HOOFDSTUK I.

De gebeurtenissen volgden elkander met groote snelheid op in het leven

van Francis Morgan op dien laten lentemorgen. Wanneer ooit een man met

groote sprongen het ruwe, bloedige drama en de tragedie der oudheid en

het middeleeuwsche melodrama van gevoel en hartstocht der Nieuwe Wereld

tegemoet snelde, dan was Francis Morgan bestemd om deze man te zijn en

het Noodlot zat hem dicht op de hielen. Toch was hij zich nauwelijks

bewust, dat er eenige beweging was in de wereld en hij bewoog zich zelf

ternauwernood. Een groot gedeelte van den nacht, aan de bridge-tafel

doorgebracht, was oorzaak van zijn laat opstaan. Na een laat ontbijt,

bestaande uit vruchten en plantaardig voedsel, was hij naar de

bibliotheek gegaan—de deftige, weelderige kamer, van waaruit zijn

vader, tot het laatste oogenblik toe, zijn uitgebreide en veelzijdige

zaken had geleid.

„Parker,” sprak hij tot zijn knecht, die vroeger reeds in dienst was

geweest van zijn vader, „heb je ooit een spoor van vet gezien aan R. H.

M., in de laatste dagen van zijn leven?”

„O, neen, mijnheer,” was het antwoord, dat gegeven werd met al den

verschuldigden eerbied van een geroutineerd bediende, maar dat tevens

vergezeld ging van een onwillekeurigen onderzoekenden blik, die op de

prachtige vormen van den jongen man bleef rusten. „Uw vader behield tot

het einde toe zijn slanke figuur, mijnheer. Hij bleef altijd dezelfde,

breedgeschouderd, met breede borst, en zwaar gebouwd, maar zijn middel

bleef slank, altijd slank, mijnheer. Wanneer hij zich uitkleedde om te

baden, mijnheer, dan zou zijn figuur de meeste jongemannen in de stad

beschaamd hebben. Maar hij verzorgde zijn lichaam ook goed; die

lichaamsoefeningen in bed deden het hem, mijnheer. Iederen morgen een

half uur. Daar ging niets van af. Hij noemde dit zijn

godsdienstoefening.”

„Ja, hij was een pracht-man,” antwoordde de jongeman luchtig, naar den

koersaanwijzer en de verschillende telefonen kijkend, die zijn vader

had laten aanleggen.

„Dat was hij,” stemde Parker geestdriftig toe. „Hij was slank en

aristocratisch, ondanks zijn schouders, beenderen en borst. En dat hebt

u van hem geërfd, mijnheer, alleen maar in een beetje weelderiger

vorm.”

De jonge Francis Morgan, die vele millioenen en krachtige spieren

geërfd had, leunde behagelijk achterover in een groote clubfauteuil,

zijn beenen uitstrekkend als een krachtige menagerieleeuw, die

overvloeit van levenskracht en keek naar een bericht in het

ochtendblad, dat hem op de hoogte bracht van een nieuwe ertsader in de

Culebra-Cut in Panama.

„Als ik niet wist, dat wij, Morgans, daar geen aanleg voor hebben,”

geeuwde hij, „zou ik alleen door dit bestaan al dik worden... Niet,

Parker?”

De bejaarde dienstknecht, die verzuimd had om onmiddellijk antwoord te

geven, schrok plotseling op, toen de pauze door deze vraag onderbroken

werd.

„O, zeker, mijnheer,” sprak hij haastig. „Ik bedoel, neen, mijnheer. U

verkeert in de schitterendste conditie.”

„Om den drommel niet,” verzekerde de jongeman hem. „Ik mag dan al niet

dik worden, slap word ik beslist... Niet, Parker?”

„Ja mijnheer. Neen, mijnheer; neen, ik bedoel neen, mijnheer. U is nog

precies dezelfde als toen u drie jaar geleden van de academie

terugkwam.”

„En mijn beroep maakte van ledigloopen,” lachte Francis. „Parker!”

Parker was een en al aandacht. Zijn meester ging aandachtig met zich

zelf te rade, alsof hij zich met een zeer gewichtig vraagstuk

bezighield, onderwijl het borstelige kneveltje opstrijkend, dat veel

geleek op een kleinen tandenborstel en dat hij sedert eenigen tijd op

zijn bovenlip aankweekte.

„Parker, ik ga visschen.”

„Ja, mijnheer!”

„Ik heb last gegeven om eenige hengelroeden klaar te maken. Wees zoo

goed die bij elkaar te binden, dan zal ik ze eens probeeren. Ik heb

zoo’n idee, dat een week of twee in de bosschen juist is, wat ik noodig

heb. Als ik het niet doe, zal ik beslist dik gaan worden en den heelen

familie-stamboom schande aandoen. Je herinnert je toch Sir Henry?—de

oude, origineele Sir Henry, de oude boekanier en ijzervreter?”

„Ja, mijnheer; ik heb over hem gelezen, mijnheer.”

Parker was in de deuropening blijven staan om te wachten op het

oogenblik, waarop de woordenvloed van zijn jongen meester tot stilstand

zou komen, zoodat hij zijn boodschap kon gaan doen.

„Niets geen reden om trotsch op te zijn, die ouwe zeeroover.”

„Zeg dat niet, mijnheer,” protesteerde Parker. „Hij was Gouverneur van

Jamaïca. Hij stierf als een zeer achtenswaardig man.”

„Hij mocht van geluk spreken, dat hij niet aan de galg stierf,” lachte

Francis. „Zooals de zaken nu staan, is hij de eenige schandvlek der

familie, die hij stichtte. Maar wat ik zeggen wil is, dat ik zeer

zorgvuldig zijn leven nagegaan heb. Hij behield zijn goed figuur en

stierf met een slanke taille, Goddank. Het is een goede erfenis, die

hij aan zijn nakomelingen naliet. Wij, Morgans, vonden nimmer zijn

schat; maar van grooter waarde dan robijnen is de slanke taille, die

hij ons, als zijn erfdeel, naliet. Dat is wat men noemt een kenmerk van

het ras—tenminste dat leerden de profs mij in de biologische lessen.”

Parker verdween uit de kamer in de nu volgende stilte, terwijl Francis

Morgan zich verdiepte in de berichten uit Panama en vernam, dat het

kanaal waarschijnlijk de eerste drie weken nog niet geopend zou worden.

Een telefoon rinkelde en door de electrische draden eener volmaakte

beschaving, strekte het Noodlot voor het eerst zijn voelhorens uit en

kwam in contact met Francis Morgan in de bibliotheek der villa, die

zijn vader op Riverside Drive had laten bouwen.

„Maar mijn beste, mevrouw Carrothers,” was zijn protest In de

spreekbuis. „Hoe het ook zij, ’t is niets dan een plaatselijke storm.

Tampico-Petroleum is secuur. ’t Is geen speculatief fonds. Het is een

secure belegging. Blijf er bij. Houd ze vast... Wat doet het er toe of

ze twee procent stijgen? Verkoop ze niet. Tampico-Petroleum is geen

loterij of een hazardspel. Het is echte, zuivere industrie. Ik wilde,

dat het niet zoo’n allemachtig groote zaak geweest was, dan had ik het

geheel aan mijzelf gehouden... Geloof me, alstublieft, het is geen

speculatie. Onze tegenwoordige contracten voor tanks loopen over meer

dan een millioen. Onze spoorlijn en onze drie buisleidingen kosten ruim

vijf millioen. Wel, we hebben op het oogenblik voor een honderd

millioen bronnen en het groote probleem is om de olie uit het land naar

de booten te krijgen. Dit is de beste tijd om te koopen. Over een of

twee jaar zullen uw aandeelen de rijksleeningen te niet doen...”

„Ja, Ja, alstublieft. Het doet er niet toe, hoe de markt loopt. En

bedenk wel, ik heb u niet aangeraden om er als een der eersten in deel

te nemen. Dat zou ik nooit een vriend aanraden. Maar nu ze er eenmaal

in zijn, houd ze vast. Ze zijn even solide als de Engelsche Bank... Ja,

Dicky en ik verdeelden gisterenavond den buit. Een gezellig partijtje,

ofschoon Dicky te veel temperament bezit voor het bridge-spel... Ja,

een helsch geluk... Ha! ha! Mijn temperament? Ha! ha!... Ja?... Zeg aan

Harry, dat ik er voor een paar weken tusschenuittrek... Visschen,

forelletjes, zie je, lente en de stroomen, het opstijgen der sappen,

het uitbotten, de bloesems en al het andere... Ja, gegroet, en houd

vast aan Tampico-Petroleum. Wanneer ze zakken, na die speculatie van

dien farmer uit Minnesota, koop er dan nog wat bij. Ik doe het ook. Het

geld ligt voor het oprapen... Ja... Ja, zeker... Het is te secuur, om

nu op een los gerucht te gaan verkoopen, omdat ze niet doorloopend

zullen zakken... Natuurlijk weet ik wat ik zeg, ik heb net acht uur

geslapen en nog niets gedronken... Ja, ja... Gegroet.”

Hij haalde het telegraflint naar zich toe en, gemakkelijk in zijn stoel

zittend, las hij het traag over, met iets toenemende belangstelling

kennis nemend van den inhoud.

Parker keerde terug met verscheidene dunne hengels, waarvan elk een

schitterende proeve van handwerk en kunst was. Francis sprong op van

zijn stoel, het lint werd terzijde geslingerd en als een opgewonden

jongen onderzocht hij het speeltuig, het eene na het andere, probeerde

ze, liet ze door de lucht zwiepen tot ze een geluid maakten als een

scherpen zweepslag en bewoog ze zachtjes, voorzichtig en zorgvuldig

langs het hooge plafond om ze op den vloer te doen zinken, alsof dit

een denkbeeldige poel was vol geheimzinnige forellen.

Een telefoon rinkelde. Oogenblikkelijk verscheen er een trek van

misnoegen op zijn gezicht.

„Om ’s hemelswil, geef jij maar antwoord, Parker,” beval hij. „En als

het weer zoo’n stom, speculeerend vrouwelijk wezen is, zeg haar dat ik

dood ben, of dronken, of typhus heb, of net ga trouwen, of een ander

ongeluk.”

Nadat Parker een oogenblik gesproken had, in de bescheiden en

gemoduleerde tonen, die volkomen in overeenstemming waren met de koude,

ingetogen, groote deftigheid van het vertrek, bedekte hij met een „Een

oogenblik, mijnheer,” den spreekhoorn met de hand en sprak:

„’t Is mijnheer Bascom, mijnheer. Hij wil u spreken.”

„Zeg mijnheer Bascom, dat hij naar den duivel kan loopen,” zei Francis,

zoo’n lange zwaai simuleerend, dat hij, wanneer hij werkelijk had

willen inleggen en de angel den weg gevolgd had, door zijn strakken

blik aangewezen, deze waarschijnlijk het raam uitgevlogen zou zijn en

den tuinman getroffen hebben, die daar buiten geknield zat bij een

rozenstruik, welke hij juist bezig was te planten.

„Mijnheer Bascom zegt, dat het over beurszaken gaat en hij u gaarne één

enkel oogenblik zou spreken,” drong Parker aan, maar zoo bescheiden en

onderdanig, dat het enkel scheen alsof hij een onbelangrijke en niet

dringende boodschap herhaalde.

„Vooruit dan maar.” Voorzichtig zette Francis den hengel tegen een

tafel en ging naar de telefoon.

„Hallo,” riep hij in den hoorn. „Ja, ik ben het, Morgan. Zeg op. Wat is

er?”

Hij luisterde een oogenblik, en viel den spreker toen ongeduldig in de

rede: „Verkoopen—alle duivels. Niets ervan... Natuurlijk ben ik blij,

dat ik het weet. Zelfs al loopen ze tien procent op, wat ze niet doen

zullen, houd alles vast, wat je hebt. ’t Kan een gewettigde stijging

zijn en ’t kan best zijn, dat ze nooit meer terugloopen. Ze zijn

soliede. Ze zijn heel wat meer waard, dan ze genoteerd staan. Ik weet

het, wanneer het publiek ’t soms niet doet. Over een jaar zullen ze aan

tweehonderd staan... dat wil zeggen, wanneer Mexico de revolutie kan

tegenhouden... Wanneer ze mochten dalen, krijg je kooporders van me...

Onzin. Wie verlangt medezeggingschap? ’t Is zuiver sporadisch... wat?

Pardon. Ik bedoel ’t is zuiver tijdelijk. Nu ga ik een veertien dagen

visschen. Wanneer ze vijf procent zakken, koop dan. Koop alles op, wat

aangeboden wordt. Zeg, wanneer een kerel werkelijk een betrouwbaar

eigendom verworven heeft en de speculanten maken zich er van meester,

is dit haast even erg als door beren vervolgd te worden... ja...

Zeker... ja. Saluut.”

En terwijl Francis welgemoed terugkeerde tot zijn vischhengels, was het

Noodlot, in het privé-kantoor van Thomas Regan in de benedenstad, druk

aan het werk. Nadat hij zijn talrijke makelaars opdracht gegeven had om

te koopen en, door zijn menigvuldige kanalen voor geheime publiciteit,

de geheimzinnige tip had laten verspreiden, dat er iets niet in den

haak was met de Tampico-Petroleum-concessies van de Mexicaansche

Regeering, bestudeerde Thomas Regan een rapport van zijn eigen

olie-expert, dien hij uitgezonden had en die twee maanden op de plaats

zelf gespionneerd had om te ontdekken, wat de werkelijke vooruitzichten

en verwachtingen waren van Tampico-Petroleum.

Een bediende bracht een kaartje binnen met het bericht, dat de bezoeker

er op aandrong om ontvangen te worden en een vreemdeling was. Regan

luisterde, keek op het kaartje en zei:

„Zeg aan dien heer Senor Alvarez Torres uit Ciodad de Colon, dat ik hem

niet kan ontvangen.”

Vijf minuten later kwam de bediende terug, nu met een boodschap, die op

het kaartje geschreven was. Regan grinnikte toen hij las:

„Waarde mijnheer Regan, Hooggeachte Heer:—

Ik heb de eer u te berichten, dat ik een aanwijzing heb van de

plaats, waar de schat ligt, die Sir Henry Morgan in de dagen der

vroegere zeeroovers begroef.

Alvarez Torres.”

Regan schudde het hoofd en de bediende was al bijna de kamer uit, toen

zijn chef hem plotseling terug riep.

„Breng hem binnen—dadelijk.”

In het oogenblik, dat hij alleen bleef, lachte Regan heimelijk, toen

hij in den geest zijn nieuw plan naging. „Dat nuchter jong!” mompelde

hij, tusschen de rookwolkjes door van een sigaar, die hij juist

aanstak. „Dat denkt, dat hij de rol kan spelen van den ouden R. H. M.

Hij heeft een lesje noodig en de oude Grijskop, Thomas R. zal zien, dat

hij dit ontvangt.”

Senor Alvarez Torres’ Engelsch was even correct als zijn modieus

voorjaars-costuum en ofschoon zijn bleek-gele huid zijn

Latijnsch-Amerikaansche afkomst verried en zijn zwarte oogen getuigden

van een langdurige samensmelting van het Spaansche en Indiaansche ras,

was hij toch zoo door en door New-Yorksch, als Thomas Regan maar zou

kunnen wenschen.

„Met groote inspanning en na jarenlang onderzoek, heb ik eindelijk de

aanwijzing gevonden van het zeerooversgoud van Sir Henry Morgan,” was

zijn inleiding. „Natuurlijk ligt het op de Mosquito-Kust. Ik zal u nu

vertellen, dat het geen duizend mijlen verwijderd is van de

Chiriqui-Lagune en dat Bocas del Toro, met recht, de dichtstbijgelegen

stad genoemd mag worden. Ik werd daar geboren—maar in Parijs

opgevoed—en ken de omgeving daar op mijn duimpje. Een kleine

schoener—de uitrusting is goedkoop, heel goedkoop—maar de uitkomst, de

belooning—de schat!”

Senor Torres pauseerde om goed te kennen te geven, dat hij niet in

staat was een nadere omschrijving te geven en Thomas Regan, een hard

man, gewoon om met harde menschen om te gaan, ging voort om meer van

hem en zijn gegevens te weten te komen met al de strikvragen van een

rechtsgeleerde.

„Ja,” stemde Senor Torres al spoedig toe, „ik ben een beetje in

moeilijkheden—hoe zal ik het zeggen?—behoefte aan gereed kapitaal.”

„Je hebt geld noodig,” verzekerde de beursman hem brutaalweg en hij

boog, verlegen toestemmend.

En hij vertelde nog meer onder het snelvuur van vragen. Het was waar,

hij had eerst onlangs Bocas del Toro verlaten, maar hij hoopte er nooit

terug te keeren. En toch was hij bereid om terug te gaan, wanneer

misschien de een of andere schikking...

Maar Regan stopte hem den mond op de afdoende wijze van den heerscher,

die tegenover minderwaardige medeschepselen staat. Hij schreef een

chèque, ten name van Alvarez Torres en toen dat heer er een oog op

wierp, zag hij de cijfers van duizend dollars.

„Ziehier nu mijn plan,” zei Regan. „Ik hecht niet het minste geloof aan

je verhaal. Maar ik heb een jongen vriend—ik houd veel van den jongen,

maar hij houdt te veel van het stadsleven, fuiven, dames en de rest—je

begrijpt?” En Senor Alvarez Torres boog, zooals de eene man van de

wereld tegenover den ander doen zou. „Welnu, terwille van zijn

gezondheid, zoowel als van zijn geld en zijn ziel, zou het beste, wat

hem kon overkomen, een uitstapje zijn om den schat te gaan zoeken,

avontuur, inspanning, en... ik ben overtuigd, dat je me al begrepen

hebt.”

Weer boog Alvarez Torres.

„Je hebt geld noodig,” vervolgde Regan. „Tracht hem er voor te

interesseeren. Die duizend dollar is voor je moeite. Wanneer je er in

slaagt hem zooveel belangstelling in te boezemen, dat hij op reis gaat

om het goud van den ouden Morgan te zoeken, krijg je er nog

tweeduizend. En wanneer je hem drie maanden daar weet te houden, nog

tweeduizend—zes maanden, vijfduizend. O, geloof mij, ik heb zijn vader

gekend. Wij waren kameraden, deelgenooten, ik—ik zou willen zeggen,

bijna broeders. Ik zou er alles voor over hebben, om zijn zoon terug te

brengen op het pad der echte mannelijkheid. Wat zeg je ervan? Die

duizend dollars zijn voor jou om mee te beginnen. Welnu?”

Met bevende vingers vouwde Senor Alvarez Torres de chèque dicht en weer

open.

„Ik... ik neem het aan,” stamelde hij, stotterend van hebzucht. „Ik...

ik... Hoe zal ik het zeggen?... U hebt maar over mij te beschikken.”

Vijf minuten later, toen hij opstond om heen te gaan. volledig

ingelicht omtrent de rol, die hij moest spelen en het verhaal van

Morgan’s schat herzien en nog overtuigender gemaakt door het sluwe

zakelijk doorzicht van den beursman, flapte hij er, bijna schertsend,

maar niet minder pathetisch uit:

„En het grappigste is nog, mijnheer Regan, dat het werkelijk waar is.

De veranderingen, die u aangaf, doen mijn verhaal nog aannemelijker

klinken, maar waar is het ondanks alles. Ik heb het geld noodig. U is

zeer vrijgevig, en ik zal mijn best doen... Ik... ik vlei mij, dat ik

een artist ben, maar de echte en werkelijke waarheid is, dat de

aanwijzing van Morgan’s begraven buit onvervalscht is. Ik had de

beschikking over bronnen, die niet toegankelijk waren voor het publiek,

die niet maar te hooi en te gras gevonden worden, want de mannen van

mijn eigen familie—het zijn familie-overleveringen—hadden reeds

dergelijke bronnen en hebben hun leven besteed aan het vruchtelooze

onderzoek. En toch waren ze op het rechte spoor—behalve dat hun vernuft

hen tot op twintig mijlen van de plek bracht. Dit was de schuld van de

bronnen. Zij slaagden er niet in, ik vermoed door een voorbedachte

truc, een woordspeling, een puzzel, een vermomming, een doolhof, die

ik, en ik alleen, heb ontdekt en opgelost. De vroegere zeelui haalden

allemaal zoo’n kunstje uit met de kaarten, die zij teekenden. Zoo

verplaatsten mijn Spaansche voorouders de Hawaii-Eilanden op vijf

lengtegraden.”

Dit alles was weer Grieksch voor Thomas Regan, die glimlachend

toeluisterde en tegelijkertijd daarmede op verdraagzame wijze, het

ongeloof van den, door drukke zaken in beslag genomen zakenman te

kennen gaf.

Nauwelijks was Senor Torres verdwenen of Francis Morgan werd

binnengelaten.

„Mij dacht, dat ik eens een beetje raad moest zien in te winnen,” zei

hij, toen zij elkander begroet hadden. „En bij wien zou ik dit beter

kunnen doen dan bij u, die zoo op de hoogte waart van de zaken van mijn

vader? Ik weet, dat u en hij partners waren in enkele der grootste

ondernemingen. Hij zei mij altijd, dat ik op uw oordeel kon vertrouwen.

En, welnu, hier ben ik en van plan om te gaan visschen. Maar wat is er

toch aan de hand met Tampico-Petroleum?”

„Wat is er aan de hand?” was Regan’s herhaling, fijntjes simuleerend

niets van de zaak af te weten, op het oogenblik zelf, waarop hij de

aansprakelijke persoon was voor de opdrijving.

„Tampico-Petroleum?”

Francis knikte, liet zich in een stoel vallen en stak een cigaret aan,

terwijl Regan den koersaanwijzer raadpleegde.

„Tampico-Petroleum is gestegen—twee procent—dat geeft te denken,” was

zijn meening.

„Juist, wat ik zeg,” bevestigde Francis. „Het geeft te denken. Maar hoe

het zij, vermoed u dat er iets uitgelekt kan zijn over de werkelijke

waarde er van—en die is groot—ik spreek onder de roos, weet u, ik

bedoel absoluut vertrouwelijk?” Regan knikte. „Het is groot. Het is

waar. Het is je zaak. Het is wettig. En nu deze belangstelling—zou u

denken dat iemand, of de een of andere groep medezeggingschap tracht te

krijgen?”

De compagnon van zijn vader, met den eerbiedwaardigen grijzen haardos

boven zijn sluwe hersenen, schudde het hoofd.

„Wel,” overdreef hij, „het kan een oogenblikkelijke opwinding zijn of

het beurspubliek heeft het vermoeden gekregen, dat het werkelijk solied

is. Wat denk jij ervan?”

„Natuurlijk is het soliede,” antwoordde Francis met vuur. „De

rapporten, die ik gekregen heb, Regan, zijn zoo goed, dat je haren

ervan te berge zouden rijzen. Zooals ik al mijn vrienden gezegd heb,

dit is werkelijk echt. Het is vervloekt jammer, dat ik het publiek er

in moest betrekken. Het was zoo groot, dat ik wel moest. Zelfs al het

geld, dat mijn vader mij naliet, was niet toereikend—ik bedoel, mijn

los kapitaal, dat niet belegd was—het geld om mee te handelen.”

„Ben je kort bij kas?” vroeg de oudere man.

„O, ik heb nog een aardig beetje om mee te werken,” was het luchtige

antwoord van den jongeman.

„Je bedoelt?...”

„Zeker. Niet anders dan dat. Als ze dalen, ga ik koopen. Het is

gevonden geld.”

„Hoe ver wil je gaan met koopen?” was de volgende vorschende vraag,

gemaskeerd door een schijnbare opgewektheid en goedkeuring.

„Zoo ver ik kan,” antwoordde Francis onmiddellijk. „Ik zeg je, Regan,

’t is reusachtig.”

„Ik heb er niet genoeg op gelet om er een oordeel over te vellen,

Francis, maar ik moet zeggen, het weinige, dat ik ervan gehoord heb,

klinkt goed.”

„Goed klinken! Ik zeg je, Regan, het is zuivere waar, echt en recht en

het is een schande, dat het in de fondsenlijst opgenomen moest worden.

Ik hoef niemand te gronde te richten en heb niets noodig om ze er door

te halen. De wereld zal er beter van worden, wanneer ik, ik durf niet

te zeggen hoeveel honderden millioenen tonnen zuivere olie over haar

leegstort—laten we aannemen, dat ik enkel één bron in de

Huasteca-velden bezit, die zeven maanden lang zevenentwintig duizend

tonnen per dag oplevert. En zij gaat er nog steeds mee voort. Dat is

een druppel aan den emmer, dien wij tot nu toe aan de markt gebracht

hebben. Het soortelijk gewicht is twee en twintig en ze bevat nog geen

twee tiende procent droesem. En er is een bron—waarvoor we zestig

mijlen pijpen moeten aanleggen, waardoor we haar nog maar ternauwernood

beveiligen, die per dag zeventig duizend ton olie over het landschap

uitstort.—Natuurlijk is dit alles strikt vertrouwelijk, weet u. We zijn

er netjes mee bezig, en ik heb geen zin om Tampico-Petroleum als een

vuurpijl omhoog te zien vliegen.”

„Maak je daar maar niet ongerust over, mijn jongen. Zorg maar, dat je

je olie in de leidingen krijgt en de Mexicaansche revolutie wacht tot

Tampico-Petroleum opstijgt. Ga maar visschen en denk er niet meer aan.”

Regan pauseerde en met goed gesimuleerde plotselinge herinnering nam

hij het kaartje van Alvarez Torres met de potloodaanteekening op. „Kijk

eens, wien ik net bij mij gehad heb.” Blijkbaar plotseling op een idee

komend, hield Regan het kaartje nog een oogenblik vast. „Waarom zou je

alleen maar op forellen gaan visschen? Goed beschouwd, is het toch

enkel maar om de ontspanning te doen. Hier heb je iets om naar te gaan

visschen, wat echt een ontspanning zou zijn, de ontspanning van een

volwassen man en niet de ontspanning in een Perzisch paleis van een

Adirondack-kamp, met ijs en bedienden en electrische drukknoppen. Je

vader was altijd niet weinig trotsch op dat oude familielid—zeeroover.

Hij beweerde, dat hij op hem leek en jij lijkt sprekend op je vader.”

„Sir Henry,” lachte Francis, naar het kaartje grijpend. „Ook ik ben wel

een beetje trotsch op dien ouden schurk.”

Hij keek op met vragenden blik, toen hij het kaartje gelezen had.

„’t Is een geloofwaardige kerel,” verklaarde Regan. „Beweert, dat hij

daar in de buurt op de Mosquito-Kust geboren is en de aanwijzing

verkregen heeft uit zijn familiepapieren. Niet, dat ik hier een woord

van geloof. Ik heb geen tijd noch belang er bij, om me met iets te

bemoeien, dat buiten mijn eigen terrein ligt.”

„Hoe het zij, Sir Henry stierf, practisch gesproken, als een arm man,”

verzekerde Francis, terwijl de koppigheid der Morgans zich voor een

oogenblik op zijn gelaat vertoonde. „En men heeft nooit iets gevonden

van zijn begraven schatten.”

„Goede vischvangst,” spotte Regan vroolijk.

„Ik zou dien Alvarez Torres toch wel eens willen ontmoeten,” antwoordde

de jongeman.

„Goud der dwazen,” vervolgde Regan. „Hoewel ik moet erkennen, dat de

kerel zich buitengewoon geloofwaardig voordoet. Wel, wanneer ik jonger

was—maar o, duivels, mijn werk ligt hier op me te wachten.”

„Weet u ook waar ik hem kan vinden?” vroeg Francis een oogenblik later,

volkomen onbewust zijn hoofd stekend in het net der beproevingen, dat

het Noodlot, in de zichtbare gedaante van Thomas Regan, uitwierp om hem

te vangen.

Den volgenden morgen ontmoetten zij elkander op Regan’s kantoor. Senor

Alvarez Torres schrok en herstelde zich oogenblikkelijk, toen hij den

eersten blik sloeg op het gelaat van Francis. Dit ontging Regan niet,

die grinnikend vroeg:

„Hij lijkt sprekend op den ouden zeerover, niet?”

„Ja, de gelijkenis is zeer treffend.” Torres loog of loog gedeeltelijk,

want hij herkende de gelijkenis naar de portretten, die hij gezien had

van Sir Henry Morgan; ofschoon hij terzelfdertijd in den geest het

gelaat zag van een ander, nog in leven zijnde man, die niet minder dan

Francis en Sir Henry, op deze beiden geleek, dan zij op elkander

geleken.

Francis was nog jong, dat kon niet ontkend worden. Moderne atlassen en

oude kaarten werden bestudeerd, zoowel als oude documenten, geschreven

met verbleekte inkt op vergeeld papier, en na verloop van een half uur

verklaarde hij, dat de eerste visch die hij zou vangen, òf op den Stier

òf op het Kalf gevonden zou worden—de beide eilandjes in de Lagune van

Chiriqui, waar, volgens Torres, op een van beide, de schat begraven

lag.

„Ik zal den nachttrein nemen naar New-Orleans,” verkondigde Francis.

„Dan zal ik juist de aansluiting hebben met een der booten van de

United Fruit Company, bestemd naar Colon—o, ik heb dit alles juist

nagekeken, voor ik gisterenavond ging slapen.”

„Waarom zou u geen schoener charteren voor Colon?” raadde Torres aan.

„Doe de reis overland naar Belen te paard. Dat is de beste plaats om te

charteren, met onvervalschte inboorlingen als matrozen en al het andere

onvervalscht.”

„Dat laat zich hooren!” stemde Francis toe. „Ik heb altijd verlangd om

dat land eens te zien. Zult u gereed zijn om den nachttrein te nemen,

Senor Torres?... Natuurlijk begrijpt u wel, dat ik, onder de gegeven

omstandigheden, de minister van financiën ben en de onkosten betaal.”

Maar op een wenk van Regan, loog Alvarez Torres, snel begrijpend:

„Tot mijn spijt, kan ik mij eerst later bij u voegen, mijnheer Morgan.

Een kleine, dringende aangelegenheid—hoe zal ik het noemen?—een

onbeteekenende, kleine rechtzaak, die eerst afgedaan moet worden. Niet,

dat de uitslag van het proces zoo gewichtig is. Maar het is een

familie-kwestie en daardoor voor mij van het grootste belang. Wij,

Torressen, zijn trotsch, wat, ik moet het bekennen, in dit land

eigenlijk een dwaasheid is, maar bij ons wordt dit zeer hoog

opgenomen.”

„Hij kan later bij je komen en je den weg wijzen, wanneer je het spoor

kwijtgeraakt bent,” verzekerde Regan Francis. „En, voor je het vergeet,

zou het niet goed zijn om met Senor Torres een schikking te maken over

een eventueele verdeeling van den buit... wanneer je die ooit mocht

vinden.”

„Wat zou u er van zeggen?” vroeg Francis.

„Gelijk deelen, ieder de helft,” antwoordde Regan, op schitterende

wijze de verdeeling regelend tusschen de beide mannen, van iets waarvan

hij overtuigd was, dat het niet bestond.

„En u zult mij zoo spoedig mogelijk volgen?” vroeg Francis den

Latijnsch-Amerikaan. „Regan, wees zoo goed om uw best te doen voor die

kleine rechtzaak en deze te bespoedigen?”

„Zeker, mijn jongen,” was het antwoord. „En, wanneer het noodig mocht

zijn, zal ik dan Senor Alvarez maar crediet geven?”

„Prachtig!” Francis drukte hun handen in de zijne. „Dan heb ik er geen

moeite mee. En ik moet me haasten om te gaan pakken, eenige

uitnoodigingen af te zeggen en dien trein te halen. Tot ziens, Regan.

Goedendag, Senor Torres, totdat we elkander weerzien in de buurt van

Bocas del Toro, of in een klein hol in den grond op de Stier of het

Kalf—gij zegt, dat het, volgens uwe meening, het Kalf moet zijn? Mooi,

tot dan—adios!”

En Senor Alvarez Torres bleef nog een poosje bij Regan, ontving nadere

instructies omtrent de rol die hij moest spelen, beginnende met het

tegenwerken en ophouden van Francis’ expeditie en steeds doorgaande met

deze tegen te werken en op te houden.

„Kortom,” besloot Regan, „het zou mij niet veel kunnen schelen, wanneer

hij nooit terugkeert—als je hem daarginds zoolang kunt houden terwille

van zijn gezondheid.”

Drie Harten · 第 4 / 33 题