik zal het hem laten zien.—Hier, kom hier, jij.” Met groote
stappen liep hij de bibliotheek binnen, gooide het valies op een
leestafel en begon het los te maken. „Luister naar mij, mijnheer de
vertrouwde knecht. Onze zaak is een goede zaak. Wij willen Francis
Morgan redden. Wij gaan hem uit de put halen. Wij hebben millioenen
voor hem, hier in dit ding...”
Parker, die ijskoud, met afkeurenden blik had toegekeken, deinsde bij
deze laatste Woorden ontzet achteruit. Òf die vreemde bezoekers waren
krankzinnigen, òf slimme misdadigers. Misschien waren op dit oogenblik,
waarop ze hem aan de praat hielden met hun verhaal over millioenen, hun
handlangers wel bezig om de bovenste verdiepingen van het huis te
bestelen. En dat valies, kon best met dynamiet gevuld zijn.
„Hier!”
Met een snellen greep, had Henry hem bij zijn kraag gegrepen, toen hij
zich omkeerde om te vluchten. Met zijn andere hand hief Henry het
deksel op en liet een massa ongeslepen juweelen zien. Parker toonde
duidelijk, dat hij verrast was, ofschoon Henry den aard van zijn
opwinding niet vermoedde.
„Ik dacht wel, dat dit je zou overtuigen,” verweet Henry. „Wees nu een
goede kerel en geef me zijn nummer.”
„Ga zitten, mijnheer... en mevrouw,” mompelde Parker onder beleefde
buigingen en een welgeslaagde poging om zich te beheerschen.
„Ga zitten, alstublieft. Ik heb het nummer in mijnheer Morgan’s
slaapkamer laten liggen; hij gaf het mij vanmorgen, toen ik hem hielp
met kleeden. Ik zal het in een oogwenk halen. Gaat u onderwijl
alstublieft zitten.”
Eenmaal buiten de bibliotheek, werd Parker een zeer actief,
helderdenkend persoon. Den tweeden lakei aan de voordeur plaatsend,
zette hij den eersten op wacht voor de deur der bibliotheek. Hij zond
verscheidene andere bedienden heen om de bovenverdiepingen te gaan
verkennen of ze daar misschien ook medeplichtigen zouden verrassen bij
hun verfoeilijk werk. Zelf wendde hij zich, via de telefoon van den
bottelier, tot den naastbijzijnden politiepost.
„Ja, mijnheer,” herhaalde hij tot den sergeant. „Het zijn òf een paar
krankzinnigen òf een paar misdadigers. Zend alstublieft dadelijk een
gevangenwagen, mijnheer. Ik weet op het oogenblik zelf niet welke
verschrikkelijke misdaden zich misschien nog onder dit dak zullen
afspelen...”
Ondertusschen liet aan de voordeur de tweede lakei, met merkbare
verlichting, den, ondanks het vroege uur in avondtoilet gekleeden,
Charley Tippery binnen, dien hij kende als een beproefd vriend van zijn
meester. De eerste bottelier liet hem met een even groot gevoel van
verlichting, waaraan hij nog diverse wenken en waarschuwingen
toevoegde, in de bibliotheek.
Niet wetende, wat of wie hij verwachten moest, liep Charley Tippery
door het groote vertrek naar den vreemden man en de vrouw toe. In
tegenstelling met Parker, trok hun gebruind en vermoeid gelaat zijn
aandacht, niet als iets verdachts, maar als iets, dat meer
belangstelling waardig was, dan New-York gewoonlijk aan zijn meer of
minder deftige bezoekers schenkt. Leoncia’s schoonheid trof hem en hij
zag dadelijk, dat zij een dame was. Henry’s gebruinde, verweerde
trekken, die zoo sprekend geleken op die van Francis en R. H. M. wekten
zijn bewondering en eerbied op.
„Goeden morgen,” sprak hij Henry aan, ofschoon deze begroeting tevens
voor Leoncia bestemd was. „Vrienden van Francis?”
„O, mijnheer,” riep Leoncia. „Wij zijn meer dan vrienden. Wij zijn hier
gekomen om hem te redden. Ik heb de ochtendbladen gelezen. Alleen door
de stomheid der bedienden...”
En Charley Tippery koesterde niet de minste achterdocht. Hij stak Henry
zijn hand toe.
„Ik ben Charley Tippery,” zei hij.
„En mijn naam is Morgan, Henry Morgan,” begroette Henry hem met warmte,
als een verdrinkende, die zich vastklemt aan een levensredder. „En dit
is juffrouw Solano—Senorita Solano—mijnheer Tippery. Eigenlijk is
juffrouw Solano mijn zuster.”
„Ik kwam voor dezelfde zaak,” verkondigde Charley Tippery, toen de
voorstelling was afgeloopen. „De redding van Francis moet, volgens mijn
inzicht, geschieden door gereed geld of beslist verhandelbare
borgstellingen. Ik heb meegebracht, wat ik dezen geheelen nacht bij
elkaar heb kunnen scharrelen, en wat ik beslist weet, dat ontoereikend
is...”
„Hoeveel heb je meegebracht?” vroeg Henry op den man af.
„Achttienhonderd duizend—en wat heb jij meegebracht?”
„Rommel,” zei Henry, op het geopende valies wijzend, niet wetend, dat
hij tot een deskundige uit een, reeds drie generaties bestaande,
juweliersfirma sprak.
Een vluchtig onderzoek van een dozijn der juweelen, op goed geluk er
uit genomen en een nog vluggere globale schatting der hoeveelheid,
bracht een uitdrukking van verwondering en opgewektheid op het gelaat
van Charley Tippery.
„Ze zijn millioenen waard! millioenen!” riep hij uit. „Wat wil je ermee
doen?”
„Ze verkoopen, om er Francis mee te helpen,” antwoordde Henry. „Ze zijn
voldoende borgstelling voor elk bedrag, is het niet?”
„Sluit het valies,” riep Charley Tippery, „onderwijl zal ik
telefoneeren!—Ik moet mijn vader zien te spreken, voor hij het huis
uitgaat,” legde hij hen over zijn schouder heen uit, terwijl hij op
aansluiting wachtte. „Het is maar vijf minuten gaans van hier.”
Juist toen hij het korte gesprek met zijn vader afbrak, trad Parker
binnen, gevolgd door een politie-luitenant en twee agenten.
„Daar is de bende, luitenant—arresteer ze,” zei Parker. „....O,
mijnheer, pardon, mijnheer Tippery. Ik bedoel natuurlijk u niet.—Alleen
de twee anderen, luitenant. Ik weet niet, wat hun ten laste gelegd moet
worden—krankzinnigheid, in ieder geval, zoo niet erger, wat zeer
waarschijnlijk is.”
„Hoe maakt u het, mijnheer Tippery,” was de vriendschappelijke groet
van den luitenant.
„U zult niemand arresteeren, luitenant Burns,” zei Charley Tippery
lachend tegen hem. „U kunt den wagen terugzenden naar de post. Ik zal
het wel in orde maken met den Inspecteur. Want u gaat mee met mij en
dit valies en deze verdachte menschen, naar mijn huis. U zult de
lijfwacht zijn—o, niet van mij, maar van dit valies. Er zitten
millioenen in; koude millioenen, harde millioenen, prachtige
millioenen. Wanneer ik het open in tegenwoordigheid van mijn vader,
zult gij iets zien, wat weinig menschen in deze wereld te zien zullen
krijgen.—En nu, vooruit, allemaal. Wij verknoeien onzen tijd.”
Gelijktijdig met Henry greep hij naar het valies en toen beider handen
het vastgrepen, sprong luitenant Burns toe om tusschenbeide te komen.
„Ik geloof, dat ik het maar zal dragen, tot de koop gesloten is,” sprak
Henry.
„Zeker, zeker,” stemde Charley Tippery toe, „als we maar niet meer
kostbare tijd verliezen. Het zal toch nogal tijd kosten om den koop te
sluiten. Kom mee! Vlug!”