HOOFDSTUK XXI.

Twee gedachten vlogen door Torres’ brein, toen hij naar beneden gezogen

werd. De eerste betrof den grooten witten hond, die achter hem

aangesprongen was. De tweede was, dat de Spiegel der Wereld leugens

vertelde. Dat dit het einde was, daarvan was hij overtuigd, toch geleek

het weinige, waarnaar hij in den Spiegel had durven kijken, volstrekt

niet op een einde als dit.

Hoewel een goed zwemmer werd hij verzwolgen en meegezogen in een

snelle, beweeglijke duisternis, hij vreesde, dat zijn hersens

verpletterd zouden worden tegen de steenen muur of het dak van den

onderaardschen gang, waar hij door gesleept werd. Maar de grillige

stroom sleurde hem mee, zonder dat een enkel zijner lichaamsdeelen in

botsing kwam. Soms voelde hij, dat hij tegen waterkussens stiet, die

het dreigend gevaar verrieden van een muur of een rots en dan kromp hij

ineen als een zeeschildpad, die zijn kop intrekt voor een aanval van

haaien.

Het duurde nog geen minuut, hij beoordeelde het tijdsverloop door zijn

adem in te houden, voor hij, in een langzamer vlietende stroom, met

zijn hoofd boven water kwam en hij zijn longen verfrischte door met

groote teugen de koele lucht in te drinken. In plaats van te zwemmen,

hield hij zich drijvend en vroeg zich verwonderd af, wat er van den

hond geworden zou zijn en wat de volgende episode van zijn onderaardsch

avontuur zou zijn. Spoedig zag hij voor zich uit een lichtschemering,

het vage, maar niet te miskennen daglicht; en, toen de weg helderder

werd, keerde hij zijn hoofd om en zag iets, wat hem met snellen slag

deed voortzwemmen. Wat hij zag, was de hond, die hoog door het water

zwemmend, de tanden van zijn reuzenbek in het, steeds sterker wordende

licht liet glinsteren. Dank zij het licht, zag hij een veiligen oever

en klom uit het water. Zijn eerste gedachte, die hij ook gedeeltelijk

ten uitvoer bracht, was om in zijn zak te voelen naar de juweelen, die

hij uit de kist der Koningin gestolen had. Maar een doordringend

geblaf, dat in het hol veel op donder geleek, herinnerde hem aan zijn

geduchten vervolger en, in plaats van de juweelen, haalde hij den

ponjaard der Koningin te voorschijn.

Weer vlogen er twee gedachten door zijn brein. Zou hij probeeren om den

zwemmenden woesteling te dooden, eer deze landde? Of zou hij op de

rotsen klimmen en het er op wagen, dat de stroom den hond meesleepte

langs hem heen? Hij besloot tot het tweede en vluchtte naar boven langs

een smallen rotsrand. Maar de hond landde en volgde hem met een

viervoetige snelheid, zoodat hij hem spoedig inhaalde. Torres keerde

zich om op zijn sidderende voeten, hurkte neer en wachtte met den

ponjaard den sprong van den woesteling af.

Maar de hond deed geen sprong. In plaats daarvan, ging hij speelsch,

met wijd geopende, lachende kaken, zitten en strekte, bij wijze van

groet, zijn rechterpoot uit. Toen hij den poot in zijn hand nam en

schudde, bezweek Torres bijna onder het gevoel van verlichting. Hij

lachte met een schrilheid, die bijna iets hysterisch had en bleef den

poot van den hond op en neer slingeren, terwijl de hond, met wijd

geopenden bek en vriendelijke oogen teruglachte.

Verder de rots opgaande, terwijl de hond hem heel tevreden op den voet

volgde en nu en dan aan zijn kuiten snuffelde, merkte Torres, dat het

smalle pad, dat evenwijdig liep met de rivier, na een eindje stijgen,

weer naar de rivier afdaalde. En toen zag Torres twee dingen, waarvan

het eene hem huiverend deed stilstaan en het andere zijn hart hoopvol

deed kloppen. Het eerste was de onderaardsche rivier. Recht op den

rotsmuur aanstormend, stortte zij zich in een chaos van schuim en

draaikolken daarin, met stijfgetande en spijtig spattende golven, die

getuigden van de snelheid en de beweegkracht. Het tweede was een

opening aan de eene zijde, waar het witte daglicht doorscheen. Deze

opening was misschien vijftien voet in doorsnee, maar daarvoor hing een

spinneweb, monsterachtiger dan ooit in het brein van een krankzinnige

zou kunnen oprijzen. Nog afzichtelijker waren de overblijfselen van

beenderen, die er onder lagen. De draden van het web waren van zilver

en zoo dik als een potlood. Hij huiverde toen hij met zijn hand een

draad aanraakte. Ze bleef als lijm aan zijn hand kleven en slechts door

een krachtsinspanning, die het heele web in beweging bracht, slaagde

hij er in zijn hand te bevrijden. Aan zijn kleeren en aan de vacht van

den hond wreef hij zijn kleverige hand af.

Tusschen twee der lagere verbindingsdraden van het groote web ontdekte

hij voldoende ruimte om door de opening in het daglicht te kruipen,

maar eer hij dit waagde, deed de voorzichtigheid hem eerst de opening

onderzoeken, door den hond voor zich uit te schuiven. Het witte beest

krabbelde en werkte er zich doorheen, waarop het uit het gezicht

verdween en Torres wilde juist volgen, toen het terugkeerde. En die

terugkeer geschiedde zoo angstig en gejaagd, dat het dier tegen hem

aanbotste en zij samen neervielen. Maar de man wist zich op de been te

houden, door zich, met zijn handen aan de rotsen vast te klemmen,

terwijl de viervoetige woesteling, die zich niet vast kon grijpen, in

het kolkende water viel. Juist toen Torres een hand uitstak om hem te

grijpen, werd de hond meegesleept onder de rots.

Langen tijd beraadslaagde Torres. Die nieuwe onderaardsche doorgang der

rivier was een verschrikkelijke gedachte. Daarboven was de open weg

naar het daglicht en het leven in hem verlangde naar het daglicht als

een bij of een bloem naar de zon. Maar wat had de hond gezien, dat hem

in zoo’n snelle vaart terugdreef? Terwijl hij zoo stond te overleggen,

merkte hij, dat zijn hand rustte op een rond voorwerp. Hij raapte het

op, en keek in de, van oogen en neus beroofde, gelaatstrekken van een

menschelijken schedel. Zijn verschrikte oogen gleden over de laag

beenderen en, er viel niet aan te twijfelen, hij herkende de ribben en

rugwervels en dijbeenderen van wat vroeger menschen geweest waren. Dit

deed hem het water kiezen om een uitweg te zoeken, maar op het zien van

de schuimende kracht, waarmee het door de hechte rotsen drong, deinsde

hij terug.

De ponjaard van de Koningin trekkend, kroop hij zeer voorzichtig

tusschen de draden van het web door, zag wat de hond gezien had en kwam

met zoo’n snelle vaart terug, dat hij ook in het water viel en, nadat

hij net tijd gehad had om zijn longen met frissche lucht te vullen,

werd hij meegesleept in de opening en de duisternis.

Ondertusschen voltrokken zich ginds in de meer-woning der Koningin,

niet minder belangrijke gebeurtenissen met niet minder snelheid. Juist

teruggekeerd van de plechtigheid in het Lange Huis, wilden de

bruiloftsgasten zich neerzetten om, wat men het huwelijksontbijt zou

kunnen noemen, te gebruiken, toen een pijl, die door een spleet in den

bamboemuur drong, tusschen de Koningin en Francis door tegen den

tegenovergestelden muur vloog, waar de gevederde schacht, nog trillend

van de kracht van zijn, plotseling onderbroken, vlucht bleef steken.

Een sprong naar de ramen, die uitzicht gaven op de smalle brug, toonde

Henry en Francis den ernst van den toestand. Terwijl zij stonden te

kijken, zagen zij den speerdrager der Koningin, die den toegang der

brug bewaakte, vluchtend halverwege op de brug, in het water vallen met

een trillende pijl in den rug, volkomen gelijk aan die, welke in den

muur der kamer stak. Aan de overzijde der brug, op den oever, vulden de

mannelijke Verloren Zielen, met hun priester aan het hoofd en hun

vrouwen en kinderen achter zich, de lucht met hun gevederde pijlen. Een

speerdrager der Koningin wankelde het vertrek binnen, terwijl zijn

beenen hem bijna begaven, zijn oogen verglaasden en zijn lippen een

geluidlooze boodschap stamelden, die zijn wegvlietend leven niet meer

onder woorden liet komen, voor hij voorover op den grond viel, terwijl

de pijlen in zijn rug hem op een stekelvarken deden gelijken. Henry

sprong naar de deur, die van de brug toegang gaf tot het huis en veegde

deze, met zijn automatisch pistool, schoon van de aanvallende Verloren

Zielen, die slechts een voor een konden naderen en door zijn vuur

geveld werden.

De overwinning van het broze huis duurde slechts kort. Ofschoon

Francis, beschermd door Henry’s automatisch pistool, de brug vernielde,

hadden zij in geen enkel opzicht kans om den strijd aan te binden tegen

het brandende dak, dat op een twintigtal plaatsen in brand geschoten

werd door de vuurpijlen, afgeschoten onder aanwijzing van den

Zonnepriester.

„Er is maar één uitweg,” hijgde de Koningin, op het platform een blik

werpend op den draaikolk, terwijl zij de eene hand van Francis in de

hare greep en zich aan hem dreigde vast te klemmen. „Die geeft toegang

tot de wereld.” Zij wees op het middelpunt van den draaikolk. „Niemand

is er ooit uit teruggekeerd. In mijn Spiegel zag ik ze weggaan, altijd

dood, verder de wijde wereld in. Behalve Torres, heb ik nooit een

levende dien weg zien gaan. Alleen de dooden. En zij keerden nooit

terug. Evenmin is Torres teruggekeerd.”

Aller oogen keken elkander aan, toen ze het ontzettende van dezen weg

inzagen.

„Is er geen andere weg?” vroeg Henry, terwijl hij Leoncia naar zich toe

trok.

De Koningin schudde het hoofd. Rondom hen vielen reeds brandende

stukken dak naar beneden, terwijl hun ooren doof werden door het

bloeddorstig gezang der Verloren Zielen op den oever van het meer. De

Koningin maakte haar hand los uit die van Francis, blijkbaar met de

bedoeling om naar haar slaapkamer te gaan, greep toen zijn hand weer en

leidde hem naar binnen. Toen hij verwonderd naast haar stond, wierp zij

den deksel der kist dicht en sloot deze. Vervolgens schopte zij de mat

op den vloer opzij en lichtte een valluik op, waardoor men in het water

keek. Op haar aanwijzing, sleepte Francis de kist hierheen en liet die

er door vallen.

„Zelfs de Zonnepriester kent die bergplaats niet,” fluisterde zij, voor

ze hem weer bij de hand greep en, hard loopend, hem weer terugvoerde

naar de anderen op het platform.

„Het is tijd om deze plaats te verlaten,” verkondigde zij. „Neem mij in

je armen, beste Francis, mijn echtgenoot, en beur mij op en spring met

mij naar beneden,” beval ze. „Wij zullen den weg wijzen.”

En zij deden den sprong. Toen het dak in een stortvloed van vuur en

opstuivende asch naar beneden kwam, greep Henry Leoncia, en sprong naar

beneden in het kokende water, waarin Francis en de Koningin reeds

verdwenen waren.

Evenals Torres, ontsnapten de vier vluchtelingen aan verwondingen tegen

de rotsen en werden door de onderaardsche rivier voortgedragen naar de

daglicht-opening, waar het groote spinneweb den weg versperde. Henry

had het ’t gemakkelijkst, want Leoncia kon zwemmen. Maar Francis wist

door zijn zwemkunst de Koningin ook boven water te houden. Zij

gehoorzaamde hem onvoorwaardelijk, liet zich diep in het water zakken,

klemde zich niet vast aan zijn armen en belemmerde hem in geen enkel

opzicht. Bij de rots gekomen, klommen ze alle vier uit het water en

rustten. De beide vrouwen gingen haar haren uitwringen, die heelemaal

losgespoeld waren in den maalstroom.

„Dat is niet de eerste berg, wiens hart ik met jelui beiden ben

binnengedrongen,” lachte Leoncia tegen de Morgans, ofschoon haar

woorden meer voor de Koningin dan voor hen bestemd waren.

„Het is de eerste maal, dat ik met mijn man in het hartje van een berg

was,” lachte de Koningin terug en deze pijl wondde Leoncia diep.

„Het schijnt, dat jouw vrouw en mijn aanstaande het niet al te best

samen kunnen vinden, Francis,” zei Henry, met de scherpe censuur, die

mannen gewoonlijk toepassen om de verlegenheid te verbergen, waarin zij

door het vrouwelijk geslacht gebracht zijn. En, als het onvermijdelijk

gevolg, dat dit optreden der mannen teweegbrengt, was Henry’s belooning

een, nog meer in verwarring brengende en verlegen makende, stilte. De

twee vrouwen verheugden zich bijna over deze situatie. Francis martelde

tevergeefs zijn hersens om een opmerking te bedenken, die de zaak

minder pijnlijk zou maken, terwijl Henry, in wanhoop, plotseling

opstond met de opmerking, dat hij eens een „kijkje ging nemen” en, door

zijn hand uit te steken om haar op te helpen, de Koningin uitnoodigde

om hem te vergezellen. Francis en Leoncia bleven een oogenblik zitten,

koppig zwijgend. Hij was de eerste, die deze stilte verbrak.

„Wat zou ik je graag eens flink door elkaar schudden, Leoncia.”

„Maar wat heb ik dan gedaan?” spartelde ze tegen.

„Alsof je dat niet zoudt weten. Je hebt je afschuwelijk gedragen.”

„Jij bent het, die zich afschuwelijk heeft gedragen,” snikte ze bijna,

ondanks haar voornemen om niet een dergelijke vrouwelijke zwakheid te

toonen. „Wie dwong je, om met haar te trouwen? Je hebt het kortste

strootje niet getrokken. Toch moest jij je vrijwillig aanbieden, hals

over kop er op instormen, waar zelfs engelen slechts bevend den voet

zouden zetten. Heb ik het je soms gevraagd? Mijn hart stond haast stil,

toen ik je tegen Henry hoorde zeggen, dat jij haar zoudt trouwen. Ik

dacht, dat ik flauw zou vallen. Je hadt mij niet eens geraadpleegd;

toch was het op mijn voorstel, om jou voor haar te bewaren, dat er om

geloot werd—ja, en ik schaam me niet te bekennen, dat dit geschiedde,

omdat ik jou voor mijzelf wilde behouden. Henry bemint mij niet zoo,

als gij mij deedt gelooven, dat je mij liefhebt. Ik beminde Henry nooit

zoo, als ik jou bemin, als ik je zelfs nu nog bemin, God moge het mij

vergeven.”

Francis was buiten zich zelf. Hij greep haar en drukte haar in een

verstikkende omhelzing tegen zich aan.

„En dat nog wel op je trouwdag,” hijgde zij verwijtend, midden in zijn

omhelzing.

Zijn arm gleed van haar af.

„En dit van jou, Leoncia, op zoo’n oogenblik,” mompelde hij droevig.

„En waarom niet?” barstte ze los. „Je hadt mij lief. Je gaf mij te

verstaan, duidelijk te verstaan, dat je mij liefhadt; en toch, hier,

vandaag, verloochende je jezelf, gretig en blij, en trouwde met de

eerste blanke vrouw de beste, die zich zelf aanbood.”

„Je bent jaloersch,” verweet hij en voelde zijn hart van vreugde

kloppen, toen zij knikte. „Ik zeg, dat je jaloersch bent, maar

tegelijkertijd gebruik makend van het vrouwelijk privilege om te

liegen, lieg je nu. Wat ik deed, werd niet gretig of blij gedaan. Ik

deed het terwille van jou en van mij—of, nog beter, terwille van Henry.

Goddank, ik ben nog steeds een man van eer!”

„Manneneer voldoet een vrouw niet altijd,” antwoordde zij.

„Zou je mij liever onteerd zien?” nam hij snel den handschoen op.

„Ik ben maar een vrouw, die liefheeft,” pleitte zij.

„Je bent een stekende, vrouwelijke wesp,” viel hij woedend uit, „en je

bent niet loyaal.”

„Is een vrouw, die liefheeft, ooit loyaal?” sprak zij deze groote

bekentenis uit. „Mannen kunnen misschien leven van eer; maar weet dat

een vrouw, en als een nederige vrouw beken ik nederig mijn

vrouwelijkheid, alleen leeft door haar liefde.”

„Misschien heb je gelijk. Eer kan evenals de wiskunde, beredeneerd en

berekend worden. Daardoor blijft voor een vrouw geen moraliteit over,

maar enkel...”

„Enkel gevoel,” voltooide Leoncia verachtelijk, vóór hem.

Uitroepen van Henry en de Koningin maakten een einde aan het gesprek en

Leoncia en Francis stonden spoedig met hen naar het groote web te

kijken.

„Hebben jelui ooit zoo’n monsterachtig web gezien?” riep Leoncia uit.

„Ik zou het monster wel eens willen zien, dat dit gemaakt heeft,” sprak

Henry.

„En ik zou het liever zien, dan zijn,” haalde Francis aan uit de

„Purple Cow”.

„’t Is ons geluk, dat we dien weg niet behoeven te gaan,” zei de

Koningin.

Allen keken haar vragend aan, toen zij haar blik naar beneden op den

stroom wierp.

„Dat is de weg,” sprak zij. „Ik weet het. Telkens en telkens weer, heb

ik in mijn Spiegel der Wereld den weg gezien. Toen mijn moeder stierf

en in den draaikolk begraven werd, heb ik haar lijk in den Spiegel

gevolgd en ik zag het hier op deze plaats komen en van deze plaats

weggaan, nog altijd in het water liggend.”

„Maar zij was dood,” merkte Leoncia vlug op.

De afgunst tusschen haar laaide oogenblikkelijk weer op.

„Een van mijn speerdragers,” ging de Koningin kalm voort, „een knappe

jongen, helaas, waagde het om zijn oogen tot mij op te slaan. Hij werd

er levend in geworpen. Ik keek hem ook na in den Spiegel. Toen hij op

deze plek kwam, klom hij aan wal. Ik zag hem onder het web doorkruipen,

het daglicht tegemoet, en ik zag hem ruggelings terugdeinzen voor het

daglicht en zich in den stroom werpen.

„Nog een doode,” beweerde Henry grimmig.

„Neen; want ik volgde hem in den Spiegel, en ofschoon alles een tijd

lang donker was en ik niets zien kon, kwam hij toch eindelijk en

spoedig, te voorschijn in den boezem van een groote rivier, zwom naar

den oever en klom er tegen op—als ik mij goed herinner, was het de

linkeroever—en verdween tusschen groote boomen, zooals er in het dal

der Verloren Zielen niet gevonden worden.”

Maar, evenals Torres, huiverden de overigen voor het denkbeeld van den

donkeren doortocht door de levende rots.

„Daar liggen de beenderen van menschen en dieren,” waarschuwde de

Koningin, „die terugdeinsden voor den weg door het water en moeite

deden om de zon te bereiken. Daar liggen menschen—kijk maar! Of ten

minste, wat er van hen overbleef, de beenderen, die ook na verloop van

tijd tot stof overgaan.”

„En toch voel ik plotseling een ontzettende behoefte om in de zon te

kijken,” zei Francis. „Blijven jelui hier, terwijl ik een onderzoek ga

instellen.”

Zijn automatisch pistool te voorschijn halend, waarvan de kogels tegen

water bestand waren, kroop hij onder het web door. Onmiddellijk nadat

hij achter het web uit het gezicht verdwenen was, hoorden zij hem

schieten. Vervolgens zagen zij hem, achterwaarts loopend, terugkomen,

nog altijd schietend. En vervolgens boven op hem vallend, kwam de

bewoner van het web, een monsterachtige spin, die van den top van de

eene zwartharige poot tot den top van de andere twee meter mat, nog

altijd stuiptrekkend onder het wegvlietende leven, en die op

verschillende plaatsen doorschoten was. Het vaste middelpunt van haar

lichaam, waarvan de pooten phosforiseerden, had de grootte van een

gewone prullenmand en kraakte hoorbaar toen het op Francis’ schouders

en rug neerkwam, terugsprong en in de bruisende watergolven stortte,

terwijl de pooten nog hulpeloos trokken. Alle vier de oogenparen keken

toe, toen het lichaam tegen den rotsmuur viel, naar beneden gezogen

werd en verdween.

„Waar er een is, zijn er twee,” sprak Henry, met wantrouwigen blik naar

het daglicht kijkend.

„Het is de eenige weg,” zei de Koningin. „Kom, mijn echtgenoot, laten

we in elkanders armen door de duisternis naar de, in het zonlicht

schitterende wereld gaan. Bedenk, dat ik die nog nooit gezien heb en

haar nu spoedig, met jou, voor de eerste maal zal aanschouwen.”

Met uitgebreide armen voor hem staande, kon Francis het haar niet

weigeren.

„Het is een hol in den wand van een afgrond, een duizend voet diep,”

verklaarde hij aan de anderen, wat hij in een oogwenk achter het

spinneweb gezien had, greep de Koningin in zijn armen en sprong naar

beneden.

Henry had Leoncia tot zich getrokken en stond op het punt om den sprong

te wagen, toen zij hem tegenhield.

„Waarom nam je Francis’ offer aan?” vroeg ze.

„Omdat...” Hij hield op en keek haar verwonderd aan. „Omdat ik je niet

kan missen,” voltooide hij. „En ook omdat ik met je verloofd was,

terwijl Francis vrij was. Bovendien, als ik mij niet al te erg vergis,

schijnt Francis heel tevreden als bruidegom.”

„Neen,” zij schudde nadrukkelijk het hoofd. „Hij heeft een ridderlijk

hart en doet, wat hij kan, om haar gevoelens niet te kwetsen.”

„Och, dat weet ik nog zoo net niet. Bedenk, hoe hij voor het altaar,

bij het Lange Huis, toen ik hem zei, dat ik de Koningin zou vragen om

met mij te trouwen, snoefde, dat zij mij niet zou willen, wanneer ik

haar vroeg. Wel, daaruit blijkt vrij duidelijk, dat hij haar zelf wilde

hebben. En waarom ook niet? Hij is vrijgezel. En zij is toch ook een

knappe vrouw.”

Maar Leoncia had het nauwelijks gehoord. Met een snelle beweging leunde

zij achterover in zijn armen, zoodat ze hem recht in de oogen kon zien

en vroeg:

„Hoe heb jij mij lief? Heb je mij vreeselijk lief? Heb je mij, tot

krankzinnig wordens toe, lief? Beteeken ik zooveel voor je, en meer

nog, en meer, en meer?”

Zijn oogen konden enkel zijn verbazing te kennen geven.

„Heb je?—heb je?” drong ze hartstochtelijk aan.

„Natuurlijk heb ik dat,” antwoordde hij langzaam, „maar het zou nooit

in mijn hoofd opgekomen zijn, om het op die wijze te beschrijven. Wel,

je bent voor mij de eenigste vrouw ter wereld. Ik zou liever willen

zeggen, dat ik je diep en innig, en eeuwig liefheb. Wel, je bent als

het ware, zoo’n deel van mijn leven, dat het mij is, of ik je altijd

gekend heb. Zoo was het van het begin af.”

„Zij is een afschuwelijke vrouw!” ging Leoncia, heel ontoepasselijk,

voort. „Ik heb haar van het eerste oogenblik af gehaat.”

„Hemel! Wat een opgewonden standje! Ik mag er niet aan denken, hoe je

haar gehaat zoudt hebben, wanneer ik haar getrouwd had, in plaats van

Francis.”

„’t Was beter, als we hen nu volgden.” Met deze woorden maakte ze een

eind aan het gesprek.

En Henry, die zich zeer verwonderde, drukte haar stevig tegen zich aan

en sprong met haar in het witte, bruisende water.

Op den oever der Gualaca-Rivier zaten twee Indiaansche meisjes te

visschen. Een beetje stroomopwaarts van haar verhief zich de steile

rots van een der steunpilaren der hooge bergen. De stroom vloeide als

een chocoladekleurige vloedgolf voorbij, maar vlak bij haar, waar zij

vischten, was een kalme kolk. Ook het visschen bleef zeer kalm. Hun

snoeren gingen niet naar beneden ten teeken, dat ze beet hadden. Een

der meisjes, Nicoya, geeuwde, at een banaan, geeuwde weer en hield de

schil, die zij juist weg wilde werpen, in haar hand omhoog.

„We hebben ons heel stil gehouden, Concordia,” merkte ze op tegen haar

kameraadje, „en het heeft ons geen enkele visch opgeleverd. Nu zal ik

eens wat leven gaan maken en een beetje gespat. Ze zeggen altijd: „Wat

omhoog gaat, moet ook weer naar beneden komen,” waarom zou er dan ook

niet iets naar boven komen, wanneer er wat naar beneden gaat? Ik ga het

eens probeeren. Daar!”

Zij wierp de bananenschil in het water en keek droomerig naar de plek,

waar deze neergekomen was.

„Als er iets naar boven komt, hoop ik, dat het iets groots zal zijn,”

mompelde Concordia even droomerig.

En terwijl zij nog keken, verrees voor hun verwonderden blik uit de

bruine diepten een groote, witte hond. Zij haalden hun hengels op en

wierpen ze achter zich op den oever, sloegen de armen om elkander heen

en keken hoe de hond aan het lager gelegen gedeelte der kolk den oever

bereikte, tegen den hellenden kant opklom, stilstond om zich af te

schudden en toen tusschen de boomen verdween.

Nicoya en Concordia gichelden.

„Probeer het nog eens,” drong Concordia aan.

„Neen, nu jij. Kijk eens, wat jij naar boven kunt brengen.”

Er in het minst niet aan geloovend, wierp Concordia er een kluit aarde

in. En bijna onmiddellijk verrees er een gehelmd hoofd uit den vloed.

Elkander stevig vasthoudend, zagen zij hoe de man met de helm den oever

bereikte op dezelfde plek, waar de hond geland was en in het bosch

verdween.

Weer gichelden de beide Indiaansche meisjes; maar ditmaal, hoe ze er

ook bij elkander op aandrongen, kon geen van beide den moed vinden om

iets in het water te werpen.

Een poosje later, terwijl ze nog altijd zaten te gichelen over de

vreemde gebeurtenissen, werden ze opgemerkt door twee jonge Indianen,

die vlak langs den oever hun kano stroomop pagaaiden.

„Waarom lachen jelui?” begroette de eene haar.

„Wij hebben iets gezien,” lachte Nicoya tegen hen.

„Dan heb je zeker kruidenbier gedronken,” beschuldigde de jongeman.

Beide meisjes schudden het hoofd en Concordia sprak:

„Wij hoeven niet te drinken om iets te zien. Eerst, toen Nicoya een

bananenschil in het water wierp, zagen wij een hond uit het water naar

boven komen—een witte hond, even groot als een tijger uit de bergen...”

„En toen Concordia er een kluitje inwierp,” zette het andere meisje het

verhaal voort, „kwam er een man uit met een ijzeren hoofd. Het is

tooverij. Concordia en ik kunnen tooveren.”

„José,” aldus sprak een der Indianen zijn makker aan, „daar moeten we

er eentje op nemen.”

En ieder nam op zijn beurt, terwijl de ander met zijn pagaai de kano op

haar plaats hield, een teug uit een vierkante Hollandsche

jeneverflesch, gedeeltelijk gevuld met kruidenbier.

„Nee,” zei José, toen de meisje hem ook om een teug vroegen. „Als je nu

nog een slok kruidenbier neemt, zou je nog wel eens meer witte honden,

zoo groot als tijgers en mannen met ijzeren hoofden kunnen zien.”

„Ook goed,” beantwoordde Nicoya de weigering. „Werp zelf dan je flesch

kruidenbier er in en zie, wat er gebeurt. Wij haalden een hond en een

man te voorschijn. Jouw prijs is misschien wel de duivel zelf.”

„Ik zou den duivel wel eens willen zien,” zei José, nog een slok uit de

flesch nemend. „Dat kruidenbier geeft iemand werkelijk moed. Ik zou

dolgraag den duivel eens zien.”

Hij gaf de flesch aan zijn kameraad met een gebaar, om deze leeg te

maken.

„Werp ze nu in het water,” beval José.

De leege flesch viel met een sterk geplas in het water en de bezwering

had verrassend snel resultaat, want op de oppervlakte dreef het

monsterachtige, harige lichaam der gedoode spin. Dit was te veel voor

een eenvoudige Indiaan van vleesch en bloed. De beide jongemannen

deinsden zoo plotseling terug voor dit gezicht, dat de kano omsloeg.

Toen hun hoofden weer boven water kwamen, zwommen zij naar den snellen

stroom en werden snel meegevoerd stroomafwaarts, langzamer gevolgd door

de omgeslagen kano.

Nicoya en Concordia waren te verschrikt om te lachen. Zij klemden zich

aan elkander vast en wachtten, naar het tooverwater kijkend en met een

zijdelingschen blik ziende, hoe de jonge mannen de kano grepen, naar

het strand sleepten, het water uitsnelden en zich op den oever

verborgen.

De namiddagzon stond al laag aan den hemel, voor de meisjes het weer

durfden wagen om het tooverwater te bezweren. Eerst na veel overleg,

stemden zij er in toe om er beiden tegelijkertijd kluitjes aarde in te

werpen. En er verrezen een man en een vrouw—Francis en de Koningin. De

meisjes vielen achterover in het kreupelhout en bleven zelf

onopgemerkt, terwijl zij toekeken, hoe Francis met de Koningin naar den

kant zwom.

„Het kan toeval zijn—al deze dingen kunnen toevallig juist gebeurd zijn

op het oogenblik, waarop wij de dingen in het water wierpen,”

fluisterde Nicoya vijf minuten later tegen Concordia.

„Maar toen we er één ding ingooiden, kwam er slechts één te

voorschijn,” beweerde Concordia. „En toen we er twee ingooiden, kwamen

er twee te voorschijn.”

„Goed,” zei Nicoya. „Laten we nu de proef op de som nemen. Laten we het

allebei nog eens probeeren. Als er niets te voorschijn komt, dan

bezitten wij geen tooverkracht.”

Samen wierpen zij er kluitjes in, en een andere man en vrouw rezen uit

het water op. Maar dit paar, Henry en Leoncia, kon zwemmen, en zij aan

zij zwommen ze naar de natuurlijke landingsplaats en verdwenen, evenals

de anderen vóór hen, tusschen de boomen uit het gezicht.

Langen tijd wachtten de beide Indiaansche meisjes. Want ze waren

overeengekomen om er niets meer in te werpen en, wanneer er nu nog iets

opsteeg, dan zou bewezen zijn, dat het een samenloop van omstandigheden

was. Maar wanneer er niets opsteeg, konden ze enkel aannemen, dat ze

werkelijk toovermacht bezaten. Ze hielden zich schuil en keken naar het

water, tot de duisternis dit aan haar oogen onttrok; en langzaam en

kalm, keerden zij terug naar haar dorp, overtuigd, dat zij door de

goden gezegend waren.

Drie Harten · 第 24 / 33 题