Langen tijd bleef de Dame Die Droomt staren op het spel der wateren.
Ten slotte stond ze op, zuchtend: „Mijn arme hond.” Het heengaan van
Torres beteekende niets voor haar. Van haar meisjesjaren af gewoon om
de beschikking te hebben over leven en dood van haar half-wild en
gedegenereerd volk, was het menschelijk leven haar, bijgevolg, niet
heilig. Wanneer het leven goed en lief was, dan was het natuurlijk
juist om het te laten leven. Maar wanneer het leven boos was en leelijk
en gevaarlijk voor andere levens, dan was het juist om het te laten
dooden of te dooden. Zoodoende was Torres voor haar slechts een episode
geweest—onaangenaam, maar snel voorbijgaande. Maar van dien hond was
het jammer.
Luid in de handen klappend, toen ze haar kamer binnentrad, om een van
haar vrouwen te roepen, overtuigde zij zich, dat de deksel van de
juweelenkist openstond. Zij gaf de vrouw een bevel en keerde zelf terug
naar het platform, vanwaar ze onopgemerkt in de kamer kon kijken.
Enkele minuten later werd Francis door de vrouw de kamer binnengeleid
en alleen gelaten. Hij verkeerde niet in een vroolijke gemoedsstemming.
Hoe mooi het ook geweest was, dat hij van Leoncia afgezien had, hij kon
zich niet verheugen over deze daad. Evenmin kon hij zich verheugen in
het vooruitzicht om de vreemde dame te trouwen, die regeerde over de
Verloren Zielen en in deze zonderlinge meer-woning huisde. Maar, in
tegenstelling met Torres, wekte ze in hem geen vrees of verbittering
op. Integendeel, Francis voelde voor haar een diep medelijden. Hij was
onwillekeurig onder den indruk gekomen van het tragische pathos der
volwassen, mooie vrouw, die wanhopig zocht naar liefde en een
echtgenoot, ondanks haar gebiedend en aanmatigend optreden.
In een oogwenk herkende hij de kamer voor wat het was en vroeg zich,
licht verwonderd, af, of hij reeds beschouwd werd als de bruidegom,
zonder er verder over te spreken, zonder toestemming, zonder
huwelijksplechtigheid. In gedachten verzonken, trok de kist nauwelijks
zijn aandacht. De Koningin, die hem in het oog hield, zag, dat hij
blijkbaar op haar wachtte, en hem, na eenige minuten, op de kist
toetreden. Hij nam er een handvol juweelen uit en liet ze onverschillig
weer een voor een er in vallen, alsof het knikkers waren, keerde zich
om en stapte naar den anderen kant om de luipaardhuiden op haar
slaapstede te bekijken. Vervolgens ging hij er op zitten,
oogenschijnlijk volkomen onverschillig voor slaapstede of schat. Dit
alles beviel de Koningin zoo zeer, dat ze er niet toe kon besluiten, om
nog langer te blijven spionneeren. De kamer binnentredend en hem
begroetend, vroeg ze lachend:
„Was Senor Torres een leugenaar?”
„Was?” vroeg Francis, om iets te zeggen, terwijl hij opstond.
„Hij is niet meer,” verzekerde zij hem. „Wat beteekent, dat hij noch
hier noch daar is,” haastte zij zich te zeggen, toen Francis
belangstelling begon te toonen in Torres’ einde. „Hij is heengegaan, en
het is goed, dat hij heengegaan is, want hij kan nu nooit terugkomen.
Maar hij loog, is het niet?”
„Beslist,” antwoordde Francis. „Hij is een doortrapte leugenaar.”
Hij moest wel de verandering op haar gelaat zien, toen hij zoo van
harte instemde met haar meening omtrent Torres’ waarheidlievendheid.
„Wat heeft hij gezegd?” vroeg Francis.
„Dat hij de uitverkorene was, om met mij te trouwen.”
„Een leugen,” merkte Francis droogjes op.
„Vervolgens zei hij, dat gij de uitverkorene waart—wat ook een leugen
was.” Haar stem werd zachter.
Francis schudde het hoofd.
De onwillekeurige vreugdekreet, die de Koningin slaakte, wekte in zijn
hart zoo’n teeder medelijden op, dat hij er bijna toe kwam om zijn
armen om haar heen te slaan en haar te liefkoozen. Zij wachtte, wat hij
zou zeggen.
„Ik ben de man, die je zal trouwen,” vervolgde hij kalm. „Je bent zeer
schoon. Wanneer zal ons huwelijk plaats hebben?”
De onstuimige vreugde in haar gelaat was zóó groot, dat hij plechtig
beloofde, dat door zijn toedoen dit gelaat nimmer de sporen van
verdriet zou dragen. Zij mocht dan al heerscheres zijn over de Verloren
Zielen, onmetelijke rijkdommen bezitten en begiftigd zijn met de
bovennatuurlijke macht om in den Spiegel te lezen; in de eerste plaats
was ze voor hem een eenzame en naïeve vrouw, overvloeiend van liefde en
volkomen onwetend van de liefde.
„En ik zal je nog een leugen vertellen, dien dat beest van een Torres
mij vertelde,” barstte zij verontwaardigd los. „Hij zei mij, dat je
rijk waart en dat je, voor je mij trouwde, wilde weten, wat ik bezat.
Hij zei me, dat je hem gezonden hadt om te onderzoeken, welke
rijkdommen ik bezat. Ik weet, dat dit een leugen was. Je trouwt mij
niet om dat!” Met een toornig gebaar wees zij op de kist met juweelen.
Francis schudde het hoofd.
„Je trouwt mij om mijzelf,” ging zij triomfantelijk voort.
„Om jezelf,” loog Francis, ondanks zich zelf.
En toen zag hij een verwonderlijk iets. De Koningin, deze Koningin, die
de reinste autocraat was, die beval, kom hier en ga daarheen, die den
dood van Torres niet meer waardig keurde dan enkel een vermelding en
die haar koninklijken echtgenoot koos, zonder ook maar naar zijn
wenschen te vragen, deze Koningin begon te blozen. Langs haar hals en
over haar gelaat, tot aan haar ooren en voorhoofd toe, vloog de roze
gloed der maagdelijke zedigheid en verlegenheid. En dit teeken van
verwarring, bracht Francis ook in de war. Hij wist niet wat hij doen
moest en voelde het warme bloed opstijgen onder de gebruinde huid van
zijn eigen gelaat. Nooit tevoren, dacht hij, hadden een man en een
vrouw in een dergelijke positie verkeerd in de levensgeschiedenis der
mannen en vrouwen. Hun wederzijdsche verlegenheid was zeer groot en, al
had hij er zijn leven mee kunnen redden, het was hem onmogelijk om een
woord uit te brengen. Dus was de Koningin genoodzaakt om het eerst te
spreken.
„En nu,” zei ze, nog sterker blozend, „moet je mij het hof maken.”
Francis deed moeite om iets te zeggen, maar zijn lippen waren zoo
droog, dat hij ze eerst moest bevochtigen en slechts enkele
onsamenhangende woorden kon stamelen.
„Ik werd nooit bemind,” vervolgde de Koningin dapper. „Mijn volk houdt
zich niet op met liefde. Het zijn redelooze dieren. Maar wij, gij en
ik, zijn man en vrouw. Daarbij hoort begeeren en teederheid—dat heeft
mijn Spiegel der Wereld mij geleerd. Maar ik ben onervaren. Ik weet
niet hoe het moet. Maar gij, die uit de groote wereld komt, moet het
weten. Ik wacht. Gij moet mij liefhebben.”
Zij zonk neer op haar rustbank, trok Francis naast zich en wachtte,
zooals ze gezegd had. Terwijl hij, die op bevel moest liefhebben, als
verlamd was door de onmogelijkheid om aan dit bevel te gehoorzamen.
„Ben ik niet mooi?” vroeg de Koningin na een nieuwe pauze. „Zijn je
armen niet als dol van verlangen om zich om mij heen te slaan, evenals
ik dol verlangend ben, om ze om mij heen te voelen? Nog nooit hebben
mannenlippen de mijne beroerd. Waar gelijkt een kus op—een kus op de
lippen, bedoel ik? Je lippen op mijn hand waren een extase. Je kuste
toen niet alleen mijn hand, maar ook mijn ziel. Mijn hart voelde toen
den druk van je lippen. Heb je het kloppen ervan niet gevoeld?”
„En nu,” zei ze een half uur later, toen ze hand in hand op de
slaapbank zaten, „heb ik je het weinige verteld, wat ik van mijzelf
weet. Ik weet van het verleden niet anders, dan men mij ervan verteld
heeft. Het tegenwoordige zie ik duidelijk in mijn Spiegel der Wereld.
De toekomst kan ik eveneens zien, maar slechts vaag; ook begrijp ik
niet altijd, wat ik zie. Ik werd hier geboren. Zoo ook mijn moeder, en
haar moeder. Het toeval wilde, dat er altijd in het leven van iedere
koningin een minnaar kwam. Soms kwamen ze hier, evenals gij. De moeder
van mijn moeder, zoo vertelde men mij, verliet het dal om haar minnaar
te zoeken en was langen tijd weg—jarenlang. Zoo ging ook mijn moeder
weg. Ik ken den geheimen weg, waar de reeds lang gestorven
conquistadores de geheimen der Mayas bewaken, en waar Da Vasco zelf
staat, wiens helm door dat beest van een Torres zoo onbeschaamd
gestolen en tot zijn eigendom verklaard werd. Wanneer jij niet gekomen
waart, zou ik ook weg hebben moeten gaan om je te zoeken, want jij
waart het, die voor mij bestemd waart en moest zijn.” Een vrouw trad
binnen, gevolgd door een speerdrager, en Francis kon nauwelijks wijs
worden uit het vreemde, ouderwetsche Spaansch, waarin het gesprek
gevoerd werd. Met een gemengd gevoel van toorn en blijdschap, deelde de
Koningin hem in het kort den inhoud ervan mee.
„Wij moeten nu naar het Lange Huis gaan voor de trouwpartij. De
Priester der Zon is koppig, ik begrijp niet waarom, of hij moest
wenschen het bloed van jelui allen op zijn altaar te zien. Hij is zeer
bloeddorstig. Hij is de Zonnepriester, maar hij bezit weinig verstand.
Men bericht mij, dat hij het volk tracht op te zetten tegen ons
huwelijk—die hond!” Zij vouwde haar handen, terwijl haar gezicht hard
werd en haar oogen vlamden van koninklijke woede. „Hij zal ons trouwen
volgens de oude gebruiken, voor het Lange Huis, voor het Altaar der
Zon.”
„Het is nog niet te laat, om van gedachten te veranderen, Francis,”
drong Henry aan. „Bovendien is het niet eerlijk. Ik heb het kortste
strootje getrokken. Nietwaar, Leoncia?”
Leoncia kon niet antwoorden. Zij stonden in een groep voor het altaar,
ten aanschouwe van de vergaderde Verloren Zielen. De Koningin en de
Zonnepriester bevonden zich in het Lange Huis.
„Je zou niet graag zien, dat Henry met haar trouwde, is het niet,
Leoncia?” vroeg Francis.
„En jou evenmin,” antwoordde Leoncia. „Alleen Torres had ik gaarne met
haar zien trouwen. Ik houd niet van haar. Ik zou niet graag een mijner
vrienden haar echtgenoot zien worden.”
„Het lijkt haast of je jaloersch bent,” merkte Henry op. „Maar hoe het
zij, Francis schijnt niet al te mistroostig te zijn over zijn lot.”
„Ze is heelemaal niet kwaad,” antwoordde Francis. „En ik kan mijn lot
waardig, zoo al niet gelijkmoedig dragen. En ik wil je nog iets anders
vertellen, Henry, nu we het hier toch over hebben; ze zou je niet eens
nemen, al vroeg je haar.”
„O, dat weet ik nog zoo net niet,” begon Henry.
„Vraag het haar dan,” was het voorstel. „Daar komt ze aan. Kijk eens
naar haar oogen. Daar broeit iets. En de priester ziet er uit als een
donderwolk. Doe haar je voorstel en zie welke kans je hebt tegenover
mij.”
Henry schudde koppig het hoofd.
„Ik zal het doen—maar niet om je te toonen welk een vrouwenveroveraar
ik ben, doch alleen terwille van het eerlijke spel. Ik speelde dit niet
toen ik je zelfopoffering aannam, maar nu zal ik het spelen.”
Voor zij hem tegen konden houden, was hij op de Koningin toegeloopen,
had zich tusschen haar en den priester ingedrongen en begon op
ernstigen toon te spreken. En de Koningin luisterde lachend. Maar haar
lach was niet voor Henry bestemd. Stralend van triomf lachte ze tegen
Leoncia.
Het kostte niet veel tijd om Henry’s voorstel af te wijzen, waarop de
Koningin zich bij Leoncia en Francis voegde, terwijl de priester haar
op de hielen volgde en Henry, die langzaam achteraan kwam, moeite deed
om de blijdschap te verbergen, die hij voelde over het blauwtje, dat
hij geloopen had.
„Wat dunkt je ervan?” sprak de Koningin Leoncia aan. „Die goede Henry
heeft mij juist gevraagd zijn vrouw te worden, dat is vandaag de
vierde. Word ik niet zeer bemind? Hebt je ooit vier aanbidders gehad,
die je alle vier wenschen te trouwen op je huwelijksdag?”
„Vier!” riep Francis uit.
De Koningin schonk hem een teederen blik.
„Jij zelf en Henry, dien ik juist afgewezen heb. En voor jelui,
vandaag, die onbeschofte Torres en nu pas, in het Lange Huis, de
priester hier.” Bij deze herinnering vlamde de toorn op in haar oogen
en wangen. „Deze Priester der Zon, deze priester, die reeds lang
ontrouw was aan zijn beloften, deze man, die slechts half een man is,
verlangde mij als vrouw! Die hond! Dat beest! En hij had ten slotte de
onbeschaamdheid te zeggen, dat ik niet de vrouw van Francis zou worden.
Kom. Dat zal ik hem laten zien.” Zij riep met een hoofdbeweging haar
eigen speerdragers op uit den groep en beval met haar oogen twee hunner
om achter den priester te gaan staan en hem te bewaken. Op het gezicht
hiervan, begon er gemompel op te stijgen uit de menigte.
„Maak voortgang, priester,” beval de Koningin barsch. „Anders zullen
mijn mannen je op staanden voet dooden.”
Hij keerde zich met een ruk om, alsof hij een beroep wilde doen op het
volk, maar de toespraak, die zijn lippen deed trillen, werd niet onder
woorden gebracht, toen hij de speerpunten op zijn borst gericht zag.
Hij onderwierp zich aan het onvermijdelijke en liep vooruit tot vlak
voor het altaar, waar hij de Koningin en Francis voor zich plaatste,
terwijl hij zelf boven op het platform van het altaar ging staan,
vanwaar hij op hen neerzag en over hen heen de Verloren Zielen aankeek.
„Ik ben de Priester der Zon,” begon hij. „Mijn geloften zijn mij
heilig. Als gewijd priester word ik gedwongen deze vrouw, de Dame Die
Droomt, in den echt te verbinden met dezen vreemdeling en indringer,
wiens bloed reeds vervallen is aan dit altaar. Mijn geloften zijn mij
heilig. Het is mij onmogelijk, ze ontrouw te worden. Ik weiger deze
vrouw en dezen man te trouwen. In den naam van den Zonnegod weiger ik
deze plechtigheid te voltrekken...”
„Dan zult gij sterven, priester, hier en op dit oogenblik,” siste de
Koningin hem toe, de dichtstbijzijnde speerdragers een teeken gevend om
hun speren tegen hem op te heffen en de andere speerdragers bevelend om
zich tegen de murmureerende en half-opstandige Verloren Zielen te
keeren.
Nu volgde er een gewichtige pauze. Ongeveer een minuut lang werd er
geen woord gesproken, geen gedachte verraden door een ongedurige
beweging. Ze stonden allen onbeweeglijk als even zoovele standbeelden;
en iedereen keek naar den priester, op wiens hart de vergiftigde
speerpunten gericht waren.
Hij, wiens bloed en leven in deze zaak in de eerste plaats op het spel
stond, was ook de eerste, die handelde. Hij gaf toe. Kalm keerde hij de
dreigende speren den rug toe en richtte, in ouderwetsch Spaansch, een
gebed om vruchtbaarheid tot de Zon. Tot de Koningin en Francis
terugkeerend, liet hij hen, door een handbeweging, zich diep
neerbuigen, zoodat ze half voor hem knielden. Toen hij met zijn
vingertoppen hun handen aanraakte, kon hij niet verhinderen, dat zijn
gelaatstrekken zich onwillekeurig vertrokken.
Toen het paar, op zijn aanwijzing, opstond, brak hij een kleine
koren-koek doormidden en gaf ieder de helft.
„Het Heilig Avondmaal,” fluisterde Henry Leoncia in, toen het paar hun
stuk koek stukbrak en opat.
„De Roomsch-Katholieke Godsdienst, die Da Vasco met zich hierheen
gebracht moet hebben, maar zoo ontaard, dat het nu de
huwelijksplechtigheid geworden is,” fluisterde zij terug, ofschoon ze,
nu ze zag, dat Francis voor haar verloren was, moeite moest doen om
zich te bedwingen en met kleurlooze, op elkander geklemde lippen, haar
nagels in haar handpalmen drukte. Van het altaar nam de priester een
kleine ponjaard en een gouden kopje en bood deze de Koningin aan. Zij
zei iets tegen Francis, die zijn mouw opstroopte en haar zijn
ontblooten linker benedenarm aanbood. Op het punt om een sneedje in
zijn vleesch te geven, aarzelde zij en, inplaats daarvan, zette zij de
punt van den ponjaard voorzichtig op haar tong.
Maar nu kreeg de woede de overhand. Toen ze den smaak van het lemmet
proefde, wierp ze het wapen van zich, sprong half op den priester toe,
en gaf haar speerdragers half bevel om hem te dooden en beefde en
sidderde door de moeite, die ze deed om zich te beheerschen. Met haar
oogen den ponjaard volgend, overtuigde zij zich, dat de vergiftigde
punt niemand anders trof, om zijn noodlottige uitwerking te volbrengen
en trok toen uit de plooien van haar kleed een andere kleine ponjaard
te voorschijn. Deze probeerde zij eerst ook op haar tong, voor ze met
de punt ervan een sneedje in Francis’ huid gaf en in den gouden kop
eenige roode bloeddruppeltjes opving, die uit de verwonding kwamen.
Francis herhaalde hetzelfde voor haar en bij haar, waarop de priester,
met vlammenden blik, den kop nam en het vermengde bloed op het altaar
offerde.
Er ontstond een pauze. De Koningin fronste de wenkbrauwen.
„Wanneer er vandaag nog bloed moet vloeien op het altaar van den
Zonnegod...” begon zij dreigend.
En de priester richtte zich, alsof hij zich zijn verzuim herinnerde,
tot het volk en verkondigde plechtig, dat het tweetal nu man en vrouw
was. De Koningin wendde zich tot Francis, met de bede in de oogen, om
haar in zijn armen te sluiten. Toen hij dit deed en haar op de
begeerige lippen kuste, zuchtte Leoncia en drukte zich, als om steun
zoekend, vast tegen Henry aan. Evenmin ontging Francis deze
voorbijgaande zwakte en hij begreep, hoewel Leoncia, toen de blozende
Koningin met oogen, die triomfantelijk glinsterden, haar medezuster
aankeek, oogenschijnlijk trotsch en onverschillig rondblikte.