HOOFDSTUK XXVI.

Francis had orders voor Parker achtergelaten om hem om acht uur te

roepen en toen Parker zachtjes binnentrad, vond hij zijn meester nog in

slaap. Nadat hij het water in de badkamer in het bad had laten loopen

en het scheergerei klaargezet had, ging de knecht de slaapkamer weer

binnen. Nog altijd zachtjes loopend, opdat zijn meester zoo lang

mogelijk zou kunnen blijven slapen, vielen Parker’s oogen op den

vreemden ponjaard, die recht overeind stond en waarvan de punt door een

briefje en een portret heen in het harde hout der tafel gedrongen was.

Langen tijd keek hij naar dit vreemde schouwspel en toen opende hij,

zonder aarzelen, voorzichtig de deur van mevrouw Morgan’s kamer en keek

naar binnen. Vervolgens schudde hij Francis flink bij den schouder.

De oogen van dezen laatsten gingen open en verrieden een oogenblik de

onbegrijpelijkheid van den pas ontwaakten slaper, maar verhelderden

toen, alles herkennend en zich het bevel herinnerend om hem te wekken,

dat hij den vorigen avond achtergelaten had.

„’t Is tijd om op te staan, mijnheer,” mompelde de knecht.

„Dat is altijd een slechte tijd,” geeuwde Francis glimlachend. Hij

sloot zijn oogen weer met een: „Laat me nog een minuut liggen, Parker.

Als ik insluimer, schud me dan wakker.”

Maar Parker schudde hem onmiddellijk.

„U moet dadelijk opstaan, mijnheer. Ik geloof, dat er iets gebeurd is

met mevrouw Morgan. Zij is niet in haar kamer en er zijn hier een

vreemd briefje en een mes, waarvan ik niets begrijp. Ik weet niet,

mijnheer...”

Francis was met één sprong uit zijn bed, staarde een oogenblik naar den

ponjaard en las vervolgens, dien er uit trekkend, het briefje nog eens

en nog eens, alsof de eenvoudige beteekenis, vervat in die paar

eenvoudige woorden, niet tot zijn begrip vermochten door te dringen.

„Adios voor eeuwig,” zei het briefje.

Wat hem nog meer trof, was de ponjaard, die tusschen Leoncia’s oogen

gestoken was en, terwijl hij staarde naar de wond, gemaakt in het dunne

karton, was het hem, alsof hij ditzelfde vroeger al gezien had en hij

herinnerde zich de meer-woning van de Koningin, toen ze allemaal

gekeken hadden in den gouden bokaal en hij Leoncia’s gelaat had gezien

op dat vreemde, vloeibare metaal, met het mes tusschen de oogen

gestoken. Hij stak zelfs den ponjaard weer terug in het karton en bleef

er naar staren.

De uitlegging ervan was duidelijk. De Koningin was van het begin af

jaloersch geweest op Leoncia en hier in New-York, het portret van haar

mededingster op de tafel in de kamer van haar echtgenoot vindend, had

dit niet minder zijn uitwerking gemist, dan zij met haar stalen punt de

gefotografeerde gelaatstrekken gemist had. Maar waar was zij? Waar was

zij heengegaan?—Zij, een vreemdelinge, zooals nooit de groote stad was

binnengetreden; die de telefoon het wonder der vliegende spraak noemde;

die Wall Street voor een tempel aanzag en Zaken beschouwde als de god

der New-Yorksche mannen. Zij was even onwetend en onnoozel omtrent een

groote stad alsof ze een bewoner van Mars geweest ware. Waar en hoe had

zij den nacht doorgebracht? Waar was zij nu? Was ze nog wel in leven?

Visioenen van de Morgue met zijn onbekende dooden en van lichamen, die

met de eb naar zee dreven, vlogen door zijn brein. Het was Parker, die

hem weer tot zich zelf bracht.

„Is er iets, dat ik voor u doen kan, mijnheer? Zal ik het

detectivebureau opbellen? Uw vader zei altijd...”

„Ja, ja,” viel Francis hem snel in de rede. „Er was een man, dien hij

meer gebruikte dan al de anderen, een jongeman bij de

Pinkertons—herinner je je zijn naam?”

„Birchman, mijnheer,” antwoordde Parker prompt, wegloopend. „Ik zal een

boodschap zenden, dat hij dadelijk komt.”

En hiermee, met het onderzoek naar zijn vrouw, werd Francis verwikkeld

in een reeks avonturen, die hem, den geboren New-Yorker, een duidelijk

beeld gaven omtrent toestanden en verwikkelingen in New-York, waarvan

hij, tot op dat oogenblik, niet het minste geweten had. Niet alleen

zocht Birchman, maar een twintigtal detectives werkten onder hem, die

als met een fijne kam de stad afliepen, terwijl in Chicago en Boston,

de werkzaamheden van dergelijke menschen door hem geleid werden.

Francis’ bestaan was allesbehalve eentonig, verdeeld als het was door

zijn strijd met den ongekenden vijand van Wall Street en de herhaalde

oproepingen om hier en daar en overal heen te gaan, om, naar aanleiding

van een nieuw spoor, de identiteit vast te stellen van wat misschien

zijn vrouw kon zijn. Hij vergat wat een geregelde slaap was en werd er

aan gewend om van zijn lunch of diner afgeroepen te worden, of om uit

zijn bed gehaald te worden, om te beantwoorden aan spoedeischende

oproepingen om te komen en naar pasgevonden vermiste dames te kijken.

Geen spoor van iemand, die aan haar beschrijving beantwoordde en per

trein of stoomboot de stad had verlaten, werd ontdekt en Birchman zette

onvermoeid zijn nauwgezet onderzoek voort, overtuigd, dat zij zich nog

in de stad bevond.

Zoodoende maakte Francis uitstapjes naar Mattenwan en Blackwell en

bezocht de Tombs en het All-Night-gerechtshof. Evenmin ontkwam hij er

aan om naar ontelbare hospitalen en naar de Morgue gesleept te worden.

Eens werd zijn aandacht gevestigd op een pas gesnapten winkeldief, die

niet in de crimineele registers stond opgeteekend en wier identiteit

niet was vast te stellen. Hij had avonturen met geheimzinnige vrouwen,

die door Birchman’s satellieten in het nauw gedreven waren in de

achterkamers van Reines’ Hotels, en in Westzijde, in de Fifties,

verraste hij twee betrekkelijk onschuldige liefdes-idylles, tot groote

verlegenheid van iedereen, hem zelf inbegrepen.

Misschien beleefde hij wel zijn belangrijkst en meest tragisch avontuur

in het tien-millioenen-dollar-huis van Philipp January, den

Telluride-mijnkoning. De vreemde vrouw, een slanke dame, was bij de

Januarys gekomen, een week voor Francis haar zag. En, zooals zij die

geheele week gedaan had, begon zij ook nu tegen Francis op hartroerende

wijze haar handen te wringen, onophoudelijk te schreien en smeekend te

mompelen: „Otto, je vergist je. Op mijn knieën bezweer ik je, dat je

ongelijk hebt. Otto, jou en jou alleen heb ik lief. Daar is niemand

buiten jou, Otto. Er is nooit iemand anders dan jij geweest. ’t Is

alles een vreeselijke vergissing. Geloof me, Otto, geloof me, of ik

sterf...”

En tusschen dit alles door, werd de Wall Street-strijd voortgezet tegen

den, niet te ontdekken, machtigen vijand, die begonnen was met een, wat

Francis en Bascom moesten erkennen, als een noodlottigen aanval, een

strijd op leven en dood op zijn fortuin.

„Als we maar kunnen voorkomen, dat we Tampico-Petroleum in den

maalstroom moeten werpen,” bad Bascom.

„Ik verwacht mijn redding juist van Tampico-Petroleum,” antwoordde

Francis. „Wanneer iedere zekerheidsstelling, die ik kan geven, uitgeput

is, dan zal het inbrengen van Tampico-Petroleum gelijkstaan met de

verschijning van een nieuw leger op een hopeloos slagveld.”

„En verondersteld, dat je onbekende tegenstander machtig genoeg is om

ook die laatste, schitterende activa op te slokken en om nog meer

schreeuwt?” vroeg Bascom.

Francis trok zijn schouders op.

„Dan zal ik geruïneerd zijn. Maar mijn vader werd een half dozijn malen

geruïneerd eer hij zijn fortuin won. Bovendien werd hij doodarm

geboren. Ik hoef me over zoo’n kleinigheid niet druk te maken.”

Een tijdlang volgden de gebeurtenissen op de Solano-haciënda elkander

langzaam op. Eigenlijk waren er, na de bevrijding van Leoncia door

Henry langs zijn met dynamiet bezaaid pad, geen gebeurtenissen

voorgevallen. Zelfs Yi Poon was niet meer komen opdagen om een volkomen

frisch en fonkelnieuw geheim te koop aan te bieden. Er was niets

gebeurd, behalve dat Leoncia neerslachtig was en apathisch en dat noch

Enrico, noch Henry, haar eigen broeder, noch haar Solano-broeders, die

heelemaal geen broeders van haar waren, haar konden opvroolijken.

Maar, terwijl Leoncia neerslachtig neerzat, maakten Henry en de lange

zoons van Enrico zich ongerust en druk over den schat in het dal der

Verloren Zielen, waarheen Torres zich op dat oogenblik met dynamiet een

weg baande. Eén ding wisten zij, namelijk, dat de Torres-expeditie

Augustino en Vicente teruggezonden had naar San Antonio om nog twee

muildierladingen dynamiet te halen. Het was Henry, die na in overleg

getreden te zijn met Enrico en zijn toestemming verkregen te hebben, de

zaak met Leoncia besprak.

„Lieve zuster,” waren zijn woorden, „wij gaan naar boven, om te zien

wat die schurk van een Torres en zijn bende uitvoeren. Dank zij jou,

kennen wij hun doel. Het dynamiet moet een ingang maken in het dal. Wij

weten, waar de Dame Die Droomt haar schat liet zinken, toen haar huis

in brand stond. Torres weet dit niet. Ons idee is, dat we hen kunnen

volgen in het dal, nadat ze de Maya-kelders hebben laten leegloopen en

evenveel kans hebben, zoo niet meer om beslag te leggen op die kostbare

kist met juweelen. En het voornaamste is, dat we jou graag mee zouden

nemen op die expeditie. Ik geloof, dat je er niet tegen op zoudt zien,

om dien tocht langs de onderaardsche rivier nog eens te herhalen,

wanneer we er in slaagden om zelf dien schat te bemachtigen.”

Maar Leoncia schudde droevig het hoofd.

„Neen,” zei ze, nadat hij bleef aandringen. „Ik verlang er niet naar om

het dal der Verloren Zielen ooit weer te zien en hoop er nooit meer

over te hooren spreken. Daar verloor ik Francis aan die vrouw.”

„Het was alles een vergissing, liefste zuster. Maar wie kon dit weten?

Ik niet. Jij niet. En Francis evenmin. Hij handelde als een eerlijk,

oprecht man. Niet wetend, dat jij en ik broer en zuster waren,

geloovende, dat we werkelijk verloofd waren—wat toentertijd ook het

geval was—wilde hij je mij niet ontnemen en hij maakte verdere

verleiding onmogelijk en redde ons aller leven door de Koningin te

trouwen.”

„Ik mis het eeuwigdurend gezang, van jou en Francis: „Rug aan rug, door

den grootmast gescheiden,”” mompelde ze droevig en niet zeer

toepasselijk.

Stille tranen welden op in haar oogen en rolden over haar wangen, toen

ze zich omkeerde, de trappen van de veranda afliep, het erf overstak en

doelloos den heuvel afdaalde. Voor de twintigste maal sedert ze Francis

het laatst gezien had, volgde zij denzelfden weg, naar dezelfde plek,

waar ze hem de eerste maal van de Angélique naar het strand had zien

roeien, waar ze hem mee de jungle ingesleept had om hem te redden voor

haar toornige mannelijke familieleden, tot het oogenblik, waarop ze

hem, met getrokken revolver, gekust had en hem gedwongen had om in de

boot te gaan en weg te roeien. Dit was zijn eerste bezoek geweest.

Vervolgens bedacht ze elke bijzonderheid van zijn tweede bezoek vanaf

het oogenblik, waarop zij naar haar zwemtochtje in de lagune, om de

rots heenloopend, hem had zien zitten, leunend tegen de rots, terwijl

hij zijn eerste briefje aan haar krabbelde; haar verschrikte vlucht de

jungle in, de beet in haar knie van de labarri (die ze bij vergissing

voor een vergiftige adder aangezien had) en haar botsing met Francis

toen ze terugdeinsde en bewusteloos op het zand neerviel. En, onder

haar parasol, zette ze zich neer op dezelfde plek, waar ze bewusteloos

geworden en weer bijgekomen was, om hem aanstalten te zien maken om het

gif uit de wonde te zuigen, die hij reeds opengemaakt had. Als zij zich

goed herinnerde, was het de pijn van dit openmaken geweest, wat haar

weer tot bewustzijn gebracht had.

Zij was diep verzonken in de zoete herinneringen, hoe ze hem een klap

op zijn wang gegeven had, juist toen zijn lippen haar knie naderden,

verborg blozend haar gelaat in haar handen, lachte omdat haar voet

geslapen had door zijn al te stevig tourniquet, werd wit van boosheid

toen hij haar hielp herinneren, dat zij hem beschouwde als den

moordenaar van haar oom en zij zijn aanbod afwees om het tourniquet los

te maken. Zoo diep was zij verzonken in die zoete herinneringen, die

nog zoo kort geleden gebeurd waren en nu toch door een halve eeuw van

den tegenwoordigen tijd gescheiden leken, zoo groot was de voorraad aan

voorvallen, avonturen en teedere oogenblikken daartusschen door, dat ze

niet het, op een rattenval gelijkende rijtuig, van San Antonio langs

den strandweg zag rijden. Evenmin zag ze hoe een dame, zeer modieus

gekleed, ten bewijze dat ze uit New-York kwam, uit het rijtuig stapte

en haar te voet naderde. De dame, die niemand anders was dan de

Koningin, Francis’ vrouw, beschermde zich ook door een parasol tegen de

tropische zon.

Vlak achter Leoncia staande, merkte zij niet, dat zij het meisje

verrast had in een oogenblik, waarop ze afstand deed van alles, wat

haar lief was. Alles, wat ze wist, was, dat ze Leoncia een klein

portret uit haar blouse zag halen en er lang naar kijken. Over haar

schouder heenkijkend, zag de Koningin, dat het een kiekje van Francis

was, waarop haar dolzinnige jaloerschheid opnieuw losbarstte. Een

ponjaard vloog in haar hand uit de scheede, die zij vóór in haar japon

gestoken had. Deze snelle beweging was voldoende om Leoncia te

waarschuwen, die haar parasol wegnam om te kijken, wie het was, die

achter haar rug stond. Te droevig gestemd om zich ook maar even

verbaasd te voelen, begroette zij de vrouw van Francis Morgan, alsof

deze haar eerst een uur geleden verlaten had. Zelfs de ponjaard

vermocht haar verwondering of vrees niet op te wekken. Misschien,

wanneer ze zich verwonderd of bevreesd had getoond, zou de Koningin het

staal wel in haar lichaam gedreven hebben. Zooals de zaken nu stonden,

kon ze alleen uitroepen:

„Je bent een slechte vrouw! Een slechte, slechte vrouw!”

Waarop Leoncia enkel haar schouders optrok en zei:

„Zou je niet liever je parasol tusschen jou en de zon houden?”

De Koningin liep om haar heen, zoodat ze voor haar kwam te staan, en

keek op haar neer met een vrouwelijke woede, vermengd met een jaloezie,

die haar sprakeloos maakten.

„Waarom?” Leoncia was de eerste die sprak, na een lange pauze.

„Waarom ben ik een slechte vrouw?”

„Omdat je een dief bent,” barstte de Koningin los. „Omdat je mannen

steelt, terwijl je zelf getrouwd bent. Omdat je je echtgenoot ontrouw

bent—tenminste in je hart, omdat het tot dusverre in ander opzicht

onmogelijk was.”

„Je aanstaande echtgenoot dan—ik dacht, dat je zoudt trouwen op den dag

na ons vertrek.”

„Ik heb geen aanstaande echtgenoot,” vervolgde Leoncia even kalm.

De spieren der andere vrouw spanden zich zoo plotseling, dat Leoncia

een oogenblik aan een tijgerin dacht.

„Henry Morgan!” riep de Koningin.

„Hij is mijn broeder.”

„Een woord, dat ik heb leeren kennen als van ruime beteekenis, Leoncia

Solano. In New-York zijn er aanbidders van zekere altaren, die alle

mannen in de wereld, broeders en alle vrouwen, zusters noemen.”

„Zijn vader was ook mijn vader,” verklaarde Leoncia kalm en duidelijk.

„Zijn moeder was ook mijn moeder. Wij zijn eigen broer en zuster.”

„En Francis?” vroeg de andere, nu overtuigd, met plotseling toenemende

belangstelling. „Ben je ook zijn zuster?”

Leoncia schudde het hoofd.

„Dan heb je Francis lief!” beschuldigde de Koningin, pijnlijk

teleurgesteld.

„Jij hebt hem,” zei Leoncia.

„Neen; want jij hebt hem mij ontroofd.”

Leoncia schudde langzaam en droevig het hoofd en keek bedroefd uit over

de gloeiende, schitterende oppervlakte der Chiriqui-Lagune. Na een

lange stilte, sprak ze droef: „Je mag het gelooven. Geloof, wat je

wilt.”

„Ik vermoedde het al van het eerste oogenblik af,” riep de Koningin.

„Je hebt een eigenaardige macht over de mannen. Ik ben geen leelijke

vrouw. Sinds ik in de wijde wereld geweest ben, heb ik mannenoogen op

mij gevestigd gezien. Ik weet, dat ik niet heelemaal onaantrekkelijk

ben. Zelfs de ellendige mannelijke Verloren Zielen hebben met

neergeslagen oogen in liefde naar mij opgezien. Een durfde meer dan

kijken en hij stierf voor mij, of om mij, en werd in den maalstroom

geworpen, om daar zijn straf te vinden. En toch oefen jij, met je

vrouwelijke macht, zoo’n vreemde aantrekkingskracht uit over mijn

Francis, dat hij, zelfs in mijn armen, nog aan jou denkt. Ik weet het.

Ik weet, dat hij zelfs dan nog aan je denkt!”

Haar laatste woorden waren de noodkreet van een hartstochtelijk en

bezwijkend hart. En het volgend oogenblik, ofschoon Leoncia er zich

niet erg over verwonderde, te apathisch om zich over iets te

verwonderen, liet de Koningin haar mes in het zand vallen en zonk

ineen, begroef haar gelaat in haar handen en gaf zich over aan de

uitbarsting van een hysterisch verdriet. Bijna zonder het te weten en

heelemaal machinaal, sloeg Leoncia haar arm om haar heen en trachtte

haar tot bedaren te brengen. Dit duurde verscheidene minuten, waarop de

Koningin, kalmer wordend, plotseling vastberaden sprak:

„Ik verliet Francis op het oogenblik, waarop ik overtuigd was, dat hij

je liefhad,” zei ze. „Ik stak mijn dolk in jouw portret, dat in zijn

slaapkamer staat en kwam hierheen om ditzelfde in jouw lichaam te doen.

Maar ik had ongelijk. Jij kunt er niets aan doen, en Francis evenmin.

Het is mijn schuld, dat ik zijn liefde niet heb kunnen winnen. Niet

jij, maar ik moet sterven. Maar eerst moet ik teruggaan naar mijn dal

en mijn schat weer opzoeken. In de tempel, die Wall Street heet,

verkeert Francis in groote moeilijkheden. Het is mogelijk, dat zijn

fortuin hem ontnomen wordt, en hij heeft een ander fortuin noodig om

het zijne te redden. Ik bezit dat fortuin en er is geen tijd te

verliezen. Wil jij en je familie mij helpen? Het is terwille van

Francis.”

Drie Harten · 第 29 / 33 题