Dit is de derde classicale scheidingslijn, die ik passend geoordeeld

heb bij de natuurlijke indeeling der dieren te trekken.--Hier vinden

wij geheel nieuwe vormen, die inmiddels in één beginsel, n.l. de

straalsgewijze rangschikking der deelen, zoo in- als uitwendig,

hun verwantschap vertoonen.

Het zijn niet langer langwerpige dieren met boven- en eindstandigen

mond, meest vastzittend op een polypenstok en in een groot aantal

tezamen een gemeenschappelijk leven voerend; maar de organisatie

van deze dieren is veel samengestelder, als zijnde enkelvoudig,

steeds vrijlevend(†), eigenaardig van gestalte en gemeenlijk om zoo

te zeggen in omgekeerde houding verblijvende.

Bijna alle _straaldieren_ vertoonen buizen voor het opzuigen van water,

die waterhoudende tracheeën schijnen; bij een groot aantal vindt men

bijzondere lichamen gelijkende op eierstokken.

Uit een mémoire, die ik zoo juist heb hooren voorlezen in de

vergadering van professoren aan het Museum verneem ik, dat een

geleerd waarnemer, _doctor Spix_, een Beiersch arts, bij zeesterren

en actiniën een zenuwstelsel ontdekt heeft. _Dr. Spix_ verzekert bij

de roode zeester een vlechtwerk van witte knoopen en vezels gezien

te hebben onder het bindweefselvlies dat als een tent over de maag

is uitgespannen. Voorts waren er aan de basis van elken straal twee

knoopen of gangliën, onderling door een netwerk verbonden en van

waaruit andere netten naar de naburige organen verloopen, o.a. twee

flinke lange over de geheele lengte van den straal, die de voetjes

voorzien.

Volgens zijn waarnemingen vindt men per straal: twee zenuwknoopen,

een uitstulping van de maag, twee leverlobben, twee eierstokken en

tracheekanalen.

Bij de zeeanemonen observeerde _Dr. Spix_ in den voet onder de maag

eenige paren gangliën rondom een middelpunt en onderling verbonden

door cylindrische netten waarvan er ook naar de hooger gelegen deelen

verloopen; buitendien vier ovariën rond de maag, van welker basis

kanalen gaan die na zich vereenigd te hebben zich op een lager gelegen

punt in de voedselholte uitstorten.--Hoe verwonderlijk, dat dermate

samengestelde organen aan de aandacht der betreffende onderzoekers

zijn ontsnapt!

Indien _Dr. Spix_ zich in zijn waarnemingen niet vergist heeft door

aan die organen een verkeerden aard en functie toe te kennen--wat

zooveel botanici overkomen is, die geslachtelijkheid bij welhaast

alle cryptogamen gezien meenen te hebben,--dan is het resultaat:

1e. Dat men niet langer het zenuwstelsel moet beschouwen als

te beginnen bij de insecten, maar

2e. bij de wormen, straaldieren en zelfs bij Actinia, het

laatste geslacht der polypen;

3e. Dat daarom nog niet alle polypen zoo'n stelsel in beginsel

behoeven te bezitten--(evenmin als bijvoorbeeld _alle_

reptielen kieuwen hebben);

4e. Dat desalniettemin het zenuwstelsel een bijzonder orgaan

is, niet bij alle levende wezens voorkomend, noch bij de

planten, noch bij alle dieren. Want, gelijk aangetoond,

is zijn tegenwoordigheid bij de infusoriën uitgesloten en

voorzeker ook bij de meerderheid der polypen; men zou het

bijv. tevergeefs zoeken bij de zoetwaterpolyp, die intusschen

toch tot de laatste orde van die klasse behoort, welke orde het

dichtst bij de radiaten staat, als bevattende ook de actiniën.

Hoezeer gegrond dus de bovengenoemde feiten ook mogen zijn, de in dit

werk uiteengezette beschouwingen omtrent de achtereenvolgende vorming

der verschillende bijzondere organen blijven onaangetast bestaan,

op welken trap van de scala der dieren zij ook een aanvang nemen. En

altijd geldt dit: dat de dierlijke functies pas beginnen plaats te

hebben bij het optreden van de betreffende organen.

OVERZICHT DER RADIATA

ORDE I. WEEKE STRAALDIEREN

_Lichaam geleiachtig; huid week en doorschijnend, zonder gelede

stekels; anus ontbreekt._

Stephanomia.

Lucernaria (Bekerkwallen).

Physophora (Blaaskwal).

Physalia (Portugeesch oorlogsschip).

Velella (Zeilkwal).

Porpita (Platte buiskwal).

Pyrosoma (Vuurrol [34]).

Beroë (Ribkwal).

Aequorea (Hydromeduse).

Rhizostoma (Longkwal).

Medusa (Groote kwal).

ORDE II. STEKELHUIDIGE STRAALDIEREN (RADIATA ECHINODERMATA)

_Huid ondoorschijnend, korst- of lederachtig met intrekbare voetjes

of op knobbeltjes bewegelijk bevestigde stekels en (dan) met rijen

gaatjes._

_1. Zeesterren. Huid niet prikkelbaar maar beweeglijk; geen anus._

Ophiura (Slangster).

Asterias (Zeester).

_2. Zeeëgels. Huid noch prikkelbaar, noch beweeglijk; een anus._

Clypeaster (Zeeschild).

Cassidulus.

Spatangus (Zeeklit).

Ananchytes.

Galerites.

Nucleolites.

Echinus (Zeeegel).

3. _Zeekomkommers. Lichaam verlengd, huid beweeglijk en prikkelbaar;

een anus._

Holothuria (Zeekomkommer).

Sipuncules (Spuitworm [35]).

_Opmerking._

Sipunculus is zeer verwant met de wormen; wegens het ontdekken

van hun betrekkingen tot de holothuren zijn ze bij de straaldieren

geplaatst(†), wier eigenschappen ze niet meer vertoonen en aan welker

einde ze derhalve moeten komen.

Bij een goede natuurlijke indeeling vertoonen de eerste en de laatste

genera der klassen de klassieke karaktertrekken het minst uitgesproken,

wijl ze zich op den grens bevinden. En aangezien de scheidingslijnen

kunstmatig zijn moeten zij wel die eigenschappen van hun klasse in

mindere mate bezitten.

KLASSE IV. VERMES (WORMEN)

_Weeke dieren, zich voortplantende met oneigenlijke eieren; lang

van vorm zonder kop, oogen of pooten en zonder trilhaargroepen of

bloedsomloop; compleet spijsverteringsorgaan, met twee openingen. Mond

bestaande uit een of meerdere zuignappen._

_Opmerkingen._

De algemeene gedaante der _wormen_ is zeer verschillend van die der

straaldieren en hun zuig-mond heeft geen enkele overeenkomst met dien

der polypen welke slechts bestaat uit een opening, straalsgewijze

omgeven door tentakels of raderorganen. De wormen hebben in 't

algemeen een zeer weinig samentrekbaar lichaam, ofschoon zeer week

en het ingewand is niet langer voorzien van slechts een enkele opening.

Bij de holothuren heeft de natuur voor 't eerst den straalsgewijzen

bouw verlaten en het lichaam een langwerpigen vorm gegeven, de eenige,

die tot het voorgestelde doel kon leiden.

Te beginnen met de wormen zal zij voortaan streven naar het beginsel

van _symmetrie tusschen gepaarde deelen_, de weg waarheen leidt over

den geleden lichaamsbouw; maar in de i.z.o. tweevormige klasse der

_vermes_ zijn daarvan ternauwernood de grondslagen gelegd.

OVERZICHT DER VERMES

ORDE I. ROLRONDE WORMEN

Gordius (Koordworm).

Filaria (Draadworm).

Proboscides.

Crino.

Ascaris (Spoelworm).

Fissula.

Trichocephalus (Haarkopworm).

Cucullanus.

Strongylus (Palissadenworm).

Scolex (Blaasworm).

Caryophyllaeus (Anjelierworm).

Tentacularia.

Echinorhynchus. (Hakenworm).

ORDE II. BLAASWORMEN

Bicornis (Ditrachycera).

Hydatis (Worm-blaas).

ORDE III. PLATWORMEN

Taenia (Lintworm).

Linguatula (Wormspin).

Ligula (Vogellintwormpje).

Fasciola (Leverbot).

ORGANISATIE VAN DEN IIIen GRAAD

Zie Tabel I

(_Insecten en Spinachtige dieren_).

KLASSE V. INSECTA

Eierleggende dieren, die een gedaanteverwisseling ondergaan, vleugels

kunnen hebben en in volkomen staat zes gelede pooten, twee sprieten,

twee facetoogen en een verhoornde huid bezitten. Ademhaling door

luchthoudende tracheeën die zich in alle deelen uitstrekken; geen

bloedsomloop; gescheiden geslacht met een enkele bevruchting gedurende

den loop van het leven (†).

_Opmerkingen._

Bij de insecten aangekomen bevinden we bij de uiterst talrijke dieren

dezer klasse een staat van zaken, totaal afwijkend van dien in de

vier vorige. In plaats van een kleinen vooruitgang in bewerktuiging

heeft men dan ook een belangrijken sprong gemaakt.

Bij deze dieren toch ontmoeten we bij uitwendige beschouwing voor de

eerste maal een werkelijken, duidelijken _kop_; zeer merkwaardige,

ofschoon nog onvolkomen oogen; gelede pooten op twee rijen geplaatst,

en het beginsel van symmetrie tusschen gepaarde deelen, dat de natuur

voortaan tot bij de meest volkomen dieren zal toepassen.

Inwendig treffen we een volledig zenuwstelsel aan, bestaande uit

zenuwen, die uitloopen in een _ganglieketen_. Maar ofschoon volledig is

het nog verre van volmaakt daar het gevoelscentrum zeer verbrokkeld

is en de zinnen zelve weinige in getal en zeer duister zijn. Ten

slotte vinden wij er nog een werkelijk spierstelsel en gescheiden

geslachten die echter, evenals de planten, slechts tot één enkele

bevruchting in staat zijn(†).

Weliswaar ontbreekt alsnog een _bloedsomloop_, welke perfectioneering

van bewerktuiging men hooger in de dierenketen moet zoeken.

Aan alle _insecten_ zijn in volwassen staat vleugels eigen; diegene,

waarbij ze ontbreken, hebben ze door constant geworden reductie

verloren.

In het hier volgende overzicht is het aantal geslachten tot ver onder

het gebruikelijke teruggebracht. Het belang van de studie, de eenvoud

en duidelijkheid van de methode schenen mij die besnoeiïng noodig

te maken, die overigens aan de wetenschap geen schade behoeft te

doen. Alle voorhanden bijzonderheden in de eigenschappen der planten

en dieren aan te grijpen om het aantal genera tot het oneindige te

vermeerderen is, wel verre van de wetenschap te dienen, deze fnuiken

en verduisteren, en de studie zoo samengesteld en moeilijk maken,

dat zij nog slechts uitvoerbaar blijft voor diegenen, die hun heele

leven zouden willen wijden aan het leeren kennen van de geweldige

nomenclatuur en de pietluttige bijzonderheden ter onderscheiding

dezer dieren.

OVERZICHT DER INSECTEN

[ERROR: unhandled comment start] Make SGML validator happy -->

(A) ZUIGERS

_Bek met zuigslurf, met of zonder scheede._

ORDE I. APTERA (VLEUGELLOOZEN.)

_Een tweekleppige drieledige snuit, een uit twee borstels bestaande

slurf insluitend.--De vleugels gewoonlijk bij beide sexen onontwikkeld;

pootlooze larve; onbeweeglijke pop in een cocon._

Pulex (Vloo)

ORDE II. DIPTERA (TWEEVLEUGELIGEN)

_Slurf ongeleed, recht of gebogen, soms intrekbaar. Twee naakte

vleugels, vliezig en van aderen voorzien; twee kolfjes; larve een

meest pootlooze made._

Hippobosca (Paardenluisvlieg).

--

Oestrus (Schapenhorzel).

--

Stratiomys (Doornrug).

Syrphus (Zweefvlieg).

Anthrax(Rouwvlieg).

Musca (Huisvlieg).

--

Stomoxys (Steekvlieg).

Myopa. )

Conops. ) (Dikkopvlieg).

Empis (Dansvlieg).

Bombylius (Hommelvlieg).

Asilus (Roofvlieg).

Tabanus (Daas).

Rhagio (Leptis, Snipvlieg).

--

Culex (Steekmug).

Tipula (Langpootmug).

Simulium (Kriebelmugje).

Bibio (Vliegmug).

ORDE III. HEMIPTERA (HALFVLEUGELIGEN)

_Snuit scherp, geleed, onder de borst gebogen en als scheede dienende

voor een uit 3 borstels bestaande slurf.--Twee vleugels, onder vliezige

dekschilden verborgen; larf zespootig; beweeglijke en etende pop._

Dorthesia (Brandnetelluis).

Coccus (Schildluis).

Psylla (Bladvloo).

Aphis (Bladluis).

Aleurodes (Motschildluis).

Thrips (Blaaspoot).

--

Cicada.

Fulgora (Lantaarndrager).

Tettigonia.

--

Scutellera (Schildwants).

Pentatoma (Frambozenwants).

Cimex (Bedwants).

Corteus (Randwants).

Reduvius (Roofwants.)

Hydrometra (Schaatsenrijder).

--

Gerris.

Nepa (Waterschorpioen).

Notonecta (Rugzwemmer).

Naucoris (Zwemwants).

Corisa (Duikerwants).

ORDE IV. LEPIDOPTERA (VLINDERS)

_Slurf uit twee stukken bestaande zonder scheede, een buisvormige snuit

gelijk en spiraalvormig opgerold in rust.--Vier vliezige vleugels,

bedekt met gekleurde en meelachtige schubben.--Larf met acht tot

zestien pooten; pop onbeweeglijk._

1. _Sprieten priem- of borstelvormig._

Pterophorus (Vedermot).

Orneodes (Kamperfoeliemot).

Cerostoma (Motten).

Tinea.

Alucita (Zespennige Vlinder).

Adela (Mot).

Pyralis (Meelmot).

--

Noctua (Uil).

Phalaena.

Bombyx (Zijdevlinder).

Hepialus (o.a. Hopvlinder, Heidewortelvlinder).

2. _Sprieten ergens verdikt._

Zygaena (St. Jansvlinders of Bloedvlekjes).

Papilio (Koninginnepage).

Sphinx (Pijlstaart).

Sesia (Wespvlinder).

(B) BIJTERS

_Bek met bovenkaken, meest begeleid door onderkaken_.

ORDE V. HYMENOPTERA (VLIESVLEUGELIGEN)

_Bovenkaken en een uit drie min of meer verlengde stukken bestaande

slurf, waarvan de basis in een korte scheede besloten is.--Vier naakte

vleugels, vliezig, geaderd en ongelijk van vorm; anus van de wijfjes

met een stekel of legboor bewapend; pop onbeweeglijk._

1. _Anus der wijfjes met een stekel gewapend._

Apis (Bij).

Monomelita.

Nomada (Wespbij, Koekoeksbij).

Eucera (Langsprietbij).

Andrena (Graafbij).

Vespa (Wesp).

Polistes (Plooiwesp).

Formica (Mier).

Mutilla (Mierenwesp).

Scolia (Dolkwespen).

Tiphia.

Bembex (Bastaardwesp).

Crabro (Graafwesp).

Sphex (o.a. Sprinkhanenjager).

2. _Anus der wijfjes voorzien van een legboor._

Chrysis (Goudwesp)

Oxyurus.

--

Leucopsis (een dipteer).

Chalcis (Metaalwesp).

Cynips (Galwesp).

Diplolepis (")

Ichneumon (Sluipwesp).

--

Evania (Hongerwesp).

Foenus (Jichtwesp).

--

Urocerus.

Oryssus (Houtwesp).

Tenthredo (Bladwesp).

Clavellaria (").

ORDE VI. NEUROPTERA (NETVLEUGELIGEN)

_Boven- en onderkaken.--Vier naakte, vliezige vleugelen met een

netwerk van aderen; achterlijf verlengd en zonder stekels of legboor;

larve zespootig; metamorphose verschillend._

1. _Pop onbeweeglijk._

Perla. }

Nemura. } (Perlarien)

Phryganea (Kokerjuffer).

Hemerobius (Gaasvlieg).

Ascalaphus (Vlinderhaft).

Myrmeleon (Mierenleeuw).

2. _Pop beweeglijk._

Nemoptera (Draadhalft).

Panorpa (Schorpioenvlieg).

Psocus (Houtvlieg).

Termes (Termiet).

--

Corydalis (een Grootvleugel).

Chauliodes.

Raphidia (Kameelhalsvlieg).

Ephemera (Haft).

--

Agrion (Waterjuffer).

Aeschna (Glazenmaker).

Libellula (Libel).

ORDE VII. ORTHOPTERA (RECHTVLEUGELIGEN)

_Bovenkaken en door een helm bedekte onderkaken. Twee rechte vleugels,

overlangs opgevouwen en bedekt door bijna vliezige elytren.--Larf

als het volwassen insect, maar zonder vleugels of dekschilden;

beweeglijke pop._

Locusta (Sabelsprinkhaan).

Acheta (Huiskrekel).

Acridium (Treksprinkhaan).

Truxalis.

--

Mantis (Bidsprinkhaan).

Phasma.

Spectrum (Wandelende Tak).

--

Gryllus (Krekel).

Blatta (Kakkerlak).

Forficula (Oorworm).

ORDE VIII. COLEOPTERA (KEVERS)

_Boven- en onderkaken.--Twee vliezige vleugels, in rust overdwars

gevouwen en onder twee kortere harde of leerachtige schilden.--Larf

zespootig, blind en met beschubden kop; pop onbeweeglijk._

1. _Twee of drie leden aan alle tarsen._

Pselaphus.

--

Coccinella (Lieveheersbeestje).

Eumorphus.

2. _Vier leden aan alle tarsen._

Erotylus (Zwamkever).

Cassida (Schildpadtor).

Chrysomela (Goudhaantje).

Necydalis (Wespenbok).

Callidium (Prachtbok).

Cerambyx (Heldenbok).

Galeruca (Helmkever).

Crioceris (Haantje).

Clytra (Zakkever).

Cryptocephalus.

--

Leptura (Smallebloemenbok).

Stenocorus.

Saperda (Populierenboktor).

--

Prionus (Breede bok).

Spondylis (Woudbok).

--

Bostrychus (Boorkever).

Mycetophagus (Zwameter).

Trogosita (Meeltor).

Cucujus (Schorskever).

Bruchus (Erwtenkever).

Attelabus (Eikenbladroller).

Brenthus (Langkever).

Curculio (Snuittor).

Brachycerus.

3. _Vijf leden aan de tarsen van de twee voorste pootparen, vier aan

die van het achterste paar._

Opatrum (Dofzwarte zandtor).

Tenebrio (Meelworm).

Blaps (Rouwkever).

Pimelia (Vetkever).

Sepidium.

Scaurus.

Erodius.

Chiroscelis.

--

Helops.

Diaperis.

--

Cistela.

Mordella (Wigkever).

Rhipiphorus (Waaierkever).

Pyrochroa (Vuurkever).

Cossyphus.

Notoxus (Spitsrugkever).

Lagria (Haartor).

Cercoma.

Apalus.

Horia.

Mylabris (Blaaskever).

Cantharis (Weekschildkever).

Meloë (Oliekever).

4. _Aan alle tarsen vijf leedjes._

Lymexylon (Werfkever).

Telephorus (=Cantharis).

Malachius (Koperen tor).

Melyris.

Lampyris (Glimworm).

Lycus.

Omalysus.

Drilus (Slakkentor).

--

Melasis.

Buprestis (Prachtkever).

Elater (Kniptor).

--

--

Hydrophilus (Pikzwarte watertor).

Gyrinus (Draaikever).

Dryops.

Clerus (Bonte kever).

--

Necrophorus (Doodgraver)

Silpha (Aaskever).

Nitidula (Glanskever).

Ips (Graveertor; Bastkevers).

Dermestes (Spektor).

Ptilinus.

Anobium (Klappertje).

Ptinus (Diefje).

--

Staphylinus (Kortschildkever).

Oxyporus.

Paederus (Kortvleugeltor).

--

Cicindela (Zandkever).

Elaphrus (Ooverlooper).

Scarites (Vingertor).

Mantichora (Zandkever).

Carabus (Loopkever).

Dytiscus (Watertor).

Anthrenus (Museum tor).

Byrrhus (Pillenkever).

Hister (Krengtor).

Sphaeridium (Koemestkever).

--

Trox.

Cetonia (Gouden tor).

Goliathus (Goliathkever).

Melolontha (Meikever).

Lethrus (Wingerdsnijder).

Geotrupes (Mestkever).

Copris (Spaansche kever).

Scarabaeus (Heilige tor).

Passalus (Suikerkever).

Lucanus (Vliegend hert).

KLASSE VI. ARACHNIDA (SPINACHTIGEN)

Zie Tabel I

_Opmerkingen._

De spinachtige dieren, die in onze rangschikking na de insecten komen,

hebben een kennelijken vooruitgang in bewerktuiging te boeken. Zoo

vertoont zich feitelijk de geslachtelijke voortplanting voor 't eerst

in zijn typischen vorm, daar deze dieren zich meerdere malen in den

loop van hun leven paren en voortplanten (de insecten slechts één keer,

evenals de planten). Voorts vinden we hier ook het eerste optreden van

een bloedsomloop, want volgens de waarnemingen van _Cuvier_ treft men

bij hen een hart aan, waarvanuit twee of drie paar bloedvaten loopen.

De arachnida leven in de lucht, evenals de volwassen insecten, maar ze

ondergaan volstrekt geen gedaanteverwisseling, hebben nooit vleugels

of dekschilden (zonder dat dit het gevolg is van reductie) en leven

gewoonlijk verborgen, althans eenzaam, terwijl ze zich voeden met

hun prooi, daaruit tenminste bloed zuigen.

Bij de arachniden gaat de ademhaling nog op dezelfde wijze als bij de

insecten, maar dit is op het punt van te veranderen; want de tracheeën

zijn hier zeer beperkt, om zoo te zeggen verworden en strekken zich

niet in alle deelen van het lichaam uit. Ze zijn gelimiteerd tot

een klein aantal blaasjes, volgens de mededeelingen van _Cuvier_

(Anatom. vol. IV, p. 419). Bij geen enkel dier van de hierna volgende

klassen vinden we dit ademstelsel terug.

OVERZICHT DER SPINACHTIGE DIEREN

ORDE I. ARACHNIDA PALPATA

_Geen sprieten maar slechts palpen; kop met borststuk versmolten;

acht pooten._

Mygale (Vogelspin).

Aranea (Kruisspin).

Phrynus (Zweefschorpioen).

Thelyphonus (Draadschorpioen).

Scorpio (Schorpioen).

--

Chelifer (Boekenschorpioen).

Galeodes (Rolspin).

Phalangium (Hooiwagen).

Trogulus.

Elays.

Trombidion (Loopmijt).

--

Hydrachna (Watermijt).

Bdella (Snavelmijt).

Acarus (Mijt).

Nymphon (Zeespin).

Pycnogonum (Zeespin).

ORDE II. ARACHNIDA ANTENNATA

_Twee sprieten; kop en borststuk afzonderlijk._

Pediculus (Luis).

Ricinus (Hondenteek).

Forbicina.

Podura (Springstaart).

--

Scolopendra (Duizendpoot)

Scutigera (Schilddrager).

Julus (Milioenpoot).

ORGANISATIE VAN DEN IVen GRAAD

Zie Tabel I

(_Crustacea, Annelida, Cirripedia en Mollusca_).

Eierleggende dieren met geleed lichaam en ledematen, verharde huid,

verscheidene paren kaken en op den kop oogen en sprieten. Ademhaling

met kieuwen; een hart en bloedvaten.

_Opmerkingen._

Bij de formeering der schaaldieren heeft de natuur blijkbaar weer

een aanzienlijken vooruitgang gemaakt.--Vooreerst verschilt het

ademhalingssysteem ten eene male van dat der spinachtige en gekorven

dieren; het betreffende stelsel namelijk (de _kieuwen_) wordt tot

bij de visschen toegepast. Tracheeën zullen we niet meer aantreffen

en de kieuwen zelf verdwijnen pas met het optreden van cellongen.

Voorts is de _bloedsomloop_,--bij de arachniden nog pas in staat van

wording,--hier tot volle ontwikkeling gekomen, want bij de _crustacea_

vindt men een hart en slagaderen, die het bloed naar de verschillende

deelen van het lichaam stuwen alsmede aders voor de terugleiding naar

het centrum der circulatie.

De geleding geschiedt nog op dezelfde manier als bij insecten

en spinnen, waar door verharding van de huid de spier-werking

vergemakkelijkt is; maar voortaan zal de natuur dit stelsel verlaten

ten gunste van een ander.

De meeste schaaldieren leven in het water, 't zij zout, brak of zoet;

slechts sommige houden zich op 't land op en ademen met hun kieuwen

lucht in; ze voeden zich zonder uitzondering met dierlijk voedsel (†).

OVERZICHT DER SCHAALDIEREN

ORDE I. CRUSTACEA MET ZITTENDE OOGEN

_De oogen zittend en onbeweeglijk._

Oniscus (Pissebed).

Ligia (Zeepissebed).

Asellus (Waterspin).

Cyamus (Walvischluis).

Gammarus (Vlookreeft).

Caprella(Spookkreeftje).

--

Cyclops (Eenoog).

Zoea (Larvevorm).

Cephaloculus.

Anymone.

Daphnia (Watervloo).

Lynceus.

Osole.

Limulus (Degenkrab).

Caligus (Vischluis).

Polyphemus (Roof-watervloo).

ORDE II. CRUSTACEA MET GESTEELDE OOGEN

_Twee duidelijke oogen op beweeglijke stelen._

1. _Staart verlengd, met zwemblaadjes, haken of haren voorzien._

Branchipus (Kieuwpoot).

Squilla (Bidkreeft).

Palaemon (Garnaal).

Crangon (Garnaal).

Palinurus(Langoest).

Scyllarus (Beerkreeft).

Galathea (Bastaardkreeft).

Pagurus (Heremietkreeft).

--

Ranina (Kikkerkrab).

Albunea (Zandkreeft).

Hippa (Bras. Graafkreeft).

Corystes (Helmkrab).

Porcellana (Porcelein krabbetje).

2. _Staart kort, naakt en tegen de onderzijde van het achterlijf

gedrukt._

Pinnotheres. (Erwtenkrabbetje).

Leucosia (Bolkrab).

Arctopsis.

Maia (Spinkrab).

Matuta.

Orithyia.

Podophthalmus.

Dorippe (Camoufleerkrab).

Plagusia.

Grapsus (Rotskrab),

Ocypode (Zandkrab).

Calappa (Schaamkrab).

Hepatus (Chilikrab).

Dromia (Wolkrab).

Cancer (Noordzeekrab).

KLASSE VIII. ANNELIDA (RINGWORMEN)

_Eierleggende dieren met verlengd, week lichaam, overdwars geringd,

zelden met oogen of duidelijken kop en zonder gelede pooten. Aderen

en slagaderen voor den bloedsomloop; ademhaling door kieuwen; een

ganglieketen._

_Opmerkingen._

Bij de ringwormen ziet men een poging der natuur tot het verlaten van

den geleden lichaamsbouw der insecten, crustaceeën en spinachtigen. Het

lange, weeke lichaam, meestal eenvoudig in ringen verdeeld, geeft

hun schijnbaar het onvolkomen voorkomen der _wormen_, waarmede zij

verward zijn. Maar het bezit van arteriën en venen en de ademhaling

door kieuwen doet deze dieren den overgang vormen van de schaal-

tot de week-dieren.

Zij missen gelede pooten [36], en de meerderheid voert in plaats

daarvan (bundels van) haren. Bijna alle zijn zuigers en voeden zich

slechts met vloeibare stoffen.

OVERZICHT DER RINGWORMEN

ORDE I. CRYPTOBRANCHIATA (BEDEKTKIEUWIGE ANNELIDEN)

Planaria (Platworm).

Sanguisuga (Bloedzuiger).

Lernaea (Haantje). [37]

Clavella.2

--

Furia.

Nais (Zoetwaterborstelwormpje).

Lumbricus (Regen worm).

Thalassema (Echiuride).

ORDE II. GYMNOBRANCHIATA (NAAKTKIEUWIGE ANNELIDEN)

Arenicola (Zeepier).

Amphinome.--

Aprodite (Zeemuis).

Nereis (Zeeduizendpoot).

--

Terebella (Schelpkokerworm).

Amphitrite (Schelpkokerworm).

Sabellaria (Zandkokerworm).

--

Serpula (Kalkkokerworm).

Spirorbis (Spiraalkokerwormpje).

Siliquaria. } [38]

Dentallium. }

KLASSE IX. CIRRIPEDIA (RANKPOOTIGEN)

_Eierleggende dieren met een schaal, zonder kop of oogen; een mantel

bekleedt van binnen de schaal; gelede armen met hoornachtige huid;

mond met twee paar kaken. Ademhaling met kieuwen; een ganglieketen,

bloedvaten aanwezig._

_Opmerkingen._

Ofschoon men van deze groep nog slechts een gering aantal geslachten

kent zijn de eigenschappen dezer dieren zóó singulier, dat zij de

opstelling van een afzonderlijke klasse eischen.

De _cirripediën_ kunnen, als hebbende een schaal en mantel, en kop

met oogen missende, geen crustaceeën zijn; hun rank-armen verzetten

zich tegen een groepeering onder de anneliden en de ganglieketen

tegen die bij de mollusken.

OVERZICHT DER RANKPOOTIGEN

Tubicinella. } op walvisschen

Coronula. } groeiende r.p.

Balanus (Zeepok).

Lepas (Eendemossel).

Zoölogische Philosophie Of beschouwingen over de Natuurlijke Historie der dieren etc. · 第 13 / 16 段