HOOFDSTUK XIV.

„We kunnen er onmogelijk een millioen mijlen vandaan zijn,” zei Henry,

toen het drietal stilstond aan den voet van een hooge, steile rots.

„Als het nog verder is, dan loopt de koers recht over deze rots en daar

wij die niet kunnen beklimmen en, naar de afmetingen te oordeelen, de

omvang mijlenlang moet zijn, kan het niet anders of de bron van deze

lichten moet hier ergens te vinden zijn.”

„Zou het geen man met een verrekijker geweest kunnen zijn?” opperde

Leoncia.

„Hoogstwaarschijnlijk is het ’t een of ander natuurverschijnsel,”

antwoordde Francis. „Ik voel veel voor natuurverschijnselen na onze

ontmoeting met de schreeuwende zandvlakten.”

Leoncia, die toevallig iets verder langs de voorzijde van de rots keek,

werd plotseling een en al aandacht en riep: „Kijk daar eens!” Hun oogen

volgden de hare en bleven op hetzelfde punt rusten. Wat zij zagen, was

geen schittering, maar een rustig, wit licht, dat straalde en gloeide

als de zon. Langs den voet der rots voortkrabbelend, bemerkten de beide

mannen aan den dichten plantengroei, dat hier in vele jaren geen

menschelijke wezens geweest waren. Ademloos van de inspanning, drongen

zij door het kreupelhout heen naar een open plek, waar nog niet lang

geleden naar beneden gestorte rotsblokken den plantengroei belemmerd

hadden.

Leoncia klapte in haar handen. Zij hoefde niet te wijzen. Dertig voet

hooger, in de voorzijde der rots, zaten twee reuzenoogen. Elk der oogen

was een vadem groot en de oppervlakte bestreken met een witte,

reflecteerende stof.

„De oogen van Chia,” riepen ze uit.

Henry krabde zich over het hoofd en herinnerde zich plotseling iets.

„Ik vermoed, dat ik je kan vertellen, waar ze van gemaakt zijn,” sprak

hij. „Ik heb het nog nooit gezien, maar ik heb er oude pioniers over

hooren spreken. Het is een oud kunstje der Mayas. Ik wil mijn aandeel

in den schat verwedden tegen een doorboord kwartje, Francis, dat ik je

kan zeggen, wat dat reflecteerende goedje is.”

„Aangenomen!” riep Francis. „Een man is een dwaas als hij dergelijke

weddenschappen niet aanneemt, zelfs al gaat het om een

vermenigvuldigingstafel. De kans om millioenen dollars te winnen voor

een beslist onbruikbaar kwartje. Ik zou wedden, dat tweemaal twee vijf

is op de kans, dat dit door een wonder bewezen zou kunnen worden. Zeg

op! Wat is het? De weddenschap is aangenomen.”

„Oesters,” lachte Henry. „Oesterschelpen, of liever, schelpen van

pareloesters. Het is paarlemoer, kunstig ingelegd en vastgemetseld,

zoodat de oppervlakte voortdurend reflecteert. Nu moet je bewijzen, dat

ik ongelijk heb, klim dus naar boven en kijk.”

Onder de oogen, zich een twintig voet naar boven en beneden langs de

rots uitstrekkend, was een eigenaardig driehoekig vooruitstekend stuk

rots. Het leek veel op een bult op het gezicht van de rots. De top

ervan was slechts een meter verwijderd van de plek tusschen de beide

oogen. De oneffenheden der oppervlakte en door er zich als een kat aan

vast te klemmen, maakten het Francis mogelijk om de tien voet te

beklimmen, die naar den voet der bult leidden. Van daar af tot aan de

rots, was de weg gemakkelijker. Maar de gedachte aan een val van een

vijfentwintig voet hoogte en een arm- of beenbreuk midden in zoo’n

eenzaamheid, was minder prettig en Leoncia riep naar boven, hierdoor

onwillekeurig een jaloerschen gloed in Henry’s oogen opwekkend:

„O, wees toch voorzichtig, Francis!”

Op de punt van den driehoek staande, keek hij nu eens in het eene, dan

weer in het andere oog. Hij trok zijn jachtmes en begon te graven en te

peuteren in het rechteroog.

„Als de ouwe heer hier was, zou hij een stuip krijgen bij het zien van

zoo’n heiligschennis,” merkte Henry op.

„Het doorboorde kwartje is voor jou,” riep Francis naar beneden,

tegelijkertijd het stukje, dat hij los gepeuterd had in Henry’s

opgehouden hand werpend.

Het was paarlemoer, een plat stukje, met groote zorg gesneden om

precies te passen in de menigte andere stukjes, die tezamen het oog

vormden.

„Waar rook is, daar is ook vuur,” oordeelde Henry. „Niet voor niets

kozen de Mayas deze, van God verlaten plaats en plaatsten deze oogen

van Chia in de rots.”

„Het schijnt, dat we een vergissing begaan hebben, toen we den ouden

heer en zijn heilige knoopen achterlieten,” zei Francis. „De knoopen

zouden er ons alles van kunnen vertellen en ons zeggen, wat we verder

moeten doen.”

„Waar oogen zijn, moet toch ook een neus zijn,” was Leoncia’s

opmerking.

„En hier is hij!” riep Francis uit. „Hemeltje! Dat was de neus, waar ik

tegen opgeklommen ben. We staan er te dicht bij om een goed overzicht

te hebben. Op een honderd meter afstand, zou het er uitzien als een

reusachtig gelaat.”

Leoncia naderde statig en schopte tegen een rottende hoop bladeren en

takjes, die daar blijkbaar door de tropische stormen neergewaaid waren.

„Dat moet de mond zijn of de plek waar een mond hoort te zitten, hier

onder den neus,” sprak zij.

In een oogwenk hadden Henry en Francis den rommel terzijde geschopt en

een opening blootgelegd, die te klein was om een menschelijk lichaam

door te laten. Het was duidelijk, dat de neergestortte rotsblokken den

weg gedeeltelijk versperd hadden. Door enkele rotsblokken opzij te

werken, kregen ze voldoende ruimte, dat Francis zijn hoofd en schouders

naar binnen kon werken en bij het licht van een lucifer rondkijken.

„Pas op voor slangen,” waarschuwde Leoncia.

Francis bromde, ten teeken dat hij het verstaan had en rapporteerde:

„Dit is geen natuurlijk hol. Het zijn allemaal uitgehouwen rotsen en

goed gedaan ook, voor zoover ik er over oordeelen kan.” Een gemompelde

verwensching verkondigde, dat hij zijn vingers brandde aan den

uitdoovenden lucifer. En vervolgens hoorden zij zijn stem, verwonderd

uitroepen: „Ik heb geen lucifers meer noodig. Het heeft een eigen

verlichting—ergens in de hoogte—een geheime verlichting, maar toch is

het daglicht. Deze oude Mayas waren beslist handige kerels. Het zou me

niets verwonderen, als we een lift ontdekten, warm en koud water, een

fornuis en een Zweedschen portier.—Welnu, tot ziens.”

Zijn lichaam, beenen en voeten verdwenen en toen hoorden zij zijn stem:

„Kom ook binnen. Het hol is fijn.”

„En ben je nu niet blij, dat ik meegegaan ben?” vroeg Leoncia, toen ze

zich bij de twee mannen voegde op den gelijken vloer van de, in de rots

uitgehouwen, kamer, waar zij, nu hun oogen zich snel gewenden aan het

geheimzinnige, grauwe daglicht, met verrassende duidelijkheid om zich

heen konden zien. „Eerst vond ik de oogen voor jelui en toen den mond.

Als ik niet mee gegaan was, zouden jelui nu hoogstwaarschijnlijk een

halve mijl verder geweest zijn, om de rots heenloopend en je met

iederen stap verder verwijderend.”

„Maar de plaats is even leeg als Moeder Hubbards provisiekast,”

vervolgde zij een oogenblik later.

„Natuurlijk,” zei Henry. „Dit is enkel de antichambre. Zoo simpel

zouden de Mayas den schat niet verbergen, waar de conquistadores met

zoo’n ijver achterheen zaten. Ik durf te wedden, dat we er bijna nog

even ver van af zijn om den schat te vinden, als wij zijn zouden,

wanneer we nog in San Antonio zaten, in plaats van hier.”

De doorgang, die twaalf of vijftien voet breed en een onbepaalde hoogte

had, liep volgens Henry’s schatting een veertig passen, of ruim honderd

voet door. Toen werd ze plotseling nauwer, liep eerst met een rechthoek

naar rechts en met een dergelijken rechthoek naar links en beschreef

een bocht naar een ander ruim vertrek.

Nog altijd wees het geheimzinnig binnendringende daglicht hen den weg

en Francis, die vooruitliep, bleef zoo plotseling stilstaan, dat

Leoncia en Henry, die een voor een achter hem aankwamen, tegen hem

aanbotsten. Zij gingen naast elkaar staan, Leoncia in het midden en

Henry aan haar linkerzijde en staarden nu op een lange rij menschelijke

wezens, reeds lang dood, maar niet tot stof vergaan.

„Evenals de Egyptenaren, kenden de Mayas de balsemkunst,” zei Henry,

onwillekeurig zijn stem dempend tot een gefluister in de

tegenwoordigheid van zooveel onbegraven dooden, die recht overeind

stonden, met open oogen, alsof ze nog altijd leefden.

Allen waren als Europeanen gekleed en allen droegen de ongevoelige

gelaatstrekken van Europeanen. Evenals in hun leven, waren zij gehuld

in de door de eeuwen verteerde kleedij der conquistadores en Engelsche

zeeroovers. Twee hunner droegen een verroest harnas, waarvan het vizier

opgeslagen was. Hun zwaarden en ponjaarden waren in hun gordels

gestoken of hielden zij in hun verschrompelde handen en in hun gordels

staken ook reusachtige vuursteenpistolen van heel oud model.

„De oude Maya had gelijk,” fluisterde Francis. „Ze hebben de bergplaats

getooid met hun stoffelijke overblijfselen en zijn in de wachtkamer

neergezet als een waarschuwend voorbeeld voor indringers.—Zeg! Die

kerel is een echte Spanjaard. Ik wil wedden, dat hij haia-lai gespeeld

heeft, en zijn voorouders voor hem ook.”

„En dat is een man uit Devonshire, zoo zeker als iets,” fluisterde

Henry terug. „Ik wil kwartjes met gaatjes verwedden tegen acht dollar

stukken, dat hij de vaalbruine herten stroopte en aan ’s konings wraak

ontsnapte in het eerste schip, dat uitzeilde naar het Spaansche

Schiereiland.”

„Br-r-r!” huiverde Leoncia, zich aan de twee mannen vastklemmend. „De

heilige dingen der Mayas zijn doodelijk en spookachtig. En er gaat een

klassieke wraakneming mee gepaard. De zoogenaamde schenders der

schatkamer zijn haar verdedigers geworden, haar beschermend met hun

stof, dat niet vergaat.”

Ze voelden niet veel lust om verder te gaan. De aangekleede geesten

der, reeds zoo langen tijd, dooden, hield hen tijdelijk ervan terug.

Henry werd melodramatisch.

„Zelfs tot deze afgelegen, gekke plaats leidde hun speurhondenneus hen,

reeds van het begin der Verovering af, op zoek naar schatten,” sprak

hij. „Al konden zij er zich dan ook niet mee uit de voeten maken, ze

hebben ze toch ongetwijfeld beroerd.—Ik neem mijn hoed voor jelui af,

zeeroovers en conquistadores! Ik groet u, oude, onversaagde

plunderaars, wier neuzen het goud rooken en wier harten dapper genoeg

waren om er voor te vechten!”

„Oef!” zei Henry, terwijl hij er bij de andere twee op aandrong om de

rij der vroegere avonturiers te doorloopen. „De oude Sir Henry zelf

moest eigenlijk hier staan, aan het hoofd der stoet.”

Zij deden dertig passen eer de doorgang weer een bocht maakte, juist

aan het einde der dubbele rij mummies en hier liet Henry zijn makkers

halt houden, terwijl hij voor zich uit wees en sprak:

„Ik weet niets van Sir Henry, maar daar heb je Alvarez Torres.”

Met een Spaanschen helm op, met een versleten Spaansch gewaad uit de

middeleeuwen, een groot Spaansch zwaard in zijn bruine, verweerde hand,

stond een mummie, wier mager, bruin gelaat sprekend geleek op het

magere, bruine gelaat van Alvarez Torres. Leoncia deinsde op dit

gezicht hijgend terug en bekruiste zich. Francis liet haar aan Henry

over, naderde en streek met zijn vingers over wangen, lippen en

voorhoofd van het voorwerp en lachte geruststellend:

„Ik wou maar, dat Alvarez Torres even dood was als deze hier. Ik

twijfel er echter geen oogenblik aan, of Torres stamde van hem af—ik

bedoel vóór hij hier kwam om hier zijn laatste aardsche woonplaats te

kiezen als een lid van de Bewaarders der Maya-schat.”

Leoncia passeerde huiverend de grimmige gedaante. Ditmaal noodzaakte de

nauwe bocht, die zeer donker was, Henry, die vooruit liep, om

verscheidene lucifers aan te steken.

„Hallo!” zei hij, toen hij na een paar honderd voet afgelegd te hebben,

stilhield. „Kijk eens naar die handwerkkunst! Kijk eens, hoe die steen

gehouwen is!”

Voor hen uit, stroomde grauw licht den doorgang binnen en maakte het

gebruik van lucifers onnoodig. Halverwege in een nis lag een steen,

even groot als de doorgang. Het was duidelijk, dat men dezen gebruikt

had om den doorgang af te sluiten. Hij was prachtig bewerkt, de

zijkanten en hoeken precies gelijk gemaakt aan de plaats in den muur,

waar hij ingeschoven moest worden.

„Ik wil wedden, dat de vader van den ouden Maya hier gestorven is,”

riep Francis uit. „Hij kende het geheim der balansen en hefboomen, die

dien steen in beweging brachten en hij werd slechts gedeeltelijk

weggeschoven, zooals je ziet...”

„De hel is losgebroken!” viel Henry hem in de rede, voor zich op den

vloer wijzend, waar de verschillende gedeelten van een geraamte

verspreid lagen. „Dat moeten zijn overblijfselen zijn. ’t Is beslist

van jongeren datum, anders zou hij ook wel een mummie geworden zijn.

Hoogstwaarschijnlijk was hij de laatste bezoeker, die voor ons hier

kwam.”

„De oude priester zei, dat zijn vader mannen van de tierra caliente

hierheen leidde,” herinnerde Leoncia Henry.

„En hij zei, dat niemand ooit terugkeerde,” voegde Francis er bij.

Henry, die het doodshoofd onderzocht en opgeraapt had, slaakte weer een

uitroep en stak een lucifer aan, om de anderen te laten zien, wat hij

ontdekt had. Niet alleen droeg het hoofd de sporen van een slag met een

zwaard of een hakmes, maar een gat in den achterkant van het doodshoofd

wees duidelijk aan, dat daar een kogel binnengedrongen was. Henry

schudde het hoofd en werd beloond door een gerammel er binnen in,

schudde nog eens en schudde er een, gedeeltelijk afgeplatten, kogel

uit. Francis onderzocht dezen.

„Uit een oud pistool,” besloot hij hardop. „Met zwak of zeer verlegen

kruit, want in een plaats als deze, moet het schot van een kleinen

afstand gelost zijn en toch is de kogel niet door en door gedrongen. En

het is beslist een echt menschenhoofd.”

Een rechthoekige bocht vormde het einde van den elleboog en gaf toegang

tot een kleine, maar goed verlichte, in de rots uitgehouwen kamer. Door

een boog en met verticale, een voet dikke en een halven voet van

elkander geplaatste, steenen staven afgesloten venster, drong grauw

daglicht naar binnen. De vloer van dit vertrek was bezaaid met

uitgebleekte menschelijke beenderen. Een onderzoek der doodshoofden

wees uit, dat deze van Europeanen afkomstig waren. Daartusschen

verspreid lagen geweren, pistolen en messen en hier en daar een hakmes.

„Zoover kwamen zij, over den drempel der schatkamer,” zei Francis, „en,

naar den schijn te oordeelen, hebben zij om het bezit ervan gestreden

vóór ze hem in handen kregen. ’t Is jammer, dat de oude man niet hier

is, om te zien, wat er met zijn vader gebeurde.”

„Zouden er geen overlevenden geweest zijn, om er met den buit van door

te gaan?” opperde Henry.

Maar op dat oogenblik zag Francis, die van de beenderen opkeek om de

kamer aan een onderzoek te onderwerpen, iets, wat hem deed zeggen:

„Neen, beslist niet. Kijk die steenen in die oogen eens. Dat zijn

robijnen of ik heb nog nooit een robijn gezien!”

Zij volgden zijn blik naar het steenen beeld van een hurkende, zware

vrouw, die hen met roode oogen en open mond aanstaarde. De mond was zoo

groot, dat het gezicht erdoor tot een caricatuur gemaakt werd. Ernaast,

eveneens uit steen gehouwen en van iets heldhaftiger vormen, stond een

obscure en afzichtelijke mannelijke gedaante, met één gewoon oor en één

oor, even belachelijk groot als de mond der vrouw.

„Die schoone dame moet zeker Chia voorstellen,” grinnikte Henry. „Maar

wie is haar mannelijke vriend met het olifantsoor en de groene oogen?”

„Raad maar,” lachte Francis. „Maar dit weet ik wel: deze groene oogen

van den man met zijn olifantenoor zijn de grootste smaragden, die ik

ooit gezien of waarvan ik ooit gedroomd heb. Ieder op zich zelf is

eigenlijk te groot om verhandeld te kunnen worden. Ze zijn geschikt

voor kroonjuweelen of voor niets.”

„Maar een paar smaragden en een paar robijnen, hoe groot ze ook zijn,

kunnen toch niet den geheelen schat der Mayas vormen,” merkte Henry op.

„Wij zijn den drempel der schatkamer overgestapt en nu missen wij den

sleutel...”

„Die de oude Maya, daarginds op de schreeuwende zandvlakten,

ongetwijfeld in die heilige kwast kan vinden,” sprak Leoncia. „Behalve

deze twee beelden en de beenderen op den vloer, is er niets hier te

vinden.”

Onder het spreken, naderde zij het mannelijk beeld, om dit beter te

bekijken. Het belachelijke oor trok haar aandacht en zij wees er in,

zeggend: „Ik weet den sleutel niet, maar hier heb je het sleutelgat.”

In werkelijkheid was het olifantsoor, in plaats van een opening te

vertoonen, die men van zoo’n groot oor zou verwachten, heelemaal

dichtgemaakt op een kleine opening na, die wel een beetje geleek op een

sleutelgat. Tevergeefs liepen ze door de kamer, tegen den muur en op

den vloer kloppend, op zoek naar listig verborgen doorgangen of geheime

aanwijzingen, die leidden naar de bergplaats van den schat.

„De beenderen der mannen van de tierra caliente, twee afgodsbeelden,

twee smaragden van buitengewone grootte, twee dito robijnen en wij

zelven, dat is al, wat dit vertrek bevat,” telde Francis op. „Er

blijven ons slechts twee dingen over om te doen: terugkeeren en Ricardo

en de muilezels halen om hier buiten te kampeeren; en den ouden heer en

zijn heilige knoopen hierheen brengen, al zouden we hem moeten dragen.”

„Blijf jij hier met Leoncia, dan zal ik teruggaan om hen te halen,”

stelde Henry voor, toen ze door de lange gangen geloopen waren en de

rij der rechtopstaande dooden en buiten de rots stonden in de

zonneschijn en de frissche lucht.

Achter hen op de schreeuwende zandvlakten knielden de inlander en zijn

vader in den cirkel, die op zoo luidruchtige wijze door den wijsvinger

van den ouden man getrokken was. Een plaatselijke regenbui ontlastte

zich boven hen en, ofschoon de inlander huiverde, bad de oude man door,

ongevoelig voor den wind en den regen, die zijn huid geeselden. Omdat

de inlander huiverde en zich onbehaaglijk voelde, merkte hij twee

dingen op, die aan de aandacht van zijn vader ontsnapten. Ten eerste,

zag hij Alvarez Torres en José Mancheno zich voorzichtig uit de jungle

op de zandvlakten wagen. Vervolgens zag hij een wonder gebeuren. Dit

wonder was, dat dit tweetal kalm voortstapte over het zand, zonder dat

hun voortgaan het minste geluid te voorschijn riep. Toen zij verdwenen

waren, raakte hij met zijn vinger voorzichtig het zand aan en er

ontstond geen spookachtig gefluister. Hij duwde zijn vinger in het zand

en nog bleef alles stil, evenals het stil bleef, toen hij stevig met

zijn vlakke hand op het zand sloeg. De voorbijtrekkende regenbui had

het zand met stomheid geslagen.

Hij schudde zijn vader wakker uit zijn gebeden, zeggend:

„Het zand geeft geen geluid meer. Het is even stil als het graf. En ik

heb den vijand van den rijken Gringo geruischloos over de zandvlakten

zien loopen. Hij is niet vrij van zonden, deze Alvarez Torres, en toch

maakte het zand geen leven. Het zand is dood. De stem van het zand

bestaat niet. Waar de zondaar mag loopen, daar mogen gij en ik ook

loopen, oude vader.”

Binnen den cirkel trok de oude Maya, met bevenden wijsvinger nog meer

kabalistische teekenen in het zand en het zand schreeuwde niet tegen

hem. Buiten den cirkel was het hetzelfde—omdat het zand nat geworden

was, en omdat het zand enkel kon spreken, wanneer het door de zon

kurkdroog was geworden. Hij liet de knoopen van de heilige kwast door

de vingers glijden.

„Ze zeggen,” sprak hij, „dat we veilig verder kunnen gaan, als het zand

niet meer schreeuwt. Tot dusverre heb ik alle voorschriften opgevolgd.

Opdat wij nu ook verder gehoorzamen, moeten we voortgaan.”

Ze vorderden zoo snel, dat ze, kort nadat ze de schreeuwende

zandvlakten over waren, Torres en Mancheno inhaalden, welk waardig

tweetal in het kreupelhout aan den eenen kant sloop, wachtte tot de

priester en zijn zoon voorbijgegaan waren en toen, achter hun aan, hun

weg vervolgden. Onderwijl liep Henry, die een korteren weg nam, de

beide paren mis.

Drie Harten · 第 17 / 33 题