De dag brak aan in het dal der Verloren Zielen en het Lange Huis in het
dorp der Verloren Zielen. Volle tachtig voet lengte mat het Lange Huis,
terwijl het half zoo breed was, opgebouwd van rotsblokken, dertig voet
hoog tot aan den gevel van het stroodak. Uit het huis stapte langzaam
de Priester der Zon naar buiten—een oude man, die beefde op zijn
beenen, met sandalen aan de voeten, gekleed in een lang kleed van grof
homespun, in wiens verweerd Indiaansch gelaat duidelijke kenteekenen te
vinden waren, dat hij ook afstamde van de oude conquistadores. Op zijn
hoofd stond een zonderlinge gouden kap, omgeven door een halven cirkel
gepolijst gouden punten. De beteekenis was zeer duidelijk, namelijk de
opgaande zon en de stralen der opgaande zon. Hij wankelde over een open
plek naar de plaats, waar een groot, hol houtblok bengelde tusschen
twee palen, die besneden waren met totemische en heraldische figuren.
Hij keek naar den Oostelijken horizon, die zich reeds rood kleurde in
de ochtendschemering, om zich te overtuigen, dat hij op tijd was, hief
een stok op, welks vezelig einde tot een bal was samengevlochten en
sloeg tegen het holle houtblok. Hoe zwak hij ook was en hoe licht de
slag, het holle houtblok dreunde en schalde als verwijderde donder.
Bijna onmiddellijk kwamen uit de, met graszoden gedekte woningen, die
het vierkant rondom het Lange Huis vormden, de Verloren Zielen naar
buiten, terwijl hij langzaam de slagen voortzette. Mannen en vrouwen,
ouden en jongen, kinderen en babies, die op den arm gedragen werden,
allen kwamen naar buiten en liepen naar den Zonnepriester. Geen meer
verouderd schouwspel kon ooit in de twintigste eeuwsche wereld worden
waargenomen. Ongetwijfeld waren het Indianen en toch waren in menig
gelaat de sporen van het Spaansche ras terug te vinden. Enkele
gezichten waren, zoo op het oog, zuiver Spaansch. Weer andere, zuiver
Indiaansch. Maar daarnaast en daartusschen getuigden de meesten van
hen, van een vermenging der beide rassen. Maar nog zonderlinger was hun
kleeding—wat niet zoozeer te merken was aan de vrouwen, die gekleed
waren in lange, bescheiden gewaden van homespun, maar meer aan de
mannen, wier homespun een zonderlingen snit had, overeenkomstig het
Spaansche kleed, dat in Spanje gedragen werd tijdens de eerste reis van
Columbus. Alledaagsch en droef zagen de mannen en vrouwen er uit—als
een ras, dat al te zeer gedegenereerd is om nog vreugde in het leven te
scheppen. Dit was ook het geval met de jongelingen en jonge meisjes,
met de kinderen en zelfs met de zuigelingen, die nog aan de borst
waren—het geval met iedereen, twee uitgezonderd; de eene, een jong
meisje van tien jaar, wier gezicht getuigde van kracht, geest en
verstand. Onder de pafferige gezichten der pafferige, domme Verloren
Zielen was haar gelaat als een schitterende bloem. Alleen het gelaat
van den ouden Zonnepriester geleek op het hare, schrander, krachtig en
intelligent.
Terwijl de priester voortging met op het weerklinkende houtblok te
slaan, vormde de geheele stam een halven cirkel rondom hem, het gelaat
naar het Oosten wendend. Toen de zon even haar bovenste randje
vertoonde, begroette de priester haar en juichte haar toe in een
eigenaardig, verouderd Spaansch, zelf tot driemaal toe een diepe
buiging makend, terwijl de stam zich plat op den grond neerwierp. En
toen de zon heelemaal boven den horizon stond, rees de heele stam, op
aanwijzing van den priester overeind, en hief een vroolijk gezang aan.
Juist toen hij zijn volk liet heengaan, trok een dun rookwolkje, dat
boven het dal in de kalme lucht opsteeg, de aandacht van den priester.
Hij wees er heen en riep een aantal der jonge mannen tot zich.
„Het stijgt op uit de Verboden Plaats der Verschrikking, waar geen lid
van de stam mag komen. Het is een duivel of een vervolger, die door
onze vijanden gestuurd wordt, die al eeuwenlang onze schuilplaats
gezocht hebben. Hij mag niet ontsnappen om rapport uit te brengen, want
onze vijanden zijn machtig en wij zouden vernietigd worden. Ga! Doodt
hem, opdat wij zelf niet gedood worden.”
Rondom het vuur, dat gedurende den nacht met tusschenpoozen van nieuwe
brandstof was voorzien, lagen Leoncia, Francis en Torres te slapen, de
laatste met zijn nieuwe sandalen aan de voeten en den helm van Da Vasco
stevig over zijn hoofd getrokken om zich voor den dauw te beschutten.
Leoncia werd het eerst wakker en het tooneel voor haar was zoo
wonderlijk, dat ze rustig door haar neergeslagen wimpers bleef liggen
kijken. Drie mannen van den zonderlingen stam der Verlorenen, met
gespannen boog, in een houding, die haar duidelijk te kennen gaf, dat
ze gestoord waren in het vermoorden van haar en haar metgezellen, keken
met verwonderd gelaat naar den slapenden Torres. Zij keken elkander
weifelend aan, ontspanden hun bogen en schudden het hoofd om te kennen
te geven, dat ze niet zouden dooden. Zij kropen dichter naar Torres
toe, hurkten neer om beter zijn gezicht te kunnen zien en zijn helm,
die hun het meeste belang scheen in te boezemen.
Van de plaats waar zij lag, kon Leoncia net even met haar voet bij
Francis’ schouder komen. Hij ontwaakte kalm en ging kalm overeind
zitten, hierdoor de aandacht der vreemdelingen tot zich trekkend.
Onmiddellijk gaven zij het algemeen geldende vredesteeken, legden hun
bogen neer en strekten hun vlakke handen uit, om te laten zien, dat ze
ongewapend waren.
„Goedenmorgen, grappige vreemdelingen,” sprak Francis hen in het
Engelsch aan, wat hun het hoofd deed schudden, terwijl Torres er door
ontwaakte.
„Dat moeten Verloren Zielen zijn,” fluisterde Leoncia tegen Francis.
„Of echte staatsagenten,” lachte hij terug. „Het dal is tenminste
bewoond.—Torres, wie zijn je vrienden? Uit de wijze, waarop ze je
aankijken, zou men opmaken, dat het bloedverwanten van je zijn.”
Absoluut geen notitie van hen nemend, gingen de drie Verloren Zielen op
een afstand staan en overlegden op zachten, sissenden toon.
„Dat klinkt als een eigenaardig soort Spaansch,” merkte Francis op.
„Het is, op zijn minst genomen, heel ouderwetsch,” bevestigde Leoncia.
„Het is een verbastering van het Spaansch uit den tijd der
conquistadores,” voegde Torres er aan toe. „Zie je, dat ik gelijk had.
De Verloren Zielen komen hier nooit weg.”
„Maar ze moeten in ieder geval ten huwelijk geven en gegeven worden,”
beweerde Francis, „hoe moet men anders het bestaan van deze drie jonge
broekjes verklaren?”
Maar nu verzochten de jonge broekjes, die het eens geworden waren, hen
met bemoedigende gebaren, om hen door het dal heen te volgen.
„Het zijn tenminste goedaardige, vriendelijke kerels, ondanks hun
zorgelijk uiterlijk,” zei Francis, toen zij aanstalten maakten om hen
te volgen. „Maar heb je ooit van je leven een verzameling gezien met
zoo’n droevig gelaat? Ze zijn beslist met donkere maan geboren, of al
hun geliefde gezellen zijn gestorven of iets dergelijks.”
„Het is juist het soort gezicht, dat men van Verloren Zielen zou
verwachten,” antwoordde Leoncia.
„En als we hier nooit weer uitkomen, veronderstel ik, dat we nog heel
wat droeviger zullen moeten kijken dan zij,” antwoordde hij. „Maar hoe
het zij, ik hoop, dat ze ons bij een ontbijt brengen. Deze bessen zijn
beter dan niets, maar dat beteekent nog niet veel.”
Nadat zij een uur of nog langer, gedwee hun geleiders gevolgd waren,
kwamen zij bij de open vlakte, de woningen en het Lange Huis van den
stam.
„Dit zijn afstammelingen van het gezelschap van Da Vasco en de
Caraïbiërs,” bevestigde Torres, toen hij zijn blik liet gaan over de
gezichten der saamgestroomde bewoners. „Dat is duidelijk aan hen te
zien.”
„En ze zijn van den Christelijken godsdienst van Da Vasco vervallen tot
de heidensche,” voegde Francis er bij. „Kijk maar eens naar dat
altaar—daar. Het is een steenen altaar en, naar den reuk te oordeelen,
is het geen ontbijt, dat daar staat te koken, maar een offerande,
ondanks het feit, dat het naar schapenvleesch ruikt.”
„Goddank, dat het slechts een lam is,” was Leoncia’s verzuchting. „De
oude Aanbidders der Zon brachten menschelijke offers. En dit is
Zonnedienst. Kijk maar eens naar die ouden man daar in dat lange kleed,
met den gouden stralenkap. Hij is een Zonnepriester. Oom Alfaro heeft
mij alles verteld omtrent de Aanbidders der Zon.”
Achter en boven het altaar, was een groot metalen beeld van de zon.
„Goud, allemaal goud,” fluisterde Francis, „en onvervalscht. Kijk eens
naar die stralen en hun dikte, en toch is het metaal zoo zuiver, dat ik
durf wedden, dat een kind ze naar alle kanten zou kunnen ombuigen en er
zelfs knoopen in leggen.”
„Hemelsche goedheid!—kijk daar eens!” hijgde Leoncia, met haar oogen
naar een grove steenen buste wijzend, die aan eene zijde van het altaar
stond en iets lager was. „Dat is het gelaat van Torres. Het is het
gelaat van de mummie in de Maya-grot.”
„En hier staat een opschrift...” Francis stapte naar voren om te
kijken, maar werd door de priester gebiedend teruggewezen. „Er staat op
„Da Vasco”. Zie je wel, dat hij hetzelfde soort helm op heeft als
Torres draagt.—En, zeg! Kijk eens naar den priester! Als hij geen volle
broer van Torres kan zijn, dan heb ik nog nooit in mijn leven zoo’n
gelijkenis gezien!”
De priester maande, met toornig gelaat en gebiedende gebaar Francis aan
om stil zijn en boog zich voor de kokende offerande. Als het ware als
antwoord, doofde de wind het vuur onder de offerande uit.
„De Zonnegod is boos,” verkondigde de priester met groote plechtigheid,
terwijl zijn eigenaardig Spaansch toch begrijpelijk was voor de
nieuwaangekomenen. „Er zijn vreemdelingen in ons midden gekomen en niet
verslagen. Daarom is de Zonnegod boos. Spreek, jongelingen, die de
vreemdelingen levend voor ons altaar gebracht hebt. Was het niet mijn
wensch, die eeuwig en altijd de wensch van den Zonnegod is, dat gij hen
zoudt dooden?”
Een der drie jongemannen stapte sidderend naar voren en wees met
sidderende wijsvingers op het gelaat van Torres en dat der steenen
buste.
„Wij herkenden hem,” stamelde hij, „en wij konden hem niet dooden,
omdat wij ons de profetie herinnerden, dat onze groote voorvader op
zekeren dag zou terugkeeren. Is deze vreemdeling het? Wij weten het
niet. Wij kunnen het niet weten of oordeelen. Gij, o Priester, hebt de
kennis en u zij het oordeel. Is hij het?”
De priester keek Torres oplettend aan en slaakte een onsamenhangenden
uitroep. Zich plotseling omkeerend stak hij het heilige offervuur weer
aan uit een pot met vuur, die aan den voet van het altaar stond. Maar
het vuur vlamde op, verdoofde en ging uit.
„De Zonnegod is boos,” herhaalde de priester; waarop de Verloren Zielen
op hun borsten sloegen en kermden, en jammerden. „Het offer wordt niet
aangenomen, want het vuur wil niet branden. Er gaan vreemde dingen
gebeuren. Dit is een kwestie der diepere mysteries, die ik alleen mag
weten. We zullen de vreemdelingen niet offeren—nog niet. Ik moet tijd
hebben, om mij op de hoogte te stellen van den wil van den Zonnegod.”
Met zijn hand wuivend, beduidde hij de leden van den stam om heen te
gaan, de plechtigheid half-volbracht opheffend en beval, dat de drie
gevangenen naar het Lange Huis gebracht zouden worden.
„Ik kan het spel niet volgen,” fluisterde Francis Leoncia in het oor,
„maar hoe het zij, ik hoop, dat we hier wat te eten krijgen.”
„Kijk eens wat een lief, klein meisje,” zei Leoncia, met haar oogen het
kind met het levendige, verstandige gelaat aanwijzend.
„Torres heeft haar ook al opgemerkt,” fluisterde Francis terug. „Ik
zag, hoe hij haar wenkte. Hij is ook niet op de hoogte van het spel en
weet niet naar welken kant de bom zal springen, maar hij laat geen
enkele gelegenheid voorbijgaan om vriendschap te sluiten. We zullen hem
in het oog moeten houden, want hij is een verraderlijke hond en in
staat, om ons ieder oogenblik te verraden, wanneer hij daarmee zijn
eigen huid kan redden.”
In het Lange Huis gekomen en gezeten op ruwgevlochten rietmatten, zagen
zij zich spoedig van voedsel voorzien. Zuiver drinkwater en een dikke
brij van vleesch en groenten werden in overvloedige hoeveelheid
opgediend in eigenaardige, ongeglazuurde steenen schalen. Ook kregen ze
warme koeken van Indiaansch koren, die wel wat geleken op tortillas.
Nadat de vrouwen, die hen bediend hadden, vertrokken waren, bleef het
kleine meisje, dat haar hierheen bracht en toezicht hield, achter.
Torres hernieuwde zijn vriendschapsbetuigingen, maar zij deed alsof ze
hem niet zag en wijdde haar aandacht aan Leoncia, die haar scheen aan
te trekken.
„Ik houd het ervoor, dat zij een soort gastvrouw is,” verklaarde
Francis. „Zie je—zooiets als de dorpsmeisjes in Samoa, die alle
reizigers en bezoekers, onverschillig van hoe hooge afkomst, gezelschap
houden en die toezicht houden op nagenoeg alle werkzaamheden en
plechtigheden. Zij worden door de opperhoofden gekozen om hun
schoonheid, hun deugd en hun verstand. En dit meisje doet me erg aan
haar denken, alleen is ze nog vreeselijk jong.”
Steeds dichter naderde zij Leoncia en, hoewel ze blijkbaar zich zeer
aangetrokken voelde door de schoone, vreemde vrouw, was er in haar
gedrag toch geen spoor te ontdekken van slaafsheid of een gevoel van
minderwaardigheid.
„Zeg mij,” sprak zij, in het eigenaardige, verouderde Spaansch, dat in
het dal gesproken werd, „is deze man werkelijk Kapitein Da Vasco, die
teruggekeerd is uit zijn huis in de zon, boven in den hemel?”
Torres lachte valsch en boog, en verklaarde trotsch: „Ik ben een Da
Vasco.”
„Niet een Da Vasco, maar Da Vasco zelf,” berispte Leoncia hem in het
Engelsch.
„Het is een goede kans—maak er gebruik van!” beval Francis, eveneens in
het Engelsch. „Het kan ons allen uit de verlegenheid helpen. Ik heb het
niet bijzonder begrepen op dien priester, en hij schijnt de
hooge-kokalorum over deze Verloren Zielen te zijn.”
„Ik ben eindelijk van de zon teruggekeerd,” zei Torres, van de
gelegenheid gebruik makend, tegen het kleine meisje.
Zij schonk hem een langen, vasten blik, waarin hij zien kon, hoe zij
nadacht, oordeelde en waardeerde. Toen boog zij, met een effen gezicht,
eerbiedig voor hem en, Francis nauwelijks een blik waardig keurend,
wendde zij zich tot Leoncia en begunstigde haar met een vriendelijk
lachje, dat haar gelaat verhelderde.
„Ik wist niet, dat God de vrouwen zoo schoon maakt, als gij zijt,”
sprak het kleine meisje zacht, eer zij zich omkeerde om weg te gaan.
Bij de deur stond zij stil om er bij te voegen: „De Dame Die Droomt is
schoon, maar ze is toch heel anders dan gij.”
Maar nauwelijks was ze heengegaan, of de Zonnepriester, gevolgd door
een aantal jongelieden, trad binnen, oogenschijnlijk om de schotels en
het ongebruikte voedsel weg te nemen. Juist terwijl sommige van hen
zich vooroverbogen om de schotels op te nemen, sprongen zij op een
teeken van den priester overeind, wierpen zich op de drie gasten,
bonden hun handen en armen stevig op hun rug vast en leidden hen naar
buiten naar het altaar van den Zonnegod voor den geheelen verzamelden
stam. Hier, waar ze een smeltkroes op een driepoot boven een fel vuur
zagen staan, werden zij vastgebonden aan, pas in den grond geslagen,
palen, terwijl talrijke dienstvaardige handen brandstoffen opstapelden
tot aan hun knieën.
„Houd je nu taai—wees even trotsch als een echte Spanjaard,” beval en
hoonde Francis Torres tegelijkertijd. „Je bent Da Vasco zelf. Honderden
jaren geleden, was je hier op aarde, in ditzelfde dal, met de
voorouders van deze mestiezen.”
„Gij moet sterven,” sprak de Zonnepriester hen aan, terwijl de Verloren
Zielen als één man het hoofd bogen. „Vierhonderd jaren lang, sedert wij
hier verblijf houden in dit dal, hebben we alle vreemdelingen gedood.
Gij werdt niet gedood en zie nu den oogenblikkelijken toorn van den
Zonnegod: ons altaarvuur doofde uit.” De Verloren Zielen kermden en
jammerden en sloegen op hun borsten. „Daarom, om den Zonnegod te
verzoenen, zult gij nu sterven.”
„Wees voorzichtig!” riep Torres, fluisterend nu eens door Francis, dan
door Leoncia, aangespoord. „Ik ben Da Vasco. Ik ben juist van de zon
teruggekomen.” Hij knikte met zijn hoofd, omdat zijn handen gebonden
waren, naar de steenen buste. „Ik ben die Da Vasco. Vierhonderd jaar
geleden leidde ik uw voorouders hierheen, en ik liet u hier, met het
bevel om hier te blijven tot ik zou terugkomen.”
De Zonnepriester aarzelde.
„Welnu, priester, spreek en antwoord den goddelijken Da Vasco,” sprak
Francis barsch.
„Hoe kan ik weten, of hij goddelijk is?” vroeg de priester snel. „Lijk
ik zelf ook niet veel op hem? Ben ik daarom goddelijk? Ben ik Da Vasco?
Is hij Da Vasco? Of kan Da Vasco niet nog in de zon zijn?—Want ik weet
zeker, dat ik een mensch ben, uit een vrouw geboren, achtenzeventig
jaren geleden en dat ik Da Vasco niet ben.”
„Gij hebt niet tegen Da Vasco gesproken!” dreigde Francis, terwijl hij
zeer eerbiedig voor Torres boog en hem in het Engelsch toesiste: „Wees
trotsch, vervloekte kerel, wees trotsch.”
De priester weifelde een oogenblik en sprak toen Torres aan.
„Ik ben de getrouwe Priester der Zon. Niet gemakkelijk zal ik mijn
geloof verzaken. Als gij de goddelijke Da Vasco zijt, beantwoord mij
dan één vraag.”
Torres knikte met schitterend gespeelde trotschheid.
„Houdt gij van goud?”
„Van goud houden!” spotte Torres. „Ik ben in de zon een groot heerscher
en de zon is van goud gemaakt. Goud? Het is voor mij hetzelfde als het
stof onder mijn voeten en de rots, waaruit uw trotsche bergen zijn
opgebouwd.”
„Bravo!” fluisterde Leoncia goedkeurend.
„Dan, o goddelijke Da Vasco,” sprak de priester nederig, ofschoon hij
den triomfantelijken klank in zijn stem niet geheel kon verbergen,
„zijt gij geschikt voor de oude en gebruikelijke proef. Wanneer gij den
gouddronk gedronken hebt, en nog kunt zeggen, dat gij Da Vasco zijt,
dan zal ik, en wij allen, ons voor u neerbuigen en u aanbidden. Altijd
kwamen zij, dorstend naar goud. Maar wanneer wij hun dorst bevredigd
hadden, was hun dorst onvermijdelijk voor immer gestild, want zij waren
dood.”
Terwijl hij sprak en de Verloren Zielen gretig toekeken en terwijl de
drie vreemde met niet minder groote vrees toekeken, stak de priester
zijn hand in den geopenden mond van een grooten, lederen zak en begon
handenvol goudklompjes in den heeten smeltkroes op den driepoot te
werpen. Ze stonden er zoo dicht bij, dat ze konden zien hoe het goud
vloeibaar werd en opsteeg in den smeltkroes als een drank, die het ook
moest worden.
Het kleine meisje, gebruik makend van haar buitengewone positie in den
Stam der Verloren Zielen, naderde den Zonnepriester en sprak, zoodat
allen het konden hooren:
„Dat is Da Vasco, Kapitein Da Vasco, de goddelijke Kapitein Da Vasco,
die onze voorouders lang, lang geleden hierheen leidde.”
De priester trachtte haar, door het fronsen van zijn wenkbrauwen, tot
zwijgen te brengen. Maar het meisje herhaalde haar bewering,
nadrukkelijk van de buste naar Torres wijzend en omgekeerd; en de
priester voelde, hoe hij zijn houvast verloor, terwijl hij heimelijk de
zondige liefde vervloekte der moeder van het kleine meisje, waardoor
zij zijn dochter geworden was.
„Maak, dat je wegkomt!” gebood hij streng. „Dit zijn dingen, waarvan
jij niets begrijpt. Als hij Kapitein Da Vasco is en goddelijk, zal hij
het goud drinken en ongedeerd blijven.”
In een grove aarden kruik, die verhit was in den pot met vuur aan den
voet van het altaar, goot hij het gesmolten goud uit. Op een teeken
legden eenige der jongemannen hun speren terzijde en naderden Leoncia,
blijkbaar met de bedoeling om haar mond open te breken.
„Houd op, priester!” riep Francis met stentorstem. „Zij is niet
goddelijk, zooals Da Vasco. Beproef den gouden dronk op Da Vasco.”
Waarop Da Vasco Francis een kwaadaardigen, boozen blik toewierp.
„Blijf je verheven trots bewaren,” was Francis’ instructie aan hem.
„Weiger den dronk. Laat hen de binnenzijde van je helm zien.”
„Ik wil niet drinken!” riep Torres, half in een panischen schrik, toen
de priester zich tot hem wendde.
„Gij zult drinken. Als gij Da Vasco zijt, de goddelijke gebieder der
zon, dan zullen wij het weten en neerknielen en u aanbidden.”
Torres deed een beroep op Francis, wat niet ontsnapte aan de smalle
oogjes van den priester.
„Trek een gezicht, alsof je zult moeten drinken,” sprak Francis
droogjes. „Hoe het zij, doe het terwille der dame en sterf als een
held.”
Met een plotselingen, woedenden ruk aan de koorden, waarmee hij
gebonden was, trok Torres zijn eene hand los, greep zijn helm af en
hield dien zoo, dat de priester de binnenzijde kon zien.
„Kijk, wat hierin gegrift staat,” beval Torres.
De verbazing van den priester bij het zien van het opschrift DA VASCO,
was zoo groot, dat de kruik uit zijn hand viel. Het wegvloeiende,
gesmolten goud, stak de droge bestanddeelen op den grond in brand,
terwijl een der speerdragers, die een spatje op zijn voet kreeg, woest
gillend van pijn wegdanste. Maar de Zonnepriester herstelde zich
spoedig. Den pot met vuur grijpend, wilde hij juist de takkebossen in
brand steken, die om zijn drie slachtoffers opgestapeld lagen, toen het
kleine meisje tusschenbeide kwam.
„De Zonnegod wilde niet, dat de groote kapitein den drank zou drinken,”
sprak zij. „De Zonnegod sloeg u de kruik uit de hand.”
En toen al de Verloren Zielen begonnen te mompelen, dat de zaak toch
meer beteekende, dan hun priester er uit maakte, was deze laatste
gedwongen om zijn hand terug te trekken. Maar toch was hij besloten,
dat de drie indringers zouden sterven. Dus sprak hij, listig, tegen
zijn volk:
„Wij zullen op een teeken wachten.—Breng olie. Wij zullen den Zonnegod
tijd laten om ons een teeken te geven.—Breng een kaars. De kruik olie
over de takkebossen gietend om ze nog brandbaarder te maken, zette hij
het aangestoken stuk kaars midden tusschen de gedrenkte vloeistof en
sprak:
„De duur van de kaars zal ook de duur van den tijd zijn voor het
teeken. Zal het zoo zijn, o mijn volk?”
En al de Verloren Zielen mompelden: „Het zij zoo.”
Torres keek hulp zoekend naar Francis, die antwoordde:
„De oude bruut verminderde zeker de lengte der kaars een beetje. Ze kan
op zijn best vijf minuten branden en misschien gaan we over drie
minuten al in vlammen op.”
„Wat kunnen we doen?” vroeg Torres als razend, terwijl Leoncia een
dapper gezicht zette en Francis met een droef en moedig liefdevol
lachje in de oogen keek.
„Bidden om regen,” antwoordde Francis. „En de lucht is zoo helder als
kristal. En als dat niet helpt, sterf kalm. Schreeuw niet al te hard.”
En zijn oogen keerden terug naar die van Leoncia en verrieden, wat hij
haar nooit tevoren had durven verraden—zijn gansche hart en liefde.
Hoewel gescheiden door de palen, waaraan zij ieder afzonderlijk waren
vastgebonden, waren zij toch nooit zoo dicht bij elkander geweest en de
band, die hen tot elkander trok en vereenigde, waren hun oogen.
Het kleine meisje, dat naar den hemel keek of het teeken ook kwam, was
de eerste, die het zag. Torres, die enkel oogen had voor het stukje
kaars, dat bijna opgebrand was, hoorde den uitroep van het meisje en
keek op. En tegelijkertijd hoorde hij, en hoorden allen, het ronkend
geluid, alsof er een monsterachtig insect door de lucht vloog.
„Een vliegmachine,” mompelde Francis. „Torres, zeg dat dit het teeken
is.”
Maar het was niet noodig om dit te zeggen. Boven hen, op een hoogte van
niet meer dan honderd voet, daalde en cirkelde de machine, de eerste
aëroplane, die de Verloren Zielen zagen, terwijl, als een zegenbede uit
den hemel, de bekende woorden neerdaalden:
„—Rug aan rug, door den grootmast gescheiden—
De gansche bemanning wijken doet.”
Den cirkel geheel beschrijvend en tot een hoogte van bijna duizend voet
opstijgend, zagen zij hoe vlak boven hun hoofd een voorwerp zich van de
vliegmachine losmaakte, een driehonderd voet als een dieplood naar
beneden viel, zich toen uitspreidde in een groote parachute, waar
onderaan, als een spin aan zijn web, de gedaante van een man hing,
welke laatste, toen hij den grond naderde, weer begon te zingen:
„—Rug aan rug, door den grootmast gescheiden—
De gansche bemanning wijken doet.”
En toen volgde de eene gebeurtenis op de andere met buitengewone
snelheid. Het stukje kaars viel uiteen, de brandende pit in het kleine
meer van gesmolten vet, het meer ontbrandde en de, in olie gedrenkte,
takkebossen er om heen vlogen in brand. En Henry, die midden tusschen
de Verloren Zielen belandde, een groot gedeelte van hen onder zijn
parachute begravend, stond met een paar sprongen naast zijn vrienden en
schopte de brandende takkebossen naar rechts en naar links. Slechts één
seconde hield hij hiermee op. Dit was toen de Zonnepriester
tusschenbeiden kwam. Een rechthoekige slag met zijn arm tegen de kaak
legde dezen bejaarden vertrouweling van God op zijn rug en, terwijl hij
zich langzaam herstelde en overeind krabbelde, sneed Henry de koorden
los, waarmee Leoncia, Francis en Torres gebonden waren. Zijn armen
werden uitgestrekt om Leoncia te omhelzen, toen ze hem terugstiet met
de woorden: „Snel! Er is geen tijd voor uitleggingen. Val op je knieën
voor Torres en doe alsof je zijn slaaf bent—en spreek geen Spaansch,
spreek Engelsch.”
Henry begreep er niets van en, terwijl Leoncia hem met haar oogen
geruststelde, zag hij hoe Francis zich neerwierp aan de voeten van hun
gemeenschappelijken vijand.
„Hola!” mompelde Henry, toen hij het voorbeeld van Francis volgde.
„Daar gaat hij. Maar het is erger dan rattekruid.”
Leoncia volgde en al de Verloren Zielen wierpen zich op den grond voor
Kapitein Da Vasco, die in hun midden hemelsche boodschappers ontving,
regelrecht uit de zon. Alles knielde neer, behalve de priester, die,
diep getroffen, er over stond te denken om het ook te doen, toen de
melodramatische spotduivel in Torres’ ziel hem ingaf om zijn rol te
buiten te gaan.
Zoo trotsch als Francis hem steeds geboden had te zijn, hief hij zijn
rechtervoet op en zette dien op Henry’s nek, bij ongeluk het grootste
gedeelte van zijn oor bedekkend en dit knellend.
En Henry vloog letterlijk omhoog.
„Je zult niet op mijn oor stappen, Torres!” schreeuwde hij, hem ter
gelijkertijd neerslaande, zooals hij den priester neergeslagen had.
„En nu is het boter aan de galg gesmeerd,” merkte Francis droog en niet
zeer geestig op. „Het verhaal van den Zonnegod nadert hier onmiddellijk
zijn einde.”
De Zonnepriester wenkte triomfantelijk zijn speerdragers; hij begreep
de situatie. Maar Henry richtte den loop van zijn automatisch pistool
op het middenrif van den ouden priester; en de priester, die zich de
legenden herinnerde van doodelijke projectielen, gevormd uit die
geheimzinnige zelfstandigheid, die „kruit” genoemd wordt, glimlachte
geruststellend en wenkte zijn speerdragers om terug te gaan.
„Dit gaat mijn gaven van wijsheid en verstand te boven,” sprak hij zijn
stamgenooten toe, terwijl zijn onrustigen blik steeds weer terugkeerde
naar den loop van Henry’s pistool. „Ik zal mijn toevlucht nemen tot een
laatste middel. Laat een boodschapper uitgezonden worden, om de Dame
Die Droomt te wekken. Zeg haar, dat vreemdelingen uit de lucht, en
misschien wel uit de zon, hier in ons dal zijn. En dat alleen de
wijsheid van haar verre droomen ons duidelijk kunnen maken, wat wij
niet begrijpen, en wat zelfs ik niet begrijp.”