HOOFDSTUK XIX.

„Iemand moet dat gekke mensch trouwen,” sprak Leoncia, toen zij zich

neerzetten op de matten der kamer, waarheen de priester hen gebracht

had. „Niet alleen zal hij een held zijn, die ons leven redt, maar hij

redt even goed zijn eigen leven. Nu, Senor Torres, u bent in de

gelegenheid om ons aller leven en het uwe te redden.”

„Br-r-r!” huiverde Torres. „Ik zou haar nog voor geen tien millioen aan

goud trouwen. Ze is te wijs. Ze is verschrikkelijk. Zij—hoe zal ik het

zeggen—zij, zooals jelui Amerikanen zeggen, ze bezorgt mij kippenvel.

Ik ben een dapper man. Maar tegenover haar ben ik niet dapper meer. Het

angstzweet breekt mij uit. Voor geen tien millioen zou ik moeite willen

doen om mijn vrees te overwinnen. Maar Henry en Francis zijn dapperder

dan ik. Laat een hunner haar trouwen.”

„Maar ik ben verloofd met Leoncia,” zei Henry dadelijk. „Daarom kan ik

de Koningin niet trouwen.”

Aller oogen vestigden zich nu op Francis, maar eer hij iets kon

antwoorden, nam Leoncia het woord.

„Dat is niet eerlijk,” zei ze. „Geen uwer heeft zin haar te trouwen. De

eenige billijke manier om het uit te maken is er om loten.” Onder het

spreken trok ze drie stroospieren uit de mat, waarop ze zat en brak er

een heel kort af. „De man, die het korte strootje trekt, zal het

slachtoffer zijn. Gij, Senor Torres, trek het eerst.”

„De huwelijksklokken luiden voor het kortste strootje,” grinnikte

Henry.

Torres bekruiste zich, huiverde en trok. Zijn stroospier was zóó lang,

dat hij een serie danspassen uitvoerde, zingend:

„Voor mij geen trouw,

’k Verlang geen vrouw...”

Francis trok vervolgens en een even lange stroospier was zijn deel.

Voor Henry bleef geen keus over. De overblijvende stroospier in

Leoncia’s hand was het onheilsteeken. Zijn gelaat had een in-tragische

uitdrukking, toen hij Leoncia onafgebroken aankeek. En zij vloeide, dit

merkend, over van medelijden, terwijl Francis haar medelijden zag en de

gedachten in hem zich vermenigvuldigden. Dit was de redding. De heele

verschrikkelijke situatie kon zoo gemakkelijk opgelost worden. Hoe

groot zijn liefde voor Leoncia ook was, nog grooter was zijn mannelijk

loyaliteitsgevoel jegens Henry. Francis aarzelde geen oogenblik. Met

een vroolijken klap op Henry’s schouder, riep hij uit:

„Welnu, hier is de eenige ongebonden vrijgezel, die niet bang is voor

het huwelijk. Ik zal haar trouwen.”

Het was voor Henry’s gevoel, of hij van een dreigenden dood gered was.

Zijn hand schoot uit naar die van Francis en, terwijl zij elkander de

hand drukten, keken zij elkander met een oprechten blik aan, zooals

alleen fatsoenlijke, eerlijke mannen kunnen kijken. Ook zag geen van

beiden den misnoegden trek op Leoncia’s gelaat bij deze onverwachte

ontknooping. De Dame Die Droomt had gelijk gehad. Leoncia, als vrouw,

was niet loyaal, daar ze twee mannen liefhad en de Dame haar eerlijk

aandeel betwistte.

Maar elk gesprek hierover werd belet door het kleine meisje uit het

dorp, dat met de vrouwen binnentrad om hun middagmaal op te dienen.

Torres’ scherpe oogen merkten het eerst het snoer edelsteenen op, dat

om den hals van het meisje hing. Het waren robijnen en prachtige ook.

„De Dame Die Droomt heeft ze mij zooeven gegeven,” zei het meisje, dat

verrukt was, dat haar nieuwe bezitting zoo bewonderd werd.

„Heeft ze er nog meer?” vroeg Torres.

„Natuurlijk,” was het antwoord. „Ze liet er mij net nog een groote kist

van zien. En het waren er van allerlei soort en veel grooter, maar ze

waren niet aangeregen. Het waren net gepelde graankorrels.”

Terwijl de anderen aten en praatten, rookte Torres zenuwachtig een

cigaret. Daarna stond hij op en wendde een voorbijgaande ongesteldheid

voor, die hem belette te eten.

„Luister,” sprak hij met nadruk. „Ik spreek beter Spaansch dan een van

jelui Morgans. Ook geloof ik, dat ik het karakter der Spaansche vrouwen

beter ken. Om u te laten zien, dat ik het hart op de rechte plaats

draag, zal ik nu naar haar toegaan en zien of ik haar dit huwelijksplan

niet uit het hoofd kan praten.”

Een der speerdragers versperde Torres den weg, maar, nadat hij naar

binnen gegaan was, keerde hij terug en verzocht hem binnen te komen. De

Koningin rustte op de divan en wenkte hem minzaam tot zich.

„Gij eet niet?” vroeg ze belangstellend en voegde er aan toe, nadat hij

zijn gebrek aan honger toegestemd had: „Wilt gij dan drinken?”

Torres’ oogen glinsterden. Tusschen de opwinding door, waarin hij de

laatste dagen verkeerd had en de onwetendheid hoe dit nieuwe avontuur,

waartoe hij besloten was, zou eindigen, voelde hij een ontzettende

behoefte aan een dronk. De Koningin klapte in haar handen en gaf

bevelen aan de vrouwelijke bediende, die binnenkwam.

„Dit is zeer oud, eeuwenoud, zooals gij zult merken, Da Vasco, die het

zelf vier eeuwen geleden hierheen bracht,” zei ze toen een man een

klein houten tonnetje binnenbracht en openstak.

Aan den ouderdom van het vaatje kon niet getwijfeld worden en Torres,

die wist, dat het twaalf generaties geleden den Atlantischen Oceaan

overgestoken had, voelde hoe zijn keel begon te prikkelen van verlangen

naar den inhoud. De dronk, die door de kamervrouw ingeschonken werd,

was groot, maar toch verbaasde Torres zich over de zachtheid er van.

Maar spoedig begon de tooverkracht van den vier eeuwen ouden drank haar

spel in zijn aderen en maakte zijn hersenen van streek. De Koningin

verzocht hem om aan haar voeten op den rand van de divan te gaan

zitten, waar zij hem goed kon opnemen, en zei:

„Gij kwaamt ongeroepen. Wat hebt gij mij te zeggen of te vragen?”

„Ik ben de uitverkorene,” antwoordde hij, aan zijn knevel draaiend en

pogingen aanwendend om een gezicht te trekken als een man, die op

liefdesavonturen uitgaat.

„Vreemd,” sprak ze. „Ik heb uw gelaat niet gezien in den Spiegel der

Wereld. Er is... een vergissing, is het niet?”

„Een vergissing,” bekende hij gereedelijk, daar hij in haar oogen las,

dat ze zeker wist. „Het was de drank. Er schuilt een tooverkracht in,

die mij u deed zeggen, wat mijn hart voor u voelt, want ik verlang zoo

naar u.”

Met lachende oogen riep ze de kamervrouw weer en zijn aarden kroes werd

opnieuw gevuld.

„Een tweede vergissing is hiervan misschien het gevolg, is het niet?”

plaagde zij, toen hij den dronk naar binnen geslagen had.

„Neen, o Koningin,” antwoordde hij. „Nu is alles duidelijk. Nu kan ik

mijn trouw hart beheerschen. Francis Morgan, de man, die uw hand kuste,

is de man, die uitverkoren is om uw echtgenoot te worden.”

„Het is waar,” zei ze plechtig. „Zijn gezicht was het, wat ik zag en ik

herkende het van het eerste oogenblik af.”

Aldus aangemoedigd, vervolgde Torres:

„Ik ben zijn vriend, zijn allerbeste vriend. Gij, die alle dingen weet,

kent ook de gewoonte der bruidsschat. Hij heeft mij, zijn besten

vriend, gezonden, om daarnaar te informeeren en den bruidsschat van

zijn aanstaande te zien. Gij moet weten, dat hij tot de rijksten van

zijn eigen land gerekend wordt, en de mannen daar zijn zeer rijk.”

Zoo plotseling stond zij van de divan op, dat Torres ineenkromp en half

terugdeinsde, in den angst, dat hem een mes tusschen de schouderbladen

gestoken zou worden. In plaats daarvan liep, of beter gezegd, zweefde

de Koningin naar den ingang van een diepergelegen vertrek.

„Kom!” sprak ze gebiedend.

Eenmaal daarbinnen, herkende Torres, zoodra hij een blik in het rond

geworpen had, de kamer voor wat zij was, haar slaapkamer. Maar zijn

oogen hadden niet veel tijd voor zulke details. Den deksel van een

zwaren ijzerhouten, met koper beslagen koffer oplichtend, zei ze hem

erin te kijken. Hij gehoorzaamde en zag het wonder der wereld. Het

kleine meisje had waarheid gesproken. Als even zooveel gepelde

graankorrels, lag daar in de kist een onschatbare waarde aan

juweelen—diamanten, robijnen, smaragden, saffieren, de kostbaarste,

zuiverste en grootste van hun soort.

„Steek uw armen tot aan de schouders er in,” sprak ze, „en overtuig u,

dat dit speelgoed echt is en van edelsteen, meer dan illusies en

reflecties van een droombeeld, dat alleen in den droom werkelijkheid

is. Dan kan je een juist rapport uitbrengen aan je zeer rijken vriend,

die met mij zal gaan trouwen.”

En Torres, wiens brandende hersenen als krankzinnig waren door den

ouden drank, deed als hem gezegd was.

„Zijn deze stukjes glas zoo’n wonderlijk iets?” plaagde zij. „Je oogen

zien er uit, alsof zij groote wonderen aanschouwden.”

„Ik had nooit kunnen droomen, dat er ergens in de wereld zoo’n schat

bestond,” mompelde hij in zijn dronkenschap.

„Ze zijn niet te taxeeren?”

„Ze zijn niet te taxeeren.”

„Ze hebben meer waarde dan rijkdom, liefde en eer?”

„Ze zijn meer waard dan iets ter wereld. Zij zouden iemand krankzinnig

maken.”

„Kan men er de oprechte liefde van een man of een vrouw voor koopen?”

„Men zou er alles in de wereld voor kunnen koopen.”

„Kom,” zei de Koningin. „Gij zijt een man. Gij hebt vrouwen in uw armen

gehad. Zou men er vrouwen voor kunnen koopen?”

„Van den oorsprong der tijden af heeft men daarvoor vrouwen gekocht en

verkocht en vrouwen hebben er zich zelf voor verkocht.”

„Zal ik er het hart van uw besten vriend, Francis, voor kunnen koopen?”

Voor de eerste maal keek Torres haar aan en knikte en mompelde, terwijl

zijn oogen waterig stonden van den drank en woest door het zien van

zoo’n verzameling juweelen.

„Zal de goede Francis er zoo’n waarde aan hechten?”

Torres knikte sprakeloos.

„Hecht iedereen er zoo’n waarde aan?”

Weer knikte hij nadrukkelijk.

Zij uitte een zilveren spotlach. Zich vooroverbuigend, greep ze op goed

geluk af een handvol der kostbaarheden.

„Kom,” beval zij. „Ik zal je laten zien, hoeveel waarde ik er aan

hecht.”

Zij leidde hem door de kamer naar een platform, dat aan drie zijden

omgeven was door een watervlakte en aan de vierde door een loodrechte

rots. Aan den voet der rots vormde het water een draaikolk, die de

opening verried voor den afvoer van het water uit het meer, waarover

Torres de Morgans had hooren redeneeren. Met nog een zilverhelder,

plagend lachje, wierp de Koningin de handvol kostelijke juweelen in het

hartje van den draaikolk.

„Zooveel hecht ik er aan,” sprak ze.

Torres was ontzet en het opzettelijke dezer handeling ontnuchterde hem

nagenoeg.

„En zij komen nooit terug,” lachte ze verder. „Niets komt ooit weer

terug. Kijk maar!”

Zij wierp er een handvol bloemen in, die verscheidene keeren

ronddraaiden in den draaikolk en snel in het middelpunt ervan naar

beneden gezogen werden.

„Als niets terugkomt, waar gaat dan alles heen?” vroeg Torres met dikke

tong.

De Koningin trok haar schouders op, ofschoon hij wist, dat ze de

geheimen van het water kende.

„Meer dan één mensch is dien weg gegaan,” sprak ze droomerig. „Geen

enkele hunner is ooit teruggekomen. Mijn moeder ging ook dien weg, toen

ze dood was. Ik was toen nog een meisje.” Zij ontwaakte uit haar

droomerijen. „Maar gij, gehelmde, ga nu heen. Breng rapport uit aan uw

meester—uw vriend, bedoel ik. Zeg hem, hoe groot mijn bruidsschat is.

En, als hij maar half zoo verzot is op die stukjes glas als gij, zullen

zijn armen spoedig om mij heen geslagen zijn. Ik zal hier blijven

droomen totdat hij komt. Het spel van het water boeit mij.”

Aldus weggezonden, betrad Torres de slaapkamer, kroop terug om

heimelijk een blik te werpen op de Koningin en zag haar, op het

platform zitten, met haar hoofd op haar hand rustend en in den

draaikolk starend. Snel liep hij naar de kist, lichtte het deksel op en

stopte een groote handvol in den zak van zijn broek. Voor hij een

tweede handvol kon nemen, weerklonk achter zijn rug het spottend gelach

der Koningin.

Vrees en woede overweldigden hem zoo zeer, dat hij op haar toesprong en

haar vervolgde op het platform, waar hij alleen door den ponjaard, dien

zij hem dreigend voorhield, teruggehouden werd van haar te grijpen.

„Dief,” zei ze kalm. „Gij zijt een man zonder eer. En het lot van alle

dieven in dit dal is de dood. Ik zal mijn speerdragers roepen en je in

den draaikolk laten werpen.”

En de doodsangst maakte Torres listig. Aandachtig kijkend naar het

water, dat hem bedreigde, stiet hij een kreet van schrik uit alsof hij

iets vreemds gezien had, zonk op één knie neer en begroef zijn, van

gesimuleerden schrik vertrokken gelaat in zijn handen. De Koningin keek

terzijde, om ook te zien, wat hij gezien had. Dit was zijn kans. Hij

vloog overeind en op haar af als een tijger, die zijn prooi bespringt,

haar bij de polsen grijpend en den ponjaard uit haar handen wringend.

Hij veegde het zweet van zijn gelaat en sidderde, terwijl hij zich

langzaam herstelde. Ondertusschen keek zij hem verwonderd, maar

onbevreesd aan.

„Gij zijt een slechte vrouw,” snauwde hij haar toe, nog altijd trillend

van woede, „een tooverheks, die zich bedient van de machten der

duisternis en allerlei duivelsche zaken. Toch zijt gij een vrouw, uit

een vrouw geboren, en daarom sterfelijk. De zwakheid der sterfelijkheid

en der vrouw zijn uw eigendom, waarom ik u nu uit twee dingen laat

kiezen. Òf gij zult in den draaikolk geworpen worden en sterven, òf...”

„Of?” herhaalde zij.

„Of...” Hij pauseerde, bevochtigde zijn droge lippen en barstte los.

„Neen! Bij de Heilige Moeder Gods, ik ben niet bang! Of mij dezen dag

trouwen, wat de andere keuze is.”

„Wil je mij om mijzelf trouwen? Of om den schat?”

„Om den schat,” stemde hij onbeschaamd toe.

„Maar in het Boek des Levens staat geschreven, dat ik met Francis zal

trouwen,” weerlegde zij.

„Dan zullen we die bladzijde van het Boek des Levens overschrijven.”

„Alsof dat zou kunnen!” lachte zij.

„Dan zal ik je sterfelijkheid bewijzen daar in dien draaikolk, waarin

ik je zal werpen, zooals jij er de bloemen in geworpen hebt.”

Op dit oogenblik was Torres werkelijk onversaagd—onversaagd door den

ouden drank, die zijn bloed en hersenen in vuur zette, en omdat hij den

toestand meester was. Bovendien hield hij, als echt Latijnsch-Amerikaan

van een scène, waarin hij kon pronken en geuren.

Toch maakte zij hem aan het schrikken, door een sissend geluid uit te

stooten, gelijkend op de Latijnsche manier om een bediende te roepen.

Hij keek haar achterdochtig aan, toen naar de ingang van het

slaapvertrek en richtte vervolgens den blik weer op haar.

Als een spook, zag hij slechts vaag met een zijdelingschen blik den

grooten witten hond door den ingang springen. Opnieuw schrikkend, deed

Torres onwillekeurig een stap terzijde. Maar zijn voet vond geen steun

in de ijle lucht en de zwaarte van zijn lichaam deed hem van het

platform in het water vallen. Juist toen hij viel en het uitgilde van

wanhoop, zag hij de hond met een luchtsprong achter zich aankomen.

Hoewel een goed zwemmer, geleek Torres op een stroohalm in den greep

van den draaikolk; en de Dame Die Droomt, die van den rand van het

platform den blik niet van hem afwendde, zag hem verdwijnen en den hond

na hem, in het hartje van den maalstroom, waaruit niets terugkeert.

Drie Harten · 第 22 / 33 题