Geld laat zich evenmin verloochenen als jeugd en Francis Morgan, die de
wettige en natuurlijke vertegenwoordiger was zoowel van jeugd als van
geld, bevond zich op een namiddag, drie weken nadat hij afscheid
genomen had van Regan, aan boord van zijn schoener, de Angélique, in
een windstilte vlak voor het land. Het water was doorschijnend, de
zachte deining nauwelijks merkbaar, en, uit louter verveling en
overvloed van kracht, die evenmin zich laat verloochenen, vroeg hij den
kapitein, een kleurling, half Jamaïca-neger en half Indiaan, om een
klein bootje naar den wal te zenden.
„Het ziet er naar uit of ik wel een papegaai of een aap of zooiets zou
kunnen schieten,” beweerde hij, met een twaalfmaal vergrootenden
Zeiss-kijker den, met jungle begroeiden, op een halve mijl afstand
liggenden oever afzoekend.
„Zeer waarschijnlijk, mijnheer, dat u gebeten wordt door een labarri,
die in deze streken een giftige adder is,” grinnikte de
kleurling-kapitein en eigenaar van de Angélique, die van zijn
Jamaïca-vader de gave geërfd had om vele talen te spreken. Maar Francis
was niet van zijn voornemen af te brengen; want op hetzelfde oogenblik
ontdekte hij door den kijker: ten eerste, wat verder op een witte
haciënda en ten tweede, op den oever een, in het wit gekleede
vrouwelijke gedaante en verder, dat ze hem en den schoener door een
verrekijker opnam.
„Laat een boot naar wal gaan, kapitein,” beval hij. „Wie wonen hier in
de buurt?—blanken?”
„De familie Enrico Solano, mijnheer,” was het antwoord. „Op mijn woord,
het zijn deftige edellieden, van oud-Spaansche afkomst en het geheele
land van de zee tot de Cordilleras is hun eigendom, evenals de helft
der Chiriqui-Lagune. Ze zijn zeer arm, en zeer rijk... in land—en ze
zijn trotsch en vurig als cayenne-peper.”
Toen Francis in de kleine boot naar den oever roeide, merkte het
waakzaam oog van den kapitein, dat hij verzuimd had om geweer of buks
mee te nemen voor de bewuste papegaai of aap. En vervolgens kreeg de
kapitein de, in het wit gekleede vrouwenfiguur in het oog, die zich
afteekende tegen den donkeren junglerand.
Francis roeide regelrecht naar den witten oever van koraalzand, zonder
dat hij over zijn schouder durfde kijken of de jonge vrouw er nog stond
of verdwenen was. Zijn geest koesterde enkel de gezonde gedachte van
een jongeman, dat hij een landelijke jongedame, of een half-wilde
blanke vrouw zou ontmoeten, of op zijn best een zeer boersche, waarmee
hij enkele oogenblikken van de windstilte, die de Angélique tot
werkeloosheid doemde, prettig kon doorbrengen. Toen de boot over den
bodem schuurde, stapte hij uit, en beurde met krachtigen arm den kop
hoog genoeg op het zand, om daar door haar eigen gewicht de boot vast
te houden. Toen keerde hij zich om. Het strand tot aan de jungle was
verlaten. Vol vertrouwen stapte hij voorwaarts. Iedere vreemdeling, op
zoo’n vreemd strand, had het recht om naar bewoners te zoeken en
inlichtingen te vragen—dit was de gedachte, waarnaar hij handelde.
En hij, die slechts enkele minuten van afleiding verwacht had, zag zich
in zijn schoonste verwachtingen overtroffen. Als een duiveltje uit een
doosje, sprong de vrouw, die hem, in den korten blik, dien hij op haar
sloeg, tot de overtuiging bracht, dat zij een kind-vrouw was, rijp in
jaren en toch nog grootendeels een kind, uit den groenen junglemuur te
voorschijn en greep met beide handen zijn arm vast. Het stevige gewicht
van dezen greep verraste hem. Met zijn vrije hand nam hij zijn hoed af
en boog voor de vreemde vrouw met al de onverstoorbaarheid van een
Morgan, die in New-York getraind is en gewend om zich over niets te
verwonderen, en ontving nu een nieuwe verrassing of vele verrassingen
tegelijk. Niet alleen kwam hij onder den indruk van haar
brunette-schoonheid, die hem trof alsof hij een klap ontving, maar het
was vooral haar blik, die in zijn binnenste doordrong en een en al
gestrengheid was. Hij kreeg haast den indruk, dat hij haar moest
kennen. Voor zoover hij wist, keken vreemdelingen elkander nooit zoo
aan.
De dubbele greep op zijn arm veranderde in een trekken, toen ze, op
strakken toon, fluisterde:
„Vlug! Volg mij!”
Een oogenblik aarzelde hij. Zij schudde hem heen en weer in haar
dringend verlangen en trachtte hem naar zich toe en mee te trekken. Met
het gevoel, dat het een ongewone intrige was, zooals iemand alleen kon
overkomen op de kust van Centraal-Amerika, gaf hij glimlachend toe,
nauwelijks wetend of hij vrijwillig volgde of door haar heftigheid werd
meegesleept de jungle in.
„Doe net zooals ik,” riep zij hem over haar schouder heen toe, terwijl
zij hem aan de hand verder leidde.
Hij glimlachte en gehoorzaamde, neerhurkend wanneer zij neerhurkte,
vooroverbuigend wanneer zij vooroverboog, terwijl herinneringen aan
John Smith en Pocahontas in hem oprezen.
Plotseling hield zij hem tegen en ging zitten, met haar hand hem
beduidend om naast haar te komen zitten eer ze hem losliet, en deze
toen tegen haar hart drukkend, terwijl zij hijgde:
„God zij dank! O, barmhartige Maagd!”
In navolging van haar, zooals zij van hem gevraagd had en daar dit in
het spel scheen te pas te komen, drukte hij ook glimlachend zijn hand
tegen zijn hart, ofschoon hij hierbij noch God, noch de Heilige Maagd
aanriep.
„Kan je dan nooit ernstig zijn?” riep ze plotseling uit, toen ze zijn
handeling opmerkte.
En Francis was natuurlijk onmiddellijk zoo ernstig mogelijk.
„Mijn waarde dame...” begon hij.
Maar met een plotseling gebaar hield zij hem tegen; en, met toenemende
verwondering, zag hij haar vooroverbuigen om te luisteren, en hoorde de
beweging van lichamen, die op verscheidene meters afstand zachtjes
langs een sluippaadje liepen.
Een zachte, warme hand drukte zich vast op de zijne om hem te
waarschuwen stil te zijn en zij verliet hem met de snelheid, die hij
reeds als een gewoonte van haar beschouwde, om weg te sluipen naar het
verborgen paadje. Hij floot bijna van verwondering. Misschien zou hij
dit wel gedaan hebben, wanneer hij niet vlakbij haar stem gehoord had,
die in het Spaansch op scherpen toon mannen ondervroeg, wier Spaansche
stemmen, half-nederig, half-dringend en half-weerspannig, antwoord
gaven.
Hij hoorde hen verder gaan, nog altijd pratend en, na vijf minuten van
doodsche stilte, hoorde hij, hoe zij hem op bevelenden toon toeriep om
te voorschijn te komen.
„Hola! Ik zou wel eens willen weten, wat Regan onder dergelijke
omstandigheden zou doen!” zei hij glimlachend tot zich zelf, terwijl
hij gehoorzaamde.
Hij volgde haar, nu niet langer hand in hand, door de jungle naar den
oever. Toen zij stilstond, kwam hij naast haar en keek haar aan, nog
altijd onder den indruk, dien hij gekregen had, dat het een spelletje
was.
„Tik!” lachte hij, haar op den schouder tikkend. „Tik!” herhaalde hij.
„Jij bent de Ware!”
De boosheid, die hem uit haar vurige donkere oogen tegenstraalde, deed
hem schrikken.
„Dwaas!” riep ze, haar vinger, met wat hij beschouwde als een
ongeoorloofde intimiteit aan zijn schoenborstel-kneveltje brengend.
„Alsof dat je onkenbaar zou kunnen maken.”
„Maar mijn waarde dame...” begon hij zijn protest, om haar duidelijk te
maken, dat hij haar heelemaal niet kende.
Haar antwoord, dat een einde maakte aan zijn redevoering, was even
ongewoon en bizar als al het andere, wat er aan voorafgegaan was. Het
kwam zoo snel, dat hij niet eens zien kon, waarvandaan zij den kleinen,
zilveren revolver te voorschijn haalde, wiens loop niet alleen op zijn
buik gericht, maar er stevig tegenaangedrukt werd.
„Mijn waarde dame...” begon hij weer.
„Ik wil niet met je praten,” viel ze hem in de rede. „Ga terug naar je
schoener en maak, dat je wegkomt...” Hij raadde de onhoorbare snik, die
oorzaak was van de pauze, eer ze besloot, „voor altijd”.
Ditmaal bleven de woorden, die hij wilde spreken, op zijn lippen
steken, doordat de loop van het wapen nog steviger tegen zijn buik
gedrukt werd.
„Als je ooit weer terugkomt—de Madonna moge het mij vergeven—dan schiet
ik mijzelf dood.”
„Ik geloof, dat ik dan maar liever zal weggaan,” sprak hij luchtig,
terwijl hij zich naar de boot keerde, waar hij deftig en met zijn
houding verlegen heenwandelde, half-stikkend van het lachen over
zichzelf en het belachelijk en onbegrijpelijk figuur, dat hij sloeg.
Om tenminste nog eenigszins zijn waardigheid op te houden, deed hij
alsof hij niet merkte, dat zij hem volgde. Toen hij den kop der boot
uit het zand losmaakte, werd hij gewaar, dat een zacht windje de
palmbladeren in beweging bracht. Een frissche bries kleurde het water
vlakbij donker, terwijl verweg over het spiegelende water de
vooruitspringende klippen van de Chiriqui-Lagune als een fata morgana
boven het donkere, golvende water uitstaken.
Een snik weerhield hem om in de boot te stappen en deed hem het hoofd
omwenden. De vreemde jonge vrouw, die nu de revolver aan haar zijde had
hangen, schreide. Onmiddellijk liep hij naar haar terug en de aanraking
van zijn hand op haar arm, was tegelijkertijd een betuiging van
sympathie en een vraag. Zij huiverde onder deze aanraking, trad terug
en keek hem door haar tranen heen verwijtend aan. Zijn schouders
optrekkend over haar telkens veranderde gemoedsstemming, berustende in
het onbegrijpelijke der situatie, wilde hij zich weer naar de boot
wenden, toen zij hem tegenhield.
„Je kon tenminste...” begon ze, stotterde toen en moest een keer
slikken, „je kon me wel een afscheidskus geven.”
Zij naderde hem impulsief, met uitgestrekte armen, terwijl de revolver,
al heel ongepast, in haar rechterhand bengelde. Francis aarzelde een
oogenblik heel verbaasd, ving haar toen op en voelde een
hartstochtelijke kus op zijn lippen eer zij, in tranen uitbarstend,
haar hoofd op zijn schouder liet rusten. Ondanks zijn verbazing, was
hij zich bewust, dat de revolver plat tegen zijn rug lag, tusschen de
schouders. Zij hief haar betraand gelaat op en kuste hem telkens en
telkens weer en hij vroeg zich verwonderd af, of hij een schurk was
omdat hij haar kussen met bijna gelijke en even geheimzinnige
hartstocht beantwoordde.
Uit het gevoel, alsof het hem in het minst niet kon schelen, hoe lang
deze teedere episode mocht duren, werd hij opgeschrikt, doordat zij
zich plotseling van hem terugtrok, terwijl toorn en verachting uit haar
oogen straalden en zij hem, met den revolver dreigend, naar de boot
dreef.
Hij haalde zijn schouders op, als om te kennen te geven, dat hij geen
neen kon zeggen tegen een knappe jongedame en gehoorzaamde, de riemen
opnemend en haar aankijkend, terwijl hij weg begon te roeien.
„De Heilige Maagd verlosse mij van mijn verdorven hart,” riep zij uit,
met haar vrije hand een medaillon tusschen haar kleeren uithalend en
dit versiersel, in een stortvloed van gouden kraaltjes in het water
werpend, halverwege tusschen hen beiden in.
Van den zoom der jungle zag hij hoe drie mannen, met geweren gewapend,
naar de plek kwamen loopen, waar zij in het zand neergezonken was.
Terwijl zij bezig waren om haar op te beuren, kregen zij Francis in het
oog, die met krachtigen slag wegroeide. Over zijn schouder kijkend, zag
hij hoe de Angélique, bij den wind halend en licht overleggend, het
water doorploegend, naar hem toekwam. Het volgend oogenblik, richtte
een van het drietal op den oever, een oudere man met grooten baard, den
verrekijker van het meisje op hem. En het daarop volgend oogenblik, den
kijker neerwerpend, richtte hij zijn geweer op hem.
De kogel spatte in het water op nog geen meter afstand van de boot en
Francis zag hoe het meisje overeind sprong en het geweer omhoogsloeg,
zoodat het tweede schot zijn doel miste. Vervolgens zag hij hoe de
mannen met geweld zich van haar losrukten, om hun geweren op hem te
richten, terwijl zij hen met haar revolver zocht te dwingen om hun
wapens te laten zakken.
De Angélique, die in den wind gebracht werd om haar te doen stoppen,
kwam schuimend langszijde en met een behendigen sprong was Francis aan
boord, terwijl de kapitein het stuurrad wendde en de schoener langzaam
wegzeilde. Op een jongensachtige manier wierp Francis ten afscheid een
kushand toe aan het meisje, dat hem nastaarde en zag haar neerzinken op
de schouders van den ouderen man met den langen baard.
„Cayenne-peper, niet—deze vervloekte, verschrikkelijke, onzinnig
trotsche Solanos,” zei de kleurling-kapitein lachend tegen Francis,
terwijl hij zijn blanke tanden liet zien.
„Echte bullebakken—volslagen krankzinnig, niemand uitgezonderd,” lachte
Francis terug, terwijl hij naar de verschansing sprong, om het
zonderlinge dametje nog meer kushandjes toe te wuiven.
Voortgedreven door den landwind, bereikte de Angélique den buitensten
rand der Chiriqui-Lagune en de Stier en het Kalf te middernacht, waarop
de kapitein bijdraaide om het daglicht af te wachten. Na het ontbijt,
liet Francis zich door een der matrozen, een neger uit Jamaïca, aan wal
roeien om de Stier te gaan verkennen, het grootste der beide eilanden
en dat hij, volgens den kapitein, om dezen tijd van het jaar
hoogstwaarschijnlijk bezet zou vinden door Indianen van het vasteland,
die hier schildpadden kwamen vangen.
En Francis ontdekte haast onmiddellijk, dat hij niet maar dertig
breedtegraden van New-York verwijderd was, maar veeleer drieduizend
jaar, of nog beter eeuwen, dat hij van het laatste woord der beschaving
overgeplaatst was naar het eerste woord der aloudheid. Naakt, op
lendedoeken na van Bengaalsch linnen, gewapend met wreedaardige, zware
kapmessen, bewezen de schildpad-vangers spoedig, dat ze aartsbedelaars
en gevaarlijke moordenaars waren. De Stier was hun eigendom, brachten
zij hem aan het verstand door middel van zijn Jamaïca-matroos; maar het
Kalf, dat in het schildpadden-seizoen ook altijd hun eigendom geweest
was, was nu in bezit genomen door een kwaadaardigen, onmogelijken
Gringo, wiens roekeloos, heerschzuchtig optreden hen een eerbiedig
respect had ingeboezemd voor een tweebeenig menschelijk schepsel, dat
veel geduchter was dan zijzelf.
Terwijl Francis voor een zilver-dollar gedaan kreeg, dat een hunner een
boodschap van hem overbracht aan den geheimzinnigen Gringo, dat hij hem
wenschte te bezoeken, verzamelden de overigen zich rondom de boot van
Francis, jammerend om geld, hem aanstarend en zelfs, zoo onbeschaamd
mogelijk, zijn pijp stelend, die hij, nog warm van zijn lippen, naast
zich op de roertalie had neergelegd. Oogenblikkelijk had hij den dief
een klap om zijn ooren gegeven, en ook den volgenden dief, die er naar
greep en maakte zich weer meester van de pijp. De hakmessen kwamen te
voorschijn en glinsterden hem dreigend tegen, maar Francis verdedigde
zich en hield de bende in bedwang met zijn automatisch pistool; terwijl
zij zich in een groep terugtrokken en dreigend fluisterden, kwam hij
tot de ontdekking, dat zijn eenige matroos-tolk nu juist geen held was,
waarna hij zijn teruggekeerden boodschapper te woord stond.
De neger liep naar de schildpad-jagers toe en sprak zoo vriendelijk en
onderdanig met hen, dat het Francis niet aanstond. De boodschaplooper
overhandigde hem zijn briefje, waarop met potlood gekrabbeld stond:
„Vamos.”
„Ik geloof, dat ik er zelf maar eens heen moet gaan,” zei Francis tegen
den neger, dien hij gewenkt had om terug te komen.
„U zoudt beter doen met op uw hoede en uiterst voorzichtig te zijn,
mijnheer,” waarschuwde de neger hem. „Deze onredelijke beesten zijn
hoogstwaarschijnlijk van zins om zeer onredelijk te handelen,
mijnheer.”
„Ga in de boot en roei me er heen,” beval Francis kortaf.
„Neen, mijnheer; het spijt me zeer, dat ik het zeggen moet, mijnheer,”
was het antwoord van den zwarten matroos. „Ik heb mij aan laten werven
als matroos van Kapitein Trefethen, mijnheer, maar ik heb mij niet
laten aanwerven om iemand te helpen om zelfmoord te plegen, en ik zie
niet in, dat het mijn plicht is om u daarheen te roeien om een wissen
dood te vinden. Het beste wat we doen kunnen, is deze warme Plaats te
verlaten, die beslist en zonder twijfel nog veel heeter voor ons zal
worden, als we hier blijven.”
Zeer misnoegd en toornig stak Francis zijn automatisch pistool in den
zak, draaide de, met een lendedoek bekleede wilden den rug toe en
wandelde weg tusschen de palmen. Waar groote blokken koraalrots
opgeworpen waren door een vroegere beroering van den aardbodem, kwam
hij weer op het strand uit. Op het strand van het Kalf aan de overzijde
van het smalle kanaal, zag hij een, op den oever getrokken Indiaansch
bootje. Aan den kant, waar hij zich bevond, lag een ranke en
oogenschijnlijk lekke kano. Toen hij het water eruit hoosde, merkte
hij, dat de schildpad-jagers hem gevolgd waren en naar hem keken van
tusschen de cocospalmen, ofschoon zijn lafhartige matroos niet te zien
was.
Om het kanaal over te pagaaien was slechts het werk van een oogenblik,
maar nauwelijks bevond hij zich op den oever van het Kalf, of hij werd
met nieuwe ongastvrijheid begroet door een lange jongeman op bloote
voeten, die achter een palmboom te voorschijn kwam, met een automatisch
pistool in de hand en schreeuwde:
„Vamos! Maak dat je wegkomt! Vooruit!”
„Alle goden en kleine visschen!” grinnikte Francis, half-spottend,
half-ernstig. „Een mensch kan zich in deze streken niet bewegen, zonder
dat er een geweer onder zijn neus geduwd wordt. En iedereen zegt, maak
dat je wegkomt.”
„Niemand heeft je uitgenoodigd om hier te komen,” antwoordde de
vreemdeling. „Je bent een indringer. Maak dat je wegkomt van mijn
eiland. Ik geef je een halve minuut tijd.”
„Het spijt me zeer, vriend,” verzekerde Francis hem trouwhartig,
tegelijkertijd met een schuin oog den afstand metend naar den naasten
palmboom. „Iedereen, die ik hier in de buurt ontmoet is krankzinnig en
onhoffeliik, en angstvallig bezorgd om zich van mijn tegenwoordigheid
te ontslaan en ze beginnen te maken, dat ik er ook zoo over ga denken.
Bovendien, omdat gij mij zegt, dat dit uw eiland is, is dit nog geen
bewijs...”
De snelheid, waarmee hij de dekking van den palmboom opzocht, maakte
dat zijn zin onvoltooid bleef. Hij bereikte den stam tegelijk met een
kogel, die tegen den anderen kant aansloeg.
„Welnu, leer om leer!” riep hij uit, toen hij een kogel in den stam van
den anderen boom joeg.
De volgende minuten schoten zij aldoor of wachtten op een welberekend
schot, en toen Francis achtste en laatste patroon verschoten was, was
hij, op minder aangename wijze ervan verzekerd, dat hij slechts zeven
schoten van den vreemdeling geteld had. Voorzichtig bracht hij een
gedeelte van zijn zonnehelm, die hij in de hand hield, te voorschijn en
oogenblikkelijk werd deze doorboord.
„Wat voor een revolver gebruik je?” vroeg hij met ijskoude beleefdheid.
„Een Colt,” was het antwoord.
Francis stapte brutaalweg te voorschijn, zeggend: „Dan zijn je patronen
op. Ik heb ze geteld. Acht stuks. Nu kunnen we praten.”
De vreemdeling kwam ook naar voren en Francis kon niet nalaten om zijn
prachtige gestalte te bewonderen, ondanks het feit, dat zijn kleeding
bestond uit een smerige pantalon van zeildoek, een katoenen hemd en een
slappe sombrero. Bovendien kwam het hem voor alsof hij hem vroeger
gekend had, ofschoon het niet tot hem doordrong, dat hij op zijn eigen
evenbeeld staarde.
„Spreek!” snauwde de vreemdeling, zijn revolver wegwerpend en een mes
trekkend. „Nu ga ik je ooren afsnijden en je misschien nog wel
scalpeeren ook.”
„Hola! Jelui zijn hier in deze bosschen zachtmoedige en vriendelijke
beestjes,” antwoordde Francis, met steeds toenemende boosheid en
afkeer. Hij trok zijn eigen jachtmes, fonkelnieuw en zoo uit den
winkel. „Zeg, laten we er om worstelen en zoo dat messenzaakje
uitmaken.”
„Ik moet je ooren hebben,” antwoordde de vreemdeling vroolijk en
naderde langzaam.
„Zeker. Wie het sterkste is en de man, die wint, krijgt de ooren van
den ander.”
„Top.” De jongeman met de broek van zeildoek, stak zijn mes weg.
„’t Is jammer, dat er geen camera hier is, om een filmopname te doen,”
spotte Francis, ook zijn mes wegstekend. „Ik kook. Ik voel me als een
bende kwaadaardige Indianen. Wees op je hoede. Daar kom ik aan! Wie het
eerst onder ligt!”
Handeling en woorden vergezelden elkaar, en zijn dappere aanval had een
schandelijk resultaat, want de sterkere, die oogenschijnlijk den schok
wilde opvangen, liet zich, op het oogenblik, dat hun lichamen met
elkander in aanraking kwamen, achterover op zijn rug vallen,
tegelijkertijd zijn voet in Francis’ buik plantend en veranderde
Francis’ aanval in een woesten, voorwaartschen luchtsprong.
De smak, waarmee hij op het zand terechtkwam, benam Francis bijna den
adem en het vallende lichaam van zijn tegenstander, die zich nu op hem
stortte, het laatste restje wat hem nog overbleef. Toen hij zoo
sprakeloos op zijn rug lag, merkte hij dat de man, die boven op hem
lag, hem plotseling nieuwsgierig aankeek.
„Waarom draag je een knevel?” mopperde de vreemdeling.
„Zou je die ook maar niet afsnijden,” hijgde Francis, zoodra hij weer
een beetje op adem kwam. „De ooren zijn voor jou, maar de knevel is
mijn eigendom. Die is niet in het contract begrepen. Bovendien, deze
handgreep was zuiver jiu-jitsu.”
„Je zei, wie het eerst onder ligt,” beweerde de ander lachend. „Wat je
ooren betreft, je moogt ze houden. Ik was nooit van plan om ze af te
snijden en nu ik ze van dichtbij bekijk, verlang ik er nog minder naar.
Sta op en maak, dat je wegkomt. Ik heb je laten zien, dat ik de baas
ben. Vamos! En kom hier niet weer in de buurt rondsluipen! Begrepen!
Zwijg!”
Met nog meer walging dan eerst, waarbij nu nog het vernederende van
zijn nederlaag kwam, liep Francis weer terug naar den oever naar zijn
kano.
„Zeg eens, Kleine Vreemdeling, zou je je visitekaartje niet achter
willen laten?” riep de overwinnaar hem na.
„Visitekaartjes en een moordenaar hooren niet bij elkaar,” kaatste
Francis over zijn schouder heen terug, toen hij in de kano neerhurkte
en zijn pagaai inlegde. „Ik heet Morgan.”
Verwondering en verbazing waren het deel van den vreemdeling, toen hij
zijn mond opende om te spreken, van gedachte veranderde en zachtjes
mompelde: „Van denzelfden stam—geen wonder, dat we op elkander lijken.”
Nog altijd vol afkeer, bereikte Francis weer den oever van de Stier,
ging op den rand der kano zitten, stopte zijn pijp, stak die aan en
ging droomerig zitten nadenken. Allemaal krankzinnig, was zijn idee.
Niemand, die redelijk handelt. Ik zou den ouden Regan wel eens zaken
willen zien doen met deze menschen. Ze zouden zijn ooren gauw te pakken
hebben.
Wanneer hij op dit oogenblik, de jonge man met de broek van zeildoek en
die zoozeer op hem geleek, had kunnen zien, zou hij er zeker van
geweest zijn, dat er in Latijnsch-Amerika niets anders heerschte dan
krankzinnigheid; want de jongeman in kwestie, in een met gras bedekte
hut in het hartje van het eiland, grinnikte voor zich heen, toen hij
hardop sprak:
„Ik geloof, dat ik de vreeze Gods gelegd heb in het hart van dat lid
der familie Morgan,” en had juist zijn oogen gevestigd op een
fotografische reproductie van een olieverfschilderij aan den muur, die
Sir Henry Morgan voorstelde.
„Wel, Ouwe Zeeroover,” vervolgde hij grinnikend, „twee van je jongste
afstammelingen hadden elkander bijna om hals gebracht met hun
automatische pistolen, waarbij vergeleken jouw antidiluviaansche
proppeschieters niet veel meer zijn dan speelgoed uit een
dertig-cents-bazaar.”
Hij boog zich over een verweerde en vol wormgaatjes zittende
scheepskist, beurde het deksel op, dat het monogram „M.” droeg en
richtte zich weer tot het portret:
„Wel, ouwe Wallische zeeroover en voorvader, alles wat je mij nagelaten
hebt, zijn die oude vodden en een gezicht, dat sprekend op je lijkt. En
mij dunkt, als ik werkelijk nijdig werd, kon ik je Port-au-Prince-rol
net zoo goed spelen, als je zelf.”
Een oogenblik later begon hij zich te kleeden in de versleten en door
de motten verteerde kleedingstukken uit de scheepskist en voegde er aan
toe:
„Wel, nu heb ik de oude vodden aan mijn lijf. Kom nu maar eens uit je
lijst, Mijnheer de Voorvader, en zie maar eens in welke opzicht wij van
elkander verschillen.”
Gekleed in Sir Henry’s oude kleedingstukken, een ponjaard om het middel
hangend en twee reusachtigen zware vuursteen-pistolen in zijn gordel
gestoken, was de gelijkenis tusschen den levenden man en het
geschilderde beeld van den ouden boekanier, die reeds lang tot het stof
was weergekeerd, werkelijk sprekend.
„—Rug aan rug, door den grootmast gescheiden—
De gansche bemanning wijken doet.”
Toen de jongeman, de snaren tokkelend van een guitaar, het oude
boekanierslied begon te zingen, was het hem alsof het beeld van zijn
voorvader veranderde in een ander beeld en dat hij zag:
Zijn ouden voorvader zelf, met den rug tegen den scheepsmast, een
flikkerende ponjaard zwaaiend tegenover een halven cirkel fantastisch
gekleede matrozen—moordenaars, terwijl achter hem, aan den anderen kant
der mast, een andere, net eender uitgeruste man, eveneens met
flikkerende ponjaard tegenover den tweeden halven cirkel moordenaars
stond, die den kring rondom den mast voltooiden.
Deze levendige fantasie werd verbroken door het springen van een snaar,
die hij al te hartstochtelijk beroerd had. En in de plotselinge stilte,
was het hem alsof hij een nieuw visioen zag van Sir Henry, die uit zijn
lijst stapte en naast hem kwam staan, alles heel werkelijk, en hem aan
zijn mouw trok om hem mee te voeren buiten de hut en een spookachtige
herhaling fluisterend van:
„—Rug aan rug, door den grootmast gescheiden—
De gansche bemanning wijken doet.”
De jongeman gehoorzaamde zijn spookachtige leidsman of een aanwijzing
van zijn eigen innerlijke intuïtie en liep naar buiten en naar den
oever, waar hij aan de overzijde van het kanaal, op den oever van de
Stier, zijn vroegere tegenstander zag, met zijn rug tegen het stuk
koraalrots staande en zich verdedigend tegen een aanval der Indianen,
hun zwaaiende hakmessen afwerend door krachtig in het rond te slaan met
een stuk drijfhout.
En Francis, op het punt te bezwijken, duizelig heen en weer zwaaiend
door den slag van een rotsblok tegen zijn hoofd, zag de verschijning,
die hem bijna tot de overtuiging bracht, dat hij reeds dood en in het
schimmenrijk aangeland was, Sir Henry Morgan zelf, die, de ponjaard in
de hand, het strand opsnelde om hem te hulp te komen. Bovendien
schreeuwde de verschijning, de ponjaard zwaaiend en rechts en links de
Indianen buiten gevecht stellend:
„—Rug aan rug, door den grootmast gescheiden—
De gansche bemanning wijken doet.”
Terwijl Francis’ knieën hem begaven en hij langzaam neerzonk, zag hij
hoe de Indianen zich verspreidden en vluchtten voor den aanval der
geheimzinnige zeerooversgedaante en hoorde hen roepen:
„De Hemel zij ons genadig!” „Heilige Maagd, bescherm ons!” „Het is de
geest van den ouden Morgan!”
Toen Francis zijn oogen weer opsloeg, lag hij in de grashut, op het
middelpunt van het Kalf gelegen. Het eerste wat hij zag, toen zijn
bewustzijn een beetje terugkeerde, waren de gelaatstrekken van Sir
Henry Morgan, die hem van het portret aan den muur aanstaarde.
Vervolgens zag hij diens jongere editie, die op drieërlei wijze bewees
een levend wezen te zijn; door zich te bewegen, een kroes met
brandewijn aan zijn lippen te houden en hem te verzoeken om te drinken.
Francis was op de been eer hij zijn lippen aan den kroes zette; en
zoowel hij als de vreemdeling, gedreven door dezelfde ingeving, keken
elkander recht in de oogen, toen naar het portret aan den muur en
klonken met hun kroesen als een saluut aan het portret en aan elkander,
eer zij dronken.
„Je zei me, dat je Morgan heette,” sprak de vreemdeling. „Ik ben ook
een Morgan. Die man daar aan den muur was de stamvader van mijn
geslacht. En jouw geslacht?”
„Dat van den ouden boekanier,” antwoordde Francis. „Mijn voornaam is
Francis. En die van jou?”
„Henry—rechtstreeks naar den ouden man. Wij moeten verre neven of
zooiets zijn. Ik ben op zoek naar den buit van dien sluwen, ouden,
vrekkigen Welshman.”
„Net als ik,” zei Francis, zijn hand uitstekend. „Maar ik bedank ervoor
om te deelen.”
„Dat is het oude bloed, dat uit je spreekt,” lachte Henry goedkeurend.
„Dus voor den gelukkigen vinder. Ik heb in de laatste zes maanden het
grootste gedeelte van dit eiland het ondersteboven gezet, en het
eenige, wat ik vond, waren deze oude vodden. Ik blijf bij je om je een
vlieg af te vangen als ik kan, maar ook om met jou rug aan rug tegen
den scheepsmast te leunen zoodra de nood aan den man komt.”
„Dat lied is een tooverlied,” beweerde Francis. „Ik moet het ook
leeren. Zing het nog eens.”
En tezamen, met hun kroesen klinkend, zongen zij:
„—Rug aan rug, door den grootmast gescheiden—
De gansche bemanning wijken doet...”