HOOFDSTUK III.

Maar een barstende hoofdpijn maakte een einde aan het zingen van

Francis en hij was dankbaar, toen hij door Henry in een frissche

hangmat gestopt werd, waarop deze naar de Angélique roeide met bevel

van zijn bezoeker aan den kapitein om voor anker te blijven liggen,

maar geen enkele van zijn matrozen toe te staan om op het Kalf aan land

te gaan. Eerst laat in den morgen van den volgenden dag, na uren lang

vast geslapen te hebben, kwam Francis weer op de been en verklaarde,

dat zijn hoofd weer geheel in orde was.

„Ik weet wat het is—ben eens van een paard geworpen,” was de

sympathieke betuiging van zijn vreemde bloedverwant, toen hij hem een

grooten kop welriekende koffie inschonk. „Drink dit maar eens uit. Dat

zal een ander mensch van je maken. Kan je niet veel anders voor ontbijt

aanbieden dan spek, scheepsbeschuit en eenige bij elkander gegrabbelde

schildpadeieren. Ze zijn versch. Daar sta ik voor in, want ik heb ze

dezen morgen opgegraven terwijl je sliep.”

„Die koffie is op zich zelf al een maaltijd,” prees Francis, onderwijl

zijn bloedverwant opnemend en steeds weer naar het portret van hun

beider voorvader kijkend.

„Je lijkt precies op hem en niet alleen maar naar het uiterlijk,”

lachte Henry, toen hij hem bij dit onderzoek verraste. „Toen je

gisteren weigerde om te deelen, was dit de oude Sir Henry in levenden

lijve. Hij had een diepgewortelden afkeer tegen deelen, zelfs met zijn

eigen bemanning. Dat was de oorzaak van zijn meeste moeilijkheden. En

hij heeft beslist nooit een stuiver van zijn schatten meegedeeld aan

zijn nakomelingen. Nu denk ik er anders over. Niet alleen wil ik het

Kalf met je deelen; maar ik zal je ook van alles de helft geven, erf,

provisie, drank, deze hut, al deze mooie meubels, gronden, erfstukken

en zoo meer, en het overschot der schildpadeieren. Wanneer wil je je

intrek nemen?”

„Je bedoelt?...” vroeg Francis.

„Precies wat ik zeg. Er is hier niets te vinden. Ik heb het eiland nu

zoowat heelemaal omgewroet en niets gevonden, dan deze kist vol oude

kleeren.”

„Dat moet je toch moed gegeven hebben.”

„Buitengewoon. Ik dacht, dat het heel wat was. Maar hoe het zij, het

bewijst, dat ik op het rechte spoor ben.”

„Wat dunkt je ervan om het eens met de Stier te probeeren?” vroeg

Francis.

„Dat was ook mijn idee,” was het antwoord, „ofschoon ik ook een

aanwijzing gekregen heb op het vasteland. Deze oudgedienden hadden de

gewoonte om hun lengte- en breedtegraden heele einden te verplaatsen.”

„Tien Noordelijk en negentig Oostelijk op de kaart kan evengoed twaalf

Noordelijk en twee en negentig ten Oosten beteekenen,” beweerde

Francis. „En het kan ook acht Noordelijk en acht en tachtig Oostelijk

beteekenen. Zij hadden de verandering goed in het hoofd en wanneer ze

onverwacht stierven, zooals meestal hun gewoonte was, schijnt het, dat

het geheim met hen ten grave daalde.”

„Ik denk er half en half over om naar de Stier te gaan en deze

schildpadjagers terug te drijven naar het vasteland,” vervolgde Henry.

„En dan weer zou ik er haast toe komen, om eerst die aanwijzing op het

vasteland af te werken. Ik vermoed, dat jij ook voorzien bent van een

massa aanwijzingen?”

„Natuurlijk,” bevestigde Francis. „Maar zeg, ik zou mijn woorden over

het samen deelen willen intrekken.”

„Ga je gang,” moedigde de ander aan.

„Dan doe ik het bij deze.”

Hun handen werden uitgestrekt en een handdruk bezegelde deze

rectificatie.

„Morgan en Morgan, commanditaire vennootschap,” lachte Francis.

„Activa, de heele Caraïbische Zee, het Spaansche schiereiland, het

grootste gedeelte van Centraal-Afrika, een kistvol volslagen

onbruikbare oude kleedingstukken en een massa gaten in den grond.”

Henry werd aangestoken door de vroolijkheid van den ander. „Passiva,

slangenbeten, diefachtige Indianen, malaria, gele koorts...”

„En mooie meisjes, die de gewoonte hebben om volslagen vreemdelingen

het eene oogenblik te kussen en bedoelde vreemdelingen het volgend

oogenblik met glinsterende, zilveren revolvers te bedreigen,” voerde

Francis aan. „Dat moet ik je toch eens vertellen. Eergisteren roeide ik

daarginds op het vasteland aan wal. Op het oogenblik, dat ik aan wal

stapte, wierp het mooiste meisje ter wereld zich op mij en sleepte mij

mee de jungle in. Ik dacht, dat ze me op wilde eten of met me trouwen.

Ik snapte er niets van. En voor ik er achter kon komen, maakt het

aardige dametje enkel zeer oncomplimenteuze opmerkingen over mijn

knevel en jaagt me met een revolver terug naar de boot. Zei me om weg

te gaan en nooit weer terug te komen, of iets dergelijks.”

„Waar op het vasteland was dat ergens?” vroeg Henry gespannen, wat

Francis, die zich nog altijd vroolijk maakte bij de herinnering aan het

avontuur, niet opmerkte.

„Daarginds aan het andere einde der Chiriqui-Lagune,” antwoordde hij.

„Ik vernam, dat het gebied behoorde aan de familie Solano; en het is

een opvliegende familie, zooals ik ondervond. Maar ik heb je alles nog

niet verteld. Luister. Eerst sleepte ze me mee in het groen en

beleedigde mijn knevel; vervolgens joeg ze me met getrokken revolver

naar de boot; en toen vroeg ze mij, waarom ik haar niet kuste. Snap je

daar iets van?”

„En heb je dat gedaan?” vroeg Henry, zijn hand onwillekeurig naar zijn

zijde brengend.

„Wat kon een arme vreemdeling in een vreemd land doen? Het was een mooi

meisje om in den arm te nemen...”

Het volgend oogenblik was Francis overeind gesprongen en beschermde

zijn kaken voor een verpletterenden slag van Henry’s vuist.

„Ik... ik vraag vergiffenis,” stamelde Henry, en zonk neer op de oude

scheepskist. „Ik ben een dwaas, dat weet ik, maar ik laat me hangen,

als ik er iets aan doen kan...”

„Daar heb je het weer,” viel Francis hem verwijtend in de rede. „Je

bent net zoo krankzinnig als iedereen in dit onzinnige land. Het eene

oogenblik verbindt je mijn verbrijzeld hoofd en het volgend oogenblik

wil je datzelfde hoofd van mijn romp slaan. Net als het meisje, dat mij

om beurten kust en een revolver in mijn middenrif duwt.”

„Je hebt gelijk, ga maar voort, ik verdien het,” stemde Henry berouwvol

toe, maar onwillekeurig wond hij zich weer op, toen hij vervolgde: „De

duivel hale je, dat was Leoncia.”

„En wat zou dat, wanneer het Leoncia was? Of Mercedes? Of Dolores? Kan

een jonge kerel dan geen aardig meisje kussen, onder bedreiging van een

revolver, zonder dat de eerste wildeman de beste met een broek van

zeildoek aan, dien hij ontmoet op een beruchte zandhoop van een eiland,

hem het hoofd af wil slaan?”

„Wanneer dat aardige meisje nu echter verloofd is met dien wildeman in

zijn broek van zeildoek...”

„Je wilt toch niet zeggen...” viel de ander hem opgewonden in de rede.

„Het is minder aangenaam voor dien wildeman, om te hooren, dat zijn

beminde een wildeman gekust heeft, dien zij nimmer zag voor hij van den

schoener van een beruchten Jamaïca-nikker aan wal kwam,” voltooide

Henry zijn zin.

„En zij zag mij voor jou aan,” mompelde Francis, plotseling de heele

situatie begrijpend. „Ik neem je niet kwalijk, dat je boos werdt,

ofschoon je zult moeten erkennen, dat je een opvliegend karakter hebt.

Gisteren wou je mijn ooren afsnijden, is het niet?”

„Je bent zelf even erg, Francis, mijn jongen. De manier, waarop je er

op aandrong, dat ik ze zou afsnijden, toen ik je onder had—ha! ha!”

Beide jongemannen lachten, nu als zeer goede vrienden.

„Het is het karakter van den ouden Morgan,” zei Henry. „Volgens hetgeen

men van hem hoort, was hij een vurige, ouwe kerel.”

„Niets erger dan die Solanos, je aanstaande familie. Wel, het grootste

gedeelte van hen kwam naar den oever en bepeperden mij met hun geweren,

toen ik terugroeide. En je Leoncia richtte haar poppen-revolvertje op

een ouwe kerel met een langen baard, die haar vader had kunnen zijn en

bracht hem aan het verstand, dat ze hem vol kogels zou schieten,

wanneer hij niet ophield met mij onder vuur te nemen.”

„Ik wil wedden, dat het haar vader was, de oude Enrico zelf,” riep

Henry uit. „En die andere kerels waren haar broeders.”

„Aardige snuiters,” beweerde Francis. „Zeg, denk je niet, dat je leven

een beetje eentonig zal worden, wanneer je in zoo’n vredelievende

tortelduivenfamilie trouwt?” Hij hield op, getroffen door een nieuwe

gedachte. „Maar Henry, wanneer ze allemaal dachten, dat jij het waart,

waarom voor den donder wilden ze jou dan dooden? Heeft een ander scherp

kantje van je Morgans temperament de verwanten van je aanstaande vrouw

geprikkeld?”

Henry keek hem een oogenblik aan, alsof hij met zich zelf te rade ging

en antwoordde toen:

„Ik wil het je wel vertellen. Het is een netelige kwestie en ik geloof

wel, dat mijn temperament er schuld aan heeft. Ik had ongenoegen met

haar oom. Hij was de jongste broer van haar vader...”

„Was?” viel Francis hem in de rede, nadruk leggend op den verleden

tijd.

„Was, zooals ik zei,” bevestigde Henry. „Hij is niet meer. Zijn naam

was Alfaro Solano en hij had zelf ook het noodige temperament. Zij

beweren, dat ze afstammen van de Spaansche conquistadores, en ze zijn

buitengewoon trotsch. Hij had zijn fortuin gemaakt in den houthandel,

en hij had juist een groote plantage aangelegd, verder op de kust. En

toen kregen we ruzie. Dat gebeurde daarginds in dat stadje—San Antonio.

Het kan een misverstand geweest zijn, maar ik houd nog altijd vol, dat

hij ongelijk had. Hij zocht altijd ongenoegen met mij—had het land aan

mijn huwelijk met Leoncia, begrijp je?

„Welnu, het was een warme tijd. Ik kwam in een pulqueria, waar Alfaro

zat, die meer gebruikt had, dan goed voor hem was. Hij beleedigde mij.

Ze moesten ons scheiden en onze revolvers wegnemen, en wij gingen heen,

elkander dood en verderf toezwerend. Dat was de moeilijkheid—onze

strijd en onze dreigementen hadden een twintigtal getuigen gehad.

„Nog geen twee uur later vonden de Comisario en twee politie-agenten

mij, gebogen over Alfaro’s lijk in een achterstraat der stad. Hij had

een messteek in den rug, en ik was over hem gestruikeld op mijn weg

naar den oever. De verklaring? Niet te geven. Daar was de strijd en de

dreigementen om wraak te nemen en daar stond ik, slechts twee uur

later, gevonden ter zijde van zijn nog warme lichaam. Ik ben na dien

tijd niet meer teruggeweest in San Antonio en liet geen tijd verloren

gaan om me uit de voeten te maken. Alfaro was zeer populair—je kent dat

onstuimige type ook wel, dat zoo in den smaak valt van het gepeupel.

Wel, ze waren zelfs niet over te halen, om ook maar voor den vorm een

gerechtelijk onderzoek in te stellen. Daar en op datzelfde oogenblik

eischten zij mijn bloed, en ik vertrok met groote snelheid.

„Vervolgens bracht een bode van Leoncia mij te Bocas del Toro den

verlovingsring terug. Ziedaar alles. Ik kreeg een afkeer van alles en

daar ik niet terug durfde gaan, terwijl al de Solanos en de overige

bevolking naar mijn bloed dorstte, kwam ik hier om een poosje voor

kluizenaar te spelen en te gaan graven naar Morgan’s schat... Hoe het

zij, ik vraag me af, wie dat mes in Alfaro’s lichaam gestoken heeft.

Wanneer ik hem mocht ontdekken, dan zal ik wel weer in het reine komen

met Leoncia en de overige Solanos en er valt niet aan te twijfelen, of

dit zal gevolgd worden door een trouwpartij. En nu ik dit alles gezegd

heb, wil ik er wel aan toevoegen, dat Alfaro een goede kerel was, al

was hij even opvliegend als buskruit.”

„Alles is zoo klaar als de dag,” mompelde Francis. „Geen wonder, dat

haar vader en broers mij eventjes wilden perforeeren.—Wel, hoe meer ik

je aankijk, hoe meer ik zie, dat we op elkander gelijken als twee

druppels water, behalve mijn knevel...”

„En dit...” Henry stroopte zijn mouw op en liet op den linker arm een

lang, dun, wit litteeken zien. „Dat kreeg ik toen ik nog een jongen

was. Viel van een windmolen en door het glazen dak van een broeikas.”

„Luister nu eens naar mij,” zei Francis, terwijl zijn gelaat begon te

stralen door het plan, dat zich in zijn geest begon te vormen. „Iemand

heeft op zich genomen om je uit deze ongelegenheid te redden en die

kerel is Francis, deelgenoot der firma Morgan en Morgan. Jij blijft

hier aan het werk of steekt over en begint het onderzoek op de Stier,

terwijl ik terugga en alles uitleg aan Leoncia en haar familie...”

„Als ze je maar niet doodschieten, voor je hun kunt uitleggen, wie je

bent,” mompelde Henry droevig. „Dat is juist het ongeluk met deze

Solanos. Zij schieten eerst en praten dan. Zij willen niet naar rede

luisteren, of het moest zijn post mortem.”

„Ik zal het er maar op wagen, ouwe kerel,” verzekerde Francis den

ander, zelf heelemaal in vuur geraakt door zijn voornemen om het

misverstand tusschen Henry en het meisje op te helderen.

Maar de gedachte aan haar bracht hem in verwarring. Hij ondervond meer

dan een lichte spijt, dat het mooie schepseltje van rechtswege

toebehoorde aan den man, die zoo zeer op hem leek, en hij zag haar weer

in den geest op den oever, waar ze met tegenstrijdige gevoelens, hem

afwisselend bemind en naar hem verlangd had en hem haar toorn en

verachting in het gezicht geslingerd. Onwillekeurig zuchtte hij.

„Wat moet dat?” vroeg Henry spottend.

„Leoncia is een buitengewoon mooi meisje,” antwoordde Francis zeer

oprecht. „Maar het doet er niet toe, ze is van jou, en ik zal mijn best

doen, dat je haar krijgt. Waar heb je dien ring, dien ze je terugzond?

Als ik dien niet, voor jou, weer aan haar vinger steek en hier niet

over een week terug ben met het goede nieuws, dan mag je mijn knevel,

gelijk met mijn ooren, afsnijden.”

Een uur later, toen Kapitein Trefethen, in antwoord op het teeken, een

boot van de Angélique naar den wal had gezonden, zeiden de beiden

jongelui elkander vaarwel.

„Maar nu nog twee dingen, Francis. Ten eerste, vergat ik je te zeggen,

dat Leoncia heelemaal geen Solano is, ofschoon zij zelf denkt van wel.

Alfaro heeft mij dit zelf verteld. Zij is een aangenomen kind, en de

oude Enrico aanbidt haar, ofschoon zij noch van zijn bloed, noch van

zijn geslacht is. Alfaro vertelde mij nooit de bijzonderheden, ofschoon

hij wel zei, dat ze zelfs geen Spaansche was. Ik weet zelfs niet of ze

een Engelsche of een Amerikaansche is. Zij spreekt uitstekend Engelsch,

ofschoon zij dit door het gebruik geleerd heeft. Zie je, ze werd als

kind door hem aangenomen, toen ze nog maar een heel klein ding was, en

zij heeft nooit beter geweten of Enrico was haar vader.”

„En geen wonder, dat ze boos op mij was en mij haatte in jouw plaats,”

lachte Francis, „geloovende, zooals zij deed en nog doet, dat je haar

volbloed-oom een mes in den rug stak.”

Henry knikte en vervolgde:

„Het andere is van meer belang. En dat is de wet. Of liever, het

ontbreken eener wet. In dit afgelegen land maken ze ervan, wat ze zelf

willen. Panama ligt ver weg, en de gouverneur van dezen staat, of dit

district, of hoe ze het noemen, is een slaperige, oude Silenno. De Chef

van Politie te San Antonio is de man, dien je in het oog moet houden.

Hij is de kleine Tsaar van dien uithoek der bosschen, en hij is een

rare schutter, neem dit van mij aan. Inpeperen is een te zwak woord

voor sommige zijner handelingen en hij is even wreed en bloeddorstig

als een wezel. En zijn grootste genot is een executie. Hij is verzot op

een ophangpartijtje. Houd hem in de gaten, wat je ook doet... En,

welnu, zie zelf maar. En de helft van wat ik op de Stier vind, is voor

jou: ...en zie, dat je dien ring weer aan Leoncia’s vinger krijgt.”

Twee dagen daarna, nadat de kleurling-kapitein eerst het strand verkend

had en de tijding terugbracht, dat al de mannelijke leden van Leoncia’s

familie weg waren, roeide Francis naar wal op dezelfde plek, waar hij

haar het eerst ontmoet had. Geen meisjes met zilveren revolvers of

mannen met geweren vertoonden zich. Alles was rustig, en het eenige

levende wezen op den oever was een havelooze, kleine Indianenjongen,

die voor een geldstuk bereidwillig toestemde om een briefje naar de

jonge senorita der groote haciënda te brengen. Terwijl Francis op een

stukje papier uit zijn notitieboek de woorden krabbelde: „Ik ben de

man, dien gij bij vergissing aanzaagt voor Henry Morgan en ik heb een

boodschap voor u van hem,” kon hij niet droomen, dat ongelukkige

gebeurtenissen met even groote snelheid en in even groote menigte in

aantocht waren, als op zijn eerste bezoek.

Wat dat betreft, zou hij, wanneer hij over de rotspunt, waartegen hij

met zijn rug leunde, terwijl hij het briefje aan Leoncia schreef, had

kunnen kijken, verrast zijn geworden door het zien van de jongedame in

kwestie, die als een godin der zee na een verfrisschend bad uit het

water opsteeg. Maar hij schreef kalm door, de Indianenjongen zelfs nog

meer verdiept in het werk dan hij, zoodat Leoncia, die om de rots

heenliep, hem het eerst in het oog kreeg. Een uitroep smorend, keerde

zij zich om en vluchtte blindelings weg in het groene loover der

jungle.

Hij werd het eerst haar tegenwoordigheid gewaar, toen hij opgeschrikt

werd door een plotselingen angstkreet. Papier en potlood vlogen in het

zand, terwijl hij wegsprong in de richting der kreet en in botsing kwam

met een natte en sober gekleede jonge vrouw, die achteruitdeinsde voor

hetgeen haar dezen kreet ontlokt had. Deze onverwachte botsing was

oorzaak van een tweeden plotselingen kreet voor zij zich kon omkeeren

en zich overtuigen, dat dit geen nieuwe aanval, maar enkel een redder

in den nood was. Zij vloog langs hem heen, haar gelaat doodsbleek van

schrik, struikelde over den Indianenjongen en stond niet stil voor ze

op het open zand was.

„Wat is er?” vroeg Francis. „Zijt gij gewond? Wat is er gebeurd?” Zij

wees op haar bloote knie, waar twee kleine bloeddruppeltjes naast

elkander te voorschijn kwamen uit twee, nauwelijks zichtbare wondjes.

„Het was een adder,” zei ze. „Een vergiftige adder. Over vijf minuten

ben ik dood en ik ben er blij om, blij, want dan kan je mij niet langer

kwellen.”

Zij hief een beschuldigende vinger tegen hem op, hijgde een paar

onverstaanbare woorden en viel bewusteloos neer.

Francis kende de slangen van Centraal-Amerika enkel van hooren zeggen,

maar hetgeen hij ervan gehoord had, was vreeselijk genoeg. Men

vertelde, hoe muilezels en honden, na een ontzettenden doodsstrijd,

stierven, vijf of tien minuten nadat zij gebeten waren door kleine

reptielen van veertig tot vijftig centimeter lang. Geen wonder, dat ze

flauwgevallen was, dacht hij, nu zoo’n vreeselijk gif ongetwijfeld

reeds zijn werk begonnen was. Hij kende de behandeling van slangenbeten

ook enkel van hooren zeggen, maar toch vloog door zijn hersenen de

herinnering aan een tourniquet om den bloedsomloop boven de wond af te

klemmen en te voorkomen, dat het gif het hart bereikte.

Hij haalde zijn zakdoek uit zijn zak en bond dien los om haar been

boven de knie, stak er een kort stukje drijfhout in, en draaide den

zakdoek buitengewoon stevig aan. Vervolgens opende hij, alles volgens

hooren zeggen en vliegensvlug te werk gaande, zijn zakmes, verhitte dit

met verscheidene lucifers om het steriel te maken, en sneed

voorzichtig, maar meedoogenloos in de beide wondjes, die de gifttanden

der slang gemaakt hadden. Hij was zelf doodsbenauwd, en werkte met

koortsachtige haast, ieder oogenblik verwachtend, dat de doodsstrijd

zich meester zou maken van die heerlijke gestalte daar voor hem. Zooals

hij altijd gehoord had, begon het lichaam der slachtoffers van een

slangenbeet spoedig en vreeselijk te zwellen. Zelfs terwijl hij

voortging met het openen der wondjes, was zijn geest bezig met de beide

volgende behandelingen. Eerst zou hij zooveel mogelijk het gif

uitzuigen en vervolgens een sigaret aansteken en met het brandend

gedeelte de wonden cauteriseeren.

Maar terwijl hij nog bezig was om met de punt van zijn mes kris en kras

kleine sneedjes te maken, begon zij zich onrustig te bewegen.

„Blijf liggen,” beval hij, toen zij overeind ging zitten juist op het

oogenblik, waarop hij zich gereed maakte om de wond te gaan uitzuigen.

Als antwoord ontving hij van haar kleine hand een klinkende klap op

zijn wang. Terzelfdertijd kwam de Indianenjongen de jungle uitgedanst,

een dood slangetje bij den staart heen en weer zwaaiend en riep

juichend:

„Labarri! Labarri!”

Deze woorden deden Francis het ergste vreezen.

„Ga liggen en houd u stil!” herhaalde hij met barsche stem. „Er is geen

seconde te verliezen.”

Maar zij had enkel oogen voor de doode slang. Het was duidelijk

merkbaar, dat een groote verlichting zich van haar meester maakte; maar

Francis merkte dit niet, daar hij zich weer vooroverboog om de

vastgestelde behandeling van slangenbeten voort te zetten.

„Hoe durf je!” voegde ze hem dreigend toe. „Het is maar een kleine

labarri en haar beet is onschadelijk. Ik dacht, dat het een adder was.

Ze zien er net eender uit, zoolang de labarri nog klein is.”

De stremming der bloedsomloop door het tourniquet deed haar pijn en ze

keek naar beneden, om te zien, dat zijn zakdoek om haar been geknoopt

was.

„O, wat heb je gedaan?”

Een warme blos verspreidde zich over haar gelaat.

„Maar het was slechts een kleine labarri,” verweet zij hem.

„U zei, dat het een adder was,” antwoordde hij.

Zij verborg haar gelaat in haar handen, ofschoon zij bloosde tot achter

haar ooren. Toch zou hij er een eed op gedaan hebben, dat zij lachte,

of het moest een zenuwlach zijn; en voor de eerste maal drong het tot

hem door, welk een zware taak hij op zich genomen had om den ring van

een ander man aan haar vinger te steken. Hij verhardde dus vastberaden

zijn hart tegen haar schoonheid en de bekoring, die van haar uitging en

sprak op bitteren toon:

„En nu veronderstel ik, dat de een of ander van uw familieleden mij als

schietschijf zal gebruiken, omdat ik geen labarri van een adder kan

onderscheiden. Je kunt ook iemand van het personeel roepen om het te

doen. Of misschien wil je zelf wel een schot op mij wagen.”

Maar zij scheen zijn woorden niet gehoord te hebben, want zij was

opgestaan met al de vlugheid en lenigheid, die men van zoo’n prachtig

gevormd schepseltje mocht verwachten en stampte met haar voet op het

zand.

„Hij slaapt—mijn voet,” verklaarde zij met een lachje, dat ditmaal niet

achter haar handen schuil ging.

„Je gedraagt je al heel onbehoorlijk,” beweerde hij schalksch, „in

aanmerking nemend, dat ik de moordenaar van je oom ben.”

Bij deze herinnering staakte zij haar lachen en de kleur verdween van

haar gezicht. Zij gaf geen antwoord, maar boog zich voorover en

trachtte met vingers, die trilden van boosheid, den zakdoek los te

maken, alsof dit voorwerp haar diepen afkeer inboezemde.

„Laat mij je liever helpen,” opperde hij vroolijk.

„Beest!” snauwde zij hem toe. „Ga op zij. Zie je niet, dat je schaduw

op mij valt.”

„Je bent verrukkelijk, bekoorlijk,” spotte hij, weerstand biedend aan

het verlangen, dat hem drong om haar in de armen te sluiten. „Je

beantwoordt volkomen aan mijn laatste herinnering van je hier op het

strand, toen je mij het eene oogenblik verweet, dat ik je niet kuste,

het volgende oogenblik mij kuste—ja, dat deedt je—en nog weer een

seconde later dreigde om mijn spijsvertering in de war te brengen, door

dat kleine speelgoed-pistooltje van je. Neen, je bent na dien tijd nog

in het minst niet veranderd. Je bent nog dezelfde driftkop van een

Leoncia. Je zoudt wijzer doen, als je mij dat los liet maken. Zie je

niet, dat de knoop geklemd zit? Dat speel je nooit klaar met je kleine

vingertjes.”

Zij stampte met haar voet, niet in staat om een woord uit te brengen

van woede.

„Ik bof er bij, dat het je gewoonte niet is, om dat blikken

speelgoed-pistooltje mee te nemen, als je gaat zwemmen,” plaagde hij

verder, „want anders zou er hier op het strand heel gauw een beslist

aardig jongmensch begraven worden, die toch enkel de beste bedoelingen

met je heeft.”

Op dit oogenblik kwam de Indianenjongen aanloopen met haar badmantel,

dien zij hem uit de handen rukte en snel omsloeg. Vervolgens viel zij,

met behulp van den jongen, weer op den knoop aan. Toen de zakdoek los

was, slingerde zij dien van zich, alsof dit in werkelijkheid een adder

was.

„Vooruit, met dat smerige ding,” snauwde zij, aan zijn adres. Maar

Francis, die nog altijd zijn hart jegens haar verhardde, schudde

langzaam zijn hoofd en sprak:

„Het helpt je niets, Leoncia. Ik heb mijn stempel op je achtergelaten

en dat kan je nooit meer afwisschen.”

Hij wees naar de insnijdingen, die hij in haar knie gemaakt had en

lachte.

„Het stempel van het beest,” was haar antwoord, terwijl zij zich

omkeerde om heen te gaan. „Ik waarschuw je, dat je maakt, dat je

wegkomt, mijnheer Henry Morgan.”

Maar hij versperde haar den weg.

„En nu zullen we eerst eens over zaken spreken, mejuffrouw Solano,” zei

hij, op een heel anderen toon. „En gij zult naar mij luisteren. Ge

moogt met uw oogen vonken schieten zooveel ge wilt, maar val me niet in

de rede.” Hij bukte zich en raapte het briefje op, dat hij juist had

zitten schrijven. „Ik wilde je dit juist zenden door tusschenkomst van

den jongen, toen je dien gil gaaft. Neem het. Lees het. Het zal je niet

bijten. ’t Is geen adder.”

Ofschoon zij het niet wilde aannemen, vielen haar oogen onwillekeurig

op den eersten regel:

Ik ben de man, dien gij aanzaagt voor Henry Morgan...

Zij keek hem aan met verschrikte oogen, die niets begrepen, maar veel

vermoedden.

„Op mijn eerewoord,” zei hij ernstig.

„Gij... zijt... Henry... niet?” hijgde zij.

„Neen, dat ben ik niet. Zou je dit briefje niet willen aannemen en

lezen?”

Ditmaal voldeed zij aan zijn verzoek, terwijl zijn blik bleef rusten op

den gouden zonnegloed op haar, slechts weinig gebruind, blank gelaat,

rose gekleurd door het doorschemerend bloed.

Als in een droom kwam hij tot de ontdekking, dat haar verbaasde,

vragende, bruin fluweelen oogen op hem gericht waren.

„En wie zou dit dan geschreven hebben?” begon ze weer.

Hij kwam tot zichzelf en boog.

„Maar de naam?—uw naam?”

„Morgan, Francis Morgan. Zooals ik daarin reeds verklaarde, zijn Henry

en ik verre bloedverwanten—neven in den vijfenveertigsten graad of iets

dergelijks.”

Tot zijn groote verbazing, stond er plotseling groote twijfel in haar

oogen te lezen en de oude, bekende toorn vlamde weer op.

„Henry!” verweet ze hem. „Dit is een list, een duivelachtige streek,

die je mij wilt spelen. Natuurlijk ben je Henry.”

Francis wees op zijn knevel.

„Dien heb je sinds dien tijd laten staan,” beweerde ze.

Hij stroopte zijn mouw op en toonde haar zijn linkerarm van de pols tot

den elleboog. Maar ze gaf alleen te kennen, dat ze niet begreep, wat

deze handeling beteekende.

„Herinner je je het litteeken?” vroeg hij.

Zij knikte.

„Zoek het dan.”

Zij boog haar hoofd om snel een vruchteloos onderzoek in te stellen, en

schudde het toen langzaam, terwijl zij stamelde:

„Ik... ik vraag vergiffenis. Ik heb me vreeselijk vergist, en als ik

denk aan de wijze, waarop ik... ik je behandelde...”

„Die kus was verrukkelijk,” bekende hij stout.

Zij herinnerde zich nog meer directe voorvallen, keek omlaag naar haar

knie en onderdrukte iets, wat hij voor een zeer verrukkelijk lachje

aanzag.

„Je zegt, dat je een boodschap van Henry hebt,” veranderde zij

plotseling van onderwerp. „En dat hij onschuldig is?... Kan dit waar

zijn? O, ik zou je zoo gaarne gelooven!”

„Ik ben moreel overtuigd, dat Henry evenmin je oom doodde, als ik het

deed...”

„Zeg dan geen woord meer, tenminste nu niet,” viel ze hem opgewekt in

de rede. „In de eerste plaats moet ik je mijn verontschuldigingen

aanbieden, ofschoon je zult moeten erkennen, dat een en ander, wat je

gedaan en gezegd hebt, afschuwelijk was. Je hadt het recht niet om mij

te kussen.” „Wees zoo goed je te herinneren, dat ik dit deed, terwijl

de loop van een pistool op mij gericht was,” beweerde hij. „Het was de

vraag, of ik niet doodgeschoten zou zijn, wanneer ik het niet gedaan

had.”

„Och, schei uit,” smeekte ze. „Je moet nu met me mee naar huis gaan. En

onderweg kan je me dan van Henry vertellen.” Toevallig vielen haar

oogen op den zakdoek, dien zij zoo verachtelijk weggeworpen had. Zij

liep er heen en raapte hem op.

„Arme, mishandelde zakdoek,” sprak ze. „Ik mag jou ook wel mijn

verontschuldigingen aanbieden. Ik zal je zelf wasschen en...” Zij keek

Francis aan, toen ze het woord tot hem richtte. „En hem u teruggeven,

mijnheer, schoon en frisch en gewikkeld om een dankbaar hart...”

„En het stempel van het beest?” vroeg hij.

„Het spijt me zoo,” bekende zij boetvaardig.

„En mag ik nu mijn schaduw op u laten rusten?”

„Ja! Ja!” riep ze vroolijk. „Ziezoo! Nu sta ik in uw schaduw. En nu

moeten we op weg gaan.”

Francis wierp den grinnikenden Indianenjongen een geldstuk toe en

keerde zich toen zeer trotsch om en volgde haar door den tropischen

plantengroei langs het pad, dat naar de witte haciënda leidde.

Op de breede piazza der Solano-Haciënda gezeten, zag Alvarez Torres het

tweetal langs den, tusschen het tropische struikgewas slingerenden

rijweg naderkomen. En hij zag iets wat hem deed tandenknarsen en zeer

verkeerde gevolgtrekkingen maken. Hij mompelde heimelijke

verwenschingen en vergat zijn sigaret.

Hij zag Leoncia en Francis in zoo’n diep en opgewonden gesprek, dat zij

geen oog hadden voor iets anders. Hij zag dat Francis woorden en

gebaren zóó dringend waren, dat Leoncia zich plotseling gedwongen

voelde om stil te staan en verder naar zijn pleidooi te luisteren.

Vervolgens—en Torres kon zijn oogen haast niet gelooven, zag hij hoe

Francis een ring te voorschijn haalde en hoe Leoncia, met afgewend

gelaat, haar linkerhand uitstak en hoe de ring aan haar derden vinger

gestoken werd. Het was een verlovingsring, daar had Torres een eed op

willen doen. De werkelijkheid was echter, dat Henry’s verlovingsring

weer aan Leoncia’s hand gestoken werd. En Leoncia, zij wist niet

waarom, had een vagen tegenzin gevoeld om dien aan te nemen. Torres

wierp de uitgedoofde sigaret weg, draaide verwoed aan zijn knevel,

alsof hij hierdoor zijn eigen opwinding wilde verdrijven en liep hen

toen tegemoet over de piazza. Hij beantwoordde den groet van het meisje

niet dadelijk. In plaats daarvan barstte hij, met toornig gelaat, tegen

Francis los:

„Men verwacht wel niet, dat een moordenaar zich zal schamen, maar men

mag toch tenminste verwachten, dat hij zich fatsoenlijk zal gedragen!”

Francis glimlachte spottend.

„Daar heb je het alweer,” zei hij. „Weer zoo’n gek uit dit krankzinnige

land. De laatste maal, dat ik dezen heer zag, Leoncia, was in New-York.

Hij was toen erg verlangend om zaken met mij te doen. Nu ontmoet ik hem

hier en het eerste, wat hij mij vertelt, is dat ik een onfatsoenlijke,

onbeschaamde moordenaar ben.”

„Senor Torres, gij moet uw excuses aanbieden,” verklaarde zij toornig.

„Het huis Solano is niet gewoon, dat zijn gasten beleedigd worden.”

„Dan maak ik hieruit op, dat het huis Solano wel gewoon is, om zijn

mannen te laten vermoorden door doortrekkende avonturiers,” antwoordde

hij. „Geen offer is te groot, wanneer dit geschiedt in den naam der

gastvrijheid.”

„Houd je maar kalm, Senor Torres,” raadde Francis goedgeluimd. „Je bent

aan het doordraven. Ik begrijp je vergissing. Je denkt, dat ik Henry

Morgan ben. Ik ben Francis Morgan en jij en ik onderhandelden, nog niet

lang geleden, op Regan’s kantoor in New-York over zaken. Ziehier mijn

hand. Onder deze omstandigheden zal een handdruk voldoende excuus

zijn.”

Torres, een oogenblik onder den indruk van zijn vergissing, nam de, hem

toegestoken hand aan en bood zoowel Francis als Leoncia zijn

verontschuldigingen aan.

„En nu,” sprak zij lachend, terwijl zij in haar handen klapte om een

bediende te roepen, „moet ik mijnheer Morgan een kamer laten geven en

zelf eenige kleeren aan gaan trekken. En daarna zullen wij u van Henry

vertellen, wanneer u ons dit niet kwalijk neemt, Senor Torres.”

Terwijl zij vertrok en Francis een jonge, mooie mestiza-vrouw naar zijn

kamer volgde, kwam Torres, wiens hersenen weer een beetje normaal

werden, tot de ontdekking, dat hij nog nooit zoo verbaasd en zoo boos

geweest was. Het was dus een nieuweling en een vreemdeling voor

Leoncia, dien hij een ring aan haar ringvinger had zien steken. Zijn

hersenen werkten een oogenblik snel en hartstochtelijk. Leoncia, die

hij heimelijk altijd de koningin zijner droomen noemde, had, na een

kennismaking van een oogenblik, zich verloofd met een vreemden Gringo

uit New-York. Het was ongeloofelijk, monsterachtig.

Hij klapte in zijn handen en beval, dat het rijtuig, dat hij in San

Antonio gehuurd had, voor moest komen en reed in snelle vaart den

rijweg af, toen Francis weer verscheen om nog eens met hem te praten

over de verdere bijzonderheden der bergplaats van den schat van den

ouden Morgan.

Na de lunch, toen een landwindje opstak, wat hetzelfde beteekende als

een gunstige wind en een snelle overtocht over de Chiriqui-Lagune naar

de Stier en het Kalf, sloeg Francis, die verlangend was om Henry de

goede tijding te brengen, dat zijn ring Leoncia’s vinger weer

versierde, de aangeboden gastvrijheid af om den nacht over te blijven

en Enrico Solano en zijn groote zoons te ontmoeten. Francis had echter

nog een andere reden voor dit overhaast vertrek. Hij kon de

tegenwoordigheid van Leoncia niet langer verdragen—en dit was volstrekt

niet in onbeleefden zin bedoeld. Zij bekoorde hem, lokte hem aan en wel

zóó, dat hij niet langer onder dien invloed mocht blijven, wilde hij

trouw blijven aan den man, met zijn pantalon van zeildoek, die op het

oogenblik nog kuilen groef in het zand op de Stier. Daarom vertrok

Francis, met een brief van Leoncia aan Henry in zijn zak. Het laatste

oogenblik, vóór hij vertrok, was zeer kort. Met een zucht, die zóó snel

gesmoord werd, dat Leoncia afvroeg of het geen verbeelding was, rukte

hij zich los. Zij keek naar zijn, steeds kleiner wordende gedaante op

den rijweg, tot ze hem niet meer zien kon en staarde toen, met een

eenigszins droeven blik, op den ring aan haar vinger.

Van den oever gaf Francis de Angélique, die voor anker lag, een teeken,

om een boot aan wal te zenden om hem te halen. Maar voor de boot

gestreken was, reden een half dozijn ruiters met revolvers in den

gordel en geweren aan den zadelknop, langs den oever in galop op hem

toe. Twee mannen reden vooruit. De andere vier waren gemeene mulatten.

Francis herkende een der beide aanvoerders als Torres. Al de geweren

werden op Francis aangelegd en hij kon niet anders doen dan gehoorzamen

aan het, hem door den onbekenden aanvoerder toegesnauwd bevel, om zijn

handen op te steken. En Francis dacht hardop.

„Hoe is het mogelijk! Eens, nog niet lang geleden—of was het een

millioen jaren?—dacht ik, dat het bridge-spel, tegen een dollar het

punt, al een heele opwinding was. Welnu, heeren, daar op je paarden,

dreigend om met je wapens eenige vreemde voorwerpen in mijn arme corpus

te laten dringen, zeg me eens, wat er toch eigenlijk aan de hand is.

Kan ik dan nimmer dezen oever verlaten zonder eenige

buskruit-complicaties? Zijn het mijn ooren, of is het enkel mijn

knevel, waarop gij het voorzien hebt?”

„Wij hebben het op u voorzien,” antwoordde de vreemde aanvoerder, wiens

knevel even stekelig was als zijn sluwe, zwarte oogen.

„En, in den naam van alles en nog wat, wie ben je?”

„Hij is de Edelachtbare Senor Mariano Vercara è Hyos, Chef van Politie

in San Antonio,” antwoordde Torres.

„Wel te rusten,” lachte Francis, zich de beschrijving herinnerend, die

Henry hem van dezen man gegeven had. „Ik vermoed, dat ik volgens uwe

meening een havenreglement of een sanitair voorschrift overtreden heb

door hier te ankeren. Maar u moet dergelijke dingen uitmaken met mijn

kapitein, Kapitein Trefethen, een zeer achtenswaardig gentleman. Ik heb

dezen schoener slechts gecharterd—ben maar een passagier. Gij zult

zien, dat Kapitein Trefethen goed op de hoogte is in der maritieme

voorschriften en gebruiken.”

„Wij hebben het op je voorzien, wegens den moord op Alfaro Solano,” was

Torres’ antwoord. „Je kon mij niet om den tuin leiden, Henry Morgan,

met je vertelseltje daar op de haciënda, dat je een ander was. Ik ken

dien ander. Zijn naam is Francis Morgan en ik schroom niet er aan toe

te voegen, dat hij geen moordenaar, maar een gentleman is.”

„Wel alle menschen!” riep Francis uit. „En je hebt me toch de hand

gedrukt, Senor Torres.”

„Ik liet me beetnemen,” stemde Torres verdrietig toe. „Maar slechts

voor een oogenblik. Wil je goedschiks meegaan?”

„Alsof...” Met een welsprekend gebaar naar de zes geweren trok Francis

zijn schouders op. „Ik veronderstel, dat gij mij onmiddellijk zult

verhooren en met het aanbreken van den dag opknoopen.”

„De gerechtigheid werkt snel in Panama,” antwoordde de Chef van Politie

in een eigenaardig geaccentueerd, maar toch verstaanbaar Engelsch.

„Maar zóó snel gaat het toch niet. We zullen je niet opknoopen met het

aanbreken van den dag. Tien uur in den morgen is in alle opzichten een

meer geschikte tijd, vindt je ook niet?”

„O, wel zeker,” antwoordde Francis. „Maak er elf uur van, of twaalf—’t

is mij hetzelfde.”

„U wilt dus wel zoo goed zijn ons te volgen, senor,” zei Mariano

Vercara è Hyos, waarbij de minzaamheid zijner woorden geenszins zijn

ijzeren wil verborg. „Juan! Ignacio!” beval hij in het Spaansch. „Stijg

af! Neem hem zijn wapens af. Neen, het is niet noodig om zijn handen te

binden. Zet hem achter Gregorio op het paard.”

Francis, in een eerbiedwaardige gewitte gevangeniscel met vijf voet

dikke muren gezeten, op wier leemen vloer de gedaanten rustten van een

half dozijn medegevangenen, luisterde naar een dof gehamer, dat niet

ver verwijderd was en zich het verhoor herinnerend, dat hij juist

ondergaan had, floot hij langgerekt en zacht. Het was half negen ’s

avonds. Het verhoor had om acht uur een aanvang genomen. Het gehamer

beteekende de oprichting der schavotpalen, van welke verheven plek hij

veroordeeld was om den volgenden morgen om tien uur de ruimte

ingeslingerd en teruggehouden te worden van de aarde door een om zijn

hals geknoopt touw. Volgens zijn horloge had het verhoor een half uur

geduurd. Twintig minuten zou voldoende geweest zijn, wanneer Leoncia

niet naar binnen was komen stormen en het nog tien minuten gerekt had,

haar beleefd toegestaan als de voorname dame der familie Solano.

„De Chef had gelijk,” bevestigde Francis in een soort alleenspraak.

„De gerechtigheid werkt snel in Panama.”

Zelfs het bezit van den brief, hem gegeven door Leoncia en geadresseerd

aan Henry Morgan, had meegeholpen tot zijn veroordeeling. De rest was

gemakkelijk genoeg geweest. Een half dozijn getuigen hadden hun

verklaringen afgelegd in de moordzaak en hem aangewezen als den

moordenaar. De Chef van Politie had ook een dergelijke getuigenis

afgelegd. Het eenige vroolijke intermezzo was de inval van Leoncia

geweest, gechaperonneerd door een beverige oude tante der familie

Solano. Dat was heerlijk geweest—de strijd van het mooie meisje om zijn

leven te redden, niettegenstaande het feit, dat die gedoemd was om

zonder succes te blijven. Toen zij Francis zijn mouw op liet stroopen

en zijn linkerarm vertoonen, had hij gezien hoe de Chef van Politie

minachtend zijn schouders optrok. En hij had gezien hoe Leoncia een

stroom van Spaansche woorden, die hij niet kon volgen, naar Torres’

hoofd slingerde. En hij had de gebaren en het rumoer gezien en gehoord

van de menigte menschen, die de gerechtszaal vulde, toen Torres in de

getuigenbank verscheen.

Maar wat hij niet gezien had, was de gefluisterde samenspraak tusschen

Torres en den Chef van Politie, toen de eerste zich door de menigte een

weg baande naar de getuigenbank. Hij zag evenmin dit afzonderlijke

tusschenspel als hij wist, dat Torres door Regan er voor betaald werd

om hem zoo lang mogelijk van New-York verwijderd te houden of

vermoedde, dat Torres, zelf verliefd op Leoncia, werd verteerd door een

jaloezie, die geen grenzen kende.

Dit alles misleidde Francis, terwijl Torres door Leoncia ondervraagd

werd, die hem dwong te verklaren, dat hij nooit een litteeken gezien

had op den linkerarm van Francis Morgan. Terwijl Leoncia den kleinen,

ouden rechter triomfeerend aankeek, was de Chef van Politie naar voren

getreden en had met stentorstem aan Torres gevraagd:

„Kunt gij onder eede verklaren, dat gij wel eens een litteeken gezien

hebt op Henry Morgan’s arm?”

Torres was verrast en verslagen geweest, had den rechter verbijsterd en

Leoncia smeekend aangezien en ten slotte zonder een woord te zeggen,

zijn hoofd geschud om te kennen te geven, dat hij dit niet kon doen.

Een triomfeerend gebrul was opgestegen uit de menigte schoeljes. De

rechter had het vonnis uitgesproken, het rumoer was verdubbeld en

Francis was, niet geheel zonder weerstand te bieden, weggeleid naar

zijn cel door de gendarmes en den Commissaris, die er oogenschijnlijk

allen op uit waren om hem te beveiligen voor het gepeupel, dat weinig

lust had om tot den volgenden morgen tien uur op zijn dood te wachten.

„Die arme duivel, Torres, die struikelde over dat litteeken bij Henry!”

dacht Francis vol sympathie, toen de grendel van zijn cel weggeschoven

werd en hij opstond om Leoncia te begroeten.

Maar zij weigerde voor het oogenblik hem zijn groet terug te geven en

wendde zich in een snelvuur van Spaansche woorden tot den Commissaris,

met bevelende gebaren, waaraan hij gehoorzaamde, door den cipier te

gebieden om de gevangenen naar andere cellen te brengen, waarop

hijzelf, na een zenuwachtige en verontschuldigende buiging, naar buiten

ging en de deur achter zich sloot.

En toen zonk Leoncia snikkend tegen zijn schouder, in zijn armen: „’t

Is een vervloekt land, een vervloekt land. Er bestaat hier geen eerlijk

spel.”

En terwijl Francis haar gebogen gestalte vasthield, zoo vol vrouwelijke

aantrekkingskracht, dacht hij aan Henry, barrevoets, met zijn pantalon

van zeildoek en zijn slappe sombrero, die kuilen groef in het zand op

de Stier.

Hij deed een poging om zich los te maken van deze armvol

bekoorlijkheid, maar slaagde slechts gedeeltelijk hierin. Toch

beproefde hij, op dezen iets grooteren afstand, zijn verstand te laten

spreken, in plaats van zijn gevoel, dat maar al te zeer dreigde hem mee

te slepen.

„Nu weet ik tenminste wat een comedie is,” verzekerde hij haar,

heelemaal niet in overeenstemming met de ingeving van zijn hart. „Als

deze landgenooten van je wat kalmer nadachten, in plaats van zoo

hartstochtelijk te handelen, konden zij spoorwegen aanleggen en den

bloei van hun land bevorderen. Dat verhoor was je reinste comedie. Zij

wisten, dat ik schuldig was en waren zoo verlangend om mij te straffen,

dat ze zich zelfs niet druk konden maken over getuigen, bewijzen of

identiteit. Waartoe een uitstel? Zij wisten, dat Henry Morgan Alfaro

doodgestoken had. Zij wisten, dat ik Henry Morgan was. Wanneer iemand

iets weet, waarom zou hij zich dan druk maken met een onderzoek?”

Doof voor zijn woorden, snikkend en zich steviger aan hem vastklemmend

onderwijl hij sprak, had zij zich op het oogenblik, waarop hij ophield,

weer diep in zijn armen genesteld, drukte zich tegen hem aan en hief

haar lippen tot hem op; en, eer hij het wist, rustten zijn eigen lippen

op de hare.

„Ik heb je lief, ik heb je lief,” fluisterde ze gebroken.

„Neen, neen,” ontkende hij zijn liefste wensch. „Henry en ik lijken

teveel op elkaar. Je hebt Henry lief en ik ben Henry niet.”

Zij rukte zich plotseling los, trok Henry’s ring van haar vinger en

wierp dien op den vloer. Francis was zoo opgewonden, dat hij niet wist,

wat er het volgende oogenblik zou gebeuren, en werd enkel voor deze

mogelijkheid bewaard door het binnenkomen van den Commissaris, die met

het horloge in de hand en afgewend gelaat zijn best deed om niets

anders te zien, dan de seconden, door de kleine wijzer op de

wijzerplaat aangegeven. Zij richtte zich trotsch op en bezweek bijna

toen Francis Henry’s ring weer aan haar vinger schoof en haar hand

kuste om afscheid te nemen. Juist vóór zij de deur uitging, keerde zij

zich om en met een klanklooze beweging der lippen, fluisterde ze hem

toe: „Ik heb je lief.”

Op de minuut af, om tien uur werd Francis de gevangenis uitgeleid naar

het plein, waar de galg stond. Heel San Antonio was present, vroolijk

en luidruchtig en met hen het grootste gedeelte der naburige bewoners

en Leoncia, Enrico Solano en zijn vijf reuzen zoons. Enrico en zijn

zoons rookten en stapten deftig rond, maar de Chef van Politie,

bijgestaan door den Commissaris en zijn gendarmes, was zoo hard als

diamant. Tevergeefs deed Leoncia moeite om tot hem door te dringen,

toen Francis naar den voet van het schavot geduwd werd en tevergeefs

trachtten haar mannelijke verwanten haar te overreden om het plein te

verlaten. Haar vader en broeders protesteerden eveneens tevergeefs, dat

Francis de schuldige niet was. De Chef van Politie beval, met een

verachtelijk glimlachje, dat de executie voortgang zou hebben. Boven op

het schavot gekomen, op de trap staande, wees Francis den bijstand van

den priester af, hem in het Spaansch meedeelend, dat een onschuldige

geen bemiddeling met de toekomstige wereld van noode had, maar dat zij,

die het vonnis gingen voltrekken, behoefte hadden aan deze bemiddeling.

Ze hadden Francis’ beenen gebonden en waren juist bezig om zijn armen

te binden en de mannen hielden den strop en de zwarte muts boven zijn

hoofd om hem deze aan te doen, toen men de stem van een zanger hoorde

naderen, en het lied, dat gezongen werd, was:

„—Rug aan rug, door den grootmast gescheiden—

De gansche bemanning wijken doet.”

Leoncia, die haast in zwijm viel, kwam weer bij op het hooren dezer

stem en slaakte een kreet van verrukking, toen ze Henry Morgan zag

binnenkomen, die de wachters aan de poort, die hem den weg wilden

versperren, terzijde wierp.

De eenige, dien het speet toen hij hem zag naderen, was Torres, wat

echter door de opschudding niet gemerkt werd. De toeschouwers waren het

eens met den Chef van Politie, die zijn schouders optrok en beweerde,

dat de eene man net zoo goed was als de ander, zoolang de executie maar

door kon gaan. Maar nu ontstond er een heele woordenstrijd met de

mannelijke Solanos, die volhielden, dat Henry evenmin schuldig was aan

den moord op Alfaro. Maar het was Francis, die vanaf het schavot,

terwijl zijn armen en beenen losgemaakt werden, boven het tumult uit

schreeuwde:

„Gij hebt mij verhoord! Maar hem hebt gij niet verhoord! Gij kunt geen

man ophangen, die geen verhoor ondergaan heeft! Hij moet verhoord

worden!”

En toen Francis van het schavot gekomen was en Henry’s hand in zijn

beide handen drukte, arresteerde de Commissaris, bijgestaan door den

Chef van Politie, plichtschuldig Henry Morgan voor den moord op Alfaro

Solano.

Drie Harten · 第 6 / 33 题