natte element nooit meer verlieten en slechts voor de ademhaling
aan de oppervlakte kwamen waarschijnlijk het aanzijn gegeven aan de
verschillende tegenwoordige _cetacea_. Het reeds uit een ver verleden
dagteekenende, volslagen zeeleven der walvischachtigen heeft dan ook
hun bewerktuiging dusdanig gewijzigd, dat de onderkenning van hun
afkomst er thans zeer door bemoeilijkt is.--Inderdaad zijn in den loop
van den onmetelijken tijd, dat deze dieren in den boezem der zeeën
leven, de achterpooten, die nooit gebruikt werden, bijvoorbeeld om den
prooi te grijpen, geheel en al verdwenen, evenals het gebeente daarvan
en zelfs het tot steun en bevestiging dienende bekken.--Maar de invloed
van omgeving en gewoonten openbaart zich bij hen ook in de voorpooten,
die, geheel door huid omhuld als ze zijn, uitwendig geen vingers meer
laten onderscheiden, zoodat ze beiderzijds zich nog slechts als een
vin vertoonen, waarin het geraamte van de hand verborgen is.
Voorzeker bracht het plan van organisatie der walvischachtigen als
zoogdieren mede, om vier ledematen te hebben met een bekken tot steun
van de achterste daarvan. Voorzoover deze deelen nu hier ontbreken,
is dit, gelijk ook elders, het gevolg van terugvorming door langdurig
onbruik, als zijnde nutteloos geworden deelen. Gezien het feit, dat
bij de _zeehonden_ het bekken slechts zwak ontwikkeld is, n.l. nauw
en zonder uitspringende heupen, zal men gevoelen, dat dit veroorzaakt
moet zijn door het middelmatige gebruik der achterste ledematen en
dat bij geheel ophouden daarvan die pooten zelf en het bekken wel
zouden kunnen verdwijnen.
De hier uiteengezette beschouwingen nu zullen ongetwijfeld slechts
eenvoudige gissingen schijnen wegens de onmogelijkheid, ze met direkte,
stellige bewijzen te schragen. Maar bij eenige aandacht voor de
in dit werk meegedeelde waarnemingen en een deugdelijk onderzoek
van de opgenoemde dieren en van het product van hun gewoonten en
omgeving zal men bevinden, dat deze gissingen een groote mate van
waarschijnlijkheid erlangen.
Het volgende overzicht moge het begrip van een en ander
verduidelijken. Men zal eruit zien dat naar mijne meening de
dierenladder begint met minstens twee afzonderlijke stammen en dat
hier en daar gaande-weg eenige takken haar schijnen af te sluiten.
OVERZICHT VAN DE AFSTAMMING DER VERSCHILLENDE DIEREN
Vermes\
\
\ Infusoria
/ \ Polypi
/ \ Radiata
/ \
/ \
/ \ Insecta
/ \ Arachnida
/ \Crustacea
Annelida
Cirrhipedia
Mollusca \
\
\
Pisces
Reptilia
/ \
/ \
/ \
Aves \
| \
| \
Monotremata \
Mam. Amphibia
/ |
/ |
/ M. Cetacea
/\
/ \
/ M. Ungulata
/
M. Unguiculata
Van elk der beide stammen, waarmede deze dieren-reeks begint, ontleenen
de allereerste, eenvoudigste vormen hun aanzijn aan oer-voortbrenging
of generatio spontanea. ()
Een belangrijke oorzaak verhindert ons, de achtereenvolgens
teweeggebrachte wijzigingen te onderkennen, die de dieren tot hun
tegenwoordigen staat gevoerd hebben, en wel deze, dat wij van die
veranderingen nooit getuige zijn. Zoo aanschouwen wij dan de voldongen
feiten maar zien het proces zich niet voltrekken en zijn daardoor van
nature geneigd te gelooven, dat de dingen niet gaandeweg zoo gegroeid
zijn maar altijd in hun tegenwoordigen vorm bestaan hebben.
Terwijl het Geheel der natuur en hare wetten zichzelf steeds gelijk
blijven worden van de veranderingen, die de natuur onophoudelijk
zonder uitzondering in allen deele volvoert, diegene gereedelijk
door den mensch onderkend, wier duur dien van zijn eigen leven niet
aanzienlijk overtreft. Maar die, welke een langen tijdsduur vereischen,
gaan hem voorbij.
Teneinde mijne bedoelingen te verduidelijken veroorlove men mij de
volgende veronderstelling: Indien het menschelijk leven niet langer
duurde dan een _seconde_, dan zou een iegelijk onzer den uurwijzer
van een gewone, loopende pendule nooit van plaats zien veranderen
ofschoon in werkelijkheid die wijzer niet stationair zou zijn. De
waarnemingen van dertig geslachten zouden niets zekers leeren omtrent
de verplaatsing van dezen wijzer want de in een halven minuut afgelegde
weg zou te gering zijn om goed te worden opgemerkt; en indien we uit
veel oudere waarnemingen zouden opmaken, dat de wijzer werkelijk van
plaats veranderd is, zouden we dat niet gelooven en eerder een of
andere vergissing veronderstellen, daar ieder den wijzer steeds op
dezelfde plek van de wijzerplaat heeft zien staan.
Aan mijn lezers laat ik het over, alle desbetreffende toepassingen
te maken.
De _natuur_, dat mateloos geheel van verschillende lichamen en
wezens in allen deele waarvan een eeuwige cyclus heerscht van
bewegingen en veranderingen, aan wetten onderworpen; dit geheel,
alleen onveranderlijk zoolang het zijn _verheven Schepper_ behaagt het
in stand te houden, moet beschouwd worden als een veeléénheid met, als
zoodanig, een alleen aan zijn Schepper bekend doel en niet bestaande om
der wille van een der samenstellende deelen in het bijzonder. Daar elk
deel noodwendig moet veranderen en al verkeerende zichzelf opheffen,
zoo druischt zijn belang in tegen dat des geheels. Zoo het verstand
heeft oordeelt het dat Geheel kwalijk gesteld te zijn. In werkelijkheid
echter is het Geheel der dingen volmaakt en vervult volkomen het doel,
waarvoor het bestemd was.
Korte Inhoud van het Eerste Deel
pag.
Voorwoord van Professor Sluiter V
Voorwoord van den Vertaler IX
Voorrede IX
Motieven van het werk en algemeene gezichtspunten over de
erin behandelde onderwerpen.
Inleiding XXIII
Eenige algemeene beschouwingen over het belang van de studie
der dieren, in het bijzonder van hun organisatie, vooral van
de lagere.
Eerste Deel
Beschouwingen over de natuurlijke historie der dieren, hun
eigenaardigheden, verhoudingen, organisatie, rangschikking
en indeeling in soorten.
Hoofdstuk I
De kunstmatige hulpmiddelen der Natuurwetenschappen 3
Hoe de systematische rangschikking, klassen, orden, families,
geslachten en de nomenclatuur slechts kunstmiddelen zijn.
Hoofdstuk II
Belang van een beschouwing over de natuurlijke overeenkomsten 15
Hoe de kennis van de natuurlijke overeenkomsten tusschen
de verschillende natuurvoortbrengselen de grondslag is van
de natuurwetenschappen en van de algemeene rangschikking
der dieren.
Hoofdstuk III
Over de _soort_ bij de levende wezens en het begrip daaraan te
hechten 23
Hoe het niet waar is, dat de SOORTEN even oud zouden zijn
als de natuur zelve en onderling even oud; maar dat zij zich
achtereenvolgens gevormd hebben en slechts een betrekkelijke
standvastigheid, een tijdelijke onveranderlijkheid vertoonen.
Hoofdstuk IV
Algemeene opmerkingen over de dieren 41
De handelingen der dieren voltrekken zich slechts door
opgewekte, niet door meegedeelde bewegingen. Slechts de
PRIKKELBAARHEID is een algemeene en uitsluitende eigenschap,
de bron hunner handelingen, en het is niet waar, dat alle
dieren gevoel zouden hebben, of wilshandelingen uitvoeren.
Hoofdstuk V
Over de huidige indeeling en ordening der dieren 54
Dat de algemeene indeeling der dieren, tenminste in
haar hoofdgroepen, een reeks vormt, overeenkomstig de
toenemende sámenstelling van organisatie, dat de kennis
van de betrekkingen tusschen de verschillende dieren de
eenige gids is, die ons leiden kan bij het opstellen van die
indeeling, zoodat zijn gebruik de willekeur doet verdwijnen;
dat tenslotte, daar het aantal scheidslijnen, (die in die
indeeling tot het vormen der klassen getrokken moesten worden)
aangegroeid is naarmate men de verschillende orgaanstelsels
leerde kennen, er thans veertien klassen worden onderscheiden,
zeer bevorderlijk voor de zoölogische studiën.
Hoofdstuk VI
Trapsgewijze afklimming en vereenvoudiging der organisatie van het
eene einde van de Keten der dieren tot het andere 71
Dat bij het afdalen van de keten der dieren in de gewone
volgorde vanaf de meer naar de minder volkomene men een
toenemende afklimming en vereenvoudiging van organisatie
waarneemt; dat bijgevolg bij het doorloopen van de dierenscala
in òmgekeerde, d.w.z. natuurlijke volgorde een toenemend
samengestelder worden van de organisatie zal opgemerkt
worden, die overal regelmatig zou voortschrijden indien de
omstandigheden van de woonplaatsen, levenswijze enz. er niet
verschillende afwijkingen van hadden veroorzaakt.
Hoofdstuk VII
Van den invloed der omstandigheden op handelingen en gewoonten der
dieren en van deze als oorzaken, die hun samenstelling en deelen
wijzigen 124
Hoe de veelsoortigheid der omstandigheden van invloed is
op organisatie, algemeenen vorm en deelen der dieren; hoe
verandering in de verblijfplaatsen en levenswijze wijziging in
de handelingen der dieren teweegbrengt en deze laatste, tot
gewoonte geworden zijnde, herhaaldelijker gebruik vereischt
van bepaalde lichaamsdeelen, hetgeen ze verhoudingsgewijze
ontwikkelt en vergroot, een ander deel daarentegen juist
weer buiten gebruik zal stellen, het geen de ontwikkeling
tegenhoudt, het doet vermageren om ten slotte te verdwijnen.
Hoofdstuk VIII
Over de natuurlijke Orde der Dieren en hoe hun indeeling daarmede te
doen overeenstemmen 153
Dat een waarlijk natuurlijke rangschikking der dieren in een
reeks moet beginnen met de meest onvolkomene en eenvoudigste om
met de hoogst-ontwikkelde te eindigen; want hun voortbrengster,
de natuur, heeft hen niet alle tegelijk in het leven kunnen
roepen. Dus bij hun achtereenvolgens tot aanzijn brengen heeft
zij noodwendig moeten beginnen met de eenvoudigste en is aan de
meest samengesteld-bewerktuigde pas in de laatste plaats kunnen
toekomen. Dat de hier voorgestelde indeeling klaarblijkelijk
het dichtst nadert tot de natuurlijke Orde zelve; zoodat
indien er al correcties in noodig zijn, dit dan toch slechts
de onderdeelen kan betreffen; gelijk ik dan inderdaad geloof,
dat de naakte polypen (p. 168) de derde orde van hun klasse
zullen moeten vormen en de drijvende polypen de vierde.
Toevoegingen aan Hoofdstuk VII en VIII 215
AANTEEKENINGEN
[1] Het woord "moral" is hier steeds vertaald door "psychisch" of
"abstract" (Vert.)
[2] Ik noem _abstract_ (_faits moraux_) de wiskundige waarheden,
d.w.z. de resultaten van qualitatieve, quantitatieve of energetische
berekeningen, omdat zij niet door de zinnen maar door het verstand
erkend worden. Deze abstracte feiten nu omvatten zoowel positieve
waarheden, waaronder de waarneembaarheden omtrent het bestaan der
lichamen, als vele andere hierop betrekking hebbende (Emend. naar
Martins. Vert.)
[3] Zie het uitstekende werk van Cabanis, getiteld: _Rapport du
physique et du moral de l'homme_.
[4] De emandatie van Martins hier _niet_ gevolgd! (Vert.)
[5] Nota bene (Vert.)
[6] "Alle ontdekkingen en waarnemingen der natuuronderzoekers zouden
in vergetelheid verzinken en voor de maatschappij verloren gaan, als
de geobserveerde objecten niet elk een naam hadden gekregen, waarmee
ze dadelijk zijn aan te duiden als men 't er over heeft." _Dictionaire
de Botanique_, art. _Nomenclature_.
[7] "Men heeft begrepen, dat een nauwkeurige bepaling van de
eigenaardigheden van elk bereikbaar voorwerp der natuur noodzakelijk
was, om ze ons ten gebruike te kunnen verschaffen. En daarom moest
men hun verschillende kenmerkende bijzonderheden van samenstelling,
vorm, afmeting enz. onderzoeken. Tot op zekere hoogte is men na
gezette studie hierin geslaagd.
"Dit deel van den natuurwetenschappelijken arbeid is het meest
gevorderd, sedert 1-1/2 eeuw heeft men, en met reden, krachtige
pogingen aangewend om het te volmaken, omdat het ons helpt bij
kennisnemen van nieuw ontdekte dingen en ons herinneren van oude; en
omdat het nu en later de kennis moet vastleggen van nuttig gebleken
voorwerpen.
"Maar daar de natuurvorschers te veel den nadruk gelegd hebben op de
scheidsmuren tusschen afdeelingen van het planten- en dierenrijk
en zich bijna uitsluitend op één soort werk hebben toegelegd,
zonder beschouwingen van uit het ware gezichtspunt en zonder
onderling overleg, d.w.z. vóóruit beginselen overeen te komen voor
de begrenzing van elk deel van die groote onderneming en voor elke
determineering, zijn er tal van misbruiken binnengeslopen. Zoodat
waar ieder willekeurig zijn normen wijzigde voor de _klassen_,
_orden_ en _genera_, en het publiek voortdurend talrijke verschillende
classificaties worden voorgezet, ondergaan de geslachten onophoudelijke
wijziging en veranderen de natuurvoortbrengselen als gevolg van dien
gedachteloozen gang van zaken al maar van naam.
"Daardoor is de _synonymie_ afschrikwekkend uitgebreid. Elken dag wordt
de wetenschap duisterder, hult zij zich in schier onoverkomelijke
moeilijkheden, en verkeert zich de best bedoelde poging van den
mensch tot herkenning en onderscheiding van al het door de natuur
ter waarneming en gebruik gebodene in een geweldig doolhof, waarin
men terecht vreest, zich te begeven." _Discours d'ouverture du Cours
de 1806_, p. 5 & 6.
[8] De vertaler verontschuldigt zich voor eenige bewustelijk gebruikte
germanismen.
[9] Emend. Martins gevolgd. (cf. A. Lang).
[10] _Annales du Mus. d'Hist. Natur._ vol. I, p. 235-236.
[11] Zie "_Recherches sur les corps vivans_," aanhang, p. 141.
[12] Hydrogeologie, p. 41 sqq.
[13] Hydrogeologie, p. 112.
[14] Hier staat een botanische aanteekening, refereerende aan
_Hist. nat. des végétaux_, uitg. Déterville, Vol. I. p. 202, van den
auteur (vert.)
[15] Letterlijk op te vatten als "indeeling in klassen;" hier verder
ook weergegeven door "_groepeering_" (vert.)
[16] "Reptiles".
[17] Ter afwisseling zijn nu eens de hollandsche benamingen gebruikt
(vert.)
[18] Robben (vert.)
[19] Robben (vert.)
[20] Waar de vogels doorboorde longen en tot veeren omgevormde haren
hebben als gevolg van hun luchtleven, zal men mij vragen, waarom dan de
vleermuizen ook geen dergelijke longen en veeren bezitten? Ik antwoord,
dat de vleermuizen waarschijnlijk, als zijnde hooger georganiseerd,
door de aanwezigheid van een middenrif, dat het uitdijen der longen
beperkt, er niet in geslaagd zijn deze te doorboren, noch zich
voldoende op te blazen, zoodanig dat de lucht, met kracht de huid
bereikende, aan de hoornstof der haren het vermogen kon geven, zich
tot veeren te vertakken. Immers, bij de vogels dringt de lucht het
"haarzakje" binnen, verandert de basis in een buisje, en dwingt deze
haren zich uit te pluimen. Bij de vleermuizen is dat onmogelijk,
wijl de lucht niet buiten de longen treedt.()
[21] Lepas, Balanus, Coronula, Tubicinella.
[22] "Juist bij de spinnen is het hart gemakkelijk aan te toonen. Bij
de onbehaarde soorten kan men het door de huid heen zien kloppen. Bij
verwijdering daarvan bemerkt men een hol, langwerpig, voor en achter
puntig orgaan, tot aan het kopborststuk loopende, en van waaruit ter
weerszijden duidelijk twee of drie paar vaten verloopen" (_Cuvier_,
_Anat. Comp._ vol. IV, p. 1419.
[23] De kever Calosma o.a. paart ongeveer 3 keer en leeft meerdere
jaren (vert.)
[24] In verband met p. 31 is wellicht "industrie" hier bedoeld als de
psychische gesteldheid, die aan deze verrichtingen ten grondslag ligt
(vert.)
[25] Zie noot op 104.
[26] In het origineel dwaalt hier de schrijver in een noot over de
"geluidstof" af naar zijn _Hydrogeologie_, p. 225.
[27] Vrij vertaald. Er staat: "la faculté de reproduire lui même
d'autres individus, qui lui ressemblent, qui le remplacent et qui
perpetuent sa race par la même voie;" deze tusschenvoeging maakt echter
den heelen passus dubbelzinnig en is daarom hier weggelaten (vert.)
[28] Zie _Voyage du jeune Anarcharsis_, door J. J. Barthelemy, deel V,
p. 353 en 354.
[29] Aldus afgekort ter vermijding van herhalingen (Vert.)
[30] Bryozoa + Hydroida.
[31] Een synasceidie.
[32] Een kalkwier.
[33] Een Bryozoon (vert.)
[34] Een Tunicaat (vert.)
[35] Een Gephyree (vert.)
[36] Ten einde de voortbewegings-organen te verbeteren bestond
de behoefte om het stelsel van gelede, sceletlooze pooten te
verlaten ten gunste van dat met vier knokige ledematen, 't welk de
allerhoogste dieren characteriseert. Dit nu heeft de natuur bij de
anneliden en mollusken a.h.w. voorbereid, om eerst bij de visschen
het typische bouwplan der gewervelde dieren aan te vangen. Zoo zijn
bij de ringwormen de gelede pooten verlaten en bij de weekdieren
daarenboven de ganglieketen.
[37] Parasitische copepoden op visschen levende;
[38] weekdieren (slangenslak en olifantstand, vert.)
[39] Manteldieren, (vert.)
[40] Komt tweemaal voor! (vert).
[41] Identiek met Phascolomys (vert.)
[42] Blijkbaar heerscht reeds bij Lamarck verwarring in de nomenclatuur
der anthropoiden.
[43] Zie eenige waarnemingen over den CHIMPANSEE in mijne _Recherches
sur les corps vivans_, p. 136.
[44] "amphibie" (vert.)
End of Project Gutenberg's Zoölogische Philosophie, by J. B. P. A. Lamarck