HOOFDSTUK XIII.

Een week later vertrokken drie verschillende expedities op denzelfden

dag uit San Antonio naar de Cordilleras. De eerste, op muildieren

gezeten, bestond uit Henry, Francis, den inlander en zijn ouden vader

en verscheidene knechts van Solano, die ieder een lastdier aan den

teugel leidden, beladen met provisie en benoodigdheden. De oude Enrico

Solano werd op het laatste oogenblik verhinderd om van de partij te

zijn door het opengaan van een oude wond, die hij opgeloopen had in de

revolutionnaire gevechten in zijn jonge jaren. De cavalcade volgde de

hoofdstraat van San Antonio, langs de gevangenis, waarvan Francis den

muur met dynamiet had laten springen en die nu nog langzaam hersteld

werd door de gevangenen van den Chef. Torres, die door de straat

slenterde, met het laatste telegram van Regan in zijn zak, zag met

verwondering de uittocht der Morgans.

„Waarheen, senors?” riep hij.

Zoo spontaan alsof ze het afgesproken hadden, wees Francis naar de

lucht, Henry regelrecht naar beneden naar de aarde, de inlander naar

rechts en zijn vader naar links. De vloek, waarmee Torres deze

onbeleefdheid beantwoordde, deed allen in lachen uitbarsten, waarin,

onder het voortrijden, ook de knechts bij de muildieren instemden.

Later in den morgen, in het siesta-uur, terwijl de heele stad sliep,

werd Torres voor de tweede maal verrast. Ditmaal werd dit veroorzaakt

door het zien van Leoncia en haar jongsten broeder, Ricardo, die, op

muildieren gezeten, een derde muildier aan den teugel meevoerden, dat

blijkbaar beladen was met een kampeeruitrusting.

De derde expeditie was die van Torres zelf, niet meer of minder

armzalig dan die van Leoncia, want ze bestond alleen uit hem zelf en

nog één persoon, José Mancheno, een berucht moordenaar, die Torres, om

bijzondere redenen, gered had van de gieren te San Juan. Maar Torres’

plannen waren, wat deze expeditie betreft, veel omvangrijker, dan ze

leken. Niet ver weg op de hellingen der Cordilleras woonde de

eigenaardige stam der Caroos. Oorspronkelijk gesticht door weggeloopen

negerslaven van Afrika en Carib-slaven van de Mosquito-Kust, hadden de

afvalligen zich vereenigd met gestolen vrouwen der tierra caliente en

met vrouwelijke slaven, die ontvlucht waren evenals zij zelf. Tusschen

de verderop wonende Mayas en het Gouvernement langs de kust, had deze

eigenaardige kolonie een gedeeltelijke onafhankelijkheid weten te

bewaren. In later dagen vermeerderd met ontvluchte Spaansche

gevangenen, waren de Caroos een mengelmoes geworden van rassen en

verheugden zich in zoo’n slechten naam en faam, dat de toenmalige

regeering van Columbia, ware zij niet zoozeer in beslag genomen door

haar eigen politieke aangelegenheden, beslist troepen uitgezonden zou

hebben, om het pesthol te vernietigen. En in dit pesthol der Caroos was

José Mancheno geboren uit een Spaansche moordenaar-vader en een

mestiza-moordenares-moeder. En naar dit pesthol leidde José Mancheno

Torres, opdat de bevelen van Thomas Regan uit Wall Street ten uitvoer

gebracht zouden worden.

„’t Is een geluk, dat we hem nog gevonden hebben,” zei Francis tegen

Henry, toen ze achter den laatsten Maya-priester aanreden.

„Hij is erg oud,” antwoordde Henry. „Kijk maar eens naar hem.”

De oude man, die voorop reed, haalde gedurig de heilige kwast te

voorschijn en liet deze, mompelend en fluisterend, door zijn vingers

glijden.

„Ik hoop, dat de ouwe heer het volhoudt,” was Henry’s vurige wensch.

„Men zou denken, dat hij de aanwijzingen eens zou lezen en ze wel een

poosje onthouden, inplaats van ze voortdurend te herkauwen.”

Zij kwamen uit de jungle op een open plek, die er uitzag, alsof de

mensch den een of anderen tijd de jungle weggehakt en teruggedrongen

had. Verderop bood deze open plek uitzicht op den berg, genaamd Blanco

Rovalo, die zich hoog in de zonnige lucht verhief. De oude Maya hield

zijn muildier in, voelde langs verschillende koorden uit de kwast, wees

op den berg en sprak in gebroken Spaansch:

„Er staat geschreven: Wacht in de voetstappen van den God, tot de oogen

van Chia beginnen te schitteren.”

Hij wees bepaalde knoopen van een bepaald koord aan als de bron van

deze inlichting.

„Waar zijn de voetstappen, oude priester?” vroeg Henry, om zich heen

ziende naar de ongerepte graszoden.

Maar de oude man zette zijn muildier aan, met zijn bloote hielen het

dier in de ribben porrend, joeg het voort over de open plek en verderop

de jungle in.

„Hij is net een hond, die iets op het spoor is en het ziet er naar uit

of het spoor warm wordt,” merkte Francis op.

Na een halve mijl afgelegd te hebben, toen de jungle overging in

grasland op sterk stijgende hellingen, dwong de oude man zijn muildier

om te galoppeeren, wat hij volhield tot hij een natuurlijke verdieping

in den grond bereikte. Drie voet of meer diep, ruim genoeg om met gemak

een dozijn personen te bevatten, vertoonde de vorm een treffende

gelijkenis met den indruk van een kolossalen menschelijken voet.

„De voetstap van den God,” verklaarde de oude priester plechtig, voor

hij zich van zijn muildier liet glijden en zich biddend op den grond

wierp. „Wij moeten wachten in den voetstap van den God, tot de oogen

van Chia beginnen te schitteren—aldus zeggen de heilige knoopen.”

„Een geschikte plaats om wat te eten,” merkte Henry op, in de diepte

kijkend. „Terwijl we op die hokus-pokus-dwaasheid wachten, kunnen we

best den inwendigen mensch versterken.”

„Als Chia er niets op tegen heeft,” lachte Francis.

En Chia had er niets op tegen, tenminste de oude priester kon geen

enkel bezwaar vinden in de knoopen.

Terwijl de muildieren vastgebonden werden op den zoom van de eerste

open plek, werd er uit een nabijgelegen bron water gehaald en in den

voetstap een vuur aangelegd. De oude Maya scheen niets van dit alles te

merken, terwijl hij eindelooze gebeden mompelde en de knoopen steeds

weer door zijn hand liet gaan.

„Als hij maar niet wegwaait,” zei Francis.

„Ik vond, dat hij er woest uitzag, toen we hem den eersten dag in

Juchitan ontmoetten,” vervolgde Henry. „Maar dat was nog niets,

vergeleken bij nu.”

Maar nu nam de inlander het woord, die wel geen woord van hun Engelsch

kon verstaan, maar toch de bedoeling ervan begreep.

„Het is zeer heilig, zeer gevaarlijk, om iets te doen te hebben met de

oude, heilige zaken der Mayas. Dit is de weg des doods. Mijn vader weet

dit. Menigeen is gestorven. Hun dood was plotseling en verschrikkelijk.

Zelfs Maya-priesters zijn omgekomen. De vader van mijn vader stierf ook

aldus. Hij, ook, beminde een vrouw van de tierra caliente. En uit

liefde tot haar, verkocht hij voor goud het geheim der Mayas en leidde

door het knoopenschrift mannen van de tierra caliente naar den schat.

Hij stierf. Ze stierven allen. Mijn vader mag de vrouwen van de tierra

caliente niet meer, nu hij oud is. In zijn jeugd hield hij te veel van

haar en dat was zijn zonde. En hij kent het gevaar, dat hij loopt, door

u naar den schat te geleiden. Menigeen heeft gezocht in al die eeuwen.

Van hen, die haar vonden, keerde er geen een terug. Er wordt verteld,

dat zelfs conquistadores en zeeroovers van den Engelschen Morgan de

bergplaats bereikt hebben en deze versierd met hun beenderen.”

„En wanneer je vader sterft, dan volg jij, zijn zoon, hem zeker op als

hoogepriester der Mayas?” vroeg Francis.

„Neen, senor,” zei de inlander hoofdschuddend. „Ik ben maar een

halfbloed-Maya. Ik kan het knoopenschrift niet lezen. Mijn vader heeft

het mij niet geleerd, omdat ik niet van zuiver Maya-ras ben.”

„En wanneer hij nu op het oogenblik mocht sterven, is er dan een andere

man, die het knoopenschrift kan lezen?”

„Neen, senor. Mijn vader is de laatste, die die oude taal kent.”

Maar het gesprek werd gestoord door Leoncia en Ricardo, die, nadat zij

hun muildieren bij de anderen hadden vastgebonden, heel onnoozel over

den rand der diepte keken. Een glans van vreugde kwam op het gelaat van

Francis en Henry toen ze Leoncia zagen, terwijl hun monden zich openden

om haar te berispen en te beknorren. Ook drongen zij er op aan, dat ze

met Ricardo terug zou keeren.

„Maar je kunt me toch niet wegsturen voor ik iets te eten gehad heb,”

hield zij aan, en liet zich van de helling naar beneden glijden, om met

echt vrouwelijke list, het gesprek op een hechtere en meer intieme

basis over te brengen.

Door het geluid hunner stemmen gestoord, ontwaakte de oude Maya uit

zijn gebedsvervoering en keek haar toornig aan. En toornig barstte hij

los, Spaansche woorden en zinnen vermengend met een stroom van

dreigementen in de taal der Mayas.

„Hij zegt, dat de vrouwen niet deugen,” vertolkte de inlander in de

eerste pauze. „Hij zegt dat vrouwen oorzaak zijn van de twisten der

mannen, dat zij het snelle staal, den plotselingen dood met zich

voeren. Onheil en Gods toorn rusten altijd op haar. Hun wegen zijn niet

Gods wegen en zij voeren den man naar zijn ondergang. Hij zegt, dat

vrouwen de eeuwige vijanden zijn van God en de mannen, daar zij eeuwig

een hinderpaal zijn tusschen God en den man. Hij zegt, dat de vrouwen

altijd de voetstappen van God uitgewischt en de mannen weerhouden

hebben om langs Gods weg tot God te komen. Hij zegt, dat deze vrouw

terug moet keeren.”

Met lachende oogen floot Henry, om zijn waardeering voor deze

schimprede te kennen te geven, terwijl Francis zei:

„Zal je nu lief zijn, Leoncia? Je ziet, hoe een Maya over je sexe

denkt. Dit is geen geschikte plaats voor je. Californië is beter. Daar

hebben de vrouwen meer in de melk te brokken.”

„Het ongeluk is, dat de oude man zich de vrouw herinnert, die zijn

noodlot was in de dagen zijner jeugd,” zei Francis. Hij wendde zich tot

den inlander. „Verzoek je vader om het knoopenschrift te lezen en te

zien, wat het zegt ten gunste of ten ongunste van de vrouw, die wandelt

in de voetstappen van God.”

Tevergeefs onderzocht de hoogepriester het heilige schrift. Hij kon

niet het minste bezwaar tegen de vrouwen erin vinden.

„Hij vermengt zijn eigen ervaringen met zijn mythologie,” grinnikte

Francis triomfantelijk. „Ik denk dus, dat het geen kwaad kan, Leoncia,

wanneer je een hapje blijft eten. De koffie is klaar. Daarna...”

Maar dit „daarna” kwam dadelijk. Nauwelijks hadden zij zich op den

grond neergezet en waren begonnen met eten, of Francis, die opgestaan

was om Leoncia van tortillas te bedienen, voelde zijn hoed van zijn

hoofd slaan.

„Op mijn woord,” zei hij, zich neerzettend. „Dat was onverwacht. Henry,

waag er eens een oogje aan en kijk, wie me als schijf wilde gebruiken.”

Het volgend oogenblik gluurden aller oogen, behalve die van den vader

van den inlander, over den rand van den voetstap. Wat zij van alle

kanten op zich zagen aankruipen, was een onbeschrijfelijke en

zonderling gekleede bende mannen, die niet tot het een of ander ras

schenen te behooren, maar samengesteld uit alle mogelijke rassen. De

verschillende menschelijke rassen schenen bijgedragen te hebben aan hun

vormen en de kleurschakeeringen hunner huid.

„De smerigste bende, die ik ooit gezien heb,” was Francis’ commentaar.

„Het zijn de Caroos,” mompelde de inlander vreesachtig.

„En wie voor den...” begon Francis. Oogenblikkelijk trok hij zijn

woorden in. „En wie in ’s hemelsnaam zijn de Caroos?”

„Zij komen regelrecht uit de hel,” was het antwoord van den inlander.

„Zij zijn woester dan de Spanjaarden, verschrikkelijker dan de Mayas.

Zij geven of nemen niet ten huwelijk, en een priester is onder hen

onbekend. Zij zijn duivelsgebroed en hun wegen zijn de wegen des

duivels, alleen nog een beetje erger.”

Hier stond de Maya op en wees, met een beschuldigend uitgestoken

vinger, Leoncia aan als de oorzaak van deze laatste moeilijkheid. Een

kogel schampte zijn schouder en deed hem in de rondte tollen.

„Trek hem omlaag!” schreeuwde Henry tegen Francis. „Hij is de eenige,

die de knoopentaal kent; en de oogen van Chia, wat dit ook zijn moge,

hebben nog niet geschitterd.”

Francis gehoorzaamde, zijn arm uitstrekkende en den ouden kerel bij de

beenen grijpend, rukte hij hem omlaag, zoodat hij neerviel als een slap

skelet.

Henry greep zijn geweer en antwoordde met een fusillade. Ricardo,

Francis en de inlander volgden dadelijk zijn voorbeeld. Maar de oude

man, die nog altijd de knoopen door zijn hand liet glijden, vestigde

zijn blik over den versten rand van den voetstap op een ruwen bergkam

verderop gelegen.

„Houd op!” schreeuwde Francis, tevergeefs trachtend om zich

verstaanbaar te maken.

Hij was gedwongen om van den een naar den ander te kruipen en ze met

geweld te dwingen om met vuren op te houden. Ieder afzonderlijk moest

hij uitleggen, dat al hun ammunitie op de muilezels was en dat ze

zuinig moesten zijn met het weinige, dat ze in hun geweren en gordels

hadden.

„En zorg, dat ze je niet raken,” waarschuwde Henry. „Ze hebben oude

musketten en donderbussen, die gaten in je lichaam maken ter grootte

van soepborden.”

Een uur later was de laatste kogel verschoten, op enkele in Francis’

automatisch pistool na; en het onregelmatig vuur der Caroos werd uit

den kuil met stilzwijgen beantwoord. José Mancheno was de eerste, die

vermoedde hoe de zaken stonden. Voorzichtig kroop hij naar den rand van

den kuil om zich te overtuigen en gaf toen den Caroos een teeken, dat

de ammunitievoorraad der belegerden uitgeput was en zij nader moesten

komen.

„Aardig in den val geloopen, senors,” hoonde hij de verdedigers,

terwijl overal langs den rand het gelach der Caroos werd vernomen. Maar

het volgend oogenblik veranderde de toestand even verwonderlijk als een

tooneelverandering in een pantomime. Met wilde angstkreten sloegen de

Caroos op de vlucht. Zoo wanordelijk en overhaast ging het toe, dat

velen van hun de musketten en hakmessen lieten vallen.

„Ik zal je toch wel krijgen, Senor Gier,” verzekerde Francis spottend

tegen Mancheno, terzelfdertijd zijn pistool op hem richtend. Hij hief

zijn wapen op terwijl Mancheno vluchtte, maar bedacht zich en haalde

den trekker niet over.

„Ik heb maar drie kogels meer over,” legde hij Francis half

verontschuldigend uit. „En in dit land kan men nooit met zekerheid

zeggen, wanneer drie kogels het best te pas komen, dat heb ik al

gemerkt, zeker, zeker.”

„Kijk!” riep de inlander, op zijn vader en den verwijderden bergrug

wijzend. „Daarom zijn ze weggeloopen. Zij hebben de gevaren

ondervonden, verbonden aan de heilige dingen der Mayas.”

De oude priester, die de knoopen van de kwast door zijn handen liet

glijden in een extase, die bijna op vervoering geleek, keek

onafgebroken naar den bergrug, waar vlak naast elkaar twee heldere

lichtstralen gedurig flikkerend te voorschijn kwamen.

„Twee gelijke spiegels in de handen van een mensch zouden hetzelfde

effect geven,” was Henry’s opmerking.

„Het zijn de oogen van Chia,” herhaalde de inlander. „Het staat zoo

geschreven in de knoopen, zooals gij mijn vader hebt hooren zeggen.

„Wacht in de voetstappen van den God, tot de oogen van Chia beginnen te

schitteren.””

De oude man sprong overeind en verklaarde opgewonden: „Om den schat te

vinden, moeten we eerst de oogen vinden!”

„’t Is goed, oude kerel,” kalmeerde Henry hem, terwijl hij met een

klein reiskompas den stand der glinsterende voorwerpen vaststelde.

„Hij heeft een kompas in zijn hoofd zitten,” was een uur later Henry’s

opmerking over den ouden priester, die op een muildier vooraan reed.

„Ik controleer hem met het kompas en, onverschillig hoe de natuurlijke

hinderpalen hem noodzaken om van de richting af te wijken, hij komt

altijd er weer op terug, alsof hijzelf een magneetnaald was.”

Nadat ze den voetstap verlaten hadden, waren de schitteringen niet meer

te zien geweest. Blijkbaar waren ze alleen van die ééne plek in het

woeste landschap zichtbaar. Het landschap was woest, met ravijnen en

rotsen, afgewisseld door boschrijke gedeelten en vlakten, bedekt met

zand of vulkaanasch. Ten slotte werd de weg onbegaanbaar voor hun

rijdieren en Ricardo werd achtergelaten om toezicht te houden op de

muildieren en hun geleiders en een kamp op te slaan. De rest van het

gezelschap ging verder, de met jungle begroeide helling, die hun weg

versperde, bestijgend door zichzelf en elkander tegen de boomwortels

omhoog te hijschen. De oude Maya, die nog altijd vooraan ging, was zich

niet bewust van Leoncia’s tegenwoordigheid.

Plotseling, een halve mijl verder, stond hij stil en deinsde, als door

een adder gestoken, terug. Francis lachte en over het woeste landschap

klonk de dissonant van een spottenden echo. De laatste priester der

Mayas liet haastig de knoopen door zijn hand glijden, pikte er een

bijzonder koord uit, raadpleegde tot tweemaal toe de knoopen en sprak

toen:

„Wanneer de God lacht, wees voorzichtig!—aldus zeggen de knoopen.”

Vijftien minuten gingen verloren eer Henry en Francis er in slaagden

hem slechts gedeeltelijk te overtuigen, en wel door herhaaldelijk te

roepen, dat het een echo was.

Een half uur later kwamen zij uit op een reeks, sterk golvende,

zandheuvels. Weer deinsde de oude man terug. Uit het zand, waarop zij

liepen, steeg een luid geruisch op. Wanneer ze stilstonden, was alles

stil. Een enkele stap en al het zand begon te spreken.

„Wanneer de God lacht, wees voorzichtig!” waarschuwde de oude Maya.

Met zijn vinger een cirkel in het zand trekkend, dat tegen hem riep

onder dit werk, zonk hij daarin op zijn knieën neer en de aanraking van

zijn knieën met het zand veroorzaakte een krijschend en huilend geluid.

De inlander volgde het voorbeeld van zijn vader in den luidruchtigen

cirkel, waar de oude man met zijn vinger schreeuwende kabalistische

figuren en teekeningen maakte.

Leoncia was onder den indruk en klemde zich aan Henry en Francis vast.

Zelfs Francis was niet op zijn gemak.

„De echo was een echo,” zei hij. „Maar dit hier is geen echo. Ik

begrijp er niets van. Eerlijk gezegd, krijg ik er kippenvel van.”

„Onzin!” antwoordde Henry, het zand met zijn voet in beweging brengend

tot het weer schreeuwde. „Dit is het schreeuwende zand. Op het eiland

Kauai, een der eilanden van Hawaii, heb ik dergelijke schreeuwende

zandvlakten gezien—een echte plaats voor touristen, dat verzeker ik je.

Dit soort is alleen nog een beetje beter en veel luidruchtiger. De

geleerden hebben een twintigtal hoogdravende theorieën om dit

verschijnsel te verklaren. Het wordt ook nog in verscheidene andere

plaatsen der wereld gevonden, zooals ik gehoord heb. Er is maar een

ding mogelijk, en dat is: het kompas volgen, dat ons er dwars doorheen

leidt. Zulk zand schreeuwt, maar men heeft nog nooit gehoord, dat het

beet.”

Maar de laatste der priesters was niet uit zijn cirkel te krijgen,

ofschoon zij er wel in slaagden om hem lang genoeg aan zijn gebeden te

onttrekken om een stortvloed van hartstochtelijke woorden in de taal

der Mayas over hen uit te storten.

„Hij zegt, dat we zoo’n groote heiligschennis willen plegen,” vertolkte

zijn zoon, „dat zelfs het zand tegen ons begint te roepen. Hij wil de

gevreesde schuilplaats van Chia niet verder naderen. En ik evenmin.

Zijn vader vond daar den dood, zooals algemeen bekend is onder de

Mayas. Hij zegt, dat hij daar niet wil sterven. Hij zegt, dat hij nog

niet oud genoeg is om te sterven.”

„Die ellendige tachtigjarige!” lachte Francis en schrok van den

spookachtigen spotlach van den echo, terwijl overal rondom hen de

zandheuvels in koor begonnen te schreeuwen. „Te jong om te sterven! Wat

zeg je daarvan, Leoncia? Ben je ook te jong om weldra te sterven?”

„Kom,” lachte ze terug, haar voet zachtjes heen en weer bewegend door

het zand, wat een licht kreunend geluid veroorzaakte. „Integendeel, ik

ben te oud om te sterven, alleen omdat de rotsen ons gelach weerkaatsen

en omdat de zandheuvels hun stem tegen ons verheffen. Kom, laten we

verder gaan. We zijn vlak bij deze lichten. Laat den ouden man in zijn

cirkel blijven wachten, tot we terugkomen.”

Zij liet de mannen los en stapte voorwaarts en toen zij volgden,

spraken al de heuvels, terwijl er een, vlak bij hen, langs wiens

hellingen een golf zand naar beneden gleed, rommelde en donderde.

Gelukkig voor hen, zooals zij spoedig zouden ondervinden, had Francis,

toen ze de muildieren achterlieten, een dun, sterk touw meegenomen.

Eenmaal op de zandvlakten ontdekten zij meer echos. Nu en dan hoorden

zij hun hallo’s, tot zes en acht maal toe, duidelijk herhalen.

„De hel is losgebroken,” zei Henry. „Geen wonder, dat de inboorlingen

een dergelijke plaats schuwen!”

„Was het niet Mark Twain, die schreef over een man, wiens stokpaardje

het was om echo’s te verzamelen?” vroeg Francis.

„Nooit van gehoord. Maar dit is beslist een schitterende collectie

Maya-echo’s. Zij hebben wijselijk deze streek als bergplaats gekozen.

Ongetwijfeld werd ze altijd als heilig beschouwd, zelfs voor de

Spanjaarden kwamen. De oude priesters kenden de natuurlijke oorzaken

der mysteries en gaven deze aan hun kudden door als een Mysterie met

een groote M en van bovennatuurlijken oorsprong.”

Slechts enkele minuten later kwamen zij uit op een open vlakte, vlak

onder een gespleten en vooruitstekende rots en veranderden hun wijze

van achter elkander voort te gaan, door met z’n drieën naast elkander

te gaan loopen. De grond had een harde, broze korst, zoo kristallijn en

droog, dat men niet kon denken, dat het verderop anders kon zijn. In

een dartele opwelling en met den wensch beide mannen gelijk te stellen,

greep Leoncia hun handen en zette het op een loopen. Maar na een half

dozijn passen gebeurde het ongeluk. Tegelijkertijd zonken Henry en

Francis tot aan hun middel weg door de aardkorst en Leoncia volgde hen,

nauwelijks een seconde later en nagenoeg even diep wegzinkend.

„De hel is losgebroken,” mopperde Henry. „Dit is de woonplaats van den

duivel zelf.”

En zijn, op zachten toon gesproken woorden, werden aan alle zijden van

de nabijgelegen rotsen teruggefluisterd en eindeloos en sissend

herhaald.

In het eerst begrepen zij niet ten volle het gevaar, waarin zij

verkeerden. Eerst door hun gemartel om los te komen, toen ze steeds

verder wegzonken, begrepen de beide mannen den ernst van den toestand.

Leoncia lachte nog altijd om het avontuur, want meer scheen het voor

haar niet te beteekenen.

„Drijfzand,” hijgde Francis.

„Drijfzand!” hijgde het geheele landschap terug en bleef dit hijgen in

een wegstervend, spookachtig gefluister, het steeds weer herhalend,

spotachtig en zalvend.

„Het is een kuil, gevuld met drijfzand,” bekrachtigde Henry.

„Misschien had die ouwe jongen wel gelijk, toen hij achterbleef op de

schreeuwende zandvlakten,” merkte Francis op.

Het spookachtig gefluister verdubbelde en het duurde geruimen tijd eer

het wegstierf.

Zij waren nu tot aan de borst weggezonken en verdwenen geleidelijk al

dieper.

„Wel, we zullen moeten zien, dat we levend uit deze klem uitkomen,” was

Henry’s opmerking.

En zonder er verder over te spreken, begonnen de beide mannen Leoncia

omhoog te hijschen, ofschoon deze poging en haar gewicht hen nog

sneller deed wegzinken. Toen ze vrij en los, met één voet op den

dichtstbijzijnden schouder van elk der beide mannen, die ze liefhad,

stond, zei Francis, ofschoon het landschap den spot met hem dreef:

„Nu, Leoncia, nu gaan wij je eruit gooien. Op het woord „Los!” laat je

los. En je moet zorgen, dat je met je volle lengte zachtjes op de borst

neerkomt. Je zult wel een beetje wegglijden. Maar laat je niet

tegenhouden. Zorg, dat je verder komt. Krabbel op handen en knieën naar

den vasten grond. En, wat er ook gebeurt, sta niet op, voor je vasten

grond onder de voeten hebt. Klaar, Henry?”

Samen, ofschoon dit hen sneller deed wegzinken, slingerden zij haar

heen en weer in de lucht en bij de derde schommeling riep Francis

„Los!” en schoven zij haar naar den veiligen oever. Zij gehoorzaamde

nauwgezet aan hun voorschriften en, op handen en knieën, bereikte zij

de veilige rotsen.

„Gooi nu het touw,” riep ze hen toe.

Maar Francis was al te ver weggezonken om het touw van zijn hals en

onder zijn eene arm weg te halen. Henry deed het voor hem en ofschoon

deze inspanning hem even ver deed wegzinken, slaagde hij er toch in om

het eene eind van het touw aan Leoncia toe te werpen.

Eerst trok zij er aan. Vervolgens legde zij een slag om een rotsblok,

ter grootte van een auto en liet Henry trekken. Maar alles was

tevergeefs. De spanning of winst was zoo gering, dat het hem alleen nog

dieper scheen te doen zinken. Het drijfzand zoog en steeg tot boven

zijn schouders, toen Leoncia hem toeschreeuwde, een helsch kabaal van

echo’s wakker roepende: „Wacht! Trek niet meer! Ik heb een idee! Laat

het heele touw schieten! Houd alleen zooveel over, dat je het onder je

armen kunt binden!”

Het volgend oogenblik klom ze, het touw bij het andere eind

vasthoudend, tegen de rots op. Veertig voet hooger, waar een kromme,

kleine boom in de spleten wortelde, stond ze stil. Het touw om den

boomstam slaande, bij wijze van haak, haalde zij het touw aan en maakte

dit vast aan een rotsklomp, die verscheidene honderden ponden woog.

„Hoera voor het meisje!” prees Francis tegen Henry.

Beide mannen begrepen wat zij van plan was en het succes hing er alleen

van af, of ze in staat zou zijn om het rotsblok in beweging te brengen

en van de helling te laten rollen. Vijf kostbare minuten gingen

verloren eer ze een dooden tak kon vinden, die sterk genoeg was om als

hefboom te dienen. De rotsklomp van achteren aanvallend en koelbloedig

te werk gaande terwijl haar beide minnaars steeds verder wegzonken,

slaagde zij er eindelijk in om hem over den rand te werken.

Toen hij viel, spande het touw zich met een ruk, die een onwillekeurig

gekreun aan Henry’s mond ontlokte, toen zijn borst plotseling omsnoerd

werd. Langzaam rees hij op uit het drijfzand, terwijl zijn vorderingen

vergezeld gingen van zuigende geluiden uit het zand, dat hem slechts

met tegenzin losliet. Maar toen hij de oppervlakte bereikte, was het

rotsblok zooveel zwaarder dan hij, dat hij met een vaart over de korst

voortschoot tot vlak onder het hijschtoestel, waarna het rotsblok tot

stilstand kwam op den grond naast hem.

Francis’ hoofd, armen en de toppen van zijn schouders waren alleen nog

maar te zien, toen het eind van het touw hem toegeworpen werd. En toen

hij naast hen op den vasten grond stond en zijn vuist schudde tegen het

drijfzand, waaraan hij zoo ternauwernood ontsnapt was, hielpen zij hem,

om het te bespotten. En myriaden spoken spotten terug en de geheele

lucht boven hen was vervuld door gefluisterde woorden, die tezamen een

duivelsch, spottend geheel vormden.

Drie Harten · 第 16 / 33 题