Precies op de plek, waar ze de eerste maal geblinddoekt werden door de,
in paklinnen gekleede, mannen, hield de stoet stil. Deze bestond uit
een aantal der, in paklinnen gekleede, mannen: Leoncia, Henry en
Francis, die geblinddoekt en op muilezels gezeten waren; en uit den
inlander, die eveneens geblinddoekt was, maar die liep. Onder een
dergelijk geleide, waren de haciendados, de Chef van Politie en Torres
met hun gendarmes, hun een half uur geleden voorafgegaan.
Met toestemming van den gestrengen aanvoerder, schoven de gevangenen,
die op het punt stonden om vrijgelaten te worden, hun blinddoeken
terug.
„Ik geloof, dat ik hier meer geweest ben,” lachte Henry, in het rond
kijkend en vaststellend, waar hij was.
„Ik geloof, dat de olie-bronnen nog altijd in brand staan,” zei
Francis, wijzend op het landschap, dat half verdwenen was in het zwarte
wolkenfloers. „Slaaf, zie het werk van je handen. Voor een man, die
geen cent bezit, ben je wel de grootste verkwister dien ik ooit gezien
heb. Ik heb wel eens gehoord van dronken olie-koningen, die hun sigaren
aanstaken met bankbiljetten van duizend dollar, maar jij doet per
minuut een millioen dollars in rook opgaan.”
„Ik ben niet arm,” snoefde de inlander, trots en geheimzinnig.
„Een vermomde millionnair!” spotte Henry.
„Waar heb je een deposito?” voegde Leoncia er aan toe. „In de Chemical
National Bank?”
De inlander begreep deze zinspelingen niet, maar wist, dat men hem voor
den gek hield en verzonk in een hooghartig stilzwijgen.
De strenge aanvoerder sprak:
„Van hier af, kunt gij uw eigen weg gaan. Zoo heeft de Rechtvaardige
bevolen. Gij, senors, moet afstijgen en uw muildieren teruggeven. Wat
de senorita betreft, die mag haar muildier behouden als een geschenk
van den Rechtvaardige, die niet gaarne de aanleidende oorzaak zou zijn,
dat een senorita moest loopen. De twee senors kunnen best loopen. De
Rechtvaardige heeft met nadruk bevolen, dat de rijke senor zou loopen.
Het bezit van rijkdommen, oordeelde hij, is oorzaak, dat een mensch te
weinig loopt. Te weinig loopen maakt dik en dikheid is een hinderpaal
op den weg naar de schoone vrouw. Aldus oordeelt de wijze
Rechtvaardige.
„Verder, herhaalt hij zijn raadgeving aan den inlander, om in de bergen
te blijven. In de bergen zal hij zijn schoone vrouw vinden, omdat hij
een vrouw moet hebben; en het is het beste, wanneer deze vrouw van zijn
eigen ras is. De vrouwen van de tierra caliente zijn voor de mannen van
de tierra caliente. De Cordilleras-vrouwen voor de Cordilleras-mannen.
God houdt niet van gemengde rassen. Een muildier is een weerzinwekkend
iets. De wereld is niet bestemd voor gemengde rassen, maar de mensch
zelf heeft van allerlei verzonnen. Zuivere rassen, die zich met
elkander kruisen, brengen onzuivere voort. Olie en water zullen zich
nooit met elkander vermengen. Soort zoekt soort en daarom moesten
alleen soortgenooten elkander huwen. Dit zijn de woorden van den
Rechtvaardige, die ik herhaald heb, zooals mij bevolen werd. En hij
heeft mij op het hart gedrukt er bij te voegen, dat hij weet, wat hij
zegt, omdat hij ook op dezelfde wijze gezondigd heeft.”
En Henry en Francis, van Angel-Saksisch ras en Leoncia van het
Latijnsche, waren verslagen en verrast, toen het oordeel van den
Blinden Roover tot hen doordrong. En Leoncia met haar bekoorlijke
vrouwenoogen, zou protest aangeteekend hebben tegen beide mannen, die
zij liefhad, wanneer de andere er maar niet bij geweest was; terwijl
zoowel Henry als Francis tegen Leoncia geprotesteerd zou hebben,
wanneer hij alleen met haar was geweest. En toch sluimerde diep in hun
hart het geheimzinnige gevoel, dat de gedachten van den Blinden Roover
juist waren. En op ieders hart drukte zwaar de last van zondegevoel.
Gekraak en beweging in het kreupelhout leidde hun gedachten af, toen ze
op de helling van het ravijn, op wanhopig slippende en glijdende
paarden, de haciendado met verscheidene volgelingen op het tooneel
zagen verschijnen. Hij begroette de dochter der Solanos op
hidalgo-manier, diep buigend en met niet minder hartelijkheid de beide
mannen, waarvoor Enrico Solano borg gesproken had.
„Waar is uw edele vader?” vroeg hij aan Leoncia. „Ik heb goed nieuws
voor hem. In de week, nadat ik u het laatst zag, heb ik zware koorts
gehad en moest kampeeren. Maar door snelle boodschappers en gunstigen
wind over Chiriqui-Lagune naar Bocas del Toro, heb ik gebruik gemaakt
van de Rijks draadlooze—de Chef van Bocas del Toro is mijn vriend—en
verbinding gekregen met den President van Panama—die mijn vroegere
kameraad is en wiens neus ik even dikwijls door den modder gewreven heb
als hij het den mijnen deed in onze jongensjaren, toen we
schoolkameraden waren in Colon. En de boodschap is teruggekomen, dat
alles in orde is; dat de gerechtigheid in het gerechtshof van San
Antonio geweld is aangedaan door de al te groote, maar toch
prijzenswaardige ijver van den Chef van Politie; en dat alles is
vergeven en voor altijd vergeten, wat betreft de achtenswaardige
familie Solano en hun twee achtenswaardige Gringo-vrienden...”
Bij deze woorden boog de haciendado diep voor Henry en Francis. En,
achter Leoncia’s oom staande, vielen zijn oogen toevallig op den
inlander, en begonnen te schitteren van triomf.
„Moeder Gods, gij hebt mij niet verlaten!” riep hij hartstochtelijk uit
en keerde zich toen tot zijn talrijke vrienden, die hem vergezelden.
„Daar heb je hem, dat schepsel zonder redelijkheid of schaamte, die
zijn verplichtingen jegens mij ontvlucht is. Grijpt hem! Ik zal zorgen,
dat hij een maand op zijn rug blijft liggen door het pak slaag, dat hem
wacht!”
Dit zeggend, sprong de haciendado langs Leoncia’s muildier heen; en de
inlander, die onder den kop van het dier door dook, zou de bevrijdende
jungle bereikt nebben, wanneer niet een andere haciendado snel zijn
paard de sporen gegeven, hem den weg afgesneden en tegen den grond
gereden had. In een oogwenk hadden de haciendados, die aan dergelijk
werk gewoon waren, den ongelukkigen kerel overeind gezet, zijn handen
op zijn rug gebonden en een touw om zijn hals gedaan.
Francis en Henry protesteerden als uit één mond.
„Senors,” antwoordde de haciendado, „mijn achting en welwillendheid
jegens u en den wensch u van dienst te zijn, zijn even groot als voor
de achtenswaardige familie Solano, onder wier bescherming gij staat. Uw
veiligheid en gemak zijn mij heilig. Met mijn leven zal ik u voor
onheil bewaren. Gij hebt slechts over mij te bevelen. Mijn haciënda is
de uwe, met al wat ik bezit. Maar de aangelegenheid van dezen inlander
is iets geheel anders. Hij heeft niets met u te maken. Het is mijn
inlander; hij staat bij mij in de schuld; hij is weggeloopen van mijn
haciënda. Gij zult het begrijpen en mij vergeven, naar ik vertrouw. Dit
is alleen een kwestie van eigendom. Hij is mijn eigendom.”
Henry en Francis keken elkander in stomme verbazing en besluiteloosheid
aan. Het was de wet van het land, zooals zij zeer goed wisten.
„De Wreede Gerechtigheid heeft mij mijn schuld kwijtgescholden, zooals
iedereen hier kan getuigen,” fluisterde de inlander.
„Dat is waar, de Wreede Gerechtigheid heeft hem zijn schuld
kwijtgescholden,” bevestigde Leoncia.
De haciendado glimlachte en boog diep.
„Maar de inlander heeft met mij een contract gesloten,” zei hij
glimlachend. „En wie is de Blinde Roover, dat zijn onzinnige wet op
mijn plantage van kracht zal zijn en mij zal berooven van de, mij
rechtens toekomende, tweehonderd vijftig pesos?”
„Hij heeft gelijk, Leoncia,” stemde Henry toe.
„Dan wil ik terugkeeren naar de Cordilleras,” verzekerde de inlander.
„O, dienaren der Wreede Gerechtigheid, breng mij terug naar de
Cordilleras.”
Maar de gestrenge aanvoerder schudde het hoofd.
„Hier werd gij vrijgelaten. Verder reiken onze orders niet. Wij hebben
verder niets over je te zeggen. Wij zullen nu afscheid nemen en
vertrekken.”
„Halt!” riep Francis, zijn chèque-boek te voorschijn halend en begon te
schrijven. „Wacht een oogenblik. Ik moet dezen inlander vrijkoopen. En
dan heb ik, voor jelui vertrekken, je nog een gunst te vragen.”
Hij gaf de chèque aan den haciendado, zeggende:
„Ik heb er tien pesos bijgevoegd voor de ruil.”
De haciendado wierp een blik op de chèque, stak deze in zijn zak en
legde het eind van het touw, dat om den hals van het ongelukkige
schepsel gebonden was, in Francis’ hand.
„De inlander is nu uw eigendom,” zei hij.
Francis keek naar het touw en lachte.
„Kijk eens aan! Nu ben ik eigenaar van een mensch. Slaaf, je bent de
mijne, mijn eigendom, begrijp je?”
„Ja, senor,” mompelde de inlander onderdanig. „Het schijnt, dat ik voor
altijd afstand deed van mijn vrijheid, toen ik dol verliefd werd op die
vrouw, en het Gods wil is, dat ik voortaan altijd het eigendom van den
een of den ander zal blijven. De Wreede Rechtvaardige heeft gelijk. Dat
is Gods straf, omdat ik een vrouw verkoos, die niet van mijn ras was.”
„Gij hebt jezelf tot slaaf gemaakt voor iets, wat de wereld altijd als
het beste goed beschouwde, voor een vrouw,” merkte Francis op, de
banden doorsnijdend, waarmee de handen van den inlander gebonden waren.
„En daarom geef ik je aan jezelf ten geschenke.” Dit zeggende, legde
hij het hals-touw in de hand van den inlander. „Voortaan zult gij uw
eigen leidsman zijn en leg dat touw niet weer in eens anders hand.”
Terwijl dit alles plaatsgreep, had een magere, oude man zich, te voet,
ongemerkt, bij het gezelschap gevoegd. Het was een
volbloed-Maya-Indiaan, met ribben, die zich duidelijk zichtbaar onder
de perkamentachtige huid afteekenden. Niets dan een lendendoek bedekte
zijn naaktheid. Zijn ongekamd haar hing in vuil-grijze strengen om zijn
gelaat, welks wangbeenderen uitstaken en dat spookachtig mager was.
Spierbundels vormden zijn kuiten en biceps. Een paar alleenstaande
brokstukken van tanden waren zichtbaar tusschen zijn verwelkte lippen.
Diepe holten vertoonden zich onder zijn wangbeenderen. Maar zijn
gitzwarte oogen, die diep weggezonken waren in hun kassen, gloeiden als
van een koortslijder.
Als een aal gleed hij door den kring heen en sloot den inlander in zijn
broodmagere armen.
„Het is mijn vader,” verklaarde deze trotsch. „Kijk hem maar eens aan.
Hij is een volbloed-Maya en hij kent de geheimen der Mayas.”
En terwijl de beiden hereenigden elkander eindelooze uitleggingen
gaven, verzocht Francis aan den, in paklinnen gekleede, aanvoerder, om
Enrico Solano en zijn beide zoons op te zoeken, die ergens in de bergen
ronddwaalden en hen te zeggen, dat zij vrij waren van alle wettelijke
vorderingen en om naar huis terug te keeren.
„Zij hebben geen kwaad gedaan?” vroeg de aanvoerder.
„Neen; zij hebben geen kwaad gedaan,” verzekerde Francis hem.
„Dan is het goed. Ik beloof u, dat we hen onmiddellijk zullen opsporen,
want wij weten in welke richting zij gegaan zijn en ze naar de kust
zullen zenden, om zich daar bij u te voegen.”
„En ondertusschen zult gij mijn gasten zijn, terwijl gij op hen wacht,”
noodigde de haciendado hen gretig uit. „Er ligt een schoener voor anker
in Juchitan-Baai vlak bij mijn plantage, met bestemming naar San
Antonio. Ik kan haar laten wachten tot de edele Enrico en zijn zoons
terugkeeren uit de Cordilleras.”
„En Francis zal natuurlijk voor de schadevergoeding zorgen,” merkte
Henry een beetje stekelig op, wat Leoncia dadelijk opviel, ofschoon
Francis het niet merkte en vroolijk uitriep:
„Natuurlijk zal ik dat. En het staaft mijn bewering, dat een
chèque-boek overal goed te pas komt.”
Toen zij de, in paklinnen gekleede, mannen verlaten hadden, volgden de
inlander en zijn Indiaansche vader, tot hun verwondering, de Morgans en
reisden door de brandende olievelden naar de plantage, die het tooneel
geweest was van de slavernij van den inlander. Beiden, vader en zoon,
waren onuitputtelijk in hun toewijding, in de eerste plaats aan Francis
en vervolgens aan Leoncia en Henry. Meer dan eens merkten zij op, dat
vader en zoon een lang en ernstig gesprek voerden en, nadat Enrico en
zijn zoons aangekomen waren en het gezelschap naar het strand ging om
zich in te schepen op den wachtenden schoener, volgden de inlander en
zijn Maya-vader eveneens. Francis wilde op den oever afscheid van hen
nemen, maar de inlander zei, dat zij met hun beiden zich ook op den
schoener zouden inschepen.
„Ik heb u al gezegd, dat ik niet arm was,” verklaarde de inlander,
nadat zij het gezelschap meegetroond hadden, buiten het gehoor der
wachtende matrozen. „En dit is waar. De geheime schat der Mayas, die de
conquistadores en de priesters der Inquisitie nimmer hebben kunnen
vinden, berust onder mijn hoede. Of, om juister te zijn, onder de hoede
van mijn vader. Hij is de nakomeling, in de rechte lijn, van den
vroegeren hoogepriester der Mayas. Hij is de laatste hoogepriester. Hij
en ik hebben de zaak lang en breed besproken. En wij zijn tot het
besluit gekomen, dat rijkdommen niet te vergelijken zijn met het leven.
Gij hebt mij gekocht voor tweehonderd vijftig pesos en toch hebt gij
mij vrijgelaten, mij aan mijzelf teruggegeven. Het geschenk van een
menschenleven is meer waard dan alle schatten der wereld. Tot dit
besluit zijn wij gekomen, mijn vader en ik. En daarom, daar het de
gewoonte is der Gringos en Spanjaarden om naar rijkdom te verlangen,
zullen wij, mijn vader en ik, u bij de Maya-schat brengen, want mijn
vader kent den weg. En de weg door de bergen begint te San Antonio en
niet te Juchitan.”
„Weet je vader waar de schat ligt?—de juiste plek?” vroeg Henry,
terwijl hij Francis terzijde nam om hem te zeggen, dat juist deze
Maya-schat hem er toe gebracht had om het onderzoek naar het Morgans
goud op het Kalf op te geven en naar het vasteland te gaan.
De inlander schudde het hoofd.
„Mijn vader is er nooit geweest. Hij had er geen belang bij, daar hij
voor zich zelf geen rijkdom verlangde. Vader, laat het verhaal eens
zien, dat geschreven is in onze vroegere taal en dat alleen gij, onder
de nog levende Mayas, kunt lezen.”
Uit zijn lendedoek haalde de oude man een smerig en verkreukeld zakje
van canvas. Hieruit haalde hij iets te voorschijn, dat er uitzag als
een verward kluwen koord met knoopen erin. Maar de koorden waren
gestrengeld van de een of andere vezelachtige boomschors en zóó oud,
dat ze tot poeder dreigden te vergaan, wanneer men ze aanpakte, terwijl
de aanraking en betasting van zijn vingers een fijn poeder deed
opstuiven. Fluisterend en gebeden mompelend in de vroegere Maya-taal,
hield hij het geknoopte kluwen omhoog en boog, eerbiedig, eer hij het
losschudde.
„Het knoopenschrift, de verloren gegane geschreven taal der Mayas,”
fluisterde Henry zachtjes. „Dat is echt, als die ouwe ezelskop nu maar
niet vergeten heeft, hoe het gelezen moet worden.”
Alle hoofden werden er nieuwsgierig over heen gebogen, toen het aan
Francis overhandigd werd. Het had den vorm van een ruw gemaakte kwast,
samengesteld uit een menigte dunne, lange koorden. Niet alleen waren de
knoopen en verschillende soorten van knoopen, met onregelmatige
tusschenruimten in de koorden gelegd, maar de koorden zelf waren van
verschillende lengte en dikte. Hij liet ze door de vingers glijden,
onderwijl mompelend en fluisterend.
„Hij leest!” riep de inlander triomfantelijk. „Onze heele vroegere taal
staat in deze knoopen geschreven en hij leest haar, zooals een ander
mensch een boek leest.”
Zich meer vooroverbuigend om beter te kunnen zien, raakte het haar van
Francis dat van Leoncia aan en, onder den invloed van het onmiddellijk
verbroken contact, keken zij elkander aan, welke blik hen voor de
tweede maal een schok gaf. Maar Henry, die een en al oplettendheid was,
merkte dit niet. Hij had enkel oogen voor de geheimzinnige kwast.
„Wat zeg jij ervan, Francis?” fluisterde hij. „’t Is buitengewoon! ’t
Is buitengewoon!”
„Maar New-York begint te roepen,” aarzelde Francis. „O, niet de
bewoners of de vermakelijkheden, maar de zaken,” voegde hij er haastig
bij, toen hij Leoncia’s onuitgesproken verwijt voelde. „Vergeet niet,
dat ik geïnteresseerd ben in Tampico-Petroleum en de Beurs, en ik mag
er niet aan denken, hoeveel millioenen er op het spel staan.”
„Kom vooruit!” riep Henry. „De Maya-schat, al is die maar een tiende
van hetgeen beweert wordt, kan gerust in drieën gedeeld worden tusschen
Enrico, jou en mij en zal ons ieder dan nog rijker maken, dan je nu op
het oogenblik bent.”
Francis was nog altijd besluiteloos en, terwijl Enrico uitwijdde over
het bestaan van den schat, slaagde Leoncia er in om Francis zachtjes in
het oor te fluisteren:
„Ben je al zoo gauw moe van... van het zoeken naar een schat?”
Hij keek haar scherp aan en toen naar haar verlovingsring, terwijl hij
op denzelfden zachten toon antwoordde:
„Hoe kan ik langer in dit land blijven, terwijl ik je zoo liefheb, en
jij Henry bemint?”
Het was de eerste maal, dat hij haar openlijk zijn liefde bekende en
Leoncia voelde een snelle opwelling van vreugde, gevolgd door een niet
minder snelle opwelling van diepe schaamte, dat zij, een vrouw, die
zich zelf altijd als goed had beschouwd, tegelijkertijd twee mannen kon
liefhebben. Zij keek Henry aan, alsof zij haar hart op de proef wilde
stellen en haar hart zei: Ja. Zij beminde Henry even oprecht als zij
Francis beminde en deze aandoening scheen dezelfde, waar het tweetal
eender was, anders, waar deze verschilden.
„Ik vrees, dat ik in verbinding moet zien te komen met de Angélique,
die waarschijnlijk te Bocas del Toro zal zijn en afreizen,” zei Francis
tegen Henry. „Gij en Enrico kunt den schat gaan zoeken en samen
deelen.”
Maar de inlander, die dit verstaan had, begon een opgewonden gesprek
met zijn vader en vervolgens met Henry.
„Je hoort, wat hij zegt, Francis,” sprak de laatste, de heilige kwast
omhoog houdend. „Je moet meegaan. Hij is jou dankbaar voor zijn zoon.
Hij schenkt den schat niet aan ons, maar aan jou. En als je niet
meegaat, leest hij geen knoop van het schrift.”
Maar het was Leoncia, die Francis met een kalmen, verlangenden en
smeekenden blik aankeek, alsof zij wilde zeggen: „Doe het om
mijnentwil,” die de aanleidende oorzaak was, dat Francis van besluit
veranderde.