Onder geleide der speerdragers werd het gezelschap van Leoncia, de
beide Morgans en Torres door de lachende velden, alles nog in een zeer
primitieve cultuurstaat, geleid en langs voortvlietende stroomen, door
boschrijke gedeelten en met kniehoog gras bedekte weilanden, waar
koeien graasden van zoo’n miniatuur-ras, dat ze, volwassen, niet
grooter waren dan jonge kalveren.
„Het zijn ongetwijfeld melkkoeien,” merkte Henry op. „En het zijn
werkelijk prachtstukken. Maar zag je ooit zulke dwergjes. Een sterke
man zou de grootste op kunnen beuren en er mee wegloopen.”
„Verbeeld je dat maar niet,” sprak Francis. „Neem die eene daarginds
maar eens, die zwarte. Ik wil wedden, dat die geen ons minder weegt dan
driehonderd pond.”
„Om hoeveel wil je wedden?” daagde Henry hem uit.
„Zeg maar op,” was het antwoord.
„Om honderd dollars dan,” zei Henry, „dat ik die kan opbeuren en er mee
wegloopen.”
„Aangenomen.”
Maar de weddenschap werd nooit uitgemaakt, want zoodra Henry het pad
verliet, werd hij door de speerdragers teruggedreven, die met norschen
blik, door teekenen te kennen gaven, dat ze rechtdoor moesten gaan.
Waar de weg leidde langs den voet van een zeer woeste rots, zagen zij
boven zich talrijke geiten.
„Tam,” zei Francis. „Kijk maar naar die herdersjongens.”
„Ik was er zeker van, dat er geitenvleesch in die brij zat,” bevestigde
Henry. „Ik heb altijd van geiten gehouden. Als de Dame Die Droomt, wie
ze ook zijn moge, den priester ongelijk geeft en ons het leven schenkt,
ga ik vragen of ik de opperste geitenhoeder van het rijk mag worden en
dan zal ik een aardig hutje voor je bouwen, Leoncia en dan kan jij de
Opperste Kaasmaakster der Koningin worden.”
Maar hij wandelde niet verder, aldus schertsend, want nu kwamen ze aan
een meer, zóó schoon, dat het Francis een langgerekt gefluit ontlokte,
Leoncia in haar handen deed klappen en Torres een uitroep van
bewondering deed slaken. Het strekte zich uit over een volle mijl
lengte en was meer dan een halve mijl breed en zuiver ovaal. Behalve
één uitzondering, werd de franje van boomen, bamboe-boschjes en biezen,
die den oever omgaven en zelfs den voet der rots, waar het bamboe
buitengewoon welig groeide, door geen woning onderbroken. Op de kalme
oppervlakte weerspiegelden de omliggende bergen zoo duidelijk, dat het
oog bijna niet kon onderscheiden, waar de werkelijkheid ophield en de
weerspiegeling begon.
Midden in haar vervoering over de volmaakte weerkaatsing, hield Leoncia
op, om haar teleurstelling te kennen te geven, dat het water niet
kristalhelder was:
„Wat jammer, dat het zoo modderig is!”
„Dat komt door het aanspoelsel van den vruchtbaren dalbodem,”
verklaarde Henry. „Die bodem is honderden voeten diep.”
„Het heele dal moet vroeger een meer geweest zijn,” besloot Francis.
„Laat je oog eens langs de rots gaan en kijk eens naar de oude
waterlijnen. Ik vraag me af, wat het zoo deed dalen.”
„Hoogstwaarschijnlijk een aardbeving—die de een of andere onderaardsche
uitgang opende en het liet zakken tot de tegenwoordige hoogte—en het nu
ook nog steeds laat afvloeien. De donkerbruine kleur toont aan hoeveel
water er aldoor instroomt, en dat het niet veel gelegenheid heeft om te
bezinken. Het is de vergaderbak voor de geheele circuleerende
waterstroom in het dal.”
„Wel, daar staat tenminste een huis,” sprak Leoncia vijf minuten later,
toen zij een hoek van de rots omsloegen en, tegen de rots steunend en
zich boven het water uitstrekkend, een, op een bungalow gelijkende,
woning zagen met een laag dak.
De pilaren werden gevormd door massieve boomstammen, maar de muren van
het huis waren van bamboe en het dak was bedekt met gras-stroo. Het lag
zoo afgelegen, dat de eenige toegang, behalve per boot, bestond uit een
twintig voet lange brug, die zoo smal was, dat twee menschen er niet
naast elkander over heen konden loopen. Aan beide einden der brug,
stonden twee jonge mannen van den stam, blijkbaar gewapende wachters of
schildwachten. Op een gebaar of bevel van den Zonnepriester traden zij
terzijde en lieten het gezelschap passeeren, ofschoon de beide Morgans
opmerkten, dat de speerdragers, die hen vanaf het Lange Huis vergezeld
hadden, bij de brug achterbleven.
Zij liepen de brug over en in het, op een bungalow gelijkend gebouw op
pilaren gekomen, bevonden zij zich in een groote kamer, die beter
gemeubileerd was, al waren de meubelen dan ook grof gemaakt, dan ze in
het dal der Verloren Zielen verwacht zouden hebben. De rietmatten op
den vloer waren fijn en zorgvuldig geweven en de gordijnen van
gespleten bamboe, die de vensteropeningen bedekten, waren kunstig
gemaakt. Aan den anderen kant tegen den muur, was een reusachtig gouden
embleem van de opgaande zon, volkomen gelijk aan dat voor het altaar
bij het Lange Huis. Maar nog veel opvallender waren twee levende
wezens, die op zoo eigenaardige wijze deze plaats schenen te bewonen en
die zich nauwelijks bewogen. Onder de opgaande zon, een beetje boven
den vloer op een soort verhevenheid, stond een divan met talrijke
kussens, die half op een troon geleek. En op de divan, tusschen de
kussens, gekleed in een zacht-glinsterend gewaad van een stof, die
niemand hunner ooit gezien had, rustte een slapende vrouw. Alleen haar
borst rees en daalde zachtjes onder haar ademhalingen. Zij was geen
Verloren Ziel, van het gedegenereerde, gemengde ras van Caraïbiërs en
Spanjaarden. Op haar hoofd droeg zij een tiara van gedreven goud, met
glinsterende punten, zóó groot dat het bijna een kroon geleek.
Voor haar op den vloer stonden twee gouden drievoeten—de eene bevatte
smeulend vuur, de andere, veel grootere, een gouden bokaal, een volle
vadem in doorsnee. Tusschen de drievoeten, de pooten voor zich
uitgestrekt als een Sphinx, lag, met doffe oogen en zonder zich te
verroeren, een groote hond met sneeuwwitte huid, veel gelijkend op een
Russischen wolfshond en keek de indringers onafgebroken aan.
„Ze ziet er uit als een dame en schijnt een koningin te zijn en droomt
zeker prettig,” fluisterde Henry, wat hem een norschen blik van den
Zonnepriester bezorgde.
Leoncia was ademloos, maar Torres huiverde en bekruiste zich, zeggend:
„Dit heb ik nooit hooren vertellen van het dal der Verloren Zielen.
Deze slapende vrouw is een Spaansche dame. Zij is van zuiver Spaansche
origine. Zij is een Castiliaansche. Dat weet ik zoo zeker, als ik hier
sta, dat ze blauwe oogen heeft. Maar die bleekheid!” Weer huiverde hij.
„Dit is geen gewone slaap. ’t Lijkt wel of ze onder den invloed is van
een slaapdrank en reeds langen tijd slaapdranken gebruikt heeft.”
„Daar heb je het!” riep Francis, opgewonden fluisterend, uit. „De Dame
Die Droomt wordt volgestopt met droomen. Zij houden haar zeker hier als
een soort opperste-priesteres of opperste orakel.—’t Is in orde, oude
priester,” hij hield op, om in het Spaansch te vervolgen: „Als wij haar
wakker maken, wat gebeurt er dan? Wij zijn hierheen gebracht om haar te
ontmoeten en, naar ik hoop, in wakenden toestand.”
De Dame bewoog zich, alsof het gefluister haar diepen slaap had
gestoord, en, voor de eerste maal, bewoog ook de hond zich, zijn kop
naar haar toekeerend, zoodat haar naar beneden vallende hand
liefkoozend op zijn nek bleef rusten. Gebiedend werden nu de norsche
blikken van den priester en zijn gebaren om stilte te bevelen. En zij
stonden in roerlooze stilte en wachtten op het ontwaken van het orakel.
Langzaam kwam zij half overeind, pauseerde en liefkoosde opnieuw den
gelukkigen wolfshond, wiens wreede kaken zichtbaar werden, toen hij
zijn reusachtigen mond opende voor een langgerekten vreugdelach.
Beangstigend was de toestand voor hen, en deze werd nog vreeselijker
toen zij voor de eerste maal haar oogen ten volle op hen liet rusten.
Nooit zagen zij zulke oogen, waarin de wereld en al de werelden
opgesloten schenen te liggen. Leoncia bekruiste zich ten halve, terwijl
Torres, meegesleept door zijn eigen vrees, zich heelemaal bekruiste en
met lippen, die bewogen, maar geen geluid gaven, zijn geliefkoosd gebed
tot de Heilige Maagd opzond. Zelfs Francis en Henry keken, en konden
den blik niet meer afwenden, van dat tweelingpaar blauwe bronnen, die
bijna zwart geleken in de schaduw der lange, zwarte wimpers.
„Een blauwoogige brunette,” waagde Francis te fluisteren.
Maar wat voor oogen! Ze waren eer rond, dan langwerpig. En toch waren
ze ook weer niet rond. Ze hadden vierkant genoemd kunnen worden,
wanneer ze niet meer rond dan vierkant geweest waren. Ze hadden een
vorm, die deed denken, dat de artist tegengehouden was in zijn snelle,
schetsende wijze om cirkels te vormen uit vierkanten. De lange, donkere
wimpers omsluierden ze en verhoogden nog den indruk, dat ze donker
waren. Toch stond er geen verwondering of schrik in te lezen, toen ze
haar bezoekers voor het eerst zag. Ze waren droomerig en niet
nieuwsgierig en toch stond er flauwtjes in te lezen, dat ze begrepen,
wat ze zagen. Bovendien verrieden haar oogen, tot ontstelling der
aanwezigen, een gecompliceerde samenvatting van paradoxale
levensuitingen. Een uitdrukking van smart was er onafgebroken in te
vinden. Gevoeligheid verried zichzelf als een vochtige sluier, die
geleek op een voorjaars-regenbui tegen een verwijderden zee-horizon of
een dauwvloed op een morgen in de bergen. Smart—eeuwigdurende
smart—zetelde te midden van kwijnende slaperigheid. Het vuur van een
onmetelijken moed dreigde de electrische vonk van handeling en
zielskracht te ontsteken. Diepe sluimering scheen als een dreigenden
achtergrond steeds gereed te staan om alles in den slaap uit te
wisschen. En over dit alles, door dit alles, dit alles doordringend
zweefde eeuwenoude wijsheid. Dit alles werd versterkt door de
eenigszins holle wangen, die deden denken aan ascetisme. Op de wangen
lag een blosje, dat òf teringachtig òf aan de verfdoos te danken was.
Toen ze opstond, bleek ze slank en teer te zijn als een toovergodin.
Haar beenderen waren fijn, niet te overvloedig met vleesch bedekt; toch
waren haar vormen niet mager. Wanneer Henry of Francis hardop hun
indruk te kennen hadden gegeven, dan zouden ze gezegd hebben, dat zij
de molligste magere vrouw was, die ze ooit gezien hadden. De
Zonnepriester wierp zijn oud lichaam voorover tot hij, plat uitgestrekt
op den grond lag, zijn oud voorhoofd begraven in de rietmat. De anderen
bleven rechtop staan, ofschoon Torres zijn knieën voelde jeuken en
gaarne het voorbeeld van den priester gevolgd zou hebben, wanneer zijn
metgezellen eenig teeken gegeven hadden, dat ze hem gezelschap zouden
houden. Zooals de zaken nu stonden, bogen zijn knieën zich
gedeeltelijk, maar strekten zich weer en verstijfden door het voorbeeld
van Leoncia en de Morgans.
In het eerst had de Dame voor niemand oog dan voor Leoncia; en, nadat
zij haar aan een nauwgezet onderzoek onderworpen had, beval zij haar
met een lichte opwaartsche beweging van het hoofd om nader te komen.
Volgens Leoncia’s meening, was deze beweging veel te gebiedend voor
zoo’n etherisch, schoon wezentje en zij voelde onmiddellijk het
antagonisme, dat tusschen haar moest bestaan. Zij bewoog zich niet,
totdat de Zonnepriester haar norsch toefluisterde, dat ze moest
gehoorzamen. Zij naderde, zonder acht te slaan op den reusachtigen,
langharigen hond, liep tusschen de drievoeten door en langs het beest
heen en stond niet stil voor een tweede hoofdbeweging, even kort als de
eerste, haar dit gebood. Een minuut lang keken de beide vrouwen
elkander vast in de oogen, waarna Leoncia, met een flikkering van
triomf in de hare, zag hoe de andere haar oogen neersloeg. Maar deze
flikkering was slechts van tijdelijken aard, want Leoncia zag, dat de
Dame zeer nieuwsgierig haar kleeding bestudeerde. Zij stak zelfs haar
slanke, bleeke hand uit en voelde naar het weefsel en gleed er
liefkoozend overheen, zooals alleen een vrouw dit kan.
„Priester!” riep ze op scherpen toon. „Dit is de derde dag der Zon in
het Huis van Manco. Lang geleden zei ik je iets betreffende dezen dag.
Spreek.”
Slaafsch kruipend, sprak de priester:
„Dat op dezen dag vreemde dingen zouden gebeuren. Ze zijn geschied, o
Koningin.”
Maar de Koningin had het al weer vergeten. Nog altijd de stof van
Leoncia’s japon streelend, waren haar oogen er nieuwsgierig en
onderzoekend op gevestigd.
„Gij zijt zeer gelukkig,” tegelijkertijd haar te kennen gevend, dat ze
zich weer bij de anderen moest voegen. „Gij wordt zeer bemind door de
mannen. Alles is nog niet duidelijk, maar toch schijnt het, dat gij al
te zeer bemind wordt door de mannen.”
Haar stem, die zacht en welluidend was, en klaar als zilver, had een
verrukkelijke rhythmischen klank en geleek bijna op een verwijderde
kerkklok, die de geloovigen ter aanbidding of bedroefde zielen tot
rustige overdenking roept. Maar het was Leoncia niet gegeven om deze
wonderheerlijke stem te waardeeren. In plaats daarvan voelde ze alleen
een toorn in zich opstijgen, die haar wangen deed gloeien en haar
polsen koortsachtig kloppen.
„Ik heb u vroeger gezien, en dikwijls ook,” ging de Koningin voort.
„Nooit!” riep Leoncia uit.
„Stil!” siste de Zonnepriester haar toe.
„Daar,” zei de Koningin, op den grooten, gouden bokaal wijzend.
„Vroeger heb ik u daar dikwijls gezien.”
„U—ook, daar,” sprak ze Henry aan.
„En u,” verzekerde zij aan Francis, ofschoon haar groote blauwe oogen
zich verder openden en zij hem lang aankeek—te lang naar Leoncia’s zin,
die den angel der jaloezie voelde, die alleen een vrouw in het hart
eener andere vrouw kan steken.
De oogen der vrouw gloeiden, toen ze verder dwaalden en op Torres
bleven rusten.
„En wie zijt gij, vreemdeling, zoo wonderlijk uitgerust, op uw hoofd
den helm van een ridder dragend en aan uw voeten de sandalen van een
slaaf?”
„Ik ben Da Vasco,” antwoordde hij brutaal.
„Die naam heeft een ouderwetschen klank,” lachte zij.
„Ik ben de oude Da Vasco,” vervolgde hij, ongevraagd naderkomend.
Zij glimlachte om zijn vermetelheid, maar liet hem begaan.
„Dit is de helm, dien ik vierhonderd jaren geleden droeg, toen ik de
voorouders der Verloren Zielen in dit dal bracht.”
De Koningin gaf kalm met een glimlachje haar ongeloof te kennen,
terwijl zij rustig vroeg:
„Gij zijt dus vierhonderd jaar geleden geboren?”
„Ja, en nooit. Ik werd nooit geboren. Ik ben Da Vasco. Ik heb altijd
bestaan. Mijn tehuis is de zon.”
Haar fijn gepenseelde wenkbrauwen werden twijfelachtig samengetrokken,
ofschoon ze niets zei. Uit een geciseleerde gouden doos, die naast haar
op de divan stond, nam ze tusschen haar teeren en bijna doorschijnenden
duim en wijsvinger een beetje poeder en haar dunne, schoone lippen
kromden zich licht spottend, toen ze, als bij toeval, het poeder in den
grooten drievoet wierp. Een helder rookwolkje steeg op en was in een
oogenblik uit het gezicht verdwenen.
„Kijk!” beval zij.
En Torres naderde den grooten bokaal en keek erin. Wat hij zag, bleef
voor de overigen van het gezelschap een eeuwig geheim. Maar de Koningin
zelf boog zich voorover en, van boven neerziende, zag zij hetzelfde als
hij, terwijl haar gelaat een schoone vertolking was van vriendelijke en
medelijdende spot. En wat Torres zelf zag, was een slaapkamer en een
geboorte op de tweede etage van het huis in Bocas del Toro, dat hij
geërfd had. Het was beklagenswaardig, zooals dit laatste geheim onthuld
werd, evenals de vriendelijke, beklagenswaardige glimlach op het gelaat
der Koningin. En in dat vluchtige magische visioen zag Torres omtrent
hemzelf bevestigd, wat hij altijd gegist en vermoed had.
„Wilt gij nog meer zien?” vroeg de Koningin met lichten spot. „Ik heb u
het begin uws levens getoond. Kijk nu nog eens, en zie uw einde.”
Maar Torres, die te diep geschokt was door hetgeen hij reeds gezien
had, deinsde huiverend achteruit.
„Vergeef mij, Schoone Vrouw,” smeekte hij. „En laat mij gaan. Vergeet,
zooals ik zal hopen om voor altijd te vergeten.”
„Het is weg,” zei ze, met een achtelooze beweging van haar hand over
den bokaal. „Maar vergeten kan ik niet. De herinnering zal altijd in
mijn geest voortleven. Maar gij, o Man, zoo jong van jaren en zoo oud
van helm, heb ik reeds vroeger gezien, daar in mijn Spiegel der Wereld.
Gij hebt mij zooeven misleid door uw woorden. Maar niet door den helm.”
Zij glimlachte in rustige wijsheid. „Ook lijkt het mij, dat ik een
kamer des doods gezien heb, met reeds lang gestorvenen, die recht
overeind stonden op hun beweginglooze beenen en voor eeuwig mysteries
bewaakten, die hun geloof en hun ras vreemd zijn. En in dat droevige
gezelschap geloof ik, dat ik er een gezien heb, die uw ouderwetschen
helm droeg... Zal ik meer zeggen?”
„Neen, neen,” smeekte Torres.
Zij boog en wenkte hem om terug te gaan. Vervolgens richtte haar
vorschende blik zich op Francis, dien zij tot zich wenkte. Zij stond op
op de verhevenheid alsof ze hem wilde begroeten en, alsof het haar
verlegen maakte, dat ze op hem neer moest zien, stapte zij van de
verhevenheid af op den vloer, zoodat ze hem in het gelaat kon zien,
toen ze haar hand uitstak. Aarzelend nam hij haar hand in de zijne, en
wist toen niet, wat te doen. Het leek haast, alsof ze zijn gedachten
las, want ze sprak:
„Doe het. Nooit tevoren heeft men mij dit gedaan. Ik heb het nooit zien
doen, behalve in mijn droomen en in de visioenen, die ik in mijn
Spiegel der Wereld gezien heb.”
En Francis boog zich en kuste haar hand. En, omdat zij geen aanstalten
maakte om haar terug te trekken, bleef hij haar hand vasthouden,
terwijl hij tegen zijn handpalm den onduidelijken, maar geregelden
polsslag in haar rose vingertoppen voelde. En zoo bleven ze staan, geen
van beiden sprekend, Francis verlegen, de Koningin zwak zuchtend,
terwijl de woede, der vrouwelijke sekse eigen, Leoncia’s hart
verscheurde, en Henry vroolijk in het Engelsch uitriep:
„Doe het nog eens, Francis! Het bevalt haar!”
De Zonnepriester siste hem toe om zich stil te houden. Maar de
Koningin, met haar hand half terug als in maagdelijken schroom, legde
deze weer even vast als tevoren in Francis’ hand, en sprak Henry aan.
„Ik versta ook de taal, die gij spreekt,” waarschuwde zij. „Toch schaam
ik mij niet, ik, die nooit een man gekend heb, erken, dat het mij
bevalt. Het is de eerste kus, dien ik ooit ontvangen heb. Francis—want
zoo noemt je vriend je—gehoorzaam je vriend. Het bevalt mij. Het bevalt
mij. Kus mijn hand nog eens.”
Francis gehoorzaamde en bleef wachten terwijl haar hand nog altijd in
de zijne rustte en zij, alsof ze al het andere om zich heen vergat, en
geheel in beslag genomen werd door een aangename gedachte, hem kwijnend
aankeek. Zij herstelde zich met een zichtbare poging, liet plotseling
zijn hand los, beduidde hem om terug te gaan naar de anderen en wendde
zich tot den Zonnepriester.
„Wel, priester,” zei ze, terwijl de scherpe toon in haar stem
terugkeerde, „gij hebt deze gevangenen hier gebracht om een reden, die
ik reeds ken. Toch wil ik dit door uw eigen mond hooren bevestigen.”
„O Dame Die Droomt, zullen wij deze indringers niet dooden, zooals
steeds onze gewoonte is geweest? Het volk weet niet, wat het doen moet
en twijfelt aan mijn oordeel, en vraagt om uw beslissing.”
„En gij zoudt hen willen dooden?”
„Dat is mijn oordeel. Nu vraag ik het uwe, opdat uw en mijn oordeel een
en hetzelfde mogen zijn.”
Zij wierp een blik op de gezichten der vier gevangenen. Voor Torres
verried de peinzende uitdrukking op haar gezicht enkel medelijden. Voor
Leoncia had zij een fronsen der wenkbrauwen; voor Henry, een
twijfelachtigen blik. En Francis keek zij een minuut lang aan, terwijl
haar gezicht verteederde, tenminste zoo scheen het voor Leoncia’s booze
blikken.
„Is iemand uwer ongehuwd?” vroeg de Koningin plotseling. „Neen,”
voorkwam zij hen. „Ik weet, dat gij allen ongehuwd zijt.” Zij keerde
zich snel tot Leoncia. „Is het geoorloofd,” vroeg ze, „dat een vrouw
twee mannen heeft?”
Zoowel Henry als Francis konden niet nalaten te glimlachen over zoo’n
dwaze, ontoepasselijke vraag. Maar voor Leoncia was deze vraag niet
dwaas of ontoepasselijk en de toornige blos steeg weer op naar haar
wangen. Ze wist, dat ze hier te doen had met een vrouw, waarmee
rekening gehouden moest worden en die haar als een vrouw behandelde.
„Het is niet geoorloofd,” antwoordde Leoncia met heldere, duidelijke
stem.
„Het is heel vreemd,” dacht de Koningin hardop. „Het is heel vreemd.
Toch is het niet eerlijk. Daar er evenveel mannen als vrouwen in de
wereld zijn, kan het niet eerlijk zijn, dat een vrouw twee mannen
heeft, want, wanneer dit het geval is, beteekent dit, dat een andere
vrouw geen man heeft.”
Weer gooide zij een klein beetje poeder in den grooten, gouden bokaal.
Het lichte rookwolkje steeg op en verdween evenals de vorige keer.
„De Spiegel der Wereld zal mij zeggen, priester, wat er met onze
gevangenen moet gebeuren.”
Juist terwijl zij zich voorover wilde buigen om in den bokaal te
kijken, rees er een nieuwe gedachte in haar op. Met een omhelzende
beweging van haar arm, noodigde zij hen allen uit om bij de bokaal te
komen.
„Wij mogen het allen zien,” sprak ze. „Ik beloof u niet, dat wij allen
dezelfde visioenen onzer droomen zullen zien. Evenmin zal ik weten, wat
gij ziet. Ieder zal voor zich zien en weten.—Gij ook, priester.” Zij
zagen dat de bokaal, die zes voet in doorsnee was, half gevuld was met
een onbekende metalen vloeistof.
„Het zou kwikzilver kunnen zijn, maar het is het niet,” fluisterde
Henry Francis toe. „Ik heb nog nooit een dergelijk metaal gezien. Het
lijkt mij gloeiendheet gesmolten.”
„Het is zeer koud,” verbeterde de Koningin hem in het Engelsch. „En
toch is het vuur.—Gij, Francis, voel eens aan den buitenkant van den
bokaal.”
Hij gehoorzaamde en legde zijn geheele handpalm zonder aarzelen tegen
den gelen buitenkant.
„Kouder dan de atmosfeer in de kamer,” was zijn uitspraak.
„Maar kijk nu eens!” riep de Koningin, nog meer poeder in den inhoud
werpend. „Het is vuur, dat koud blijft.”
„Het poeder rookt door de hitte van zijn eigen bestanddeelen,” riep
Torres uit, tegelijkertijd in den zak van zijn jas voelend. Hij haalde
er enkele stukjes tabak uit, splintertjes van lucifers en vezels van de
stof. „Dit zal niet branden,” beweerde hij, een invitatie uitlokkend,
door het beetje vuil boven den bokaal te houden, alsof hij het er in
wilde laten vallen.
De Koningin knikte toestemmend en allen zagen het vuil op de vloeibare
metalen oppervlakte vallen. De stofdeeltjes maakten geen indruk op die
oppervlakte. Ze veranderden alleen in rook, die luchtig omhoog steeg en
verdwenen was. Er bleef geen spoor van asch over.
„En toch is het koud,” sprak Torres, het voorbeeld van Francis volgend
en aan de buitenzijde van den bokaal voelend.
„Steek je vinger in den inhoud,” stelde de Koningin aan Torres voor.
„Neen,” zei hij.
„Gij hebt gelijk,” stemde ze toe. „Hadt gij het gedaan, dan zoudt gij
nu een vinger minder hebben, dan het getal, waarmee gij geboren zijt.”
Zij wierp er weer poeder in. „Nu zal ieder zien, wat hij alleen zien
zal.”
En het was zoo.
Leoncia zag een zee, die haar en Francis scheidde. Henry zag hoe de
Koningin en Francis trouwden onder zulke vreemde ceremoniën, dat hij
eerst heel op het eind begreep, dat het een huwelijksplechtigheid was,
die voltrokken werd. De Koningin keek van een hooge galerij in een
groot huis, neer in een schitterende ontvangkamer, die Francis herkend
zou hebben als die, welke door zijn vader ingericht was, wanneer haar
visioen het zijne geweest was. En naast haar, zijn arm om haar heen
geslagen, zag zij Francis. Francis zag slechts één ding, zeer
onrustbarend: het gelaat van Leoncia, onbeweeglijk als van een doode,
waarin, juist tusschen de oogen, een lange ponjaard gestoken was. Toch
zag hij geen bloed vloeien uit de, door den ponjaard veroorzaakte,
wonde. Torres zag het begin van wat hij wist, dat zijn einde moest
zijn, bekruiste zich en was de eenige die terugdeinsde en weigerde om
meer te zien. Terwijl de Zonnepriester het visioen zag van zijn
heimelijke zonde, het gelaat en de gedaante der vrouw, voor wie hij de
Aanbidding der Zon verloochend had, en het gelaat en de gedaante van
het meisje in het dorp bij het Lange Huis. En allen trokken zich, als
één man, terug, toen de visioenen verbleekten, terwijl Leoncia zich met
vlammende oogen, als een tijgerin, tot de Koningin keerde en uitriep:
„Uw spiegel liegt! Uw Spiegel der Wereld liegt!”
Francis en Henry, die nog diep onder den indruk waren van hetgeen zij
zelf gezien hadden, schrikten op en verwonderden zich over Leoncia’s
uitbarsting. Maar de Koningin antwoordde op zachten toon:
„Mijn Spiegel der Wereld heeft nog nooit gelogen. Ik weet niet, wat gij
gezien hebt. Maar wel weet ik, dat, wat het ook geweest is, het waar
is.”
„Gij zijt een monster!” riep Leoncia weer. „Gij zijt een leelijke
tooverheks, die liegt!”
„Gij en ik zijn vrouwen,” verweet de Koningin zacht en vriendelijk, „en
kunnen niet over elkander oordeelen, daar wij vrouwen zijn. Mannen
zullen beslissen, of ik al dan niet een tooverheks ben, die liegt of
een vrouw met een liefhebbend vrouwelijk hart. Maar laat ons, daar wij
vrouwen en dus zwak zijn, ondertusschen vriendelijk jegens elkander
zijn.”
„... En nu, Priester der Zon, het oordeel. Gij, als priester van den
Zonnegod, weet meer van de oude voorschriften en gebruiken dan ik. Gij
weet ook meer over mij en hoe ik hier kwam, dan ik zelf. Gij weet dat
altijd, van moeder op dochter, en van moeder op dochter, de stam een
Geheimzinnige Koningin, een Dame Die Droomt, gehad heeft. De tijd is
gekomen, dat we moeten denken aan toekomstige geslachten. De
vreemdelingen zijn gekomen en zij zijn ongehuwd. Dit moet de
vastgestelde trouwdag zijn, wanneer de latere generaties van den stam
een Koningin willen bezitten, die voor hen droomt. Het zij zoo, en
tijd, benoodigdheden en plaats worden vastgesteld. Ik heb het oordeel
gedroomd. En het oordeel is, dat ik zal trouwen met diengenen onder
deze vreemdelingen, die van voor de grondleggingen der wereld voor mij
bestemd was. Dit is de proef: Als geen dezer wil trouwen, dan zullen
zij sterven en hun warm bloed zal door u geofferd worden voor het
altaar der Zon. Als er een is, die mij trouwen wil, dan zullen zij
allen leven, en de Tijd zal beslissen over onze toekomst.”
De Zonnepriester, die beefde van woede, trachtte te protesteeren, maar
zij beval:
„Zwijg, priester! Alleen door mij regeert gij het volk. Eén woord van
mij tot het volk—welnu, gij begrijpt. Het is geen gemakkelijke wijze
van sterven.”
Zij wendde zich tot de drie mannen, zeggend:
„En wie uwer wil mij trouwen?”
Zij keken elkander verlegen en ontzet aan, maar niemand sprak.
„Ik ben een vrouw,” ging de Koningin plagend voort. „En ben ik daarom
niet begeerenswaardig voor de mannen? Ben ik niet jong? Of ben ik
misschien niet mooi? Zijn de smaken der mannen zoo vreemd, dat geen
enkele man mij in zijn armen wil nemen en zijn lippen op de mijne
drukken, zooals Francis hier op mijn hand gedaan heeft?”
Zij vestigde haar oogen op Leoncia.
„Gij zult oordeelen. Gij zijt een vrouw, die zeer bemind wordt door de
mannen. Ben ik niet een vrouw als gij en zou ik niet bemind worden?”
„Gij zult altijd vriendelijker tegen mannen zijn dan tegen vrouwen,”
antwoordde Leoncia—onbegrijpelijk voor de drie mannen, die deze woorden
hoorden, maar volkomen duidelijk voor het vrouwelijk verstand der
Koningin. „En als vrouw,” vervolgde Leoncia, „zijt ge buitengewoon
schoon en verlokkelijk; en er zijn mannen in deze wereld, vele mannen,
die gek zouden worden van verlangen om u in de armen te sluiten. Maar
ik waarschuw u, Koningin, dat er in deze wereld mannen zijn en mannen.”
Toen zij dit gehoord en overlegd had, wendde de Koningin zich
plotseling tot den priester:
„Gij hebt het gehoord, priester. Vandaag zal een der mannen mij
trouwen. Als geen der mannen mij trouwt, zullen ze alle drie geofferd
worden op uw altaar. Eveneens zal dan deze vrouw geofferd worden, die,
naar het schijnt, mij wil onteeren, door mij minderwaardiger te vinden
dan zich zelf.”
Nog richtte zij het woord tot den priester, ofschoon hetgeen zij sprak
voor de anderen bestemd was.
„Er zijn hier drie mannen, waarvan er een, lange jaren vóór hij geboren
werd, bestemd was om met mij te trouwen. Dus, priester, ik beveel, dat
de gevangenen weggeleid worden naar een ander vertrek, en laat hen
onder elkander uitmaken, wie die man is.”
„Wanneer het reeds zoo lang van te voren uitgemaakt is,” vervolgde
Leoncia woedend, „waarom dan de beslissing aan hen overgelaten? Gij
kent den man? Waarom het dan er op gewaagd? Noem de man, Koningin, en
noem hem nu.”
„De man zal gekozen worden op de wijze, als ik bepaald heb,” antwoordde
de Koningin, terwijl zij tegelijkertijd afgetrokken een beetje poeder
in den grooten bokaal wierp en afgetrokken erin keek. „Ga dus nu heen,
en laat de onvermijdelijke keuze plaats hebben.”
Zij gingen reeds de kamer uit, toen een uitroep van de Koningin hen
tegenhield.
„Wacht!” beval ze. „Kom hier, Francis. Ik heb iets gezien, wat u
aangaat. Kom, en kijk met mij in den Spiegel der Wereld.”
En terwijl de anderen stilstonden, keek Francis met haar neer op de
vreemde oppervlakte van vloeibaar metaal. Hij zag zich zelf in de
bibliotheek van zijn huis in New-York en hij zag naast zich de Dame Die
Droomt, terwijl zijn arm om haar heen geslagen was. Vervolgens zag hij
hoe nieuwsgierig zij den koersaanwijzer bekeek. Toen hij haar dit uit
wilde leggen, keek hij op de smalle strook en las daarop zoo’n
ontstellend bericht, dat hij naar de dichtstbijzijnde telefoon sprong
en zag hoe hij, terwijl het visioen verbleekte, zijn makelaar opbelde.
„Wat zag je?” vroeg Leoncia, toen ze de kamer uitgingen.
En Francis loog. Hij zei er niets van, dat hij de Dame Die Droomt in
zijn bibliotheek te New-York gezien had. In plaats daarvan, antwoordde
hij:
„Ik zag een koersaanwijzer en een effectenbeurs in Wall Street, die in
een paniek overging. Hoe kan ze nu weten, dat ik iets uit te staan heb
met Wall Street en koersaanwijzers?”