„Toch was het een vergissing en een zwakheid van mij om in Panama te
blijven,” zei Francis tegen Leoncia, toen ze naast elkaar op de rotsen
bij den ingang van het hol, op Henry’s terugkomst zaten te wachten.
„Heeft de New-Yorksche Beurs dan zooveel aantrekkingskracht voor je?”
spotte Leoncia koket; welke spot echter slechts gedeeltelijk koketterie
en voor het grootste gedeelte een poging om tijd te winnen was. Ze was
bang om alleen te zijn met den man, dien zij zoo verwonderlijk en hevig
liefhad.
Francis werd ongeduldig.
„Ik houd er altijd van om ronduit te spreken, Leoncia. Ik zeg, wat ik
meen, op de openhartigste en kortste manier...”
„Waarin je heel anders bent dan wij, Spanjaarden,” viel zij hem in de
rede, „die de eenvoudigste gedachten moeten versieren en aankleeden met
alle mogelijke woordspelingen.”
Maar hij vervolgde onverstoorbaar wat hij begonnen was te zeggen:
„Je draait er om heen, Leoncia, wat ik je juist wilde vertellen. Ik
spreek ronduit en de waarheid, zooals een man gewoon is. Jij speelt met
woorden en fladdert als een vlinder—wat, dit moet ik toestemmen, de
gewoonte is der vrouwen en van haar verwacht kan worden. Maar toch is
het niet eerlijk... tegenover mij. Ik zeg je ronduit, wat ik op het
hart heb en je begrijpt me. Jij zegt me niet, hoe het met je hart
gesteld is. Je fladdert en draait er om heen en ik begrijp er niets
van. Daarom ben jij in het voordeel. Je weet, dat ik je liefheb. Ik heb
je dit duidelijk genoeg gezegd. En ik? Wat weet ik van jou?”
Met neergeslagen oogen, terwijl een blos opsteeg naar haar wangen, zat
zij zwijgend neer, niet in staat om te antwoorden.
„Zie je!” drong hij aan. „Je antwoordt niet. Je ziet er warmer, mooier
en begeerenswaardiger uit dan ooit, kortom, verleidelijker; en toch
misleidt je mij en zegt me niets van je hart en je bedoelingen. Komt
dit omdat je een vrouw bent? Of omdat je een Spaansche bent?”
Ze was diep geschokt. Buiten zichzelven en toch zich volkomen
beheerschend, sloeg zij haar oogen op en keek kalm in zijn, even kalme
oogen, toen zij zei:
„Ik kan een Angel-Saksische, of Engelsche, of Amerikaansche zijn, of
hoe je het wilt noemen, wat betreft de bekwaamheid om de dingen
openlijk in het gelaat te zien en openlijk over de dingen te spreken.”
Zij pauseerde, overlegde kalm met zich zelf en vervolgde toen: „Je
beklaagt je, dat ik je niet verteld heb of ik je al dan niet liefheb,
nadat je mij je liefde bekend hebt. Ik zal dat nu, voor eens en voor
altijd, beantwoorden. Ik heb je lief...” Zij weerde zijn, begeerig naar
haar uitgestrekte, armen af. „Wacht!” beval zij. „Wie van ons is nu de
vrouw? Of de Spanjaard? Ik had nog niet uitgesproken. Ik heb je lief.
Ik ben trotsch op die liefde. Maar er is meer. Je hebt mij gevraagd
naar mijn hart en naar mijn bedoelingen. Ik heb je het eene
gedeeltelijk gezegd. Nu zal ik je alles van het andere vertellen: ik
ben van plan om Henry te trouwen.”
Een dergelijke Angel-Saksische oprechtheid benam Francis den adem.
„In ’s hemels naam, waarom?” was alles, wat hij kon uitbrengen.
„Omdat ik Henry liefheb,” antwoordde zij, haar oogen nog altijd vast op
de zijne gericht.
„En je... je zegt, dat je mij liefhebt?” stamelde hij.
„En ik heb je ook lief. Ik bemin jelui allebei. Ik ben een eerlijke
vrouw, tenminste, dat heb ik altijd gedacht. En ik denk dit nog,
ofschoon mijn verstand mij zegt, dat ik niet tegelijkertijd twee mannen
kan liefhebben en toch een eerlijke vrouw zijn. Ik kan er niets aan
doen. Wanneer ik slecht ben, dan ben ik het, en ik kan er niets aan
doen, dat ik aldus geboren werd.”
Zij hield op en wachtte, maar haar minnaar bleef nog altijd sprakeloos.
„En wie is nu de Angel-Sakser?” vroeg ze, met een klein glimlachje,
half moedig en half spottend over de stomme verbazing, waarin haar
woorden hem gebracht hadden. „Ik heb je, zonder omwegen, zonder
gefladder, mijn hart en mijn bedoelingen blootgelegd.”
„Maar dat is onmogelijk!” protesteerde hij opgewonden. „Je kunt niet
mij liefhebben en Henry’s vrouw worden.”
„Misschien heb je het niet begrepen,” sprak ze ernstig. „Ik ben van
plan om Henry’s vrouw te worden. Ik heb je lief. Ik heb Henry lief.
Maar ik kan niet met jelui allebei trouwen. Dat zou de wet niet
toelaten. Daarom zal ik enkel met één van jelui trouwen. En het is mijn
bedoeling, dat die eene Henry zijn zal.”
„Maar waarom, waarom drong je er dan op aan, dat ik zou blijven?” vroeg
hij.
„Omdat ik je liefhad. Dat heb ik je toch al gezegd.”
„Als je zoo doorgaat, zal ik nog krankzinnig worden!” riep hij.
„Ik heb zelf dikwijls gedacht, dat het mij krankzinnig zou maken,”
verzekerde ze hem. „Als je denkt, dat het mij gemakkelijk valt om zoo
de Angel-Saksische te spelen, dan vergis je je. Maar geen enkele
Angel-Sakser, zelfs jij niet, dien ik zoo innig liefheb, kan mij
verachten, omdat ik de beschamende geheimen en ingevingen van mijn
wezen verberg. Evenmin schaam ik mij om ze jou ronduit te vertellen.
Als dit iets Angel-Saksisch is, doe er dan je voordeel mee. Als dit
iets Spaansch is, iets vrouwelijks en Solanos, doe er dan ook je
voordeel mee, want ik ben een Spaansche en een vrouw—een Spaansche
vrouw uit de familie Solano...”
„Maar ik praat niet met mijn handen,” voegde zij er met een flauw
glimlachje bij, in de stilte, die intrad.
Juist toen hij iets wilde zeggen, beduidde zij hem om stil te zijn en
tezamen luisterden zij naar een gekraak en geritsel in het kreupelhout,
dat waarschuwde, dat hier menschelijke wezens zich een weg baanden.
„Luister,” fluisterde zij haastig, haar hand smeekend op zijn arm
leggend. „Ik zal eindelijk en voor het laatst een Angel-Saksische zijn,
wanneer ik zeg, wat ik je ga zeggen. Daarna en altijd, zal ik de, om de
zaken heendraaiende, fladderende, vrouwelijke Spaansche zijn, die gij
voor mijn beschrijving hebt uitgezocht. Luister: Ik bemin Henry, dit is
waar, echt waar. Ik bemin jou meer, veel meer. Ik zal Henry’s vrouw
worden... omdat ik hem liefheb en met hem verloofd ben. Maar toch zal
ik jou altijd meer liefhebben.”
Voor hij kon protesteeren, kwamen de oude Maya-priester en zijn zoon
vlak bij hen uit het kreupelhout te voorschijn. Hun aanwezigheid
nauwelijks opmerkend, viel de priester op zijn knieën neer en riep in
het Spaansch:
„Voor de eerste maal hebben mijn oogen de oogen van Chia aanschouwd.”
Hij liet de knoopen der heilige kwast door zijn vingers glijden en
begon een gebed in de taal der Mayas, dat, wanneer zij het verstaan
hadden, aldus luidde:
„O, onsterfelijke Chia, verheven echtgenoote van den goddelijken
Hzatzl, die alle dingen uit niets heeft geschapen! O, onsterfelijke
echtgenoote van Hzatzl, gij, die zelf de moeder zijt van het graan, het
goddelijk hart van het gezeefde koren, godin van den regen en de
bevruchtende zonnestralen, voedster van alle graankorrels, wortels en
vruchten, noodig voor het onderhoud van den mensch! O, heerlijke Chia,
wier mond het oor van Hzatzl gebiedt, tot u zend ik onwaardige, uw
priester, mijn bede op. Wees mij goedgunstig en vergevensgezind. Laat
uit uw mond den gouden sleutel voortkomen, die het oor van Hzatzl
opent. Laat uw getrouwe priester Hzatzl’s schat bereiken... Niet voor
hem zelf, o Goddelijke, maar terwille van zijn zoon, die door den
Gringo gered is. Uw kinderen, de Mayas, sterven uit. Zij hebben geen
behoefte aan den schat. Ik ben uw laatste priester. Met mij daalt alle
kennis van u in het graf en van uw verheven echtgenoot, wiens naam ik
slechts durf te noemen, met mijn voorhoofd op de steenen gebogen. Hoor
mij! O, Chia, hoor mij! Mijn hoofd rust op de steenen voor u!”
Volle vijf minuten lag de oude Maya voorovergebogen, huiverend en
trekkend als in een zenuwtoeval, terwijl Leoncia en Francis
nieuwsgierig toekeken, half meegesleept door de groote plechtigheid van
het gebed van den ouden man, ofschoon zij de woorden niet konden
verstaan.
Zonder op Henry te wachten, trad Francis voor de tweede maal het hol
binnen. Met Leoncia naast zich, had hij geheel het gevoel van een gids,
toen hij den ouden priester de plaats toonde. Deze laatste, die aldoor
de knoopen las en mompelde, volgde achter hen aan, terwijl de inlander
buiten achtergelaten was om wacht te houden. In de rij met mummies
gekomen, stond de priester eerbiedig stil—niet zoozeer om de mummies
als wel om de heilige kwast.
„Het staat zoo geschreven,” verkondigde hij, een knoopenstreng naar
boven houdend. „Deze mannen waren boos en roovers. Zij zijn gedoemd om
eeuwig hier voor de binnenkamer van het Maya-mysterie op wacht te
staan.”
Francis leidde hem snel langs den hoop beenderen van zijn vader, die
voor hem lagen, en bracht hem in de binnenkamer, waar hij onmiddellijk
zich voor de twee afgodsbeelden ter aarde wierp en lang en ernstig bad.
Daarna bestudeerde hij zorgvuldig bepaalde koorden. Toen verkondigde
hij, eerst in de taal der Mayas en toen Francis hem te kennen gaf, dat
ze dit niet konden verstaan, in gebroken Spaansch:
„Uit den mond van Chia naar het oor van Hzatzl—aldus staat geschreven.”
Francis luisterde naar de geheimzinnige uitspraak, keek in de donkere
holte van den mond der godin, stak het lemmet van zijn jachtmes in het
sleutelgat, dat in het monsterachtige oor van den god zat, klopte toen
met het heft van zijn mes tegen den steen en verklaarde, dat het beeld
hol was. Bij Chia teruggekomen, beklopte hij haar ook om te bewijzen,
dat ze hol was, toen de oude Maya mompelde:
„De voeten van Chia rusten op niets.”
Francis, die hierdoor getroffen werd, liet den ouden man deze
knoopen-boodschap nog eens herhalen.
„Haar voeten zijn groot,” lachte Leoncia, „maar zij rusten op den
hechten rotsvloer en niet op niets.”
Francis duwde met zijn hand tegen de vrouwelijke godheid en merkte, dat
ze gemakkelijk bewoog. Haar met beide handen vastgrijpend, begon hij
den strijd, haar met snelle rukken en draaien in beweging brengend.
„Voor den sterken en onbevreesden zal Chia wandelen,” las de priester.
„Maar de volgende drie knoopen zeggen: „Pas op! Pas op! Pas op!”
„Wel ik vermoed, dat dit niets, wat het ook zijn moge, mij wel niet zal
bijten,” lachte Francis, toen hij het beeld losmaakte, nadat hij het
een meter van zijn vorige standplaats verschoven had.
„Zoo, ouwe juffrouw, blijf daar maar een poosje staan, of ga zitten,
dan kunnen je voeten rusten. Ze zullen wel moe zijn van het eeuwenlange
staan op niets.”
Een kreet van Leoncia vestigde zijn aandacht op het gedeelte van den
vloer, dat vlak onder de groote voeten van Chia gelegen had. Achteruit
wegstappend van de verplaatste godin, was hij bijna in het, in de rots
uitgehouwen, hol gevallen, dat haar voeten verborgen hadden gehouden.
Het was rond en een meter in doorsnee. Tevergeefs onderzocht hij de
diepte, door er brandende lucifers in te werpen. Zij vielen brandend
naar beneden en, zonder den bodem te bereiken, nog altijd vallend,
doofden zij uit door den tocht van hun val.
„Het lijkt veel op het bodemloos niets,” was zijn oordeel, toen hij er
een klein stukje steen in liet vallen.
Verscheidene seconden luisterden zij eer zij het hoorden neerkomen.
„En dat is misschien nog niet eens de bodem,” merkte Leoncia op. „Het
kan tegen een uitstekende punt van den zijwand gestooten hebben en is
daar misschien wel blijven liggen.”
„Welnu, dit zal het wel uitwijzen,” riep Francis, een oud musket
grijpend, dat tusschen de beenderen op den vloer lag en zich gereed
makend om het naar beneden te werpen.
Maar de oude man hield hem tegen.
„De boodschap der heilige knoopen is: wie het niets onder de voeten van
Chia geweld aandoet, zal onmiddellijk en op vreeselijke wijze sterven.”
„Verre zij het van mij om de ledige ruimte te verstoren,” grinnikte
Francis, het musket wegwerpend. „Maar wat moeten we dan doen, oude
Maya? Uit den mond van Chia naar het oor van Hzatzl klinkt
gemakkelijk—maar hoe?—en wat? Laat de heilige knoopen door je vingers
glijden, ouwe kerel, en vind voor ons uit het hoe en het wat.”
Voor den zoon van den priester, den inlander met de ontvelde knieën,
was het uur geslagen. Onbewust, had hij zijn laatsten zonsopgang
aanschouwd. Onverschillig wat er dezen dag zou gebeuren, onverschillig
welke blinde pogingen hij in het werk zou stellen om te ontsnappen,
deze dag zou zijn laatste zijn. Wanneer hij op wacht was blijven staan
aan den ingang van het hol, dan zou hij ongetwijfeld gedood zijn
geworden door Torres en Mancheno, die hem op de hielen gevolgd waren.
Maar, in plaats van daar te blijven, kwam het in zijn voorzichtige,
vreesachtige ziel op om een verkenningstocht te doen naar mogelijke
vijanden. Zoodoende ontliep hij den dood in het daglicht onder den
blooten hemel. Toch waren de wijzers der klok niet tegen te houden, en
zijn noodlottig einde was hem nog even nabij.
Terwijl hij op verkenning uit was, kwamen Alvarez Torres en José
Mancheno bij de opening van het hol. De reusachtige, paarlemoeren oogen
van Chia in den rotsmuur waren te veel voor den bijgeloovig aangelegden
Caroo.
„Ga jij maar naar binnen,” zei hij tegen Torres. „Ik zal hier blijven
en de wacht houden.”
En Torres, die het bloed van den ouden voorvader, die trouw eeuwenlang
in de rij der mummies stond, in de aderen had, trad even onversaagd de
Maya-grot binnen, als die voorvader hier binnengetreden was.
En op hetzelfde oogenblik, waarop hij uit het gezicht verdween, vergat
José Mancheno, die niet schroomde om verraderlijk een levend en
bewegend mensch te vermoorden, maar die doodsbenauwd was voor de
ongeziene wereld, verborgen achter onverklaarbare verschijnselen, zijn
belofte om te wachten en te waken en sloop weg naar de jungle.
Zoodoende vond de inlander, die gerustgesteld terugkeerde van zijn
verkenningstocht en nieuwsgierig was om de Maya-geheimen te leeren
kennen van zijn vader en de heilige kwast, niemand bij de opening der
grot en ging zelf naar binnen, vlak op de hielen van Torres.
Deze laatste liep zacht en voorzichtig, uit vrees om zijn aanwezigheid
te verraden aan degenen, die hij op het spoor was. Ook werd zijn
voortgang vertraagd door het schouwspel der oude gestorvenen in de
galerij der mummies. Nieuwsgierig bekeek hij deze mannen, van wie de
geschiedenis verhaalde en voor wie de geschiedenis had opgehouden te
bestaan, hier in de antichambre der Maya-godheden. Bijzonder
nieuwsgierig werd hij bij het zien der mummie aan het einde der rij. De
gelijkenis met hem zelf was te groot, dat hij die niet zien zou, en hij
moest wel aannemen, dat zijn oog staarde op een zijner voorvaderen in
de rechte lijn.
Nog altijd kijkend en overleggend, werd hij gewaarschuwd door naderende
voetstappen en hij keek om zich heen naar een schuilplaats. Een
sardonische humor maakte zich van hem meester. De helm van het hoofd
van zijn vroegeren bloedverwant nemend, plaatste hij die op zijn eigen
hoofd. Eveneens drapeerde hij de verteerde mantel om zijn lichaam en
rustte zich uit met het groote zwaard en de groote kaplaarzen, die
bijna aan stukken vielen, toen hij ze aantrok. Vervolgens legde hij,
bijna teer, de naakte mummie op zijn rug in de donkere schaduw achter
de andere mummies. En eindelijk nam hij op dezelfde plaats aan het
einde der rij, zijn hand rustend op het gevest van zijn zwaard,
dezelfde houding aan, die hij van de mummie gezien had.
Alleen zijn oogen bewogen, toen hij den inlander langzaam en
vreesachtig langs de rij overeindstaande lichamen zag sluipen. Toen hij
Torres zag, bleef hij plotseling staan en mompelde, met opengesperde,
angstige oogen een reeks Maya-gebeden. Torres, die zoo aangekeken werd,
kon enkel met gesloten oogen toeluisteren en heimelijk vloeken. Toen
hij hoorde, dat de inlander doorliep, waagde hij het om even te kijken
en zag hem voorzichtig stilhouden in de nauwe elleboogvormige bocht,
waarin hij zich nu moest wagen. Torres zag zijn kans schoon en hief
zijn zwaard op, om den slag toe te brengen, die het hoofd van den
inlander in tweeën zou splijten.
Ofschoon dit de laatste dag en het laatste uur van den inlander was,
had zijn laatste seconde nog niet getikt. Niet hier, in de galerij des
doods, zou hij sterven door de hand van Torres. Want Torres trok zijn
hand terug en liet langzaam de punt van het zwaard afdalen naar den
vloer, terwijl de inlander voortliep, den bocht in.
Deze laatste kwam bij zijn vader, Leoncia en Francis, juist toen
Francis den priester vroeg om de knoopen te ondervragen om vollediger
aanwijzing omtrent het hoe en wat, dat het oor van Hzatzl zou openen.
„Steek je hand in den mond van Chia en haal den sleutel eruit,” beval
de oude man aan zijn aarzelenden zoon, die hem slechts schoorvoetend
gehoorzaamde.
„Ze zal je niet bijten—ze is van steen,” zei Francis lachend in het
Spaansch tegen hem.
„De goden der Mayas zijn nooit van steen,” berispte de oude man hem.
„Ze zien er uit alsof ze van steen zijn, maar ze leven en leven eeuwig,
en volvoeren onder den steen en door den steen heen en door middel van
den steen hun eeuwigen wil.”
Leoncia trok zich huiverend van hem terug en drong zich tegen Francis
aan, haar hand op zijn arm leggend, als om bescherming te zoeken.
„Ik voel, dat er iets vreeselijks gaat gebeuren,” zuchtte zij. „Ik houd
niet van deze plek in het hartje van een berg tusschen al deze doode
dingen. Ik houd van den blauwen hemel en den heerlijken zonneschijn en
de wijde zee. Er gaat iets vreeselijks gebeuren. Ik voel, dat er iets
vreeselijks gaat gebeuren.”
Terwijl Francis haar geruststelde, was de laatste seconde van de
laatste minuut van den inlander aangebroken. En toen hij, al zijn moed
bij elkander rapend, zijn hand in den mond der godin stak, tikte de
laatste seconde en het uur sloeg. Met een kreet van schrik trok hij
zijn hand terug en keek naar zijn pols, waar een klein bloeddruppeltje
vlak boven een slagader te voorschijn kwam. Het gespikkelde hoofd van
een slang kwam als een spottende, ironische tong te voorschijn, trok
zich weer terug en verdween in den donkeren mond der godin.
„Een adder,” gilde Leoncia, het reptiel herkennend.
En de inlander, die eveneens de adder herkende en wist, dat een
gewissen dood hem te wachten stond, deinsde ontzet achteruit, stapte in
het gat en verdween in het niets, dat Chia met haar voet zoo vele
eeuwen lang bewaakt had.
Een minuut lang sprak niemand en toen zei de oude priester:
„Ik heb Chia’s toorn opgewekt en zij heeft mijn zoon gedood.”
„Onzin,” stelde Francis Leoncia gerust. „De heele zaak is natuurlijk en
gemakkelijk te verklaren. Wat is natuurlijker, dan dat een adder haar
toevlucht zoekt in een opening in een rots? Dit is de gewoonte der
slangen. Wat is natuurlijker, dan dat een man, die door een adder
gebeten is, achteruit stapt? En wat is natuurlijker, wanneer er een gat
achter hem is, dan dat hij er in valt...”
„En dat is dan ook zeker natuurlijk!” riep ze uit, wijzend op een
stroom kristalhelder water, dat omhoog borrelde over de randen van het
gat en als een geyser in de lucht opspoot. „Hij heeft gelijk. Zelfs
door steenen volvoeren de goden hun eeuwigen wil. Hij heeft ons
gewaarschuwd. Hij wist het door het knoopenschrift van de heilige
kwast.”
„Onzin!” spotte Francis. „Niet de wil der goden, maar dien der oude
Maya-priesters, die zoowel hun goden als deze bijzondere kunstgreep
verzonnen hebben. Ergens daar beneden in dat gat heeft het lichaam van
den inlander tegen den hefboom gestooten, die de steenen sluisdeuren
opende. En zoodoende werd een onderaardsche waterleiding in den berg
geopend. Vandaar dat water. Een godin met zoo’n monsterachtigen mond
kan nooit anders bestaan hebben dan in de monsterachtige verbeelding
van den mensch. Schoonheid en goddelijkheid zijn één. Een echte en ware
godin is altijd schoon. Alleen de mensch schiep duivels in al hun
leelijkheid.”
De stroom was zoo sterk, dat het water reeds tot hun enkels reikte.
„’t Is alles in orde,” zei Francis. „Ik heb van af den ingang den
geheelen weg langs geregeld opgemerkt, dat de vloeren der vertrekken en
gangen een hellend vlak vormen. Deze oude Mayas waren goede ingenieurs
en zij bouwden, rekening houdend met het water. Zie hoe het water door
de gang wegstroomt.—Wel, oude man, raadpleeg uw knoopen, waar is de
schat?”
„Waar is mijn zoon?” was de wedervraag van den ouden man op een doffen,
hopeloozen toon. „Chia heeft mijn eenigen zoon geslagen. Terwille van
zijn moeder overtrad ik de wetten der Mayas en bezoedelde het zuivere
bloed der Mayas met het mestiezen-bloed van een vrouw der tierra
caliente. Omdat ik voor zijn bestaan moest zondigen, is hij mij
driedubbel dierbaar. Wat geef ik om schatten? Mijn zoon is weggenomen.
De wraak der Maya-goden rust op mij.”
Bruisend en borrelend en met uiteenspattende luchtbelletjes, die
getuigden welk een drang er achter zat, spoot het water nog altijd even
hoog in de lucht. Leoncia merkte het eerst, dat het water steeds hooger
kwam te staan op den vloer der kamer.
„’t Staat al halfweg mijn knieën.” Met deze woorden wekte zij Francis’
aandacht op.
„En het wordt tijd om te maken, dat we wegkomen,” stemde hij toe, den
toestand begrijpend. „De waterafvoer was waarschijnlijk uitstekend
aangelegd. Maar die neergestorte rotsblokken bij den ingang van de
rots, hebben waarschijnlijk den afvoerweg van het water versperd. In de
andere gangen, die lager liggen, staat het water natuurlijk nog hooger
dan hier. Toch wordt het hier ook al aardig hoog. En de eenige uitweg
is door de gangen. Kom!”
Leoncia voor zich uitduwend om naar een veiliger plek te vluchten,
greep hij den apathischen priester bij de hand en sleepte hem mee. Bij
den ingang van de elleboogvormige bocht reikte het water al boven hun
knieën. Toen ze in de kamer der mummies kwamen, stond het al tot aan
hun middel.
En uit het water, vlak voor Leoncia’s verbaasden blik, verrees het
gehelmde hoofd en het, met een ouderwetschen mantel bekleede, lichaam
van een mummie. Maar dit was het niet alleen, wat haar zoozeer
verbaasde, want ook andere mummies wankelden; vielen en dreven rond in
het snel ronddraaiende water. Maar deze mummie bewoog en hijgde naar
adem, en keek haar met levende oogen aan.
Het was teveel voor een gewoon mensch—een vier eeuwen oude mummie, die
nu door verdrinken den tweeden dood stierf. Leoncia gilde, sprong
vooruit en vluchtte terug langs den weg, dien zij gekomen waren,
terwijl Francis, op zijn manier even erg verschrikt, haar liet
passeeren terwijl hij zijn automatisch pistool trok. Maar de mummie,
die voet kreeg in den snel ronddraaienden stroom, riep:
„Schiet niet! Ik ben het—Torres! Ik ben juist van den ingang
teruggekomen. Er is iets gebeurd. De weg is versperd. Het water staat
hooger dan een manslengte en dan de uitgang, en er vallen rotsblokken
naar beneden.”
„En in deze richting is je weg ook versperd,” zei Francis, zijn
revolver op hem richtend.
„Dit is geen tijd om te twisten,” antwoordde Torres. „We moeten
allemaal ons leven zien te redden en daarna kunnen we twisten, als er
getwist moet worden.”
Francis aarzelde.
„Wat gebeurt er met Leoncia?” vroeg Torres sluw. „Ik zag haar
terugloopen. Kan ze zelf niet in gevaar zijn?”
Torres het leven schenkend en den ouden man bij den arm meesleepend,
waadde Francis terug naar de kamer met de afgoden, gevolgd door Torres.
Maar toen ze hem ook hier zag, gilde Leoncia het weer uit van
ontzetting.
„Het is Torres maar,” stelde Francis haar gerust. „Hij bezorgde ook mij
een helschen schrik, toen ik hem voor het eerst zag. Maar hij is
werkelijk vleesch en bloed. Hij bloedt wel, als er een mes tusschen
zijn ribben gestoken wordt.—Vooruit, ouwe heer! We willen hier liefst
niet verdrinken als ratten in een val. Dit is niet alles der
Maya-geheimen. Lees het knoopenschrift en zorg, dat we hieruit komen.”
„De weg is niet uit, maar in,” beweerde de priester.
„En het moet niet al te lang duren, eer we wegkomen. Maar hoe gaan we
er in?”
„Van den mond van Chia naar het oor van Hzatzl,” was het antwoord.
Francis kreeg plotseling een groteske en vreeselijke ingeving.
„Torres,” sprak hij, „er zit een sleutel of zooiets in den mond van die
steenen dame daar. Jij staat er het dichtst bij. Steek je hand er in en
haal hem er uit.”
Leoncia hijgde van ontzetting, toen ze Francis’ wraakneming begreep.
Torres merkte dit niet en waadde blijmoedig naar de godin, zeggend:
„Maar al te blij, dat ik je van dienst kan zijn.”
Maar toen kreeg Francis’ eerlijkheidsgevoel de overhand. „Stop!” beval
hij barsch, zelf naar het afgodsbeeld toewadend. En Torres, die eerst
verwonderd toekeek, zag aan welk een gevaar hij ontsnapt was. Francis
schoot verscheidene keeren zijn pistool af in den steenen mond, terwijl
de oude priester kreunde: „Heiligschennis!” Vervolgens, zijn jas om
zijn arm en hand windend, greep hij in den mond en trok de gewonde
adder er aan den staart uit. Met snelle slagen sloeg hij den kop van
het dier te pletter tegen de zijde der godin.
Zijn hand en arm omwikkeld houdend, met het oog op de mogelijke
aanwezigheid van een tweede slang, stak Francis zijn hand weer in den
mond en haalde een stuk bewerkt goud te voorschijn van denzelfden vorm
en omvang als de opening in Hzatzl’s oor. De oude man wees op het oor
en Francis stak den sleutel er in.
„Net een stuivers-automaat,” merkte hij op, toen de sleutel uit het
gezicht verdween. „Wat gaat er nu gebeuren? Laten we wachten of het
water plotseling wegvloeit.”
Maar de groote stroom bleef onafgebroken uit de opening opspuiten. Met
een uitroep van verbazing, wees Torres naar den muur, waarvan een,
oogenschijnlijk hecht, gedeelte langzaam omhoogschoof.
„De uitweg,” sprak Torres.
„In, zooals de oude man zei,” verbeterde Francis. „Wel, hoe het zij,
laten we verder gaan.”
Allen waren goed en wel door de nauwe gang gekomen, die er achter lag,
toen de oude Maya uitriep: „Mijn zoon!”, zich omkeerde en terugsnelde.
Het stuk muur daalde reeds weer in zijn vroegeren stand terug en de
priester moest diep bukken om er onder door te kruipen. Een oogenblik
later was het in zijn ouden stand teruggekeerd. Zoo precies was het
gemaakt en paste het, dat de stroom water, die uit de kamer met de
afgoden gevloeid had, onmiddellijk afgesloten werd.
Aan de buitenzijde was een klein waterstroompje, dat uit den voet der
rots vloeide uitgezonderd, geen enkel kenteeken, dat verried wat er in
het hartje van den berg voorviel. Henry en Ricardo zagen bij hun
aankomst het stroompje en Henry merkte op: „Dat is iets nieuws. Er was
hier geen water, toen ik wegging.” Een minuut later sprak hij, toen hij
naar de pas neergestorte rotsblokken keek: „Dit was de ingang van het
hol. Nu is er geen ingang meer. Ik vraag me af, waar de anderen zijn.”
Als antwoord schoot uit den berg, gedragen door den opspuitenden
stroom, het lichaam van een man te voorschijn. Henry en Ricardo vlogen
er op af en trokken het er uit. Den priester herkennend, legde Henry
hem met het gezicht voorover neer, boog zich over hem heen en paste de
eerste hulp voor drenkelingen op hem toe.
Eerst na tien minuten gaf de oude man teekenen van leven en eerst nog
tien minuten later opende hij de oogen en keek woest in het rond.
„Waar zijn de anderen?” vroeg Henry.
De oude priester mompelde iets in de Maya-taal, tot Henry hem beter
wakker schudde.
„Verdwenen—allen verdwenen,” zuchtte hij in het Spaansch.
„Wie?” vroeg Henry, de herinnering wakker schuddend in den, uit de
dooden opgewekte en herhaalde zijn vraag.
„Mijn zoon—Chia heeft hem gedood. Chia doodde mijn zoon, evenals zij al
de anderen gedood heeft.”
„Wie zijn die andere?”
Er volgden meerdere schuddingen en herhalingen der vraag.
„De rijke jonge Gringo, die een vriend was voor mijn zoon, de vijand
van den rijken jongen Gringo, dien men Torres noemt, en de jonge vrouw
der Solanos, die de oorzaak was van al het gebeurde. Ik heb u
gewaarschuwd. Zij had niet mee moeten gaan. Vrouwen zijn altijd den
mannen tot een vloek. Haar tegenwoordigheid vertoornde Chia, die ook
een vrouw is. De tong van Chia is een adder. Door haar tong trof en
doodde Chia mijn zoon en de berg spuwde een oceaan over ons uit daar in
het hartje van den berg en allen zijn dood, gedood door Chia. Wee mij!
Ik heb de goden vertoornd. Wee mij! Wee mij! En wee over hen, die den
heiligen schat wilden zoeken, om hem aan de goden der Mayas te
ontstelen.”