Ontzaggelijk gesteund door het moratorium, was de dalende markt tot
stilstand gekomen en enkele fondsen begonnen zich zelfs te herstellen.
Dit was feitelijk met alles het geval, behalve met de aandeelen, die
Francis bezat en waar Regan’s aanval op gericht was. Hij ging hier mee
voort en deed ze langzaam zakken en hij merkte verheugd de reuzen
hoeveelheden Tampico-Petroleum op, die op de markt gebracht werden,
blijkbaar door niemand anders dan door Francis.
„Nu is het tijd,” zei Regan tegen zijn mede-samenzweerders. „Maak, dat
je er bij bent. Het is een dubbele slag. Denk aan de lijst, die ik je
gegeven heb. Verkoop deze en verkoop snel. Die zijn niet te houden. Wat
al de andere betreft, koopen en koop nu, en lever alles af, wat je
verkocht hebt. Zie je, je kunt niet verliezen en als je je aan de lijst
houdt, sla je een dubbele slag.”
„Maar hoe doe je zelf?” vroeg een van zijn talrijke contramineurs.
„Ik koop niets,” was het antwoord. „Dat zal je toonen, hoe eerlijk ik
geweest ben met mijn tip, en hoe vol vertrouwen ik ben. Ik heb buiten
de lijst geen enkel aandeel verkocht en heb dus niets af te leveren. Ik
verkoop nog steeds en houd mij aan de lijst en de lijst alleen. Daarmee
zal ik mijn slag slaan en je kunt er evengoed in deelen, als je
voortgaat met snel te verkoopen.”
„Daar heb je het!” riep Bascom, om half elf in zijn privé-kantoor,
wanhopig tegen Francis. „De heele markt is stijgend, behalve jou
aandeelen. Regan wil bloed zien. Ik had nooit kunnen droomen, dat hij
zoo sterk zou zijn. We kunnen dit niet uitzingen. ’t Is met ons gedaan.
We zijn failliet—jij, ik, wij allen—alles.”
Nog nooit was Francis koelbloediger geweest dan nu. Als alles verloren
is, waarom je dan drukmaken?—sprak uit zijn houding; en, slechts een
leek in het spel, zag hij mogelijkheden, die verborgen bleven voor
Bascom, die teveel en te goed doorkneed was in het spel.
„Neem het niet te zwaar op,” raadde Francis, wiens nieuw idee met het
oogenblik vaster vorm aannam. „Laten we eens opsteken en er een
oogenblik over praten.”
Bascom maakte een zeer ongeduldig gebaar.
„Wacht toch!” drong Francis aan. „Wacht! Kijk! Luister! Ik ben
failliet, zooals je zegt?”
Zijn makelaar knikte.
„Jij bent failliet?”
Weer een bevestigend knikje.
„Wat beteekent, dat we op zijn, heelemaal op,” ontwikkelde Francis zijn
nieuw idee verder. „Nu is het zoo klaar als de dag, voor jou en voor
mij, dat een man nooit meer dan totaal, volkomen, honderd procent,
heelemaal op kan zijn.”
„Wij verspillen onzen kostelijken tijd,” protesteerde Bascom, terwijl
hij toestemmend knikte.
„Niet, wanneer we zoo volkomen op zijn, als jij zegt, dat wij zijn,”
lachte Francis. „Daar we heelemaal op zijn, hebben tijd, verkoop, koop,
niets meer, eenige waarde voor ons. Waarde bestaat niet meer voor ons,
begrijp je dat dan niet?”
„Ga verder, wat bedoel je?” vroeg Bascom, tijdelijk geduldig geworden
door uiterste wanhoop. „Ik bezit op het oogenblik minder dan een
kerkmuis en, zooals je zegt, ik kan onmogelijk meer verliezen.”
„Nu begrijp je me!” jubelde Francis. „Jij bent lid van de Beurs. Ga
erheen en verkoop of koop, doe, wat jou en mijn vroolijk hart besluit.
Verliezen kunnen we niet. Wanneer je iets van niets aftrekt, blijft er
altijd niets over. We hebben al ons kruit verschoten en meer dan dat.
Laten we nu verschieten, wat we niet hebben.”
Bascom waagde nog een zwak protest, maar Francis versloeg hem met een
laatste:
„Bedenk, iets van niets afgetrokken, blijft niets.”
En het volgend uur, niet langer een zelfstandig makelaar, gehoorzaamde
Bascom, als in een nachtmerrie, aan Francis’ wil in het krankzinnigste
beursavontuur van zijn leven.
„O, zeker,” lachte Francis om half twaalf, „we zouden er nu wel uit
kunnen scheiden. Maar bedenk, we zijn er niet erger aan toe, dan een
uur geleden. Toen hadden we niets. En nu hebben we niets. Je kunt nu
ieder oogenblik de veilingsvlag ophangen.”
Bascom nam langzaam en droevig den hoorn van de telefoon en wilde juist
de orders geven, die een eind zouden maken aan den strijd door een
onvoorwaardelijke overgave, toen de deur openging en het bekende wijsje
van een zeerooversliedje naar binnen drong, dat Francis snel zijn hand
uit deed steken om zijn makelaar reeds bij voorbaat tegen te houden.
„Halt!” riep Francis. „Luister!”
En zij luisterden naar het lied, dat de komst van den zanger
aankondigde:
„—Rug aan rug, door den grootmast gescheiden—
De gansche bemanning wijken doet.”
Toen Henry verwaand binnenstapte, met een reuzen-valies in de hand,
stemde Francis mee in met het liedje.
„Wat is er aan de hand?” vroeg Bascom aan Charley Tippery, die, nog
altijd in avondtoilet, er door de inspanning zeer afgemat en vermoeid
uitzag.
Uit zijn borstzak haalde hij drie geteekende chèques tot een
gezamenlijk bedrag van achttienhonderd duizend dollars te voorschijn en
overhandigde hem die. Bascom schudde droevig het hoofd.
„Te laat,” zei hij. „Dat is slechts een druppel in den emmer. Steek ze
weer in je zak. Het zou maar weggooien zijn.”
„Maar wacht,” riep Charley Tippery, zijn zingenden metgezel het valies
uit handen nemende en dit openend. „Misschien kan dit helpen?”
„Dit” bestond uit een groote massa nette bundeltjes goudaandeelen en
soliede waarborgen.
„Hoeveel is het?” hijgde Bascom, wiens moed als bij tooverslag
herleefde. Maar Francis, die overbluft was bij het zien van zoo’n
overvloed ammunitie, hield met zingen op, om hijgend toe te kijken. En
zoowel hij als Bascom hijgden weer toen Henry uit zijn binnenzak een
bundeltje te voorschijn haalde, bestaande uit een dozijn geteekende
chèques. Zij vermochten enkel te staren naar dat reuzenbedrag, want elk
der chèques was goed voor een millioen dollars.
„En er is nog overvloed op de plaats, waar dit vandaan komt,”
verkondigde Henry luchtigjes. „Je hoeft maar te spreken, Henry, en we
zullen deze speculantentroep tot gruis slaan. Ik denk, dat je het nu
druk zult krijgen. De geruchten loopen overal, dat je op bent en het
met je gedaan is. Vooruit en toon wie je bent. Pluk je aanvallers tot
den laatsten toe. Schud ze uit tot hun gouden horloges en de vullingen
hunner tanden toe.”
„Je hebt dus eindelijk den schat van den ouden Sir Henry gevonden,”
feliciteerde Francis.
„Neen.” Henry schudde het hoofd. „Dit maakt deel uit van den schat der
oude Mayas—ongeveer een derde ervan. We hebben een derde gedeeld met
Enrico Solano, en het andere derde deel berust veilig bij de Nationale
Juweliers- en Handelsbank.—Zeg, ik heb nieuws voor je, als je klaar
bent om te luisteren.”
En Francis was gauw klaar. Bascom wist zelfs beter dan hij, wat er
gedaan moest worden en gaf reeds zijn orders per telefoon aan zijn
staf—kooporders in zoo’n reuzenhoeveelheid, dat Regan’s heele fortuin
hem niet in staat zou stellen om te leveren, wat hij had verkocht.
„Torres is dood,” vertelde Henry hem.
„Hoera!” ontving Francis dit bericht.
„Gestorven als een rat in een val. Ik zag zijn hoofd naar buiten
steken. Het was geen prettig gezicht. En de Chef van Politie is dood.
En... en nog iemand anders is dood...”
„Leoncia toch niet!” riep Francis uit.
Henry schudde het hoofd.
„Iemand der Solanos—de oude Enrico?”
„Neen, je vrouw, mevrouw Morgan. Torres schoot haar dood, schoot haar
met opzet dood. Ik stond naast haar, toen ze viel. Maar luister, ik heb
nog meer nieuws. Leoncia is hier in dat andere kantoor en zij wacht,
dat je bij haar zult komen.—Kan je niet wachten, tot ik uitgesproken
ben? Ik heb nog meer nieuws, dat je zal zeggen, wat je doen moet, voor
je naar haar toegaat. Wel, alle duivels, als ik een zekere Chinees was,
dien ik ken, zou ik je een millioen laten betalen voor al de nieuwtjes,
die ik je voor niets geef.”
„Schiet op—wat is het?” vroeg Francis ongeduldig.
„Goed nieuws, natuurlijk, onvervalscht goed nieuws. Het beste nieuws,
dat je ooit gehoord hebt. Ik—nu lach niet of sla mijn kop niet af—het
goede nieuws is, dat ik een zuster gekregen heb.”
„Wat zou dat?” was Francis’ norsch antwoord. „Ik heb altijd geweten,
dat je zusters had in Engeland.”
„Maar je houdt mij niet voor den gek,” ging Henry voort. „Dit is een
fonkelnieuwe zuster, heelemaal-volwassen en de mooiste vrouw, die je
ooit gezien hebt.”
„En wat zou dat?” bromde Francis. „Dat mag goed nieuws zijn voor jou,
maar ik zie niet in, wat ik daarmee te maken heb.”
„Zoo, nu komen we er dichter bij,” grinnikte Henry. „Jij gaat met haar
trouwen. Ik geef je mijn volle toestemming...”
„Nog niet al was ze tienmaal je zuster, of tienmaal zoo mooi,” viel
Francis hem in de rede. „Er bestaat geen vrouw, waarmee ik zou willen
trouwen.”
„Dat doet er niet toe, Francis, mijn jongen, met deze eene ga je toch
trouwen. Ik weet het. Ik voel het in mijn botten. Ik wil er wat onder
verwedden.”
„Ik wed om duizend dollars, dat ik het niet doe.”
„Och wat, maak er liever een echte weddenschap van,” zei Henry.
„Om wat je wilt.”
„Aangenomen, om duizend vijftig dollars dan.—Ga nu regelrecht naar het
kantoor daar en bekijk haar maar eens.”
„Ze is bij Leoncia?”
„Neen, ze is bij haar zelf.”
„Ik dacht, dat je zei, dat Leoncia daar was.”
„Precies, precies. En Leoncia is daar ook. En er is niemand bij haar en
zij wacht op je, om met je te praten.”
Maar ditmaal werd Francis kregelig.
„Wat vertel je me toch?” vroeg hij. „Ik kan geen touw vastmaken aan je
onzin. Het eene oogenblik is je fonkelnieuwe zuster daar binnen, en het
volgend oogenblik is het je vrouw.”
„Wie zegt je, dat ik ooit een vrouw had?” was Henry’s weervraag.
„Ik geef het op,” riep Francis. „Ik zal naar binnengaan en Leoncia
begroeten. Ik zal later wel verder met je praten, wanneer je weer goed
bij zinnen bent.”
Hij liep naar de deur, maar Henry sneed hem den pas af.
„Nog een oogenblik, Francis en dan heb ik het mijne gezegd,” sprak hij.
„Ik moet je die toelichting geven. Ik ben niet getrouwd. Er zit
daarbinnen maar één vrouw op je te wachten. Die vrouw is mijn zuster.
En het is Leoncia.”
Francis stond een halve minuut versuft, eer hij begreep hoe de vork aan
den steel zat. Weer, en nu vliegensvlug, ging hij naar de deur, toen
Henry hem weer tegenhield.
„Heb ik gewonnen?” vroeg Henry.
Maar Francis schudde hem van zich af, vloog door de deur en wierp deze
achter zich dicht.