„Wij moeten snel te werk gaan—dat staat vast,” zei Francis tot de
kleine vergadering van Solanos op het voorplein der Solano-haciënda.
„Dat staat vast!” riep Leoncia toornig uit, haar rusteloos heen en weer
loopen stakend. „Het staat vast, dat we hem moeten redden.”
Onder het spreken schudde zij hartstochtelijk haar vinger voor Francis’
neus, om haar woorden kracht bij te zetten. Hier niet mee tevreden,
schudde zij haar vinger met gelijken nadruk voor de neuzen van haar
vader en diverse broeders.
„Snel!” ging zij voort. „Natuurlijk moeten we snel te werk gaan. Dat,
of...” Haar stem stierf weg bij het ontzettende schrikbeeld van hetgeen
Henry te wachten stond, wanneer ze niet snel handelden.
„Voor den Chef van Politie staan alle Gringos gelijk,” bevestigde
Francis deelnemend. Wat was ze schitterend mooi en verrukkelijk, dacht
hij. „Hij loopt beslist heel San Antonio af en hij maakt korte metten.
Hij zal Henry niet meer tijd gunnen, dan hij ons gaf. We moeten hem
vannacht er uit zien te krijgen.”
„Luister nu,” begon Leoncia weer. „Wij, Solanos, kunnen deze... deze
terechtstelling niet toelaten. Onze trots... onze eer. Wij kunnen het
niet toelaten. Spreek! de een of ander van jelui. Vader—gij. Doe een
voorstel...”
En terwijl het gesprek voortgezet werd, werd Francis, die ditmaal
zweeg, door smart gefolterd. Leoncia’s ijver was schitterend, maar ze
gold een ander man en hij kon zich hier nu niet precies over
verblijden. De herinnering aan het gevangenisplein, nadat hij bevrijd
en Henry gearresteerd was, stond hem nog duidelijk voor oogen. Hij zag
nog, met dezelfde zielesmart, hoe Leoncia in Henry’s armen lag, hoe
Henry haar hand zocht om zich te overtuigen of zij zijn ring droeg en
de lange kus en omhelzing, die hierop volgden.
Och, het zei zoo, zuchtte hij heimelijk, hij had zijn best gedaan. Had
hij Leoncia niet met overtuiging en koelbloedig verteld, nadat Henry
weggevoerd was, dat deze haar man en haar minnaar was en dat dit de
wijste keuze was, die een dochter der Solanos kon doen?
Maar deze herinnering maakte hem geen greintje gelukkiger. En evenmin
de juistheid er van. Want juist was het. Daar twijfelde hij geen
oogenblik aan en dit gaf hem kracht om zijn hart jegens haar te
verharden. Toch vond hij in zijn geval, deze juistheid de schraalste
troost.
En toch, wat kon hij anders verwachten? Het was zijn ongeluk, dat hij
te laat in Centraal-Amerika gekomen was, dat was al, en dat hij deze
vrouwelijke bloem reeds geannexeerd vond door een, die vroeger gekomen
was dan hij—een man, even goed als hijzelf en een man met een beslist
even eerlijk hart, ja zelfs nog beter. En zijn eerlijk hart gebood hem
om loyaal te zijn jegens Henry—jegens Henry Morgan, van hetzelfde
geslacht en bloed; jegens Henry Morgan, de vurige afstammeling van een
vurig voorvader, met zijn pantalon van zeildoek en slappe sombrero, met
een voorliefde voor de ooren van vreemde jongemannen, die leefde van
scheepsbeschuit en schildpadeieren en de Stier en het Kalf omwoelde,
zoekend naar den schat van den ouden Sir Henry.
En terwijl Enrico Solano en zijn zoons plannen en ontwerpen maakten op
het breede voorplein en Francis slechts met een half oor luisterde,
kwam een bediende Leoncia iets in het oor fluisteren en leidde haar om
den hoek van het voorplein, waar zich nu een tooneel afspeelde, dat
beslist Francis’ lachlust en toorn opgewekt zou hebben.
Leoncia werd begroet door Alvarez Torres, in al de middeleeuwsche
Spaansche kleederpracht van een groot haciënda-bezitter, zooals die nog
altijd bewaard bleef in Latijnsch-Amerika, die met zijn sombrero in de
hand, diep voor haar boog en haar deed plaatsnemen in een rieten
ruststoel. Haar eigen begroeting klonk droef, maar toch doorweven met
nieuwsgierigheid, alsof zij hoopte, dat hij nog een woord van
bemoediging zou spreken.
„Het verhoor is afgeloopen, Leoncia,” sprak hij zacht en meewarig,
zooals men over een doode spreekt. „Hij is veroordeeld. Morgen om tien
uur is de tijd. Het is alles heel droevig; heel, heel droevig. Maar...”
Hij haalde zijn schouders op. „Neen, ik zal niet hard over hem spreken.
Hij was een achtenswaardig mensch. Zijn drift was zijn eenige fout. Hij
was te opvliegend, te vurig. Dit was zijn ongeluk. Nooit zou hij, in
een redelijk, bezonnen oogenblik, Alfaro neergestoken hebben...”
„Hij heeft mijn oom niet gedood!” riep Leoncia uit, haar afgewend
gelaat opheffend.
„En het is jammer,” ging Torres meewarig en droef voort, iedere
oneenigheid vermijdend. „De rechter, het volk, de Chef van Politie,
allen gelooven, helaas, dat hij het gedaan heeft. Wat zeer te betreuren
is. Maar dit is niet de reden, waarom ik u opzocht. Ik kwam om u mijn
diensten aan te bieden, in welk opzicht u die zoudt kunnen gebruiken.
Mijn leven, mijn eer, alles is ter uwer beschikking. Spreek. Ik ben uw
slaaf.”
Plotseling en elegant op één knie voor haar neerzinkend, greep hij haar
hand van haar schoot en zou oogenblikkelijk voortgegaan zijn met
spreken, wanneer zijn oogen niet waren blijven rusten op den ring met
den diamant aan haar ringvinger. Hij fronste de wenkbrauwen, maar hield
zijn hoofd gebogen om dit te verbergen, tot hij zijn gelaatstrekken
weer in zijn macht had en begon toen weer te spreken.
„Ik kende je al toen je nog klein was, Leoncia, zoo heel, heel klein en
lief, en ik heb je altijd liefgehad.—Luister nu alsjeblieft. Ik moet
mijn hart uitspreken. Luister naar mij, tot ik alles gezegd heb. Ik heb
je altijd liefgehad. Maar toen je van het klooster terugkwam, van je
kostschool in het buitenland, vrouw geworden, een volwassen en deftige
jongedame, volkomen in staat om het huis der Solanos te besturen, toen
werd ik verteerd door je schoonheid. Ik ben geduldig geweest. Ik
wachtte met spreken. Maar je zult het wel geraden hebben. Je hebt het
zeker geraden. Na dien tijd was ik dol verliefd op je. Ik werd verteerd
door de stralende schoonheid, door je vurige persoonlijkheid, zelfs nog
meer dan door je schoonheid.”
Hij was niet tegen te houden, dit wist ze maar al te goed, en ze
luisterde geduldig, neerziende op zijn gebogen hoofd en zich afvragend,
waarom zijn haar toch zoo leelijk geknipt was en of dit het laatst
gedaan zou zijn te New-York of te San Antonio.
„Weet je, wat je altijd voor mij geweest bent sedert je terugkomst?”
Zij antwoordde niet en deed evenmin een poging om haar hand terug te
trekken, ofschoon de zijne haar vleesch drukte en kneusde tegen Henry
Morgan’s ring. Zij vergat naar hem te luisteren, afgeleid door een
gedachtenketen, die zich ver uitstrekte. Het begin der keten was, dat
Henry Morgan haar niet met zoo’n woordenvloed bemind en voor zich
gewonnen had. Waarom moesten die menschen, met Spaansch bloed in de
aderen, toch altijd zooveel woorden gebruiken om hun gevoelens uit te
drukken? Henry was zoo geheel anders geweest. Hij had nauwelijks één
woord gesproken. Hij had gehandeld. Betooverd door haar blik, haarzelf
met zijn oogen betooverend, had hij haar zonder waarschuwing, zoo zeker
was hij ervan haar niet te zullen verrassen of verschrikken, in zijn
armen genomen en zijn lippen op de hare gedrukt. En de hare waren niet
al te verbaasd en volstrekt niet onwillig geweest om te antwoorden.
Eerst na dien eersten kus en met zijn armen nog om haar heen geslagen,
was Henry beginnen te spreken.
En welk plan werd daarginds nu door haar mannelijke familieleden en
Francis Morgan uitgebroed? peinsde haar geest verder, doof voor den
bewonderaar aan haar voeten. Francis! O, zij zuchtte bijna en vroeg
zich verwonderd af, waarom deze vreemde Gringo haar hart toch zoo in
beroering bracht, terwijl ze toch heel goed wist, dat ze Henry liefhad.
Was zij wispelturig? Was het deze man? Of een ander? Of onverschillig
welke man? Neen! Neen! Zij was niet wuft of ontrouw. En toch?...
Misschien kwam het omdat Francis en Henry zoo veel op elkander geleken,
en haar arm, dwaas, liefhebbend vrouwenhart niet voldoende onderscheid
tusschen hen kon maken. En toch—terwijl zij altijd gedacht had, dat zij
Henry overal ter wereld zou willen volgen, in alle voor- of tegenspoed,
nu scheen het haar toe, dat zij Francis zelfs nog verder zou willen
volgen. Zij had Henry lief, verklaarde haar hart plechtig. Maar ze had
Francis ook lief, en zij kon haast zeker raden, dat Francis haar ook
liefhad—zij kon zich niet vergissen in den warmen druk zijner lippen op
de hare in de gevangeniscel; en er was een verschil in haar liefde voor
de beide mannen, dat zij niet vermocht te verklaren en haar bijna tot
de beschamende conclusie bracht, dat zij, de laatste en eenigste
vrouwelijke afstammelinge van het huis Solano, wispelturig was.
De sterke druk van haar vleesch tegen Henry’s ring, veroorzaakt door
den hartstochtelijker greep van Torres, bracht haar gedachten tot hem
terug, zoodat zij weer den stortvloed van zijn woorden hoorden, die
steeds voortgolfde:
„Je waart de verrukkelijke doorn in mijn vleesch, het getande raadje
van de spoor, dat de zoetste en scherpste liefdewonden in mijn borst
maakte. Ik droomde van jou... en voor jou. En ik heb mijn eigen
benaming voor je. Altijd weer de eene naam, die ik voor je had: de
Koningin mijner Droomen. En je zult mijn vrouw worden, mijn Leoncia.
Wij zullen dezen dwazen Gringo vergeten, die al zoo goed als dood is.
Ik zal goed voor je zijn, en vriendelijk. Ik zal je altijd liefhebben.
En nooit zal zijn schim zich tusschen ons stellen. Wat mij betreft, ik
zal dit niet toestaan. Wat jou... Ik zal je zoo liefhebben, dat zijn
schim de kans niet zal hebben om zich tusschen ons te stellen en je ook
maar één oogenblik zielesmart te veroorzaken.”
Leoncia overlegde langen tijd zwijgend, wat nieuw voedsel gaf aan
Torres’ hoop. Zij voelde behoefte om tijd te winnen. Als Henry eens
gered kon worden... en had Torres zijn diensten niet aangeboden? Het
viel haar niet gemakkelijk om hem weg te zenden, wanneer een
menschenleven mogelijk van hem afhing.
„Spreek!—ik verteer!” drong Torres met bevende stem aan.
„Stil! Stil!” zei ze zacht „Hoe kan ik luisteren naar de
liefdesverklaring van een man, terwijl de man, dien ik liefhad, nog in
leven is?”
Liefhad! De verleden tijd gaf haar een schok. Eveneens verraste het
Torres en deed zijn hoop hooger opvlammen. Zij was reeds bijna de
zijne. Zij had gezegd: liefhad. Zij had Henry niet meer lief. Zij had
hem bemind, maar dit was nu voorbij. En zij, een teeder en fijngevoelig
meisje en vrouw, kon natuurlijk haar liefde voor hem niet bekennen,
terwijl de andere man nog in leven was. Dit was edel van haar. Hij was
trotsch op zijn eigen edele gedachten en vleide zich met het denkbeeld,
dat hij haar heimelijke gedachten zoo goed geraden had. En... wel
besloot hij, hij zou er wel voor zorgen, dat de man, die den volgenden
morgen om tien uur moest sterven, geen uitstel of hulp kreeg. Het
eenige, wat vaststond was dat, wilde hij Leoncia spoedig voor zich
winnen, Henry Morgan spoedig moest sterven.
„Wij zullen er niet verder over spreken... op het oogenblik,” zei hij
hoffelijk en vriendelijk, terwijl hij zachtjes haar hand drukte,
opstond en op haar neerkeek.
Zij gaf hem een zachten, dankbaren handdruk, voor zij haar hand
losmaakte en stond op.
„Kom,” zei ze. „We zullen ons bij de anderen voegen. Zij bedenken nu,
of trachten een plan te bedenken, om Henry Morgan te redden.”
Het gesprek van het groepje menschen verflauwde toen zij zich bij hen
voegden, alsof men Torres maar half vertrouwde.
„Hebben jelui al iets bedacht?” vroeg Leoncia.
De oude Enrico, even rechtop, slank en sierlijk gebouwd als zijn zoons,
schudde het hoofd.
„Ik heb een plan, als u het mij niet kwalijkneemt,” begon Torres, maar
hield op, toen hij een waarschuwenden blik opving van Alesandro, den
oudsten zoon.
Op den weg, beneden het plein gelegen, waren twee vogelverschrikkers
van bedeljongens verschenen. Hoewel ze, naar hun grootte te oordeelen,
niet ouder waren dan tien jaren, toonden zij door de listige
uitdrukking in hun oogen en op hun gelaat, veel ouder. Ieder droeg één
enkel prachtig kleedingstuk, zoodat men kon zeggen, dat ze samen een
hemd en een broek deelden. Maar welk een hemd! En welk een broek! Deze
laatste, gemaakt voor een volwassen man en van grof zeildoek, was
vastgemaakt om den hals van den jongen, terwijl de band ingehaald was
met een vastgeknoopt touw, zoodat het kleedingstuk niet van de
schouders kon glijden. Zijn armen waren door de gaten gestoken, waar
eens de zakken hadden gezeten. De pijpen der broek waren met een mes
afgesneden om ze meer in overeenstemming te maken met de lengte van
zijn eigen ledematen. De slippen van het manshemd, dat de andere jongen
aan had, sleepten over den grond.
„Vamos!” riep Alesandro hen barsch toe, om ze weg te jagen. Maar de
jongen met de broek nam deftig een steen weg, die hij boven op zijn
bloote hoofd gedragen had en liet nu een brief zien, dien hij daaronder
meegedragen had. Alesandro boog zich voorover, nam den brief en gaf
dien, na een blik op het opschrift geworpen te hebben, aan Leoncia,
terwijl de jongens op huilerigen toon om geld begonnen te vragen.
Francis, die ondanks zich zelf om hen moest lachen, wierp hen een paar
stukjes zilvergeld toe, waarop het hemd en de broek verdwenen langs het
pad.
De brief was van Henry en Leoncia las hem snel door. Het was niet
bepaald een afscheidsbrief, want hij schreef in den toon van een man,
die alleen door een onbegrijpelijk toeval verwacht te sterven. Maar,
met het oog op de mogelijkheid van een dergelijk onbegrijpelijk toeval,
wilde Henry toch afscheid nemen en er de schertsende aanbeveling voor
Leoncia aan toevoegen om Francis niet te vergeten, die wel waard was,
dat men zich zijner herinnerde, omdat hij zooveel op hem, Henry,
geleek.
Leoncia’s eerste opwelling was om de anderen den brief te laten lezen,
maar de opmerking omtrent Francis hield haar hiervan terug.
„Hij is van Henry,” zei ze, het briefje in haar japon stekend. „Er
staat niets bijzonders in. Hij schijnt er geen oogenblik aan te
twijfelen, dat hij op de een of andere manier zal ontsnappen.”
„Daar zullen we voor zorgen,” verklaarde Francis beslist.
Met een dankbaar glimlachje aan zijn adres en een vragend aan Torres,
zei Leoncia:
„U sprak over een plan, Senor Torres?”
Torres glimlachte, draaide zijn knevel op en nam een gewichtige houding
aan.
„Er is één manier, de Gringo-, Angel-Saksische manier en die is
eenvoudig, recht op het doel afgaande. Dat is het in één woord, recht
op het doel afgaande. Wij zullen heengaan en Henry op de regelrechte,
brutale en juiste Gringo-manier uit de gevangenis halen. Dat is het
eenige, wat ze niet van ons zullen verwachten. Daarom zal het gelukken.
Er zijn genoeg ongehangen schurken hier aan wal te vinden, waarmee we
de gevangenis kunnen bestormen. Huur ze, betaal ze goed, maar geef ze
slechts een gedeelte van het geld vooruit en de zaak is gezond.”
Leoncia knikte gretig en toestemmend. De oogen van den ouden Enrico
schoten vuur en zijn neusgaten verwijdden zich alsof hij reeds
kruitdamp rook. De jongelui werden aangewakkerd door zijn voorbeeld. En
allen keken Francis aan om zijn meening te hooren en zijn toestemming
te ontvangen. Maar hij schudde langzaam het hoofd en Leoncia slaakte
een scherpen kreet van teleurstelling.
„Dat is een hopelooze onderneming,” zei hij. „Waarom zoudt gij allen uw
hals wagen in zoo’n dolzinnige onderneming, die in het minst geen kans
van slagen heeft?” Onder het spreken liep hij van Leoncia’s zijde naar
de omheining om een oogenblik tusschen Torres en de andere mannen te
komen, en slaagde er tegelijkertijd in om Enrico en zijn zoons een
waarschuwenden blik toe te werpen. „Wat Henry betreft, het ziet er naar
uit, alsof het met hem gedaan is...”
„Je bedoelt, dat je mij wantrouwt?” stoof Torres op.
„Hemel, man,” protesteerde Francis.
Maar Torres draafde door: „Je bedoelt, dat ik door jou, een man, dien
ik ternauwernood ken, uitgesloten word van de vergadering der Solanos,
die mijn oudste en meest vereerde vrienden zijn.”
De oude Enrico, wien de opstijgende toorn tegen Francis in Leoncia’s
gelaat niet ontgaan was, slaagde er in haar een waarschuwing te doen
toekomen, eer hij met een hoffelijk gebaar Torres tot zwijgen bracht en
begon te spreken.
„Er zijn geen vergaderingen der Solanos, waarvan gij uitgesloten wordt,
Senor Torres. Gij zijt werkelijk een oud vriend van onze familie.
Wijlen uw vader en ik waren vrienden, bijna broeders. Maar dat—en gij
zult het oordeel van een oud man niet kwalijk nemen—neemt niet weg, dat
Senor Morgan gelijk heeft, wanneer hij zegt, dat uw plan hopeloos is.
Om de gevangenis te bestormen zou werkelijk een dwaasheid zijn. Denk
maar eens aan die dikke muren. Zij zouden weerstand bieden aan een
wekenlang beleg. En toch, ik beken het, kwam ik ook bijna in de
verzoeking om het te wagen, toen gij het plan opperdet. Toen ik nog
jong was, en de Indianen bestreed hoog in de Cordilleras, hebben we
iets dergelijks bij de hand gehad. Kom, laten we op ons gemak gaan
zitten, dan zal ik het jelui vertellen...”
Maar Torres, die vele dingen in zijn hoofd had, weigerde langer te
blijven en schudde met een beetje vriendelijker gevoelens allen de
hand, verontschuldigde zich kort tegen Francis en vertrok op zijn, met
zilverbeslag opgetuigd paard naar San Antonio. Een der onderwerpen, die
zijn gedachten in beslag namen, was de telegrafische verbinding, waarin
hij stond met het kantoor van Thomas Regan in Wall Street. Heimelijk
toegang hebbend tot het draadloos Rijkstelefoonstation van Panama in
San Antonio, was hij in de gelegenheid om berichten te verzenden naar
het station te Vera Cruz. Niet alleen was zijn connectie met Regan zeer
winstgevend, maar het was ook in overeenstemming met zijn persoonlijke
plannen met Leoncia en de Morgans.
„Wat heb je tegen Senor Torres, dat je zijn plan moest verwerpen en hem
boos maken?” vroeg Leoncia aan Francis.
„Niets,” was het antwoord, „behalve, dat we hem niet noodig hebben en
dat ik niet bijzonder met hem ingenomen ben. Hij is een dwaas en zou
ieder plan in de war sturen. Denk maar eens, hoe hij struikelde bij het
verhoor van mij. Mogelijk is hij ook niet te vertrouwen. Ik weet het
niet. Maar in ieder geval, waarom zouden we hem vertrouwen als we hem
niet noodig hebben? Maar zijn plan is goed. We zullen regelrecht naar
de gevangenis gaan en Henry er uit halen, wanneer jelui allemaal van de
partij zijn. En we hoeven ons vertrouwen niet te stellen in een bende
ongehangen schurken en strandslijpers. Wanneer wij met ons zessen het
niet klaarspelen, kunnen we er gerust van afzien.”
„Er moeten altijd minstens een dozijn schildwachten op post staan
rondom de gevangenis,” voerde Ricardo, Leoncia’s jongste broer, een
jongen van achttien jaar, aan.
Leoncia, wier toorn weer opgewekt werd, fronste de wenkbrauwen tegen
hem; maar Francis trok partij voor hem.
„Goed,” zei hij. „Maar we zullen die wachters wel wegjagen.”
„De muren zijn vijf voet dik,” zei Martinez Solano, tweelingbroeder van
Alvarado.
„Breek er door heen,” antwoordde Francis.
„Maar hoe?” riep Leoncia uit.
„Dat ga ik je juist uitleggen. Gij, Senor Solano, hebt voldoende
rijpaarden? Mooi. En gij, Alesandro, zie je misschien kans om me een
paar stukken dynamiet ergens van de plantage te bezorgen? Mooi, meer
dan mooi. En gij, Leoncia, moet als huisvrouw van de haciënda weten of
je in de provisiekamer voldoende voorraad hebt van die whisky, merk
drie sterren?”
„O, de zaak wordt al ingewikkelder,” lachte hij, toen hij haar
toestemmend antwoord ontving. „Wij bezitten al de eigenschappen voor
een avontuurlijk verhaal van Rider Haggard of Rex Bach. Luister nu.
Maar wacht. Ik moet met jou nog overleggen, Leoncia, omtrent enkele
bijzondere tooneelvoorstellingen...”