HOOFDSTUK XI.

Alle aanwezigen hadden het waarschijnlijk voor een kleine arena

aangezien, die kuil in het midden van het domein van den Blinden

Roover. Tien voet diep en dertig voet in doorsnee, met een gelijken

vloer en loodrechte wanden, hadden menschenhanden weinig moeite gehad

om van de natuurlijke vorm een symmetrisch geheel te maken. De, in

paklinnen gekleede, mannen, de haciendados, de gendarmes—allen waren

tegenwoordig, behalve de Wreede Rechtvaardige en de mestiza, en allen

stonden om den rand der kuil geschaard, evenals het publiek, dat

neerziet op een stieren- of gladiatorengevecht in den kuil.

Op bevel van den gestrengen aanvoerder der, in paklinnen gekleede,

mannen, die hen gevangengenomen had, daalden Henry en de Chef langs een

korten ladder in den kuil af. De aanvoerder en verscheidene der roovers

vergezelden hen.

„De Hemel mag weten, wat er gaat gebeuren,” riep Henry lachend in het

Engelsch naar boven naar Leoncia en Francis. „Maar wanneer het op een

schermutseling aankomt of een Marquis van Queensbury of London Price

Ring, dan zal ik het wel klaarspelen met mijnheer de vette Politiechef.

Maar de oude blinde is niet gek en de kans bestaat, dat hij ons op de

een of andere wijze op gelijken voet tegenover elkander zal stellen. In

welk geval, als hij mij onder mocht krijgen, jelui, als publiek, je

duimen op moet steken en zooveel kabaal maken, als je maar kunt. Wees

er zeker van, dat zijn partij beslist de duimen zal opsteken, voor het

geval hij onder komt.”

De Chef, die overbluft was door de val, waarin hij afgedaald was,

wendde zich in het Spaansch tot den aanvoerder.

„Ik weiger te vechten met dezen man. Hij is jonger dan ik en beter bij

adem. Bovendien is de zaak niet wettig. Het is niet overeenkomstig de

wetten der Republiek Panama. Het is extra-territoriaal en volslagen

onwettig.”

„Het is Slang en Vogel,” ontnam de aanvoerder hem het woord. „Gij zult

de Slang zijn. Dit geweer krijg je in handen. De andere man zal de

Vogel zijn. In zijn hand wordt de bel gegeven. Zie je! Op deze wijze

moet je het godsgericht ondergaan.”

Op zijn bevel, werd een der roovers het geweer in handen gegeven en

geblinddoekt. Een andere, niet geblinddoekte roover, kreeg een zilveren

bel.

„De man met het geweer is de Slang,” zei de aanvoerder. „Hij mag één

schot lossen op den Vogel, die de bel draagt.”

Op het teeken om te beginnen, liet de bandiet met de bel, deze op

armslengte van zich afhoudend, rinkelen en sprong snel terzijde. De man

met het geweer richtte dit, alsof hij wilde schieten, op de plek, die

juist verlaten was en deed alsof hij schoot.

„Begrepen?” vroeg de aanvoerder aan Henry en den Chef.

De eerste knikte, maar de laatste riep juichend uit:

„En ik ben de Slang?”

„Gij zijt de Slang,” bevestigde de aanvoerder.

En de Chef greep gretig naar het geweer, niet langer protesteerend

tegen het extra-territoriale van het geval.

„Zal je een poging doen om me te raken?” waarschuwde Henry den Chef.

„Neen, Senor Morgan. Ik zal geen poging doen, maar ik zal je raken. Ik

ben een der twee beste schutters van Panama. Ik bezit meer dan veertig

medailles. Ik kan schieten met gesloten oogen. Ik kan in het duister

schieten. Ik heb dikwijls, en met goed gevolg, in het duister

geschoten. Je kunt je nu al gerust als dood beschouwen.”

Slechts één kogel werd op het geweer gedaan, vóór het aan den Chef

overhandigd werd, nadat deze geblinddoekt was. Vervolgens, nadat Henry,

uitgerust met de verraderlijke bel, aan de overzijde van de kuil

geplaatst was werd de Chef met het aangezicht naar den muur gekeerd,

waarna de roovers uit den kuil klommen en den ladder optrokken. Van

boven sprak de aanvoerder tegen hen:

„Luister goed, Senor Slang, en verroer je niet vóór je alles gehoord

hebt. De Slang mag maar één schot doen. De Slang mag zijn blinddoek

niet aanraken. Als hij dit wel doet, is het onze plicht te zorgen, dat

hij onmiddellijk gedood wordt. De Slang is aan geen tijd gebonden. Hij

kan den geheelen dag wachten en den geheelen nacht, en de geheele

eeuwigheid, eer hij het schot lost. Wat den Vogel betreft, deze heeft

slechts te zorgen, dat de bel in zijn hand blijft, en moet de klepel

altijd met volle kracht tegen den wand der bel slaan. Wanneer hij dit

niet doet, moet hij onmiddellijk sterven. Wij staan hier boven u,

senors, met het geweer in de hand om toe te zien, dat gij onmiddellijk

sterft, wanneer gij de voorschriften overtreedt. En nu, moge God den

onschuldige nabij zijn, vooruit!”

De Chef keerde zich langzaam om en luisterde, terwijl Henry, behoedzaam

een poging doende om de bel in beweging te brengen, deze deed rinkelen.

Het geweer werd met groote snelheid op het geluid gericht en volgde

dit, terwijl Henry voortrende. Met een snelle beweging greep hij de bel

in zijn andere uitgestrekte hand en rende terug in de tegenovergestelde

richting, terwijl het geweer hem onverbiddelijk volgde. Maar de Chef

was te slim om alles op één twijfelachtig schot te zetten en naderde

langzaam door de arena. Henry stond stil en de bel gaf geen geluid. Het

oor van den Chef had zoo juist de plaats van het laatste zilveren

gerinkel vastgesteld en, ondanks zijn blinddoek, liep hij er zoo

regelrecht op aan, dat hij precies ter rechterzijde van Henry en vlak

voor de bel kwam te staan. Zeer voorzichtig, om geen leven te maken,

hief Henry langzaam zijn arm op, zoodat het hoofd van den Chef, met een

tusschenruimte van nauwelijks één duim, er onder door ging.

Met geveld geweer en nauwelijks een voet van den muur verwijderd, bleef

de Chef besluiteloos staan, luisterde een oogenblik tevergeefs en deed

toen nog een stap, waardoor de loop van het geweer in contact kwam met

den muur. Hij draaide zich op zijn hielen om en voelde, nog altijd het

geweer geveld houdend, als een blinde in de lucht om zijn vijand te

zoeken. De loop zou tegen Henry aangedrukt zijn, wanneer hij niet

onstuimig en in een zigzag-richting was weggesprongen.

Midden in den kuil bleef hij stokstijf staan. De Chef liep op een meter

afstand langs hem heen en botste tegen den tegenovergestelden muur. Hij

liep langs den muur, zachtjes voortsluipend als een kat, terwijl zijn

geweer aldoor in de lucht gericht was. Vervolgens waagde hij het om den

kuil over te steken. Na een aantal malen aldus overgestoken te zijn,

waarbij de stilstaande bel hem geen enkele aanwijzing aan de hand deed,

beproefde hij het op een slimme manier. Zijn hoed op den grond gooiend

om zijn uitgangspunt aan te wijzen, stak hij den kuil vlak bij den wand

in rechte lijn over, deed een stap terzijde en begon den terugtocht

langs deze nieuwe en langere lijn. Weer bij den muur gekomen, stelde

hij vast, dat deze beide lijnen zuiver parallel liepen, door een stap

terug te doen naar zijn hoed. Ditmaal deed hij van den hoed drie passen

langs den muur en begon hier de derde lijn.

Zoo doorkruiste hij den heelen kuil en Henry zag, dat hij niet hieraan

zou kunnen ontsnappen. Evenmin wachtte hij af, dat hij ontdekt werd. De

bel rinkelend terwijl hij wegrende en zigzagsgewijze voortgaande en de

bel van de eene hand in de andere nemend, bleef hij op een andere plek

weer onbeweeglijk staan.

De Chef herhaalde zijn bewerkelijke onderzoekingstocht, maar Henry

verkoos om een einde te maken aan de spanning. Hij wachtte, tot de

laatste lijn van den Chef dezen vlak bij hem bracht. Hij wachtte, tot

de loop van het geweer, op borsthoogte, nog een duim of zes van zijn

hart verwijderd was. Toen maakte hij bliksemsnel twee gelijktijdige

bewegingen. Hij dook onder het geweer en schreeuwde met stentorstem het

bevel: „Vuur!”

Hierdoor verschrikt, haalde de Chef den trekker over en de kogel vloog

over Henry’s hoofd heen. Uit de hoogte kwam een daverend applaus van

de, in paklinnen gekleede, mannen. De Chef rukte zijn blinddoek af en

zag het glimlachend gelaat van zijn tegenstander.

„Het is goed—God heeft gesproken,” verkondigde de, in paklinnen

gekleede, aanvoerder, toen hij in den kuil afdaalde. „De ongedeerde man

is onschuldig. Blijft nog over om den anderen man de proef te doen

ondergaan.”

„Ik?” gilde de Chef bijna, in zijn verrassing en ontzetting.

„Gegroet, Chef,” grinnikte Henry. „Je hebt een poging gedaan om me te

raken. Nu is het mijn beurt. Geef hier dat geweer.”

Maar de Chef, in zijn teleurstelling en woede vergetend, dat er maar

één kogel op het geweer geweest was, drukte met een vloek den loop

tegen Henry’s hart en haalde den trekker over. De haan sloeg met harden

slag dicht.

„Het is goed,” sprak de aanvoerder, het geweer wegnemend en weer

ladend. „Uw gedrag zal gerapporteerd worden. Nu blijft de proef voor u

over, maar toch schijnt het, dat gij niet handelt als Gods uitverkoren

man.”

Als een in het nauw gedrongen stier in de arena naar een uitweg zoekend

om te ontsnappen en omhoog kijkend naar den kring meedoogenlooze

gezichten, evenzoo keek de Chef omhoog en zag niets dan de geweren der,

in paklinnen gekleede, mannen, de triomfeerende gezichten van Leoncia

en Francis, de verwonderde blikken van zijn eigen gendarmes en de

bloeddorstige gezichten der haciendados, die volkomen geleken op de

gezichten der toeschouwers bij een stierengevecht.

De nauwelijks zichtbare glimlach vloog weer over de strenge lippen van

den aanvoerder, toen hij Henry het geweer overhandigde en hem

blinddoekte.

„Waarom draai je hem niet met het gezicht naar den muur, tot ik klaar

ben?” vroeg de Chef, toen de zilveren bel rinkelde in zijn

zenuwachtig-trekkende hand.

„Omdat het gebleken is, dat hij Gods uitverkorene is,” was het

antwoord. „Hij heeft de proef doorstaan. Daarom kan hij geen

verraderlijke handeling begaan. Nu moet gij het godsgericht ondergaan.

Wanneer je eerlijk en oprecht bent, kan de Slang je geen kwaad doen.

Alzoo zijn Gods wegen.”

De Chef bewees veel handiger te zijn als jager, dan als wild. Aan de

overzijde van Henry in den kuil staande, deed hij zijn best om

onbeweeglijk te blijven; maar door zijn zenuwachtigheid trilde zijn

hand en rinkelde de bel, toen Henry’s geweer op hem gericht werd.

Onmiddellijk kwam het geweer tot stilstand en richtte zich dreigend op

het geluid. Tevergeefs trachtte de Chef zijn zenuwachtigheid meester te

worden en de bel stil te houden. Maar de bel rinkelde voort en, in

wanhoop, slingerde hij haar weg en wierp zich op den grond. Maar Henry

liet, op het geluid van den val van zijn vijand afgaande, het geweer

zakken en haalde den trekker over. De Chef gilde van pijn toen de kogel

zijn schouder doorboorde, sprong vloekend overeind, viel spartelend

terug op den grond en bleef vloekend liggen.

Weer in het hol teruggekeerd, sprak de Blinde Rechter het oordeel uit,

terwijl de mestiza aan zijn voeten naast hem zat.

„Deze man, die gewond is en zijn mond vol heeft over de wet van de

tierra caliente, zal nu kennis maken met de wet van de Cordilleras. De

proef van de Slang en de Vogel heeft bewezen, dat hij schuldig is. Om

zich te redden, moet hij een losgeld van tienduizend dollars aan

goudgeld betalen of anders blijft hij hier, als houthakker en

waterdrager, voor de overige levensdagen, die God hem hier op aarde

schenkt. Ik heb gezegd, en ik weet, dat mijn stem Gods stem is, en ik

weet, dat God hem niet veel levensdagen meer zal schenken, wanneer het

losgeld niet betaald wordt.”

Er heerschte een langdurige stilte, waarin zelfs Henry, die in de hitte

van den strijd best een tegenstander kon neervellen, vond, dat zoo’n

koelbloedige belofte van een spoedigen dood hem tegen de borst stuitte.

„De wet is meedoogenloos,” sprak de Wreede Rechtvaardige; en weer

heerschte er zwijgen.

„Laat hem sterven, bij gebrek aan een losgeld,” sprak een der

haciendados. „Hij heeft zich laten kennen als een verraderlijken hond.

Laat hem als een hond sterven.”

„Wat zeg jij ervan?” vroeg de Blinde Roover plechtig. „Wat zeg jij

ervan, inlander van vele slagen, die dezen dag als man herboren werd,

halfbloed-Maya, die je bent en minnaar der schoone vrouw. Zal deze man

sterven als een hond, bij gebrek aan een losgeld?”

„Deze man is een hardvochtig mensch,” sprak de inlander. „Toch is mijn

hart dezen dag wonderlijk zacht gestemd. Wanneer ik tienduizend dollars

goudgeld bezat, zou ik zelf zijn losgeld betalen. Ja, o Heilige en

Rechtvaardige, en wanneer ik tweehonderdvijftig pesos bezat, zou ik

zelfs mijn schuld betalen aan den haciendado, van wien ik vrijgemaakt

ben.”

Het blinde gelaat van den ouden man straalde als verheerlijkt.

„Uit u spreekt dezen dag ook Gods stem, herboren mensch,” prees hij.

Maar Francis, die snel iets in zijn chèque-boek gekrabbeld had,

overhandigde aan de mestiza een chèque, waarvan de inkt nog nat was.

„Ik wil ook spreken,” zei hij. „Laat de man niet sterven als een hond,

zooals hij verdient, nadat hij bewezen heeft, welk een verraderlijke

hond hij is.”

De mestiza las de chèque hardop voor.

„Gij hoeft het niet nader te verklaren,” legde de Blinde Roover Francis

het zwijgen op. „Ik ben een redelijk wezen en heb niet altijd in de

Cordilleras gewoond. Ik heb veel zaken gedaan in Barcelona. Ik ken de

Chemical National Bank in New-York en heb er door mijn agenten al meer

zaken gedaan. De chèque is goed voor tienduizend dollars goudgeld. De

man, die haar schreef, heeft vandaag waarheid gesproken. De chèque is

goed. Bovendien weet ik, dat hij de betaling niet zal beletten. De man,

die aldus het losgeld van een tegenstander betaalt is een der drie

dingen: een zeer goed man; een dwaas; of een zeer rijk man. Zeg mij, o

Man, is er ook een schoone vrouw?”

En Francis, die niet rechts of links durfde kijken, naar Leoncia of

Henry, maar die recht voor zich uit den Blinden Roover in de oogen

keek, antwoordde, omdat hij voelde, dat hij zoo moest antwoorden:

„Ja, o Wreede Rechtvaardige, er is een schoone vrouw.”

Drie Harten · 第 14 / 33 题