Francis had orders voor Parker achtergelaten om hem om acht uur te
roepen en toen Parker zachtjes binnentrad, vond hij zijn meester nog in
slaap. Nadat hij het water in de badkamer in het bad had laten loopen
en het scheergerei klaargezet had, ging de knecht de slaapkamer weer
binnen. Nog altijd zachtjes loopend, opdat zijn meester zoo lang
mogelijk zou kunnen blijven slapen, vielen Parker’s oogen op den
vreemden ponjaard, die recht overeind stond en waarvan de punt door een
briefje en een portret heen in het harde hout der tafel gedrongen was.
Langen tijd keek hij naar dit vreemde schouwspel en toen opende hij,
zonder aarzelen, voorzichtig de deur van mevrouw Morgan’s kamer en keek
naar binnen. Vervolgens schudde hij Francis flink bij den schouder.
De oogen van dezen laatsten gingen open en verrieden een oogenblik de
onbegrijpelijkheid van den pas ontwaakten slaper, maar verhelderden
toen, alles herkennend en zich het bevel herinnerend om hem te wekken,
dat hij den vorigen avond achtergelaten had.
„’t Is tijd om op te staan, mijnheer,” mompelde de knecht.
„Dat is altijd een slechte tijd,” geeuwde Francis glimlachend. Hij
sloot zijn oogen weer met een: „Laat me nog een minuut liggen, Parker.
Als ik insluimer, schud me dan wakker.”
Maar Parker schudde hem onmiddellijk.
„U moet dadelijk opstaan, mijnheer. Ik geloof, dat er iets gebeurd is
met mevrouw Morgan. Zij is niet in haar kamer en er zijn hier een
vreemd briefje en een mes, waarvan ik niets begrijp. Ik weet niet,
mijnheer...”
Francis was met één sprong uit zijn bed, staarde een oogenblik naar den
ponjaard en las vervolgens, dien er uit trekkend, het briefje nog eens
en nog eens, alsof de eenvoudige beteekenis, vervat in die paar
eenvoudige woorden, niet tot zijn begrip vermochten door te dringen.
„Adios voor eeuwig,” zei het briefje.
Wat hem nog meer trof, was de ponjaard, die tusschen Leoncia’s oogen
gestoken was en, terwijl hij staarde naar de wond, gemaakt in het dunne
karton, was het hem, alsof hij ditzelfde vroeger al gezien had en hij
herinnerde zich de meer-woning van de Koningin, toen ze allemaal
gekeken hadden in den gouden bokaal en hij Leoncia’s gelaat had gezien
op dat vreemde, vloeibare metaal, met het mes tusschen de oogen
gestoken. Hij stak zelfs den ponjaard weer terug in het karton en bleef
er naar staren.
De uitlegging ervan was duidelijk. De Koningin was van het begin af
jaloersch geweest op Leoncia en hier in New-York, het portret van haar
mededingster op de tafel in de kamer van haar echtgenoot vindend, had
dit niet minder zijn uitwerking gemist, dan zij met haar stalen punt de
gefotografeerde gelaatstrekken gemist had. Maar waar was zij? Waar was
zij heengegaan?—Zij, een vreemdelinge, zooals nooit de groote stad was
binnengetreden; die de telefoon het wonder der vliegende spraak noemde;
die Wall Street voor een tempel aanzag en Zaken beschouwde als de god
der New-Yorksche mannen. Zij was even onwetend en onnoozel omtrent een
groote stad alsof ze een bewoner van Mars geweest ware. Waar en hoe had
zij den nacht doorgebracht? Waar was zij nu? Was ze nog wel in leven?
Visioenen van de Morgue met zijn onbekende dooden en van lichamen, die
met de eb naar zee dreven, vlogen door zijn brein. Het was Parker, die
hem weer tot zich zelf bracht.
„Is er iets, dat ik voor u doen kan, mijnheer? Zal ik het
detectivebureau opbellen? Uw vader zei altijd...”
„Ja, ja,” viel Francis hem snel in de rede. „Er was een man, dien hij
meer gebruikte dan al de anderen, een jongeman bij de
Pinkertons—herinner je je zijn naam?”
„Birchman, mijnheer,” antwoordde Parker prompt, wegloopend. „Ik zal een
boodschap zenden, dat hij dadelijk komt.”
En hiermee, met het onderzoek naar zijn vrouw, werd Francis verwikkeld
in een reeks avonturen, die hem, den geboren New-Yorker, een duidelijk
beeld gaven omtrent toestanden en verwikkelingen in New-York, waarvan
hij, tot op dat oogenblik, niet het minste geweten had. Niet alleen
zocht Birchman, maar een twintigtal detectives werkten onder hem, die
als met een fijne kam de stad afliepen, terwijl in Chicago en Boston,
de werkzaamheden van dergelijke menschen door hem geleid werden.
Francis’ bestaan was allesbehalve eentonig, verdeeld als het was door
zijn strijd met den ongekenden vijand van Wall Street en de herhaalde
oproepingen om hier en daar en overal heen te gaan, om, naar aanleiding
van een nieuw spoor, de identiteit vast te stellen van wat misschien
zijn vrouw kon zijn. Hij vergat wat een geregelde slaap was en werd er
aan gewend om van zijn lunch of diner afgeroepen te worden, of om uit
zijn bed gehaald te worden, om te beantwoorden aan spoedeischende
oproepingen om te komen en naar pasgevonden vermiste dames te kijken.
Geen spoor van iemand, die aan haar beschrijving beantwoordde en per
trein of stoomboot de stad had verlaten, werd ontdekt en Birchman zette
onvermoeid zijn nauwgezet onderzoek voort, overtuigd, dat zij zich nog
in de stad bevond.
Zoodoende maakte Francis uitstapjes naar Mattenwan en Blackwell en
bezocht de Tombs en het All-Night-gerechtshof. Evenmin ontkwam hij er
aan om naar ontelbare hospitalen en naar de Morgue gesleept te worden.
Eens werd zijn aandacht gevestigd op een pas gesnapten winkeldief, die
niet in de crimineele registers stond opgeteekend en wier identiteit
niet was vast te stellen. Hij had avonturen met geheimzinnige vrouwen,
die door Birchman’s satellieten in het nauw gedreven waren in de
achterkamers van Reines’ Hotels, en in Westzijde, in de Fifties,
verraste hij twee betrekkelijk onschuldige liefdes-idylles, tot groote
verlegenheid van iedereen, hem zelf inbegrepen.
Misschien beleefde hij wel zijn belangrijkst en meest tragisch avontuur
in het tien-millioenen-dollar-huis van Philipp January, den
Telluride-mijnkoning. De vreemde vrouw, een slanke dame, was bij de
Januarys gekomen, een week voor Francis haar zag. En, zooals zij die
geheele week gedaan had, begon zij ook nu tegen Francis op hartroerende
wijze haar handen te wringen, onophoudelijk te schreien en smeekend te
mompelen: „Otto, je vergist je. Op mijn knieën bezweer ik je, dat je
ongelijk hebt. Otto, jou en jou alleen heb ik lief. Daar is niemand
buiten jou, Otto. Er is nooit iemand anders dan jij geweest. ’t Is
alles een vreeselijke vergissing. Geloof me, Otto, geloof me, of ik
sterf...”
En tusschen dit alles door, werd de Wall Street-strijd voortgezet tegen
den, niet te ontdekken, machtigen vijand, die begonnen was met een, wat
Francis en Bascom moesten erkennen, als een noodlottigen aanval, een
strijd op leven en dood op zijn fortuin.
„Als we maar kunnen voorkomen, dat we Tampico-Petroleum in den
maalstroom moeten werpen,” bad Bascom.
„Ik verwacht mijn redding juist van Tampico-Petroleum,” antwoordde
Francis. „Wanneer iedere zekerheidsstelling, die ik kan geven, uitgeput
is, dan zal het inbrengen van Tampico-Petroleum gelijkstaan met de
verschijning van een nieuw leger op een hopeloos slagveld.”
„En verondersteld, dat je onbekende tegenstander machtig genoeg is om
ook die laatste, schitterende activa op te slokken en om nog meer
schreeuwt?” vroeg Bascom.
Francis trok zijn schouders op.
„Dan zal ik geruïneerd zijn. Maar mijn vader werd een half dozijn malen
geruïneerd eer hij zijn fortuin won. Bovendien werd hij doodarm
geboren. Ik hoef me over zoo’n kleinigheid niet druk te maken.”
Een tijdlang volgden de gebeurtenissen op de Solano-haciënda elkander
langzaam op. Eigenlijk waren er, na de bevrijding van Leoncia door
Henry langs zijn met dynamiet bezaaid pad, geen gebeurtenissen
voorgevallen. Zelfs Yi Poon was niet meer komen opdagen om een volkomen
frisch en fonkelnieuw geheim te koop aan te bieden. Er was niets
gebeurd, behalve dat Leoncia neerslachtig was en apathisch en dat noch
Enrico, noch Henry, haar eigen broeder, noch haar Solano-broeders, die
heelemaal geen broeders van haar waren, haar konden opvroolijken.
Maar, terwijl Leoncia neerslachtig neerzat, maakten Henry en de lange
zoons van Enrico zich ongerust en druk over den schat in het dal der
Verloren Zielen, waarheen Torres zich op dat oogenblik met dynamiet een
weg baande. Eén ding wisten zij, namelijk, dat de Torres-expeditie
Augustino en Vicente teruggezonden had naar San Antonio om nog twee
muildierladingen dynamiet te halen. Het was Henry, die na in overleg
getreden te zijn met Enrico en zijn toestemming verkregen te hebben, de
zaak met Leoncia besprak.
„Lieve zuster,” waren zijn woorden, „wij gaan naar boven, om te zien
wat die schurk van een Torres en zijn bende uitvoeren. Dank zij jou,
kennen wij hun doel. Het dynamiet moet een ingang maken in het dal. Wij
weten, waar de Dame Die Droomt haar schat liet zinken, toen haar huis
in brand stond. Torres weet dit niet. Ons idee is, dat we hen kunnen
volgen in het dal, nadat ze de Maya-kelders hebben laten leegloopen en
evenveel kans hebben, zoo niet meer om beslag te leggen op die kostbare
kist met juweelen. En het voornaamste is, dat we jou graag mee zouden
nemen op die expeditie. Ik geloof, dat je er niet tegen op zoudt zien,
om dien tocht langs de onderaardsche rivier nog eens te herhalen,
wanneer we er in slaagden om zelf dien schat te bemachtigen.”
Maar Leoncia schudde droevig het hoofd.
„Neen,” zei ze, nadat hij bleef aandringen. „Ik verlang er niet naar om
het dal der Verloren Zielen ooit weer te zien en hoop er nooit meer
over te hooren spreken. Daar verloor ik Francis aan die vrouw.”
„Het was alles een vergissing, liefste zuster. Maar wie kon dit weten?
Ik niet. Jij niet. En Francis evenmin. Hij handelde als een eerlijk,
oprecht man. Niet wetend, dat jij en ik broer en zuster waren,
geloovende, dat we werkelijk verloofd waren—wat toentertijd ook het
geval was—wilde hij je mij niet ontnemen en hij maakte verdere
verleiding onmogelijk en redde ons aller leven door de Koningin te
trouwen.”
„Ik mis het eeuwigdurend gezang, van jou en Francis: „Rug aan rug, door
den grootmast gescheiden,”” mompelde ze droevig en niet zeer
toepasselijk.
Stille tranen welden op in haar oogen en rolden over haar wangen, toen
ze zich omkeerde, de trappen van de veranda afliep, het erf overstak en
doelloos den heuvel afdaalde. Voor de twintigste maal sedert ze Francis
het laatst gezien had, volgde zij denzelfden weg, naar dezelfde plek,
waar ze hem de eerste maal van de Angélique naar het strand had zien
roeien, waar ze hem mee de jungle ingesleept had om hem te redden voor
haar toornige mannelijke familieleden, tot het oogenblik, waarop ze
hem, met getrokken revolver, gekust had en hem gedwongen had om in de
boot te gaan en weg te roeien. Dit was zijn eerste bezoek geweest.
Vervolgens bedacht ze elke bijzonderheid van zijn tweede bezoek vanaf
het oogenblik, waarop zij naar haar zwemtochtje in de lagune, om de
rots heenloopend, hem had zien zitten, leunend tegen de rots, terwijl
hij zijn eerste briefje aan haar krabbelde; haar verschrikte vlucht de
jungle in, de beet in haar knie van de labarri (die ze bij vergissing
voor een vergiftige adder aangezien had) en haar botsing met Francis
toen ze terugdeinsde en bewusteloos op het zand neerviel. En, onder
haar parasol, zette ze zich neer op dezelfde plek, waar ze bewusteloos
geworden en weer bijgekomen was, om hem aanstalten te zien maken om het
gif uit de wonde te zuigen, die hij reeds opengemaakt had. Als zij zich
goed herinnerde, was het de pijn van dit openmaken geweest, wat haar
weer tot bewustzijn gebracht had.
Zij was diep verzonken in de zoete herinneringen, hoe ze hem een klap
op zijn wang gegeven had, juist toen zijn lippen haar knie naderden,
verborg blozend haar gelaat in haar handen, lachte omdat haar voet
geslapen had door zijn al te stevig tourniquet, werd wit van boosheid
toen hij haar hielp herinneren, dat zij hem beschouwde als den
moordenaar van haar oom en zij zijn aanbod afwees om het tourniquet los
te maken. Zoo diep was zij verzonken in die zoete herinneringen, die
nog zoo kort geleden gebeurd waren en nu toch door een halve eeuw van
den tegenwoordigen tijd gescheiden leken, zoo groot was de voorraad aan
voorvallen, avonturen en teedere oogenblikken daartusschen door, dat ze
niet het, op een rattenval gelijkende rijtuig, van San Antonio langs
den strandweg zag rijden. Evenmin zag ze hoe een dame, zeer modieus
gekleed, ten bewijze dat ze uit New-York kwam, uit het rijtuig stapte
en haar te voet naderde. De dame, die niemand anders was dan de
Koningin, Francis’ vrouw, beschermde zich ook door een parasol tegen de
tropische zon.
Vlak achter Leoncia staande, merkte zij niet, dat zij het meisje
verrast had in een oogenblik, waarop ze afstand deed van alles, wat
haar lief was. Alles, wat ze wist, was, dat ze Leoncia een klein
portret uit haar blouse zag halen en er lang naar kijken. Over haar
schouder heenkijkend, zag de Koningin, dat het een kiekje van Francis
was, waarop haar dolzinnige jaloerschheid opnieuw losbarstte. Een
ponjaard vloog in haar hand uit de scheede, die zij vóór in haar japon
gestoken had. Deze snelle beweging was voldoende om Leoncia te
waarschuwen, die haar parasol wegnam om te kijken, wie het was, die
achter haar rug stond. Te droevig gestemd om zich ook maar even
verbaasd te voelen, begroette zij de vrouw van Francis Morgan, alsof
deze haar eerst een uur geleden verlaten had. Zelfs de ponjaard
vermocht haar verwondering of vrees niet op te wekken. Misschien,
wanneer ze zich verwonderd of bevreesd had getoond, zou de Koningin het
staal wel in haar lichaam gedreven hebben. Zooals de zaken nu stonden,
kon ze alleen uitroepen:
„Je bent een slechte vrouw! Een slechte, slechte vrouw!”
Waarop Leoncia enkel haar schouders optrok en zei:
„Zou je niet liever je parasol tusschen jou en de zon houden?”
De Koningin liep om haar heen, zoodat ze voor haar kwam te staan, en
keek op haar neer met een vrouwelijke woede, vermengd met een jaloezie,
die haar sprakeloos maakten.
„Waarom?” Leoncia was de eerste die sprak, na een lange pauze.
„Waarom ben ik een slechte vrouw?”
„Omdat je een dief bent,” barstte de Koningin los. „Omdat je mannen
steelt, terwijl je zelf getrouwd bent. Omdat je je echtgenoot ontrouw
bent—tenminste in je hart, omdat het tot dusverre in ander opzicht
onmogelijk was.”
„Je aanstaande echtgenoot dan—ik dacht, dat je zoudt trouwen op den dag
na ons vertrek.”
„Ik heb geen aanstaande echtgenoot,” vervolgde Leoncia even kalm.
De spieren der andere vrouw spanden zich zoo plotseling, dat Leoncia
een oogenblik aan een tijgerin dacht.
„Henry Morgan!” riep de Koningin.
„Hij is mijn broeder.”
„Een woord, dat ik heb leeren kennen als van ruime beteekenis, Leoncia
Solano. In New-York zijn er aanbidders van zekere altaren, die alle
mannen in de wereld, broeders en alle vrouwen, zusters noemen.”
„Zijn vader was ook mijn vader,” verklaarde Leoncia kalm en duidelijk.
„Zijn moeder was ook mijn moeder. Wij zijn eigen broer en zuster.”
„En Francis?” vroeg de andere, nu overtuigd, met plotseling toenemende
belangstelling. „Ben je ook zijn zuster?”
Leoncia schudde het hoofd.
„Dan heb je Francis lief!” beschuldigde de Koningin, pijnlijk
teleurgesteld.
„Jij hebt hem,” zei Leoncia.
„Neen; want jij hebt hem mij ontroofd.”
Leoncia schudde langzaam en droevig het hoofd en keek bedroefd uit over
de gloeiende, schitterende oppervlakte der Chiriqui-Lagune. Na een
lange stilte, sprak ze droef: „Je mag het gelooven. Geloof, wat je
wilt.”
„Ik vermoedde het al van het eerste oogenblik af,” riep de Koningin.
„Je hebt een eigenaardige macht over de mannen. Ik ben geen leelijke
vrouw. Sinds ik in de wijde wereld geweest ben, heb ik mannenoogen op
mij gevestigd gezien. Ik weet, dat ik niet heelemaal onaantrekkelijk
ben. Zelfs de ellendige mannelijke Verloren Zielen hebben met
neergeslagen oogen in liefde naar mij opgezien. Een durfde meer dan
kijken en hij stierf voor mij, of om mij, en werd in den maalstroom
geworpen, om daar zijn straf te vinden. En toch oefen jij, met je
vrouwelijke macht, zoo’n vreemde aantrekkingskracht uit over mijn
Francis, dat hij, zelfs in mijn armen, nog aan jou denkt. Ik weet het.
Ik weet, dat hij zelfs dan nog aan je denkt!”
Haar laatste woorden waren de noodkreet van een hartstochtelijk en
bezwijkend hart. En het volgend oogenblik, ofschoon Leoncia er zich
niet erg over verwonderde, te apathisch om zich over iets te
verwonderen, liet de Koningin haar mes in het zand vallen en zonk
ineen, begroef haar gelaat in haar handen en gaf zich over aan de
uitbarsting van een hysterisch verdriet. Bijna zonder het te weten en
heelemaal machinaal, sloeg Leoncia haar arm om haar heen en trachtte
haar tot bedaren te brengen. Dit duurde verscheidene minuten, waarop de
Koningin, kalmer wordend, plotseling vastberaden sprak:
„Ik verliet Francis op het oogenblik, waarop ik overtuigd was, dat hij
je liefhad,” zei ze. „Ik stak mijn dolk in jouw portret, dat in zijn
slaapkamer staat en kwam hierheen om ditzelfde in jouw lichaam te doen.
Maar ik had ongelijk. Jij kunt er niets aan doen, en Francis evenmin.
Het is mijn schuld, dat ik zijn liefde niet heb kunnen winnen. Niet
jij, maar ik moet sterven. Maar eerst moet ik teruggaan naar mijn dal
en mijn schat weer opzoeken. In de tempel, die Wall Street heet,
verkeert Francis in groote moeilijkheden. Het is mogelijk, dat zijn
fortuin hem ontnomen wordt, en hij heeft een ander fortuin noodig om
het zijne te redden. Ik bezit dat fortuin en er is geen tijd te
verliezen. Wil jij en je familie mij helpen? Het is terwille van
Francis.”