HOOFDSTUK XXVII.

Zoodoende kon het gebeuren, dat het dal der Verloren Zielen langs

onderaardsche wegen van twee verschillende richtingen binnengedrongen

werd door twee partijen schatgravers. Van de eene zijde naderden snel

de Koningin en Leoncia, Henry Morgan en de Solanos. Veel langzamer,

ofschoon ze veel eer vertrokken waren, vorderden Torres en de Chef. De

eerste aanval op den berg was het moeilijkst geweest. Om een opening te

maken naar de Maya-kelders had meer dynamiet gekost, dan ze

oorspronkelijk hadden meegebracht, terwijl de rots hardnekkiger geweest

was, dan ze verwacht hadden. Verder bleek het, toen ze eindelijk een

weg gebaand hadden, dat ze zich boven den vloer van den kelder

bevonden, zoodat ze nog meer rots moesten laten springen om het water

te doen opvloeien. En toen ze een weg gemaakt hadden naar de, in het

water rondzwemmende mummies der conquistadores en tot het Vertrek der

Goden, moesten zij zich ook weer een uitweg banen verder in het hartje

van den berg. Maar voor ze verder gingen, maakte Torres zich eerst

meester van de robijnoogen van Chia en de smaragdoogen van Hzatzl.

Ondertusschen drongen de Koningin en haar gezelschap, nagenoeg zonder

eenig oponthoud, door den berg aan den anderen kant het dal binnen. Ook

hielden zij zich niet precies aan den vroeger door hen afgelegden weg.

De Koningin kende, door het langdurige staren in haar Spiegel, iederen

centimeter van den weg. Waar de onderaardsche rivier zich een doortocht

baande en in de Gualaca-Rivier uitliep, was het onmogelijk om hun

booten mee te nemen. Maar, door een nauwgezet onderzoek onder haar

leiding vonden zij den kleinen ingang van een hol in den steilen muur

van een rots, zóó verborgen door dichte bessenstruiken, dat ze het

nooit gevonden zouden hebben, wanneer ze niet hadden geweten, wat ze

zochten. Met algemeene hulp en met de touwen, die zij meegenomen

hadden, heeschen zij hun kanos tegen de rots op, droegen ze op hun

schouders door de kronkelende gangen en lieten ze weer te water in de

onderaardsche rivier, waar deze vrij en rustig tusschen ruime oevers

doorstroomde, zoodat ze met gemak tegen den zwakken stroom op

pagaaiden. Bij andere gelegenheden, wanneer de rivier te snel stroomde,

trokken ze de kanos aan touwen langs den oever voort; en waar de rivier

zich een doortocht baande door de hechte verbindingen der bergen, daar

wees de Koningin hen de blijkbaar uitgehouwen, oude doorgangen waardoor

ze hun lichte vaartuigen konden heendragen.

„Hier moeten we de kanos achterlaten,” beval de Koningin ten slotte, en

de mannen begonnen ze bij het licht van flikkerende toortsen, stevig

aan den oever vast te meeren. „Het is maar een klein eindje door dezen

laatsten doorgang. Dan komen we bij een kleine opening in de rots,

verborgen onder wijnranken en varens en kijken neer op de plek, waar

mijn huis eens stond naast de draaikolk. De touwen zullen we noodig

hebben om de rots af te dalen, maar dat is maar vijftig voet.”

Henry liep met een electrische toorts vooruit, de Koningin naast hem,

terwijl de oude Enrico en Leoncia de achterhoede vormden, om toe te

zien, dat misschien niet een lafhartige inlander of Indiaansche

bootsman achter zou blijven en wegloopen. Maar toen het gezelschap op

de plek kwam, waar de uitgang van het hol had moeten zijn, was er geen

uitgang. De gang hield op, van den vloer tot het dak stevig afgesloten

door rotsblokken, die in grootte varieerden van straatsteenen tot

huizen der inboorlingen.

„Wie kan dit gedaan hebben?” riep de Koningin toornig uit.

Maar Henry stelde haar, na een vluchtig onderzoek, gerust.

„Het zijn maar naar beneden gestorte rotsblokken,” sprak hij, „een

oppervlakkige breuk in de buitenste rotshuid, die naar beneden gegleden

is, en we zullen het met ons dynamiet spoedig herstellen. Gelukkig

hebben we een voorraad meegenomen.”

Maar het duurde lang. Het overige van den dag en den geheelen nacht

door waren ze aan het werk. Groote hoeveelheden springstoffen werden

niet gebruikt, omdat Henry vreesde voor een nog grootere storting van

rotsblokken uit de breuk daarboven. Het dynamiet, dat gebruikt werd,

had alleen ten doel om de stukken kleiner te maken, zoodat ze deze uit

de gang konden wegschuiven. Den volgenden morgen om acht uur ontplofte

de lading, die hen de eerste schemering van het daglicht deed

aanschouwen. Daarna gingen ze heel voorzichtig te werk, om geen nieuwe

rotsblokken naar beneden te doen storten. Ten slotte stonden ze voor

een rotsblok van tien ton, dat den mond van de gang afsloot. Door

openingen aan weerskanten konden ze hun armen uitstrekken in den

brandenden zonneschijn, maar het blok steen versperde hen den weg. Wat

ze ook probeerden, ze konden het alleen maar even doen trillen en Henry

besloot tot een laatste ontploffing, waardoor het naar buiten en het

dal in zou rollen.

„Ze zullen wel merken, dat er bezoekers in aantocht zijn, nadat we de

laatste vijftien uren zoo op hun achterdeur geklopt hebben,” lachte

hij, toen hij zich gereed maakte om de lont aan te steken.

Voor het altaar van den Zonnegod voor het Lange Huis verzameld, merkte

de geheele bevolking inderdaad, en angstig, de komst der bezoekers. Hun

ondervinding van de laatsten, die gekomen waren, was zoo noodlottig

geweest, toen de meer-woning verbrand was en zij hun Koningin verloren,

dat ze nu den Zonnegod smeekten, om geen bezoekers meer te zenden. Maar

tot een ding waren ze, hartstochtelijk opgehitst door hun priester,

besloten, namelijk, om onmiddellijk en zonder onderhandelingen alle

bezoekers, die bij hen kwamen, te dooden.

„Zelfs Da Vasco zelf,” had de priester geroepen.

„Zelfs Da Vasco,” hadden de Verloren Zielen geantwoord.

Ze waren allen gewapend met speren, strijdknotsen, pijlen en bogen; en

terwijl zij wachtten, bleven zij bidden voor het altaar. Ieder

oogenblik arriveerden renboden van het meer, met hetzelfde bericht dat,

hoewel de berg nog altijd bleef donderen, er niets uit te voorschijn

kwam.

Het kleine meisje van tien jaar, het meisje uit het Lange Huis, dat met

Leoncia gesproken had, was de eerste, die nieuwaangekomenen ontdekte.

Dit was mogelijk, omdat de aandacht van den stam gevestigd was op den

rommelenden berg bij het meer. Niemand verwachtte bezoekers uit den

berg aan den anderen kant van het dal.

„Da Vasco!” riep ze. „Da Vasco!”

Allen keken en zagen, op nog geen vijftig meter afstand, Torres, den

Chef en hun volgelingen, op de open vlakte komen. Torres droeg weer den

helm, die hij van zijn rimpeligen voorvader in de Kamer der Mummies

gestolen had. Zij werden onmiddellijk en warm begroet, in den vorm van

een vlucht pijlen, die om hen heen snorden en twee der volgelingen

tegen den grond wierpen. Vervolgens vielen de Verloren Zielen, mannen

en vrouwen, aan, terwijl de geweren van Torres’ mannen begonnen te

spreken. Deze aanval kwam zoo onverwacht en geschiedde zoo snel en op

zoo’n korten afstand, dat, hoewel er velen door de kogels vielen, toch

een aantal de indringers bereikte en overgingen tot een wanhopig

gevecht van man tegen man. Nu werd het voordeel der vuurwapenen

verminderd en gendarmes en anderen werden aan speren geregen of met de

zware knotsen den schedel ingeslagen.

Maar ten slotte moesten de Verloren Zielen het onderspit delven, dank

zij voornamelijk de revolvers, die in het dichtste handgemeen hun werk

konden doen. De overlevenden vluchtten, maar de helft der indringers

was gevallen en gevallen om niet weer op te staan. De vrouwen hadden op

drastische wijze gezorgd voor iederen man, die gewond neerviel. De Chef

tierde van pijn en woede, veroorzaakt door een pijl, die in zijn arm

gedrongen was; en kon niet tot bedaren gebracht worden voor Vicente het

gevederde gedeelte afsneed en de schacht er uit trok.

Torres was ongedeerd, op een pijnlijken schouder na, waar een knots hem

getroffen had; en hij zag met genoegen den ouden priester, die stervend

op den grond lag, met zijn hoofd op de knieën van het kleine meisje.

Daar ze zelf geen gewonden hadden, waarop ze hun ruwe en vlugge

geneeskunst moesten toepassen, gingen Torres en de Chef vooruit naar

het meer en kwamen bij de overblijfselen van de woning der Koningin.

Slechts eenige gehavende stompen van pilaren, die boven het water

uitstaken, wezen aan waar deze eens gestaan had. Torres was verlegen,

maar de Chef was woest.

„Hier, in dit huis juist, stond de schatkist,” stamelde hij.

„Een vruchtelooze jacht!” bromde de Chef. „Senor Torres, ik heb altijd

vermoed, dat je een gek was.”

„Hoe kon ik weten, dat het huis afgebrand was?”

„Dat had je moeten weten, jij, die zoo wijs bent in alle mogelijke

dingen,” kaatste de Chef terug. „Maar je kunt mij niet voor den gek

houden. Ik heb je in het oog gehouden. Ik zag je de smaragden en

robijnen stelen uit de oogholten der Maya-goden. Die zal je met mij

deelen en dadelijk.”

„Wacht, wacht, een beetje geduld,” verzocht Torres. „Laten we eerst een

onderzoek instellen. Natuurlijk zal ik die vier juweelen met je

deelen—maar wat beteekenen die, vergeleken met een heele kist vol? Het

was een lichtgebouwd, broos huis. De kist kan ongedeerd in het water

gevallen zijn, toen het dak instortte. En water beschadigt edelsteenen

niet.”

Tusschen de verbrande pilaren liet de Chef zijn mannen een onderzoek

instellen, en zij waadden en zwommen in het ondiepe water, zorgvuldig

oppassend om niet gegrepen te worden door de zuiging van den verderop

liggenden maalstroom. Augustino, de Zwijger, deed de vondst, vlak bij

den oever.

„Ik sta op iets,” zei hij, terwijl het water nauwelijks tot zijn knieën

reikte.

Torres sprong er in, en naar beneden reikend tot zijn hoofd en

schouders onder water verdwenen, betastte hij het voorwerp.

„Het is de kist, ik ben er zeker van,” verklaarde hij. „... Kom! Jelui

allemaal! Sleep haar op het droge, dan kunnen we de zaak onderzoeken!”

Maar toen dit geschied was en juist toen hij zich vooroverboog om het

deksel te openen, hield de Chef hem tegen.

„Ga terug in het water, jelui allemaal,” beval hij zijn manschappen.

„Er zijn een massa van deze kisten en onze tocht zal mislukt zijn, als

we ze niet allemaal vinden. Eén kist zou de onkosten niet goed maken.”

Eerst toen al de menschen door het water waadden en er in rond

grabbelden, opende Torres de kist. De Chef stond als aan den grond

genageld. Hij kon enkel toekijken en onverstaanbare klanken uitstooten.

„Wil je het nu gelooven?” vroeg Torres. „De waarde ervan is niet te

schatten. Wij beiden zijn de rijkste mannen in Panama, in Zuid-Amerika,

in de heele wereld. Dit is de Maya-schat. Wij hoorden er over spreken,

toen we nog jongens waren. Onze vaders en grootvaders droomden ervan.

De conquistadores konden hem niet vinden. En nu is hij van ons—van

ons!”

En terwijl de beide mannen, nagenoeg verstomd, ernaar stonden te

staren, kropen hun volgelingen een voor een uit het water, vormden

zwijgend een halven cirkel achter hun rug en staarden er eveneens op.

De Chef en Torres wisten niet, dat hun mannen achter hen stonden en

deze wisten evenmin, dat ze van achteren heimelijk beslopen werden door

de Verloren Zielen. Ze stonden allemaal verbaasd en geboeid op den

schat te staren, toen de aanval geschiedde.

Pijl en boog, op tien meter afstand gebruikt, zijn doodelijke wapens,

vooral wanneer er voldoende tijd is om goed te mikken. Twee derde der

schatgravers viel gelijktijdig neer. Vicente, die toevallig vlak achter

Torres stond, werd door niet minder dan twee speren en vijf pijlen

doorboord. Het handjevol overlevenden had nauwelijks tijd om hun

geweren te grijpen en zich om te keeren, toen de aanval met de knotsen

begon. Hierbij werden van Rafaël en Ignacio, twee der gendarmes, die

het avontuur in de Juchitan-olievelden meegemaakt hadden, bijna

onmiddellijk de schedels verbrijzeld. En, zooals gewoonlijk, zorgden de

vrouwelijke Verloren Zielen er voor, dat de gewonden het niet lang meer

maakten.

Het einde was voor Torres en den Chef nog slechts een kwestie van

enkele oogenblikken, toen een luid gekraak van den berg, gevolgd door

een neerstortende rotslawine, de aandacht afleidde. De weinige Verloren

Zielen, die nog in leven gebleven waren, verdwenen in doodsangst in de

beschuttende kreupelboschjes. De Chef en Torres, die alleen nog op de

been waren en ademden, vestigden hun oogen op de rots, waar de rook nog

steeds te voorschijn kwam uit het pas gemaakte gat, en zagen Henry

Morgan en de Koningin op den rand der rots in den zonneschijn naar

buiten stappen.

„Jij neemt de dame,” snoof de Chef. „Ik zal met dien Gringo Morgan

afrekenen, als is dit ook de laatste daad van een leven, dat

oogenschijnlijk niet lang meer zal duren.”

Beide hieven hun geweer op en vuurden. Torres, die nooit heel zeker was

van zijn schot, zond zijn kogel goedgemikt in de borst der Koningin.

Maar de Chef, kampioen-schutter en bezitter van talrijke medailles,

miste zijn doel heelemaal. Het volgend oogenblik, trof een kogel uit

Henry’s geweer zijn pols, vloog door den benedenarm tot aan den

elleboog, waar hij er weer uitdrong en zijn weg vervolgde. En toen zijn

geweer kletterend op den grond viel, wist hij, dat die rechterarm,

waarvan het been van de pols tot aan den elleboog verbrijzeld was,

nooit meer een geweer zou hanteeren.

Maar Henry schoot niet best. Juist naar buiten gekomen na een verblijf

van vierentwintig uur in een duister hol, waren zijn oogen nog niet

gewend aan het verblindende zonnelicht. Zijn eerste schot was gelukkig

geweest. Zijn volgende schoten troffen enkel de onmiddellijke omgeving

van den Chef en Torres, toen zij zich omkeerden en, als dollen, het

kreupelbosch invluchtten.

Tien minuten later, terwijl de gewonde Chef vooruit liep, zag Torres

een vrouw der Verloren Zielen achter een boom te voorschijn springen en

hem met een reuzensteen, die ze in beide haar handen zwaaide, den

schedel inslaan. Torres schoot haar eerst neer, bekruiste zich toen

verschrikt en strompelde verder. Achter hem hoorde hij in de verte het

geroep van Henry en de gebroeders Solano, die hem vervolgden, en hij

herinnerde zich het visioen van zijn dood, dat hij vluchtig aanschouwd,

maar geweigerd had te zien in den Spiegel der Wereld en vroeg zich

verwonderd af, of dit einde nu nabij was. Toch had het niet geleken op

deze plek met boomen, varens en jungle. Uit hetgeen hij vluchtig

aanschouwd had, kon hij zich geen plantengroei herinneren—enkel hechte

rots, brandende zonneschijn en beenderen van dieren. De hoop ontwaakte

weer bij deze gedachte. Misschien was dit einde hem dezen dag nog niet

beschoren, misschien nog niet eens in dit jaar. Wie kon het zeggen? Het

kon nog best twintig jaren duren, eer dit einde kwam.

De jungle verlatend, kwam hij op een vreemde rots, gevormd uit wat

reeds lang verteerde lavasteen geleek. Hier liet hij geen spoor achter

en hij liep er voorzichtig overheen naar de verder gelegen jungle, weer

eens vertrouwend op zijn goed gesternte, dat hem ook ditmaal in staat

zou stellen om te ontsnappen. Zijn ontvluchtingsplan begon vorm aan te

nemen. Hij zou een veilige schuilplaats zien te vinden tot het donker

werd. Dan zou hij terugkeeren naar het meer en de draaikolk. Eenmaal

daar gekomen, zou niets en niemand hem tegen kunnen houden. Hij hoefde

er slechts in te springen. De onderaardsche reis had niets

verschrikkelijks meer voor hem, nu hij haar eens gedaan had. En in zijn

verbeelding zag hij weer het liefelijk beeld der Gualaca-Rivier, die

schitterde onder den vrijen hemel op haar weg naar zee. Bovendien,

droeg hij de twee groote smaragden en twee groote robijnen niet bij

zich, die de oogen geweest waren van Chia en Hzatzl? Fortuin genoeg en

zeker, goed fortuin ook, voor wie ook ter wereld. Wat kon het schelen,

dat hij niet de rijkste man ter wereld geworden was, doordat de

Maya-Schat hem ontgaan was? Hij was tevreden. Al, wat hij nu noodig

had, was duisternis en een laatste onderdompeling in het hart van den

berg en door het hart van den berg naar de Gualaca, die naar zee

stroomde. En juist op dat oogenblik, toen hij het visioen van zijn

vlucht zoo duidelijk voor oogen had, lette hij niet op den weg onder

zijn voeten en maakte een duikeling. Maar het was geen onderdompeling

in een draaikolk. Het was een duikeling, voorover, op het vasteland van

een rotshelling. Deze was zoo glibberig, dat hij voort bleef glijden,

ofschoon hij er in slaagde zich om te keeren, zoodat hij met gezicht en

buik naar de oppervlakte lag en deed woeste pogingen om zich met handen

en voeten vast te klemmen. Deze pogingen verminderden enkel zijn vaart,

maar konden hem niet tot stilstand brengen.

Op de bodem aangekomen, bleef hij een oogenblik ademloos en versuft

liggen. Toen hij weer bij zinnen kwam, was het eerste, wat hij merkte,

dat zijn hand op iets vreemds rustte. Hij had er een eed op willen

doen, dat hij tanden voelde. Ten slotte, huiverend zijn oogen openend

en al zijn moed bijeenrapend, waagde hij het om naar het voorwerp te

kijken. En onmiddellijk voelde hij zich verlicht. Het waren tanden, een

echt, verbleekt kakebeen; maar het waren varkenstanden en het kakebeen

was van een varken. Er lagen nog meer beenderen in de buurt van zijn

lichaam, die, na een ingesteld onderzoek, beenderen van varkens en

kleinere dieren bleken te zijn.

Waar had hij toch al meer zoo’n verzameling beenderen gezien? Hij dacht

na en herinnerde zich den grooten, gouden bokaal der Koningin. Hij keek

op. O, Heilige Moeder Gods! Dit was dezelfde plaats! Hij herkende het

op het eerste gezicht, toen hij den trechter zag, waarboven in de verte

het daglicht scheen. Volle tweehonderd voet boven hem was de rand van

den trechter. De harde, gladde rotskanten helden steil naar hem af en

zijn oogen en verstand zeiden hem, dat geen man, uit een vrouw geboren,

ooit tegen die helling kon opklimmen.

Het denkbeeld, dat in zijn geest oprees, deed hem plotseling in

panischen schrik overeind springen en snel om zich heen kijken. Alleen

op grootere schaal, herinnerde de trechter, waarin hij gevangen zat,

hem aan de trechtervallen, door jachtspinnen in het zand gegraven, die

op den bodem zaten te loeren naar de prooi, die er in zou vallen. En,

nu zijn levendige verbeelding eenmaal opgewekt was, werd hij verschrikt

door de gedachte, dat een monsterspin, even groot als de trechterval,

misschien op hem zat te loeren om hem te verslinden. Maar er verscheen

geen dergelijke bewoner. De bodem der Val, die rond van vorm was, had

een doorsnee van een goede tien voet en was bedekt, hij wist niet hoe

dik, door de overblijfselen van beenderen van kleinere dieren. Waarom

hadden de oude Mayas zoo’n reusachtig hol gegraven? vroeg hij zich af;

want hij was er meer dan half van overtuigd, dat de trechter geen

natuurverschijnsel was.

Voor het donker werd, had hij door een dozijn pogingen uitgemaakt, dat

het onmogelijk was om uit den trechter te klimmen. Tusschen de

verschillende pogingen door hurkte hij neer in de, steeds grooter

wordende, schaduw der ondergaande zon en hijgde met brandende lippen

van warmte en dorst. De plaats was een ware oven, en zijn

lichaamsvochten werden door het voortdurende transpireeren uit hem

geperst. Den geheelen nacht door, met kleine tusschenpoozen, waarin hij

indommelde, peinsde hij tevergeefs over het vraagstuk, hoe te

ontsnappen. De eenige uitweg was naar boven, maar hij kon geen enkele

methode uitdenken om naar boven te komen. Bovendien verwachtte hij met

schrik het aanbreken van den dag, want hij wist, dat geen mensch volle

tien uren gloeiende hitte, zooals dan zijn deel zou worden, kon

doorstaan. Eer de avond weer viel, zou de laatste druppel vocht uit

zijn lichaam verdwenen zijn, en hem als een gerimpelde en reeds half

door de zon verdroogde mummie achterlaten.

Met het aanbreken van den dag nam zijn angst reuzensnel toe, en hij

bedacht een nieuwe en zeer eenvoudige theorie om te ontsnappen. Daar

hij niet naar boven kon klimmen en ook niet door de zijwanden kon

dringen, was de eenige weg, die overbleef, naar beneden. Dwaas, die hij

was! Hij had gedurende de koele nachtelijke uren kunnen werken en nu

moest hij het doen in de snel toenemende hitte. Hij werkte zich op tot

een extase van energie om door de massa verteerde beenderen heen te

graven. Natuurlijk moest daar een uitweg zijn. Hoe kon anders de put

droog zijn? Anders zou hij vol of gedeeltelijk gevuld zijn met het

regenwater. Dwaas! Driemaal driedubbele dwaas!

Hij groef aan den eenen kant van den muur, de afval in een hoop tegen

den anderen kant gooiend. Zoo wanhopig ging hij te werk, dat hij zijn

nagels tot in het leven afbrak, terwijl ieder vingertop doorgeschaafd

was en bloedde. Maar de liefde tot het leven beheerschte hem in sterke

mate en hij wist, dat het een strijd was op leven en dood met de zon.

Toen hij dieper kwam, werd de afval steviger, zoodat hij den loop van

zijn geweer als breekijzer gebruikte en het losgewerkte vuil met

handenvol opschepte.

Toen de voormiddag half om was en zijn hoofd begon te duizelen van de

hitte, deed hij een ontdekking. Op den muur, dien hij ontbloot had,

ontdekte hij het begin van een opschrift, blijkbaar met de punt van een

mes ruw in de rots gekrast. Met vernieuwde hoop, hoofd en schouders in

het gat, groef en krabde hij als een hond, het vuil als een hond er uit

en tusschen zijn beenen doorgooiend. Een gedeelte ervan viel buiten den

kuil, maar het meeste viel terug en op hem. Maar hij was nu te ver

heen, om het nuttelooze van zijn poging in te zien.

Eindelijk was het opschrift vrij, zoodat hij kon lezen:

Peter McGill uit Glasgow. 12 Maart 1820. Ik ontsnapte uit den Put des

Duivels door dezen gang, door in de diepte te graven, waar ik hem vond.

Een gang! Deze gang moest onder het opschrift liggen! Torres werkte nu

verwoed door. Hij zat zóó onder het vuil, dat hij geleek op een

reusachtig, viervoetig, in de aarde wroetend dier. Het vuil kwam nu en

dan in zijn oogen, in zijn neusgaten en luchtwegen, waardoor hij haast

stikte en genoodzaakt was om den kuil uit te gaan en door snuiten en

hoesten zijn ademhalingsapparaat weer vrij te maken. Tweemaal werd hij

bewusteloos. Maar de zon, die nu bijna loodrecht boven hem stond,

spoorde hem aan.

Hij bereikte de bovenste rand van den gang. Hij groef niet verder tot

den ondersten rand, want zoodra de opening groot genoeg was om zijn

lenige gestalte door te laten, wrikte en wrong hij zich erin en weg van

de vernietigende zonnestralen. De koelte en de duisternis kalmeerden

hem, maar zijn blijdschap en de reactie, van wat hij ondergaan had,

deden hem voor de derde maal in zwijm vallen.

Weer bijgekomen en met zwarte, gezwollen lippen een onzinnig lied van

dankbaarheid en dankzegging uitstootend, krabbelde hij verder door den

gang. Hij moest wel krabbelen, want de gang was zóó laag, dat een dwerg

er niet rechtop in had kunnen staan. De plaats was een knekelhuis.

Beenderen kraakten en verbrokkelden onder zijn handen en knieën, en hij

wist, dat zijn knieën tot op het been opengereten werden. Na een

honderd voet afgelegd te hebben, zag hij de eerste lichtschemering.

Maar hoe meer hij de vrijheid naderde, hoe langzamer hij vorderde, want

hij kwam in het laatste stadium van uitputting. Hij wist dat het geen

lichamelijke uitputting was, of van honger, maar hij was uitgeput door

dorst. Water, een paar ons water, was al wat hij noodig had om hem weer

sterk te maken. En er was geen water.

Maar het licht werd sterker en kwam nader. Hij merkte op het laatst,

dat de vloer van den gang met een hoek van dertig graden naar beneden

liep. Dit maakte zijn weg gemakkelijker. Zijn gewicht dreef hem voort

naar de bron van het licht en hielp ieder zijner zwakke bewegingen.

Zeer dicht erbij gekomen, merkte hij, dat de voorraad beenderen grooter

werd. Toch trok hij zich hier weinig van aan, want dit was nu al een

oude geschiedenis voor hem geworden, terwijl hij te uitgeput was om er

op te letten.

Hij merkte, met schemerende oogen en een toenemende ongevoeligheid, dat

de gang zoowel verticaal als horizontaal toeliep. Met een hoek van

dertig graden naar beneden hellend, deed het hem denken aan een

rattenval, waarin de rat, hijzelf, met het hoofd vooruit afdaalde naar,

hij wist niet wat. Even voor hij haar bereikte, merkte hij, dat de

streep helder daglicht, die getuigde van de vrije wereld daarachter, te

nauw was om zijn lichaam door te laten. En zijn vermoeden was waarheid.

Half bewusteloos over het geraamte heenkruipend, dat hij in het

daglicht herkende als dat van een man, slaagde hij er, na talrijke en

pijnlijke beschadigingen van zijn ooren in, om zijn hoofd door de

langwerpige opening te steken. De zon brandde op zijn hoofd, terwijl

zijn oogen de ruimte der vrije wereld indronken, die de onmeedoogende

rots aan het overige van zijn lichaam ontzegde.

Wat hem nog het meest dol maakte, was een voortvlietende rivier, op nog

geen honderd meter afstand en verderop boomen, met malsch weidegras,

dat van zijn kant naar de rivier leidde. En in het door de boomen

beschaduwde water stonden slaperig en tot aan hun knieën erin,

verscheidene koeien van het dwergsoort, dat gevonden werd in het dal

der Verloren Zielen. Nu en dan sloegen ze lui met hun staarten naar de

vliegen, of brachten hun gewicht van de eene poot op den anderen over.

Hij keek of hij ze niet zag drinken, maar blijkbaar hadden ze genoeg

water gehad. Dwazen! Waarom zouden ze niet drinken, terwijl al die

rijkdom aan water ongebruikt voorbij vloeide.

Er ontstond eenige beweging onder hen, ze draaiden hun koppen naar den

anderen oever en staken hun ooren vooruit. Toen er een groote gehoornde

bok uit de boomen aan den rand van het water te voorschijn kwam, legden

zij hun ooren weer terug, schudden hun koppen en stampten in het water,

zoodat hij het geplas kon hooren. Maar het hert trok zich niets aan van

hun dreigementen, boog zijn kop en dronk. Dit was teveel voor Torres,

die een waanzinnige kreet uitstootte, welke hij, wanneer hij bij zinnen

geweest was, niet herkend zou hebben als komend uit zijn eigen keel en

strottehoofd.

Het hert sprong weg. Het vee keerde hun koppen in de richting van

Torres, sloot slaperig de oogen en zette de vliegenjacht voort. Met een

verwoede poging, nauwelijks voelend dat hij zijn ooren half afgetrokken

had, haalde hij zijn hoofd terug uit de langwerpige opening en viel

boven op het geraamte in zwijm.

Twee uur later, ofschoon hij niet wist hoeveel tijd er verloopen was,

kwam hij weer bij en vond zijn eigen hoofd wang aan wang met het

geraamte, waarop hij lag. De ondergaande zon scheen reeds in de nauwe

opening en zijn blik bleef bij toeval rusten op een roestig mes. De

punt er van was afgesleten en gebroken, en hij begreep het verband. Dit

was het mes, waarmee het opschrift in de rots aan den voet van den

trechter gemaakt was aan het andere einde van den gang, en dit geraamte

was het beenig overblijfsel van den man, die het opschrift gemaakt had.

En Alvarez Torres werd krankzinnig.

„Ha, Peter McGill mijn vijand,” mompelde hij. „Peter McGill uit

Glasgow, die mij aldus verraden hebt.—Dit is voor jou!—En dit!—En dit!”

Dit zeggend, stak hij het zware mes in het broze voorhoofd van den

schedel. De stof van het been, dat eens de tabernakel geweest was van

McGills hersenen, vloog in zijn neusgaten en vermeerderde zijn woede.

Hij viel het geraamte met zijn handen aan, rukte er aan, scheurde het

uiteen en vulde de nauwe ruimte rondom hem met rondvliegende beenderen.

Het was als het ware een strijd, waarin hij vernietigde, wat nog over

was van de stoffelijke overblijfselen van den vroegeren bewoner van

Glasgow.

Nog eens wrong Torres zijn hoofd door de spleet om een blik te werpen

op de verbleekende heerlijkheid der wereld. Als een rat in den val, met

zijn nek in den val zittend, uitgedacht door de oude Mayas, zag hij de

schitterende wereld en dag verbleeken en duister worden, evenals ten

slotte zijn bewustzijn opgelost werd in de duisternis des doods.

Maar het vee stond nog altijd in het water te droomen en sloeg naar de

vliegen en later keerde het hert terug, zonder zich aan het vee te

storen en zette zijn gestoorden dronk voort.

Drie Harten · 第 30 / 33 题