RUMINANTIA (HERKAUWERS)

Bos (Rund).

Antilope.

Capra (Geit).

Ovis (Schaap).

Cervus (Hert).

Camelopardalis (Giraffe).

Camelus (Kameelen).

Moschus (Muskusos).

PACHYDERMA (DIKHUIDIGEN)

Rhinoceros (Neushoorn).

Hyrax (Klipdas).

Tapir.

Sus (Zwijn).

Elephas (Oliphant).

Hippopotamus (Nijlpaard).

ORDE IV. MAM. UNGUICULATA (GENAGELDEN)

_Toegespitste of afgeplatte, vrije nagels aan de vier ledematen._

TARDIGRADA

Bradypus (Luiaard).

EDENTATA (TANDELOOZEN)

Myrmecophaga (Miereneter).

Manis (Schubdier).

Orycteropus (Aardvarken).

Dasypus (Gordeldier).

RODENTIA (KNAAGDIEREN)

Halmaturus (Kangeroo).

Lepus (Hazen).

Coendu (Boomstekelvarken)

Hystrix (Stekelvarken).

Chiromys (Vingerdier).

Phascolomys (Wombat).

Hydromys (Australische beverrat).

Castor (Bever).

Cavia (Guineesch biggetje).

Aspalax (Blindmuis).

Sciurus (Eekhoorn).

Myoxus (Zevenslaper).

Cricetus (Hamster).

Arctomys (Marmot).

Arvicola (Veldmuis).

Ondatra (Fiber Bisamrat).

Rattus (Rat).

PEDIMANA (BUIDELDIEREN P. P.)

Didelphis (Buidelrat, Opossum).

Perameles (Buideldas).

Dasyurus (Buidelmarter).

Wombatus [41].

Phalanger (Koeskoes).

Phalangista.

PLANTIGRADA (ZOOLTREDERS)

Talpa (Mol).

Sorex (Spitsmuis).

Ursus (Beer).

Cercoleptes (Kinkajoe).

Taxus (Das).

Nausa (Coati, neusbeer).

Erinaceus (Egel).

Centetes (Borstelegel).

DIGITIGRADA (TEENGANGERS)

Lutra (Otter).

Mungos (Ichneumon).

Mephitis (Stinkdier).

Mustela (Marter).

Felis (Katten).

Civetta (Civetkat).

Hyaena.

Canis (Hond etc.)

CHIROPTERA (VLEERMUIZEN)

Galeopithecus (Vliegende Maki).

Rhinolophus (Hoefijzervleermuis).

Phyllostoma (Bladneus).

Noctilio (Visschende vleermuis).

Vespertilio (Gew. Vleermuis).

Pteropus (Kalong of vliegende hond).

QUADRUMANA (VIERHANDIGEN)

Galago.

Tarsius (Spookdiertje).

Stenops (Slanklori).

Lemur (Maki).

Lichanotus (Wolmaki).

Cercopithecus (Meerkat).

Papio (Baviaan).

Callithrix (Penseelaapje).

Cebus (Capucijneraapje).

Cynocephalus (= Papio)

Pongo } (Menschapen [42])

Pithecus. }

_Opmerking_.

Volgens de hier toegepaste ordening omvat dus de familie der quadrumana

de meest volkomene bekende dieren, vooral de laatste genera daarvan,

zoodat het geslacht _Pithecus_ de geheele reeks beëindigt, gelijk

_Monas_ haar aanvangt. Welk een verschil in bewerktuiging en

eigenschappen tusschen die twee genera!

De natuurkundigen, die den mensch uitsluitend naar zijne lichamelijke

organisatie beschouwd hebben, hebben voor hem een afzonderlijk geslacht

gevormd met zes variëteiten, hetwelk op zich zelf een familie uitmaakt,

op de volgende wijze gekarakteriseerd.

BIMANA (TWEEHANDIGEN)

Zoogdieren met gedifferencieerde ledematen, met nagels voorzien,

waarvan alleen bij de hand de duim tegenoverstelbaar is.

HOMO

Variteiten:

Kaukasier.

Hyperboreer.

Mongool

Americaan.

Maleier.

Aethiopier of Neger

Men heeft aan deze familie den naam _tweehandigen_ gegeven, omdat

inderdaad alleen de handen van den mensch een opponeerbaren duim

hebben, terwijl daarentegen bij de _vierhandigen_ ook de duim van

den voet dezelfde eigenschap heeft.

_Eenige opmerkingen betreffende den mensch_

Indien de mensch slechts in lichamelijke bewerktuiging van de dieren

verschilde, zou men gemakkelijk kunnen aantoonen, dat zijn speciale

eigenschappen alle het gevolg zijn van vroegere veranderingen in

handelingen en gewoonten, die aan zijn geslacht eigen zijn geworden.

Indien dan ook door den nood der omstandigheden gedwongen een of

ander ras van _quadrumanen_--bij voorkeur het hoogst-staande--de

klim-gewoonte op de boomen verloor en daarbij het vastklemmen

der takken met handen en voeten; en indien het vele generaties

lang gedwongen ware om slechts op voeten te loopen, zoo zouden

ongetwijfeld--volgens onze beschouwingen in het vorige hoofdstuk--deze

vier- tot _twee-handigen_ omgevormd worden en de groote teenen niet

langer van de overige af-staan, aangezien ze nog slechts tot loopen

zouden dienen.

Indien voorts de leden van datzelfde ras, door de behoefte om boven

hun omgeving uit te steken en te zien, zich inspanden om rechtop te

gaan en dit van geslacht op geslacht tot gewoonte maakten, zoo zouden

zonder twijfel hun voeten zoetjes aan een voor de opgeheven houding

geschikte gestalte aannemen; de kuiten zouden zich aan de beenen

ontwikkelen, zoodat ten slotte die dieren nog slechts met moeite op

handen en voeten zouden kunnen gaan.

Als ten slotte diezelfde individuen niet langer hun kaken als bijt-,

scheur-, of grijp-wapens gebruikten of als tang om kruiden af te

plukken, en de functie zich dus bepaalde tot het eigenlijke kauwen,

dan zou ongetwijfeld hun gelaatshoek meer open worden,--door het

verkorten van de snuit tot verdwijnens toe--waarbij dan de snijtanden

een verticalen stand zouden erlangen.

Veronderstellen we eens dat zeker ras van _quadrumanen_, als zijnde

het verst voortgeschreden, door standvastige gewoonten de zoo juist

beschreven gestalte en het vermogen tot opgerichte houding zou

verkregen hebben, en zich gaandeweg boven de andere dieren had weten

te verheffen, dan zal men begrijpen:

1e. Dat 't meer geavanceerde ras door zijn heerschende positie zich

van alle geschikte plaatsen op de aardoppervlakte zal hebben meester

gemaakt.

2e. Dat het andere voortreffelijke rassen, die het de aardsche goederen

betwistten, daarvandaan gejaagd zal hebben en hen gedwongen zal hebben

zich naar onbewoonde streken terug te trekken.

3e. Dat het door het onderdrukken van die naast-verwante rassen,

die in de bosschen en andere verlaten streken verbannen bleven, hun

ontwikkeling geknot zal hebben, terwijl het _zèlf_, in onbelemmerde

voortteling en verbreiding tot volkrijke stammen zich van lieverlede

nieuwe behoeften zal geschapen hebben, die zijn vernuft zullen hebben

geprikkeld en gaandeweg vermogens en eigenschappen hebben vervolmaakt.

4e. Dat tenslotte die uitnemende soort, door het verkrijgen van

een volstrekte heerschappij over de andere, erin zal geslaagd zijn

om tusschen zichzelf en de hoogste dieren een verschil, ja, een

aanmerkelijke klove te bewerkstelligen.

Zoo kan het meest volkomene ras der vierhandigen overheerschend

geworden zijn, door zijn gewoonten te wijzigen als gevolg van de

gewonnen absolute overmacht over de andere en van nieuw-ontstane

behoeften; het kan daardoor bij voortduring veranderingen erlangd

hebben in de eigen organisatie en nieuwe, talrijke eigenschappen;

de naast-ontwikkelde overige rassen op hun eigen peil ondergehouden

hebben; en tusschen hen en zichzelf belangrijke onderscheiden

teweeggebracht hebben.

De Chimpansee (_Simia troglodytes L._) is het hoogst-ontwikkeld

van alle dieren, veel hooger dan de orang-oetan (_Simia satyrus

L._). Niettemin zijn ze beide zoowel lichamelijk als verstandelijk veel

lager georganiseerd dan de mensch. [43] Ze richten zich nogal eens op

de achterpooten op, maar daar ze van deze houding geen vaste gewoonte

gemaakt hebben, is hun lichaam er niet voldoende door gewijzigd,

zoodat de _staande_ houding hun zeer moeilijk valt.

Uit verhalen van reizigers weet men, dat als een dreigend gevaar den

orang op de vlucht drijft, hij fluks op vier pooten terug valt. Dat

verraadt, naar men zegt, de ware afkomst van dit dier, genoodzaakt als

het is om die hem vreemde, gedwongen houding prijs te geven.--Dat is

ongetwijfeld waar, aangezien het dier er bij het gaan minder gebruik

van maakt en het lichaam er daardoor minder is aan-gepast. Maar al

moge die _staande_ houding dan voor den mensch gemakkelijker zijn,

is zij voor hem dan geheel en al de natuurlijke?

Ofschoon de mensch door de geslachten-lang volgehouden gewoonten

slechts rechtop kan gaan, zoo is die stand niettemin voor hem een

vermoeiende, die slechts beperkten tijd kan worden volgehouden door

de werking van talrijke spieren.

Indien de wervelkolom van het menschelijke lichaam de _as_ ware,

en hoofd en overige deelen in evenwicht hield, zoo ware een staande

mensch in rust-stand. Naar bekend is dit intusschen niet het geval. Het

hoofd wordt volstrekt niet in het zwaartepunt ondersteund; borst en

buik met hunne ingewanden rusten bijna geheel op het voorste deel van

de wervelkolom en deze steunt op een scheeve basis, enz. Zooals dan

ook _Richerand_ uiteenzet is er bij het staan voortdurend een actieve

kracht noodig om het dreigende vallen te voorkomen, door gewicht en

plaatsing der lichaamsdeelen.

Dezelfde geleerde vervolgt aldus: "Het relative gewicht van hoofd en

ingewand trachten de zwaartelijn van het heele lichaam naar voren te

brengen, welke lijn precies loodrecht op het steunpunt moest staan bij

een zuiver evenwichtigen stand. Dit wordt door het volgende bevestigd:

ik heb opgemerkt, dat kinderen met groot hoofd en dikken buik door het

vele ingewandsvet zich moeilijk aan de opgerichte houding wennen. Pas

tegen het einde van hun tweede jaar durven zij zich op eigen krachten

te verlaten; nochtans loopen ze herhaaldelijk gevaar te vallen en

behouden een natuurlijke neiging naar den toestand van viervoeter

terug." _Physiologie_, vol II, p. 268.

Deze verhouding der deelen, die het staan voor den mensch tot een

werkzame, vermoeiende inplaats van tot een rustige houding maakt zou

dus zijn overeenstemmende afkomst met de overige zoogdieren verraden,

indien we uitsluitend op zijn organisatie letten.

Om nu de in den aanvang geuite onderstelling geheel te vervolgen,

moeten we er de volgende beschouwingen aan vastknoopen:

Na de vermeestering van alle bewoonbare plaatsen en een aanzienlijke

vermeerdering van behoeften, evenredig met de toename van bevolking

hebben de leden van vorengenoemd, overheerschend ras evenzeer een

rijker wereld van gedachten moeten krijgen en daardoor de behoefte,

deze aan elkaar mede te deelen. Daaruit zal voor hen vanzelf de

noodzaak zijn voortgevloeid, om in de zelfde mate hun _teekens_

en gebaren te vermeerderen en te varieeren. Klaarblijkelijk zullen

zij daarop al hun best gedaan hebben en alle beschikbare middelen

hebben aangewend.

Anders is het met de overige dieren gesteld. Want ofschoon de

hoogst-ontwikkelden onder hen, zooals de _vierhandigen_ meerendeels

in troepen leven, zoo is, sinds de machtige opkomst van het genoemde

ras, hun voortgang gestokt, daar zij overal vandaan verjaagd werden

en verdreven naar wilde en verlaten streken, waar ze telkens weer

ellendiglijk verontrust en van de eene schuilplaats naar de andere

gejaagd werden. In zulke omstandigheden krijgt een dier geen versche

behoeften, vormt zich geen nieuwe voorstellingen; en van de weinige,

waardoor het beziggehouden wordt, behoeven er slechts luttele aan

de anderen te worden meegedeeld.(†) Om elkaar te verstaan hebben zij

dus genoeg aan een paar _teekens_, eenige bewegingen, wat gefluit en

kreten, door eenvoudige stembuigingen gevarieerd.

Aan den anderen kant zullen de leden van het overheerschende ras

door de behoefte aan meer _teekens_ om elkaar snel hun wassenden

gedachtenvloed mee te deelen, en onbevredigd met gebarenspel of de

beschikbare stem-buigingen, na verschillende pogingen gekomen zijn

tot het vormen van _gearticuleerde klanken_. Aanvankelijk zullen

zij die slechts in kleinen getale ter beschikking gehad hebben,

samen-stemmende met hun geluidsorgaan; maar allengs meerdere, gewijzigd

en verbeterd naar gelang hun behoeften toenamen en zij zich er meer

voor inspanden. Inderdaad zal de voortdurende oefening van keel,

tong en lippen om de klanken te articuleeren dat vermogen bij uitstek

ontwikkeld hebben.

Vandaar voor dat bijzondere ras het bewonderenswaardige

_spraak_-vermogen. En daar voorts de overeengekomen gebaren van

zekere beteekenis vervielen, door de groote afstanden, waarover de

individuen zich verspreidden, ontstonden van lieverlede ook de--zich

differencieerende--talen.

Zoo zullen hier de behoeften ten slotte alles teweeggebracht hebben,

zij zullen de inspanning hebben opgewekt en door het voortdurend

gebruik zullen de spraakorganen zich hebben ontwikkeld.

Zulke overwegingen zouden wij kunnen koesteren indien dat bewuste

ras: de mensch, louter in organisatie van de dieren verschilde en

niet van een andere afkomst ware.

_Noot van den vertaler._ De diagnosen der VI "graden van organisatie",

zooals die in tabel I (pag. 159 sqq.) is gegeven, worden in het

origineel bij de afzonderlijke bespreking dezer groepen nog eens

herhaald. In deze vertaling is echter volstaan met een verwijzing.

Voorts ben ik mij zeer wel bewust van de leemten in de twee-talige

weergave der genera-lijsten in dit hoofdstuk.

J.M.

Toevoegingen aan Hoofdstuk VII en VIII

In het laatst van Juni 1809 ontving de menagerie van het Museum voor

Natuurlijke Historie een gewonen zeehond, _Phoco vitulina_ die levend

van Boulogne gezonden was, en had ik de gelegenheid, de bewegingen en

gewoonten van dit dier waar te nemen. Sindsdien ben ik nog sterker

overtuigd, dat dit kustdier [44] met de genagelde zoogdieren nader

verwant is dan met alle andere, ondanks de groote verschillen in

algemeenen vorm.

Zijn achterpooten, ofschoon evenals de voorpooten zeer kort, zijn

zeer vrij-beweeglijk en gescheiden van den kleinen maar duidelijken

staart. Zelfs kunnen er voorwerpen mee gegrepen worden als met echte

handen.--Ik heb opgemerkt, dat dit dier naar believen de voeten

samenvoegt--zooals wij onze handen--en dan door het uitspreiden der

teenen met hun zwemvliezen een vrij breede spatel vormt om ermee te

zwemmen, evenals de visschen met hun staartvin.

Op het land beweegt zich deze zeehond tamelijk snel door een golvende

beweging van het lichaam, zonder eenige hulp van de achterpooten, die

werkeloos uitgestrekt blijven. Daarbij dienen hem de voorpooten slechts

(tot de polsen) tot steun, zonder speciaal gebruik van de handen. Hij

grijpt z'n prooi òf met de voeten òf met den bek; en ofschoon de handen

soms tepas komen bij het stukknauwen van den buit schijnen zij toch in

de eerste plaats bij het zwemmen dienst te doen. Ook heb ik bemerkt,

dat hij de neusgaten gemakkelijk en volledig kan sluiten, hetgeen

hem zeer ter stade komt bij het duiken, daar het dier dikwijls vrij

lang achtereen onder water verblijft waar het zelfs op zijn gemak

voedsel gebruikt.

Ik zal dezen zeer bekenden zeehond niet verder beschrijven. De

bedoeling was alleen om op te merken, dat de tweeslachtige zoogdieren

in het verlengde van de lichaamsas geplaatste achterpooten hebben

omdat zij voortdurend gedwongen zijn deze, vereenigd, bij wijze van

staartvin te gebruiken onder uitspreiden van de teenen. Zoo kunnen ze

deze kunstmatige vin naar rechts en links uitslaan en hun voortbeweging

bespoedigen of wijzigen.--Het zou bij die achterwaartsche richting

niet gebleven zijn van de zeehond-voeten: zij zouden geheel met elkaar

vergroeid zijn, gelijk die der _zeekoeien_, als zij niet zoo vaak

gebruikt werden tot het grijpen en wegvoeren van de prooi (†). Want

de daarbij vereischte bijzondere bewegingen veroorloven aan de

voeten geen duurzame, maar slechts een tijdelijke vereeniging. Bij

de zeekoeien daarentegen, die zich gewend hebben aan een voeding

met ondergedoken oeverplanten en hun vereenigde voeten uitsluitend

bij wijze van staartvin gebruiken, zijn in de meeste gevallen de

achterpooten onderling en met den staart geheel versmolten (†).

Ziehier dus bij dieren van overeenkomstigen oorsprong een nieuw bewijs

voor den invloed van gewoonten op vorm en toestand der organen, 't welk

ik toevoeg aan alle vroeger genoemde in hoofdstuk VII van dit werk.

Ik zou er nog een ander, zeer treffend bewijs bij kunnen voegen met

betrekking tot de zoogdieren, voor welke het vliegvermogen iets zeer

vreemds schijnt te zijn. Ik zal aantoonen, hoe vanaf de vèrspringers

onder hen tot de goede vliegers de natuur geleidelijk de huid van

deze dieren heeft uitgebreid, hetgeen hen ten slotte in staat stelde

te vliegen, even goed als de vogels, zonder daarmede intusschen nader

verwant te zijn.

Zoo kunnen de vliegende eekhoorns (_Sciurus volans_, _aerobates_,

_petaurista_, _sagitta_, _volucella_) slechts een zeer langen sprong

maken als zij zich van een boom laten vallen of van den eenen naar

den anderen springen over een matigen afstand; zij hebben eerst

sinds betrekkelijk korten tijd de gewoonte om hun ledematen bij het

springen uit te strekken, aldus een soort _parachute_ vormend. Door

veelvuldig herhalen van dergelijke sprongen is bij deze soorten de

huid in de flanken beiderzijds uitgedijd tot een soepele membraan die

de voor- met de achterpooten vereenigt en door een groote luchtmassa

te bestrijken een plotselingen val voorkomt. Deze dieren hebben nog

geen huid tusschen de vingers.

Bij _Galeopithecus_, de vliegende maki,--wiens vlieggewoonte

ongetwijfeld van nog vroeger datum dateert dan van _Pteromys_

Geof.--is het valscherm nog meer ontwikkeld, niet alleen tusschen de

pooten onderling maar ook tusschen de vingers en voorts den staart

met de achterpooten vereenigende. De sprongen, grooter dan bij de

bovengenoemde soorten, naderen dan ook het echte vliegen.

Waarschijnlijk nog veel ouder dan de _vliegende maki's_ zijn de

verschillende _vleermuizen_ in de gewoonte om hun ledematen en

zelfs hun vingers uit te strekken tot het bestrijken van een groote

hoeveelheid lucht, waarop zij gedragen worden bij het fladderen. Door

die reeds zoo lang geleden aangenomen en volgehouden gewoonten

hebben zij niet alleen een zijdelingsche vlieghuid gekregen, maar

ook, in voortzetting daarvan, eenerzijds flinke vliezen tusschen de

buitengewoon verlengde vingers (den duim uitgezonderd), anderzijds

tusschen de staart en achterpooten, al welke tezamen groote vlerken

vormen, uitstekend tot vliegen geschikt.

Zoo groot is dus de macht der _gewoonten_, dat zij een merkwaardigen

invloed hebben op den vorm der deelen, en aan de betreffende dieren

vermogens geven, ontbrekende bij dieren met andere gewoonten.

Aan de bespreking der _kust-zoogdieren_ behaagt het mij hier de

volgende beschouwingen vast te knoopen, die door al mijn waarnemingen

meer en meer bevestigd worden.--Ik twijfel geenszins, of de

_zoogdieren_ zijn oorspronkelijk werkelijk uit het water afkomstig,

hetwelk de ware wieg is van het heele dierenrijk. Inderdaad ziet

men thans nog de lagere (d.z. de talrijkste) dieren uitsluitend

in het water leven, zoodat waarschijnlijk alleen dààr, althans op

zeer vochtige plaatsen onder gunstige omstandigheden de natuur langs

directen weg (generatio spontanea) de meest-eenvoudige georganiseerde

diertjes heeft voortgebracht, waaruit dan achtereenvolgens alle andere

zijn voortgekomen. Zoo wonen, gelijk bekend, de _infusoren_, _polypen_

en _straaldieren_ zonder uitzondering in het water en de _wormen_

althans niet buiten zeer vochtig terrein.

Wat nu betreft de _wormen_, die één aanvangsloot schijnen te vormen van

den dierenstam,--zooals klaarblijkelijk de _infusoren_ de andere--zoo

hebben zich waarschijnlijk de uitsluitende waterbewoners onder hen

(d.w.z. de niet-parasitische vormen, zooals _Gordius_ en verscheidene

nog onbekende) aldaar zeer gedifferencieerd; en diegene, die zich

aan de lucht zijn gaan blootstellen, hebben naar allen schijn de

amphibische insecten voortgebracht, zooals _Culex_, _Ephemera_,

enz. enz. (†), waaruit voorts dan weer de overige, echte lucht-insecten

zouden zijn ontstaan (†). Maar verscheidene soorten van deze laatste

hebben, door in overeenstemming met de omstandigheden hun gewoonten te

veranderen tot een eenzame of verborgen levenswijs, het aanzijn gegeven

aan de _spinachtige dieren_, welke bijna alle een lucht-leven

leiden (†).

Diegene van de _arachniden_ ten slotte, die zich meer en meer aan

een water-leven gewend hebben, en de atmospherische lucht ten slotte

geheel hebben vaarwel gezegd--hetgeen voldoende bewezen wordt door

de verwantschap van de _duizend-_ met de _millioenpooten_, van deze

met de _land-pissebedden_, en van deze weer langs _waterpissebed_

met de _garnalen_, etc.--zij hebben het aanzijn gegeven aan het heele

rijk der _schaaldieren_ (†).

De overige water-wormen, die hun element nooit verlaten en wier

mettertijd veelvuldiger en meer verschillend geworden soorten

overeenkomstig zijn vooruitgegaan in de samenstelling van

hun organisatie, hebben geleid tot de vorming der _anneliden_,

_cirrhipediën_ en _mollusken_, welke tezamen een ononderbroken reeks

vormen in de dierenscala. (†)

Ondanks de aanzienlijke _gaping_, die wij bevinden tusschen de bekende

_weekdieren_ en de visschen, zoo zijn toch uit eerstgenoemde--door

tusschenkomst van voorshands nog onbekende vormen--de _visschen_

gesproten en uit deze weer de _kruipende dieren_.

Als wij zoo voortgaan, den mogelijken oorsprong der verschillende

dieren te overwegen, dan twijfelen we niet of de _reptielen_

hebben in twee verschillende takken,--door de omstandigheden

bedongen,--eenerzijds het aanzijn gegeven aan de vogels, anderzijds

aan de _amphibische zoogdieren_ en deze op hun beurt aan alle overige

_mammaliën_ (†).

Daar n.l. de uit visschen ontstane tweeslachtige reptielen

(_Batrachia_) en de hieruit weer voortgekomen _slangen_ allebei slechts

één hartboezem hebben, zoo heeft de natuur gemakkelijk den boezem der

andere kruipende dieren kunnen verdubbelen, welke twee afzonderlijke

takken vormen; bij de aanvangsleden daarvan was vervolgens ook de

hartkamer gemakkelijk dubbel te maken.

Zoo schijnen dan onder de reptielen met dubbelen boezem de

_schildpadden_ het aanzijn gegeven te hebben aan de _vogels_ (†). Want

afgescheiden nog van eenige andere onmiskenbare trekken van

verwantschap ziet men welhaast geen wezenlijk verschil in algemeen

voorkomen wanneer men een schildpaddekop op het lichaam van bepaalde

vogels zet. Anderzijds schijnen de hagedisachtigen (_Sauria_) vooral

de platstaartige, zooals de _crocodillen_, de _amphibische zoogdieren_

te hebben voortgebracht (†).

Indien uit de _schildpadden_ de vogels voortgekomen zijn zoo mag men

voorts veronderstellen dat van de zwemvoetige watervogels, vooral

de kortvleugelige daaronder, zooals de _pinguins_ en _vetganzen_,

de _kloaakdieren_ zijn afgestamd(†).

Als ten slotte uit den tak der _hagedisachtigen_ werkelijk

de _kust-zoogdieren_ zijn gesproten, dan geldt dit naar alle

waarschijnlijkheid ook voor alle overige zoogdieren. Niet zonder

reden geloof ik dus, dat oorspronkelijk de landzoogdieren geboren zijn

uit door ons dusgenoemde _amphibische_ zoogdieren (†). Want waar deze

zich, door op den duur verschillende gewoonten aan te nemen, in drie

takken gesplitst hebben, daar heeft een dezer groepen geleid tot de

vorming der _cetacea_, een andere tot de _ungulata_ en de derde tot

de _unguiculata_ of genagelde zoogdieren (†).

Diegene van de _tweeslachtige_ zoogdieren bijvoorbeeld, die aan hun

kust-leven getrouw bleven, gingen twee richtingen uit in de wijze

van voeding. Sommige, zich gewennende aan plantenkost, zooals de

_zeekoeien_ en _lamatijnen_, voerden later gaandeweg tot de hoefdieren,

zooals _dikhuidigen_, _herkauwers_, etc.(†). De andere daarentegen,

de _zeehonden_ c.s., die de gewoonte aannamen zich slechts met

visch en ander zeegedierte te voeden, leidden tot het ontstaan van

de unguiculaten, door middel van soorten, die al varieerende geheel

tot een landleven overgingen. (†)

Zoölogische Philosophie Of beschouwingen over de Natuurlijke Historie der dieren etc. · 第 15 / 16 段