Halverwege tusschen den uitspuitenden waterstroom en de rotsblokken
staande, hielden Henry en Ricardo snel krijgsraad. Naast hen, op den
grond gehurkt, kreunde en bad de laatste Maya-priester. Door talrijke
schudpartijen, die dienden om zijn verdoofde oude hersenen wat
helderder te maken, was Henry er in geslaagd een tamelijk vaag verhaal
van het gebeurde in den berg los te krijgen.
„Alleen zijn zoon werd gebeten en viel in het gat,” redeneerde Henry
hoopvol.
„Dat is zoo,” stemde Ricardo toe. „Hij heeft niet gezien, dat de
overigen eenig letsel kregen, een nat pak uitgezonderd.”
„En het kan best zijn, dat ze nu in de een of andere kamer hoog en
droog zitten,” vervolgde Henry. „Wanneer we de rotsblokken kunnen
opruimen, krijgen we het hol misschien open, zoodat het water kan
afvloeien. Als ze nog in leven zijn, kunnen ze het dagen lang
uithouden, want gebrek aan water doodt het snelst, en water hebben ze
beslist meer dan ze noodig hebben. Ze kunnen het geruimen tijd zonder
voedsel uithouden. Maar ik vraag me af, hoe Torres daar binnen bij hen
kwam.”
„Ik vraag me af, of die aanval der Caroos op ons zijn werk niet was,”
merkte Ricardo op.
Maar Henry verwierp deze gedachte.
„Hoe het zij,” sprak hij, „daar gaat het op het oogenblik niet
over—waar het over gaat is: hoe in den berg te komen voor het geval zij
nog in leven zijn. Jij en ik kunnen in geen maand door dien steenhoop
heen komen. Wanneer we vijftig man konden krijgen om te helpen, dan
zouden we, wanneer we ze in dag- en nachtploegen verdeelen, in
achtenveertig uur de opening vrij kunnen maken. Dus is het eerste werk
wat we doen moeten, die mannen zien te krijgen. Ziehier, wat we moeten
doen. Ik zal een muildier nemen en zoo snel mogelijk naar die
Caroo-nederzetting rijden en ze den inhoud van een van Francis’
chèque-boeken beloven, wanneer ze ons willen komen helpen. Als dat
mislukt, kan ik een troep uit San Antonio halen. Ik ga dus direct op
weg. Ondertusschen kan jij den weg verkennen, en al de muildieren,
inlanders, voedselvoorraad en kampeeruitrusting hierheen brengen.
Luister ook aan de rots—zij konden wel eens teekenen geven door te
kloppen.”
Henry dreef zijn muildier voort, het Caroo-dorp binnen, zeer tot
misnoegen van het muildier en tot even groote verwondering der Caroos,
die hun wijkplaats aldus zagen binnendringen door één enkele van het
gezelschap, dat zij getracht hadden te vernietigen. Zij hurkten op hun
drempels en slenterden in den zonneschijn, onder een onverschillig
uiterlijk de verwondering verbergend, die hen doortintelde en hun haast
te machtig werd. Zooals het altijd geweest is, overheerschte de durf
van den blanke het wilde en het mestiezenras en de Caroos bleven
werkeloos. Onwillekeurig redeneerden zij op de hun eigen langzame
wijze, dat alleen een man, een buitengewoon man, een edel of
bovennatuurlijk man, uitgerust met krachten, die zij niet begrijpen
konden, het zou durven wagen om op een uitgeput en koppig muildier hier
in hun talrijk midden te verschijnen.
Zij spraken een mestiezen-Spaansch, dat hij verstaan kon en wederkeerig
verstonden zij zijn Spaansch; maar, wat hij hen vertelde betreffende
het ongeluk in den heiligen berg was niet in staat om hen wakker te
schudden. Met een lijdelijk gezicht en onverschillig hun schouders
ophalende, luisterden zij naar zijn voorstel om een poging tot redding
te wagen en de belofte van een hooge belooning voor hun tijdverlies.
„Wanneer een berg de Gringos verzwolgen heeft, dan is dit Gods wil en
wie zijn wij, dat wij ons zouden stellen tusschen God en Zijn wil?”
antwoordden zij. „Wij zijn arme menschen, maar wij hoeven voor niemand
te werken en evenmin verlangen wij tegen God op te staan. Bovendien was
het de schuld van de Gringos zelf. Dit is hun land niet. Zij hebben
geen recht om hier hun lusten bot te vieren op onze bergen. Laten ze
zelf hun zaak met God uitvechten. Wij hebben genoeg te doen met onze
eigen zaken, en onze vrouwen zijn losbandig.”
Lang na het siesta-uur reed Henry, op zijn derde en meest weerspannige
muildier het slaperige San Antonio binnen. In de hoofdstraat,
halverwege tusschen het gerechtshof en de gevangenis, hield hij stil op
het zien van den Chef van Politie en den kleinen, dikken, ouden
rechter, die op den voet gevolgd werden door een twaalftal gendarmes en
een paar ongelukkige gevangenen—weggeloopen inlanders van de plantages
te Santos. Terwijl de rechter en de Chef luisterden naar Henry’s
verhaal en bede om hulp, gaf de Chef den rechter, die zijn rechter was,
zijn maaksel en hem met hart en ziel toegedaan was, heimelijk een wenk.
„Ja, zeker zullen we je helpen,” zei de Chef ten slotte, zijn armen
uitrekkend en geeuwend.
„Hoe spoedig kunnen we de mannen bij elkander krijgen en op weg gaan?”
vroeg Henry gretig.
„Wat dat betreft, we hebben het zeer druk—nietwaar, waarde rechter,”
antwoordde de Chef met een vadsige onbeschaamdheid.
„We hebben het zeer druk,” geeuwde de rechter in Henry’s gelaat.
„Vooreerst nog te druk,” vervolgde de Chef. „Het spijt ons, dat we
morgen en ook overmorgen niet in de gelegenheid zullen zijn om een
poging te wagen ter redding van je Gringos. Maar over een poosje...”
„Laten we zeggen, aanstaande Kerstmis,” stelde de rechter voor.
„Ja,” besloot de Chef met een hoffelijke buiging. „Kom ons tegen
Kerstmis maar weer eens opzoeken en, als we het dan niet meer zoo druk
hebben, dan zullen we misschien eenige mogelijkheid zien om de
gelegenheid te vinden om te beginnen met de poging om de gevraagde
expeditie bij elkaar te brengen. Tot zoolang, gegroet, Senor Morgan.”
„Meen je dat?” vroeg Henry met toornig gelaat.
„Dat is hetzelfde gezicht, dat hij getrokken moet hebben, toen hij
Senor Alfaro Solano verraderlijk van achteren aanviel,” sprak de Chef
onheilspellend.
Maar Henry deed alsof hij deze laatste beleediging niet hoorde.
„Ik zal je zeggen, wat jelui zijn,” barstte hij los in rechtmatigen
toorn.
„Wees voorzichtig!” waarschuwde de rechter hem.
„Je bent mij geen knip voor den neus waard,” antwoordde Henry. „Je hebt
niets over mij te zeggen. Ik heb volledige vergiffenis ontvangen van
den President van Panama zelf. En nu zal ik zeggen, wat jelui zijn.
Jelui zijn mulatten. Jelui zijn mestiezen-zwijnen.”
„Ga voort, alstublieft, senor,” zei de Chef, met de onderdanige
beleefdheid, die doodelijke haat schenkt.
„Je bezit noch de deugden van den Spanjaard, noch die van den bewoner
van Caraïbië, maar beider ondeugden bezit je in driemaal sterkere mate.
Mestiezen-zwijnen, dat ben je en dat is alles, wat je bent, jelui
allebei.”
„Bent u uitgesproken, senor?—heelemaal uitgesproken?” vroeg de Chef
zachtmoedig.
Tegelijkertijd gaf hij de gendarmes een teeken, die Henry van achteren
besprongen en hem ontwapenden.
„Zelfs de President der Republiek Panama kan geen misdaad
kwijtschelden, die nog niet begaan is—heb ik gelijk, rechter?” zei de
Chef.
„Dit is een nieuwe beleediging,” nam de rechter onmiddellijk de
vingerwijzing op. „Deze Gringo-hond heeft de wet gehoond.”
„Dan zal zijn zaak onderzocht worden en nu onderzocht worden,
onmiddellijk en hier op deze plaats. We zullen ons niet ophouden met
terug te gaan en het gerechtshof weer te openen. We zullen zijn zaak
onderzoeken en als we een beslissing genomen hebben, verdergaan. Ik heb
een heele goede flesch wijn...”
„Ik houd niet van wijn,” weerde de rechter snel af. „Ik heb liever
mescal. En ondertusschen, nu we allebei getuige en slachtoffer van de
beleediging zijn, is het niet noodig om verdere bewijzen te zoeken dan
die alreeds in mijn bezit zijn en verklaar ik den gevangene schuldig.
Hebt u nog iets in het midden te brengen, Senor Mariano Vercara è
Hyos?”
„Vier en twintig uur in den stok zal dezen heethoofdigen Gringo wel een
beetje bekoelen,” antwoordde de Chef.
„Dat zal zijn vonnis zijn,” bevestigde de rechter, „dat dadelijk ten
uitvoer gebracht wordt. Leid den gevangene weg, gendarmes, en sluit hem
in den stok.”
Met het aanbreken van den dag lag Henry in den stok, nadat hij al
twaalf uren van gevangenschap achter zich had, op zijn rug te slapen.
Maar zijn slaap was ongedurig, daar deze subjectief gestoord werd door
nachtmerries over zijn metgezellen, die in den berg gevangen zaten en
objectief door de steken van ontelbare muskieten. Zoodoende ontwaakte
hij, zich wendend en krommend en slaande naar de gevleugelde
plaaggeesten, tot de volle bewustheid van zijn toestand. Bovenmate
geprikkeld door het gif van een duizend muskietenbeten, zond hij
zooveel verwenschingen het aanbrekende daglicht in, dat hij de aandacht
trok van een man, die een tasch met gereedschappen droeg. Het was een
goed gebouwd jongmensch met een schrander gezicht, gekleed in de
uniform van een aviateur van het Leger der Vereenigde Staten. Hij
veranderde van koers zoodat hij bij den stok kwam, stond stil en
luisterde en keek met verbazing en bewondering toe.
„Vriendje,” zei hij, toen Henry even zweeg om op adem te komen.
„Gisterenavond toen ik hier aan wal gezet werd, terwijl de helft van
mijn uitrusting aan boord gelaten werd, heb ik zelf ook een beetje
gevloekt. Maar dat was niets vergeleken bij jou. Alle achting,
mijnheer. Je kunt het nog veel beter dan een stukkenrijder. Als je nu
het heele lijstje nog eens wilt afwerken, zal ik heel wat meer voorraad
hebben, wanneer ik een volgende keer weer eens behoefte heb om te
vloeken.”
„En wie, voor den duivel, ben jij?” vroeg Henry. „En wat, voor den
duivel, kom je hier doen?”
„Ik neem het je niet kwalijk,” grinnikte de vliegenier. „Met zoo’n
gezwollen gezicht, heb je wel het recht om ruw te worden. Wie heeft je
zoo afgeranseld? In de hel heb ik tot nog toe mijn status niet
vastgesteld. Maar hier op aarde sta ik bekend als Parsons, Luitenant
Parsons. Met den duivel heb ik tot nog toe niets uit te staan; maar
hier in Panama moet ik vandaag van den Atlantischen Oceaan naar de
Stille Zuidzee vliegen. Is er iets, dat ik voor je doen kan, eer ik
vertrek?”
„Zeker,” bevestigde Henry. „Neem een stuk gereedschap uit je tasch en
verbrijzel dit hangslot. Ik zal nog rheumatiek krijgen, als ik hier
langer moet blijven. Ik heet Morgan en niemand heeft me afgeranseld.
Dit zijn muskietenbeten.”
Met eenige slagen van een schroevendraaier verbrijzelde Luitenant
Parsons het oude hangslot en hielp Henry overeind. Terwijl hij zijn
voeten en enkels wreef om het bloed weer in beweging te brengen,
vertelde Henry, vliegensvlug aan den vliegenier het voorgevallene en
het misschien tragische lot van Leoncia en Francis.
„Ik houd van dien Francis,” besloot hij. „Hij is mijn sprekend
evenbeeld. We lijken meer op elkander dan tweelingen en moeten heel ver
aan elkander verwant zijn. Wat de senorita betreft, niet alleen bemin
ik haar, maar ik ben met haar verloofd. Wil je mij nu helpen? Waar is
de machine? Het duurt een heelen tijd om te voet of op een muildier den
Maya-Berg te bereiken, maar wanneer je mij in je machine meeneemt, zou
ik er in een oogwenk zijn, tegelijk met een honderd dynamietpatronen,
die je mij wel kunt bezorgen en waarmee ik den bergwand zou kunnen
laten springen en het water doen afvloeien.”
Luitenant Parsons aarzelde.
„Zeg ja, o, zeg ja,” smeekte Henry.
In het binnenste van den heiligen berg, bevonden de drie gevangenen
zich in een absolute duisternis, zoodra de steen, die de opening van de
godenkamer afsloot, weer op zijn plaats gekomen was. Francis en Leoncia
tastten rondom zich en hun handen raakten elkander. Een oogenblik later
was zijn arm om haar heengeslagen en de zaligheid van deze aanraking
maakte den toestand slechts half zoo verschrikkelijk. Vlak bij hen
konden ze Torres hooren, die zwaar ademhaalde. Ten slotte mompelde hij:
„Heilige Moeder Gods, dat was op het kantje af! Ik vraag me af, wat er
nu verder zal gebeuren.”
„Er zullen nog menige verders komen, voor we uit dezen bergpas zijn
gekomen,” verzekerde Francis hem. „En we konden wel beginnen om te
trachten eruit te komen.”
Hun wijze van verdergaan was snel geregeld. Leoncia achter zich
plaatsend, terwijl haar hand den zoom van zijn jas vasthield, zoodat
hij haar kon geleiden, liep hij verder met zijn linkerhand tegen den
muur steunend. Voor hem uit, zocht Torres zijn weg langs den
rechtermuur. Door hun stemmen konden zij dus met elkander in verbinding
blijven, de breedte van den gang berekenen en voorkomen, dat ze door
dwarsgangen van elkander gescheiden werden. Gelukkig was de vloer van
den tunnel, want het was werkelijk een tunnel, gelijk, zoodat zij,
terwijl zij zich op het gevoel een weg baanden, niet struikelden.
Francis weigerde om, anders dan in dringende noodzakelijkheid, gebruik
te maken van zijn lucifers, en zorgde er voor om niet in een
eventueelen kuil te vallen, door voorzichtig eerst één voet vooruit te
brengen en zich te overtuigen, dat hij vasten grond onder de voeten
had, eer hij zijn gewicht er op over bracht. Bijgevolg vorderden zij
slechts langzaam. Zij legden niet meer dan een halve mijl per uur af.
Slechts eens ontmoeten zij een zijgang. Hier stak hij een kostbare
lucifer uit zijn waterdichte doos aan en vond, dat er geen keus te doen
was tusschen de beide gangen. Ze geleken op elkander als twee druppels
water.
„Er zit niets anders op, dan er een te probeeren,” besloot hij, „en
wanneer deze ons nergens heenleidt, terug te keeren en de andere te
nemen. Eén ding is zeker: deze gangen leiden ergens heen, anders zouden
de Mayas de moeite niet gedaan hebben om ze te maken.”
Tien minuten later stond hij plotseling stil en gaf een waarschuwenden
kreet. De voet, die hij uitgestoken had, vond niets dan een ledige
ruimte, waar de vloer had moeten zijn. Een andere lucifer werd
aangestoken en zij ontdekten, dat zij op den rand stonden van een
natuurlijk hol van zulke afmetingen, dat het kleine vlammetje noch
rechts, noch links, noch boven, noch onder, noch aan de overzijde de
grenzen ervan kon laten zien. Maar zij slaagden er in een soort ruwe
trap te ontdekken, die gedeeltelijk door de natuur, gedeeltelijk door
menschenhanden was gevormd, die afdaalde in de zwarte opening.
Na een uur, nadat zij het pad gevolgd hadden, dat over den bodem van
het hol leidde, werden zij beloond door een flauwe schemering, die
sterker werd naarmate ze verder gingen. Voor zij het wisten, hadden ze
de bron ervan bereikt—die veel dichterbij was, dan ze dachten; en
Francis, die wijnranken en kreupelhout wegtrok, krabbelde te voorschijn
in den namiddagzonneschijn. In een oogwenk stonden Leoncia en Torres
naast hem en keken van de rots neer in een dal. Het was bijna
cirkelvormig, een volle mijl in doorsnee, en het scheen rondom
afgesloten te zijn door bergen en rotsen.
„Dat is het dal der Verloren Zielen,” sprak Torres plechtig. „Ik heb er
van hooren spreken, maar heb er nooit aan geloofd.”
„Ik heb het ook gehoord en ook nooit willen gelooven,” hijgde Leoncia.
„En wat zou dat?” vroeg Francis. „Wij zijn geen verloren zielen, maar
echte menschen van vleesch en bloed. Waarom zouden we ons ongerust
maken?”
„Maar, Francis, luister toch,” zei Leoncia. „De verhalen, die ik ervan
gehoord heb, van dat ik een klein meisje was af, stemmen alle overeen,
dat iemand, die er inging, er nooit weer uitkwam.”
„Toegestemd dat dit zoo is,” zei Francis, die niet nalaten kon te
glimlachen, „hoe zijn die verhalen er dan uitgekomen? Wanneer er nooit
iemand terugkeerde om ze te vertellen, hoe kan dan iedereen daarbuiten
het weten?”
„Ik weet het niet,” stemde Leoncia toe. „Ik vertel alleen maar, wat ik
gehoord heb. Bovendien heb ik er nooit aan geloofd. Maar dit klopt met
alle beschrijvingen uit de verhalen.”
„Niemand keerde er ooit uit terug,” bevestigde Torres even plechtig als
tevoren.
„Hoe weet je dan, dat iemand er in ging?” hield Francis aan.
„Al de verloren zielen wonen hier,” was het antwoord. „Daarom hebben
wij ze nooit gezien, omdat ze er nooit uit konden komen. Ik verzeker u,
mijnheer Francis Morgan, dat ik geen onredelijk wezen ben. Ik heb een
goede opvoeding gehad. Ik studeerde in Europa en heb zaken gedaan in uw
eigen stad New-York. Ik ben op de hoogte der wetenschap en der
philosophie; en toch weet ik, dat dit het dal is, waaruit men nimmer
terugkeert, wanneer men het eenmaal is binnengetreden.”
„Wel, we zijn er nog niet in, is het wel?” antwoordde Francis met een
licht ongeduldige beweging. „En we hoeven er ook niet in te gaan, is
het wel?” Hij kroop voorwaarts naar den rand van een hoop losse aarde
en verbrokkelde steenen om beter het voorwerp in de verte te kunnen
zien, waarop juist zijn oog gevallen was. „Als dat geen dak van
graszoden is...”
Op dat oogenblik bezweek de grond onder zijn handen. In een oogwenk
brak de heele zachte helling, waarop zij stonden, los en alle drie
gleden en rolden de steile helling af, midden in een miniatuur-lawine
van aarde, steen en bosjes gras.
De beide mannen sprongen het eerst op in het dichte kreupelhout, dat
hun val gebroken had, maar eer zij bij Leoncia konden komen, was deze
ook al lachend opgestaan.
„Net terwijl je zei, dat we het dal niet binnen hoefden te gaan!” zei
ze lachend tegen Francis. „Wil je het nu gelooven?”
Maar Francis was met iets bezig. Zijn hand uitstrekkend, greep hij een
bekend voorwerp, dat achter hen aan de helling afdanste. Het was de
helm van Torres, dien deze uit de kamer der mummies gestolen had en hij
wierp hem Torres toe.
„Gooi dat ding weg,” zei Leoncia.
„Het is het eenige, wat ik heb, om me tegen de zon te beschermen,” was
zijn antwoord, toen, terwijl hij hem in zijn handen omdraaide, zijn
oogen bleven rusten op een opschrift aan den binnenkant. Hij liet dit
aan zijn metgezellen zien en las hardop:
„Da Vasco.”
„Ik heb er van gehoord,” hijgde Leoncia.
„En gij hebt de waarheid gehoord,” bevestigde Torres. „Da Vasco was
mijn voorvader in de rechte lijn. Mijn moeder was een Da Vasco. Hij
kwam met Cortez naar het Spaansche Schiereiland.”
„Hij was een oproerling,” vervolgde Leoncia het verhaal. „Ik herinner
mij heel goed, dat mijn vader en oom Alfaro het vertelden. Met een
twaalftal kameraden zocht hij den Maya-schat. Zij waren de aanvoerders
van een stam Caraïbiërs, een honderd personen sterk met inbegrip der
vrouwen, die hen moesten helpen. Mendoza vervolgde hen op bevel van
Cortez; en zijn rapport, dat in de archieven berust, vermeldt, zooals
oom Alfaro mij vertelde, dat ze in het dal der Verloren Zielen gedreven
werden, waar zij achtergelaten werden om een ellendigen dood te
vinden.”
„En hij heeft blijkbaar getracht er uit te komen langs den weg,
waardoor wij er in gekomen zijn,” vervolgde Torres, „en de Mayas grepen
hem en maakten een mummie van hem.”
Hij zette den ouden helm op zijn hoofd, zeggende:
„Hoe laag de zon ook staat aan den middaghemel, toch brandt ze mij
venijnig op het hoofd.”
„En mij bijt de honger venijnig,” bekende Francis. „Is het dal
onbewoond?”
„Ik zou het wel denken, senor,” antwoordde Torres. „Denk aan het
verhaal van Mendoza, waarin hij zegt, dat Da Vasco en zijn gezelschap
achtergelaten werden, om een ellendigen dood te vinden. Maar dit weet
ik wel: dat niemand ooit meer iets van hen gezien heeft.”
„Het ziet er naar uit, of er voldoende voedsel moet groeien in een
plaats als deze...” begon Francis, maar hield op, toen hij Leoncia
bessen van een struik zag plukken. „Hier! Schei uit, Leoncia! We hebben
al genoeg wederwaardigheden gehad, zonder nog een zeer lieftallige,
maar zeer vergiftigde jonge vrouw er bij te krijgen.”
„Ze zijn heel goed,” zei ze, kalm dooretend. „Je kunt zien, waar de
vogels er aan gepikt en van gegeten hebben.”
„Dan vraag ik vergiffenis en houd je gezelschap,” riep Francis, zijn
mond vullend met het sappige fruit. „En als ik de vogels kon vangen,
die er aan gepikt hebben, zou ik ze eveneens opeten.”
Toen ze hun ergsten honger gestild hadden, stond de zon zoo laag, dat
Torres den helm van Da Vasco afnam.
„We doen het beste, als we vannacht hier blijven,” sprak hij. „Ik liet
mijn schoenen achter in het hol bij de mummies en verloor Da Vasco’s
oude laarzen onder het zwemmen. Mijn voeten zijn aan reepjes gescheurd
en er is hier overvloed van droog gras, waaruit ik een paar sandalen
kan vlechten.”
Terwijl hij hiermee bezig was, legde Francis een vuur aan en verzamelde
een voorraad hout, omdat, ondanks het feit, dat zij zich dicht bij den
evenaar bevonden, de groote hoogte vuur voor een nachtverblijf noodig
maakte. Vóór hij voldoende voorraad had, was Leoncia, op haar zijde
liggend en haar hoofd in de holte van haar arm, gerust ingeslapen.
Langs haar heen, aan den anderen kant van het vuur, stapelde Francis
behoedzaam een verschansing van droge bladeren en boschaarde op.