Eerst den dag, volgende op zijn ontsnapping uit de onderaardsche
rivier, kwam Torres te San Antonio. Hij kwam er te voet, uitgeput en
vuil, met een kleine Indianenjongen achter zich aan, die den helm van
Da Vasco droeg. Want Torres wilde den helm laten zien aan den Chef en
den Rechter, om het verhaal te bewijzen van zijn zonderling avontuur en
hij brandde van verlangen om hun dit te vertellen.
De eerste, dien hij in de hoofdstraat ontmoette, was de Chef, die een
luiden uitroep slaakte bij zijn verschijning.
„Ben je dat werkelijk, Senor Torres!” De Chef sloeg eerbiedig een
kruis, eer hij hem de hand gaf.
Het stevige vleesch en, nog meer het vuil en zand aan de handen van den
ander, overtuigden den Chef, dat hij werkelijk met een mensch van
vleesch en bloed te doen had.
Maar nu werd de Chef boos.
„En ik heb je al dien tijd als dood beschouwd!” riep hij uit. „Die
Caroo-hond van een José Mancheno! Hij kwam terug en zei, dat je dood
was—dood en begraven tot den Dag des Oordeels in het hartje van den
Maya-Berg.”
„Hij is een gek, en ik ben misschien de rijkste man in Panama,”
antwoordde Torres trotsch. „Ik heb tenminste, evenals de oude,
heldhaftige conquistadores, alle gevaren getrotseerd en ben tot den
schat doorgedrongen. Ik heb hem gezien. Neen...”
Torres’ hand was in zijn broekzak verdwenen, om er de gestolen juweelen
van de Dame Die Droomt uit te halen; maar hij trok zijn hand ledig
terug. Er waren teveel nieuwsgierige oogen in de straat, die zich reeds
alle op hem en zijn bemodderde figuur vestigden.
„Ik heb je veel te vertellen,” zei hij tot den Chef, „maar ik kan het
je nu niet goed zeggen. Ik heb op de poorten des doods geklopt en de
gewaden van lijken gedragen. En ik ben bij menschen geweest, die reeds
vier eeuwen dood waren en toch niet tot stof vergaan en ik heb ze, door
verdrinking, een tweeden dood zien sterven. Ik ben door de bergen
gegaan, even goed als er overheen en heb brood gebroken met verloren
zielen, en een blik geslagen in den Spiegel der Wereld. Dat alles zal
ik je vertellen, mijn beste vriend, jou en den achtenswaardigen
Rechter, ter gelegener tijd, want ik zal jelui ook rijk maken.”
„Heb je misschien gegist kruidenbier gedronken?” vroeg de Chef
ongeloovig.
„Ik heb geen sterkeren drank gedronken dan water sedert den dag, waarop
ik het laatst San Antonio verliet,” was het antwoord. „En nu ga ik naar
huis en neem een langen, langen teug, en daarna zal ik het vuil van mij
afspoelen en heele, fatsoenlijke kleeren aantrekken.”
Maar Torres bereikte zijn huis niet, zonder opgehouden te worden. Een
havelooze straatjongen slaakte een uitroep toen hij hem zag, rende op
hem toe, en overhandigde hem een enveloppe, die hij herkende als
afkomstig van de plaatselijke Rijksdraadlooze, en hij was er zeker van,
dat dit van Regan kwam.
Je handelt goed. Houd persoon nog drie weken van New-York verwijderd.
Vijftigduizend als je slaagt.
Een potlood van den jongen leenend, schreef Torres een antwoord op de
achterzijde der enveloppe:
Stuur het geld. Persoon zal nooit terugkeeren uit bergen, waar hij
zoekgeraakt is.
Nog twee andere gebeurtenissen waren oorzaak, dat Torres lang op zijn
langen teug en bad moest wachten. Juist toen hij den juwelierswinkel
van den ouden Rodriguez Fernandez binnentrad, werd zijn weg versperd
door den ouden Maya-priester, dien hij het laatst in den Maya-berg
gezien had. Hij deinsde terug, alsof hij een spook gezien had, want hij
was vast overtuigd, dat de oude man in de Kamer der Goden verdronken
was. Evenals de Chef bij het zien van Torres, zoo deinsde Torres,
verbaasd en verrast, terug bij het zien van den priester.
„Ga weg,” sprak hij. „Vertrek, rustelooze, oude man. Gij zijt een
geest. Je lichaam ligt verdronken en afschuwwekkend in het hartje van
den berg. Je bent een verschijning, een spook. Ga weg, deze schim van
je heeft niets lichamelijks meer, anders zou ik je neerslaan. Je bent
een geest. Vertrek onmiddellijk. Ik zou niet graag een geest
neerslaan.”
Maar het spook greep zijn handen en klemde zich daaraan vast met zoo’n
kracht, dat hij wel degelijk overtuigd werd, met een levend wezen te
doen te hebben.
„Geld,” stamelde de oude. „Geef mij geld. Leen mij geld. Ik zal het
terug betalen—ik, die de geheimen van den Maya-schat ken. Mijn zoon is
vermist in den berg, met den schat. De Gringos zijn ook vermist in den
berg. Help mij mijn zoon te redden. Als ik hem maar heb, is genoeg; de
schat zal geheel voor u zijn. Maar we moeten mannen meenemen en veel
van het wonderpoeder der blanken en een gat in den berg maken, zoodat
het water kan afvloeien. Hij is niet verdronken. Hij is een gevangene
van het water in de kamer, waar Chia en Hzatzl met de juweelenoogen
staan. Hun groene en roode oogen alleen al zijn voldoende, om al het
wonderpoeder der wereld te betalen. Geef mij dus het geld, waarvoor ik
het wonderpoeder kan koopen.”
Maar Alvarez Torres was een zonderling mensch. Iets bekrompens, iets
verkeerds of iets eigenaardigs in zijn karakter maakte het hem altijd
vreeselijk moeilijk om van zijn geld te scheiden, wanneer dit
onvermijdelijk was. En hoe rijker hij werd, hoe sterker deze
eigenaardigheid op den voorgrond trad.
„Geld!” zei hij barsch, terwijl hij den ouden priester opzij duwde en
de deur van Fernandez’ winkel openmaakte. „Hoe kom je er bij, dat ik
geld zou hebben... Ik, die niets aan heb dan lompen en vodden, evenals
een bedelaar. Ik heb geen geld voor mij zelf, en nog minder voor jou,
ouwe man. Bovendien heb jezelf, en niet ik, je zoon den Maya-berg
binnengeleid. De dood van je zoon, die in den kuil onder de voeten van
Chia viel, welke kuil gegraven is door jouw voorouders en niet door de
mijne, kome over jou hoofd, en niet over het mijne.”
Weer klemde de oude zich aan hem vast en jammerde om geld, om dynamiet
voor te koopen. Maar Torres duwde hem zoo ruw terzijde, dat zijn oude
beenen hun gewonen dienst weigerden en hij languit op de straatsteenen
viel.
De winkel van Rodriguez Fernandez was klein en vuil en bevatte niet
veel meer dan een kleine, vuile uitstalkast, die rustte op een even
kleine en vuile toonbank. De plaats was bedekt met het stof en vuil van
een heele generatie. Hagedissen en kakkerlakken kropen langs de muren.
In iederen hoek zaten spinnewebben en Torres zag iets langs den zolder
loopen, wat hem snel terzijde deed stappen. Het was een, zeven duim
lange duizendpoot, die hij liever niet op zijn hoofd zag vallen of
tusschen zijn kleeren op den rug. En toen hij, als een reuzenspin, uit
het binnenste van een ongeventileerde kamer te voorschijn kroop, geleek
Fernandez een Shylock-figuur uit den tijd van koningin
Elisabeth—ofschoon hij een vrijwat smeriger Shylock was, dan zelfs in
het tijdperk van koningin Elisabeth in den smaak viel.
De juwelier kroop voor Torres en vernederde zich nog dieper, dan het
stof van zijn winkel. Torres haalde op goed geluk een dozijn of meer
der uit de kist der Koningin gestolen juweelen uit zijn zak te
voorschijn, koos de kleinste er uit en reikte deze, zonder een woord te
spreken, aan den juwelier toe, tegelijkertijd de rest in zijn zak
stekend.
„Ik ben een arm man,” kakelde hij, hoewel het Torres niet ontging, hoe
nauwkeurig hij het juweel onderzocht.
Hij liet het boven op de uitstalkast vallen alsof het weinig waarde
had, en keek zijn bezoeker onderzoekend aan. Maar Torres wachtte
zwijgend, wel wetend, dat hij hierdoor den praatzuchtigen, gierigen
oude aan het praten zou krijgen.
„Begrijp ik goed, dat de geëerde Senor Torres mijn raad wil inwinnen
omtrent de kwaliteit van den steen?” vroeg de oude juwelier eindelijk.
Torres knikte enkel kortaf.
„Het is een ruwe edelsteen. Hij is klein. En, zooals u zelf zien kunt,
is hij niet volmaakt zuiver. Bovendien zal er met het slijpen veel
verloren gaan.”
„Hoeveel is hij waard?” vroeg Torres met ongeduldige lompheid.
„Ik ben een arm man,” herhaalde Fernandez.
„Ik heb je niet gevraagd om hem te koopen, ouwe gek. Maar nu je er zelf
over begint, hoeveel wil je er voor geven?”
„Zooals ik reeds zei, met uw welnemen, edele heer, zooals ik reeds zei,
ik ben een zeer arm man. Er zijn dagen, waarop ik geen tien centavos
kan uitgeven voor een stukje bedorven visch. Er zijn dagen, waarop ik
geen slokje kan krijgen van den goedkoopen, rooden wijn, die zoo goed
is voor mijn gestel, zooals ik ondervonden heb toen ik nog maar een
jongen was en, ver van Barcelona, in Italië mijn leertijd doormaakte.
Ik ben zoo arm, dat ik geen kostbaarheden koop...”
„Ook niet om ze met winst te verkoopen?” viel Torres hem in de rede.
„Wanneer ik zeker ben van de winst,” kakelde de oude man. „Ja, dan wil
ik ze wel koopen; maar, daar ik arm ben, kan ik er niet veel voor
geven.” Hij nam het edelgesteente op en bekeek het lang en zorgvuldig.
„Ik wil er voor geven,” begon hij aarzelend, „ik wil er voor geven—maar
bedenk alstublieft, edele heer, dat ik een doodarm man ben. Vandaag
kwam nog niets dan een lepelvol uiensoep, mijn morgenkoffie en een
mondvol broodkorsten over mijn lippen...”
„In Gods naam, wat wil je er voor geven, ouwe gek?” donderde Torres.
„Vijfhonderd dollars—maar ik betwijfel sterk, of ik er iets op zal
winnen.”
„Goud?”
„Mexicaansche,” was het antwoord, wat het bod tot op de helft
verminderde en wat Torres zeker wist, dat gelogen was. „Natuurlijk
Mexicaansche, enkel Mexicaansche, wij betalen alleen met Mexicaansche
dollars.”
Ondanks zijn voldoening over zoo’n hoogen prijs voor zoo’n klein
juweel, toonde Torres zich zeer ongeduldig, toen hij zijn hand
uitstrekte om het edelgesteente terug te nemen. Maar de oude man trok
zijn hand terug, daar hij zich het koopje niet gaarne liet ontgaan.
„Wij zijn oude vrienden,” kakelde hij met schelle stem. „Ik zag je voor
het eerst, toen je, als jongen, van Bocas del Toro naar San Antonio
kwam. En, omdat we oude vrienden zijn, zullen we zeggen, dat het bedrag
in goudgeld berekend wordt.”
En Torres kreeg een sterk, maar vaag vermoeden van de waarde, zoowel
als van de echtheid der schatten van de Koningin, die in vroeger tijden
door de Verloren Zielen geroofd waren uit de bergplaats in den
Maya-berg.
„Heel goed,” zei Torres, met een snelle, beleefde beweging zich weer
meester makend van den steen. „Hij behoort aan een vriend van mij. Hij
wilde er bij mij geld op leenen. Dank zij je inlichtingen kan ik er hem
tot vijfhonderd dollar goudgeld op geven. En ik zal je gaarne, wanneer
we elkander weer ontmoeten in de herberg, tracteeren op een dronk—ja,
op zooveel dronken als je maar durft te nemen—van je slappe, roode
wijn, die zoo goed is voor je gestel.”
En toen Torres den winkel verliet, zonder ook maar eenigszins moeite te
doen om de minachting te verbergen, die hij voelde voor den juwelier,
dien hij zoo voor den gek gehouden had, was hij ervan overtuigd, dat
Fernandez, die Spaansche vos, de juweelen op de helft der waarde had
geschat.
Ondertusschen waren Leoncia, de Koningin en de beide Morgans, die per
kano de Gualaca-Rivier afgereisd waren, sneller dan Torres
vooruitgekomen en hadden de kust bereikt. Maar voor hun aankomst, was
er op de Solano-haciënda een belangrijke gebeurtenis voorgevallen, die
op dat oogenblik niet naar waarde geschat werd. Langs het kronkelend
pad, dat naar de haciënda leidde, liep een bezoeker, zóó vreemd als men
daar nog nooit gezien had, vergezeld door een afgeleefde, oude vrouw,
wier over hoofd en schouders geslagen zwarte doek, het magere,
verweerde gelaat niet voldoende kon beschutten voor de rondstuivende
vulkaanasch. Hij was een Chinees, van middelbaren leeftijd en dik,
wiens vollemaansgezicht de goedmoedigheid verried, meestal eigen aan
dikke menschen. Yi Poon geheeten, wat beteekent „De Room der
Curstad-appel”, waren zijn manieren even zacht en zalvend als zijn
naam. Voor de oude vrouw, die aan zijn zijde voortwankelde en half door
hem gedragen werd, was hij een en al vriendelijkheid en voorkomendheid.
Wanneer ze hijgde van lichaamszwakte en dreigde neer te vallen, hield
hij stil en gaf haar gelegenheid om weer op krachten en bij adem te
komen. Bij zulke gelegenheden, op den steilen tocht naar de haciënda,
gaf hij haar uit een dichtgeschroefden veldflesch een lepel Franschen
brandewijn.
De oude vrouw in een beschut, schaduwrijk hoekje van het voorplein
neerzettend, klopte Yi Poon brutaalweg aan de voordeur. Voor hem en
zijn handel, was de achtertrap de aangewezen weg, maar zijn handel en
zijn verstand hadden hem geleerd, wanneer het noodig was om van den
hoofdingang gebruik te maken.
De Indiaansche meid, die op zijn geklop de deur opendeed, bracht zijn
boodschap naar de woonkamer, waar de mistroostige Enrico Solano zat met
zijn zonen—mistroostig over het bericht, dat Ricardo meegebracht had
omtrent het zoek raken van Leoncia in den Maya-berg. De Indiaansche
meid keerde terug naar de deur. Senor Solano was ongesteld en wilde
niemand ontvangen, was het bericht, dat ze nederig overbracht, al was
de ontvanger ervan ook maar een Chinees.
„Phoe!” was de opmerking van Yi Poon, overtuigd de meid hierdoor genoeg
schrik aan te jagen om nog een tweede boodschap over te brengen. „Ik
ben geen koelie. Ik ben knap Chinees. Ik schoolgaan, heel veel. Ik
spreek Spaansch. Ik spreek Engelsch. Ik schrijf Spaansch. Ik schrijf
Engelsch. Kijk—ik schrijf nu in Spaansch voor Senor Solano. Jij niet
kan schrijven, dus ook niet kan lezen, wat ik schrijf. Ik schrijf, dat
ik Yi Poon ben. Ik woon Colon. Ik kom hierheen om Senor Solano te zien.
Groote zaak. Heel belangrijk. Heel geheim. Ik schrijf alles hier op
papier, wat jij niet kan lezen.”
Maar hij zei niet, dat hij ook nog geschreven had:
„Senorita Solano. Ik heb groot geheim.”
Blijkbaar had Alesandro, de oudste der reuzenzonen van Solano het
briefje in ontvangst genomen, want hij kwam met groote sprongen naar de
deur, zoodat de terugkeerende meid hem niet bij kon houden.
„Zeg mij je boodschap!” schreeuwde hij den dikken Chinees haast toe.
„Wat is het? Vlug!”
„Heele goede zaak,” was het antwoord van Yi Poon, die met voldoening de
opwinding van den ander zag. „Ik maak veel geld. Ik koop—wat je
noemt—geheimen. Ik verkoop geheimen. Heel goede zaak.”
„Wat weet je van Senorita Solano?” schreeuwde Alesandro, hem bij den
schouder grijpend.
„Alles. Heel belangrijke inlichting...”
Maar Alesandro kon zich niet langer bedwingen. Hij sleepte den Chinees
bijna het huis in en, hem vasthoudend, schoof hij hem de woonkamer
binnen en naar Enrico toe.
„Hij heeft nieuws over Leoncia!” juichte Alesandro.
„Waar is ze?” riepen Enrico en zijn zonen in koor.
Ha!—dacht Yi Poon. Een dergelijke opwinding, al beloofde die veel voor
zijn zaken, was voor hem even opwindend.
Zijn gepeins voor vrees aanziende, stak Enrico zijn hand op om zijn
zoons tot stilte te manen, en sprak kalm den bezoeker aan.
„Waar is ze?” vroeg Enrico.
Ha!—dacht Yi Poon. De senorita was weg. Dat was een nieuw geheim. Dat
kon op zekeren dag ook nog wel waarde krijgen. Een knap meisje, van een
voorname, rijke familie als de Solanos, dat zoek raakt in een
Latijnsch-Amerikaansch land, dat was een inlichting, die wel iets waard
was. Op zekeren dag kon ze gaan trouwen—daar had je dat praatje, dat
hij in Colon gehoord had—en nog later kon ze wel eens ruzie krijgen met
haar man of haar man met haar—op welken tijd zij of haar echtgenoot,
het deed er niet toe wie, gaarne een flinke prijs zou betalen voor het
geheim.
„Deze Senorita Leoncia,” sprak hij eindelijk, met listige
onderdanigheid. „Zij is niet uw dochter. Zij heeft andere papa en
mama.” Maar Enrico’s verdriet over haar verlies was te groot om zich te
verbazen over deze besliste bevestiging van een oud geheim.
„Ja,” knikte hij. „Ofschoon het buiten mijn familie niet bekend is, heb
ik haar als kind aangenomen, toen ze nog een baby was. Het is vreemd,
dat je dit weet. Maar ik heb er geen belang bij, dat je mij komt
vertellen, wat ik al lang weet. Wat ik nu wil weten is: waar is zij
nu?”
Yi Poon schudde ernstig en meewarig zijn hoofd.
„Dat weer een ander geheim,” verklaarde hij. „Misschien ik vind dat
geheim. Dan ik verkoop het u. Maar ik heb oud geheim. Gij niet weet den
naam van Senorita Leoncia’s papa en mama. Ik weet.”
En de oude Enrico Solano kon zijn belangstelling niet verbergen bij
zoo’n verleidelijke inlichting.
„Spreek,” beval hij. „Noem de namen en lever de bewijzen en ik zal je
er voor beloonen.”
„Neen.” Yi Poon schudde het hoofd. „Zeer slechte zaak. Ik niet doe zoo
zaken. Jij mij betaal, ik jou vertel. Mijn geheimen goede geheimen. Ik
bewijs mijn geheimen. Gij geeft mij honderd pesos en groote onkosten
van Colon naar San Antonio en weer naar Colon terug en ik zeg je naam
van papa en mama.”
Enrico Solano boog ten teeken van instemming en wilde juist Alesandro
opdragen om het geld te gaan halen, toen de kalme, stompzinnige
Indiaansche meid een afleiding bezorgde. De kamer binnensnellend en op
Enrico toevliegend, zooals ze haar nog nooit hadden zien loopen, wrong
zij haar handen en schreide zoo, dat men uit haar onsamenhangende
woorden niet kon opmaken, of haar opwinding door vreugde of door
droefheid veroorzaakt werd. „De senorita!” kon ze eindelijk met schorre
stem fluisteren, toen ze met een hoofdknik en een blik uit haar oogen
naar den zijkant van het voorplein wees. „De senorita!”
En Yi Poon en zijn geheim waren vergeten. Enrico en zijn zoons vlogen
naar buiten om Leoncia en de Koningin en de beide Morgans, met stof
bedekt, van de ruggen te zien glijden van muildieren, die gemakkelijk
te herkennen waren als komende uit de weiden aan den mond der
Gualaca-Rivier. Onderwijl verdreven twee mannelijke Indiaansche
bedienden, die door de meid geroepen waren, den vetten Chinees en zijn
oude metgezellen van huis en erf.
„Kom later maar eens terug,” zeiden ze tot hem. „Senor Solano heeft nu
juist gewichtige bezigheden.”
„Zeker, ik kom later wel eens terug,” verzekerde Yi Poon hen opgeruimd,
zonder wrok en zonder eenige teleurstelling te laten blijken, dat zijn
handelszaak verhinderd was, juist vóór hij het geld in handen kreeg.
Maar hij vertrok slechts schoorvoetend. Dit was een geschikte plaats
voor zijn zaken. De geheimen schoten er maar zoo uit den grond. Nooit
was er een rijper oogst in Kanaän, waaruit een landman, met den sikkel
in de hand, was verdreven! Ware het niet om de actieve Indiaansche
wachters geweest, dan zou Yi Poon naar den hoek der haciënda geschoten
zijn, om een oogje te werpen op de nieuw aangekomenen. Zooals de zaken
nu stonden en halverwege den heuvel het gewicht der oude vrouw te
vermoeiend vindend, goot hij haar leven en kracht in om haar eigen
gewicht nog een weinig verder voort te dragen, door haar een dubbele
dosis uit zijn schroefflesch te geven.
Enrico trok Leoncia van haar muildier voor ze kon afstijgen, zoo
hartstochtelijk verlangde hij er naar haar in zijn armen te drukken.
Eenige minuten hoorde men niets dan luidruchtige Latijnsche
begroetingen, toen haar broeders zich allemaal tegelijk verdrongen om
haar te verwelkomen en te omhelzen. Toen ze wat tot bedaren kwamen, had
Francis de Dame Die Droomt reeds van haar rijdier geholpen en wachtte
naast haar staande, met haar hand in de zijne, dat men hem zou
herkennen.
„Dit is mijn vrouw,” zei Francis tegen Enrico. „Ik ging in de
Cordilleras zoeken naar schatten en kijk eens, wat ik vond. Heeft
iemand ooit meer geluk gehad?”
„En zij offerde zelf een grooten schat op,” mompelde Leoncia dapper.
„Zij was koningin van een klein koninkrijk,” voegde Francis er bij, wat
een dankbare en bewonderende flikkering teweegbracht in Leoncia’s
oogen, die er snel aan toevoegde:
„En zij redde ons aller leven, maar offerde daarvoor haar klein
koninkrijk op.”
En Leoncia sloeg, in een edelmoedige opwelling, haar arm om het middel
der Koningin, trok haar weg van Francis en leidde haar zoo de haciënda
binnen.